Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1606

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
23-002392-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57 SrArt. 63 SrArt. 138 SrArt. 404 lid 5 SvArt. 27 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis en oplegging gevangenisstraf voor lokaalvredebreuk met recidive

De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor meerdere gevallen van lokaalvredebreuk door het betreden van een winkelcentrum waar hem de toegang voor een jaar was ontzegd. In hoger beroep vernietigt het gerechtshof het eerdere vonnis en verklaart de verdachte schuldig aan drie gevallen van wederrechtelijk binnendringen op 7 en 9 januari 2025.

De verdachte, dakloos en met een ernstige alcoholverslaving, erkende zijn aanwezigheid in het winkelcentrum en wist van de ontzegging. Ondanks zijn persoonlijke omstandigheden en het verzoek van zijn raadsman om een lichtere straf op te leggen, acht het hof een gevangenisstraf passend vanwege de ernst van de feiten, de overlast voor personeel en publiek, en de recidive.

Het hof legt een gevangenisstraf van vier weken op met aftrek van voorarrest en wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf af vanwege de problematiek van de verdachte. Tevens wordt de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf gelast wegens overtreding van de proeftijd. Het vonnis is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf wegens meervoudige lokaalvredebreuk met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002392-25
datum uitspraak: 8 mei 2026
TEGENSPRAAK(gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 24 maart 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 16-007345-25, 16-008779-25, 16-033005-25, en daarnaast 16-266486-22 (TUL) en 21-003778-23 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) in het jaar 1986,
postadres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 mei 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is bij voormeld vonnis vrijgesproken van de onder parketnummer 16-033005-25 tenlastegelegde lokaalvredebreuk. Zijn hoger beroep is ook tegen deze vrijspraak ingesteld, en dat kan niet volgens de wet (artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv)). Het hof zal het beroep tegen die vrijspraak daarom niet behandelen en de verdachte daarin niet-ontvankelijk verklaren.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 16-007345-25 (zaak A):
1.
hij op of omstreeks 7 januari 2025 (in de ochtend) te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 1 jaar;
2.
hij op of omstreeks 7 januari 2025 (in de avond) te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 1 jaar;
Zaak met parketnummer 16-008779-25 (zaak B):
hij op of omstreeks 9 januari 2025 te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , althans bij een ander dan verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegt voor de duur van 1 jaar;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Zij heeft daarbij verwezen naar het uitgewerkte proces-verbaal ter terechtzitting van de politierechter met daarin een gedetailleerde uiteenzetting van de bewijsmiddelen.
Het hof overweegt als volgt.
Gelet op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen in het proces-verbaal ter terechtzitting van de politierechter stelt het hof vast dat de verdachte in de ochtend en in de avond van 7 januari 2025 en twee dagen later, op 9 januari 2025, is aangetroffen in winkelcentrum [plaats] , terwijl hem de toegang daartoe op 24 mei 2024 is ontzegd voor de duur van één jaar, eindigend op 24 mei 2025. De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij zich inderdaad op 7 en 9 januari 2025 in het winkelcentrum bevond. Ook heeft hij op 8 januari 2025 bij de politie verklaard dat hij wist dat hij een ontzegging had voor het winkelcentrum, maar dat hij geen plek had om naartoe te gaan en hij de kou wilde vermijden.
Gelet op het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien komt het hof tot een bewezenverklaring.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij op 7 januari 2025 (in de ochtend) te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 1 jaar;
2.
hij op 7 januari 2025 (in de avond) te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 1 jaar.
Zaak B:
hij op 9 januari 2025 te Utrecht in het besloten lokaal [plaats] , wederrechtelijk is binnengedrongen, immers was hem, verdachte, met ingang van 24 mei 2024 schriftelijk de toegang tot dat winkelcentrum ontzegd voor de duur van 1 jaar.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B bewezenverklaarde levert telkens op:
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken waarvan drie weken voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft het hof verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden waaronder de verdachte de feiten heeft begaan: de verdachte is dakloos en probeerde zich te beschermen tegen de kou. Ook heeft de verdachte aan de raadsman aangegeven niet de gevangenis in te willen. Volgens de raadsman is een gevangenisstraf van vier weken niet passend en geboden en wordt daarmee geen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De raadsman heeft het hof daarom verzocht een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van zeven dagen waarvan zes dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich driemaal schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door het winkelcentrum [plaats] binnen te gaan, terwijl hij wist dat de toegang tot dat winkelcentrum hem was ontzegd vanwege eerder overlastgevend gedrag. Door zijn handelen heeft de verdachte niet alleen het personeel van het winkelcentrum, maar ook het winkelende publiek hinder en overlast bezorgd.
De reclassering heeft in het reclasseringsrapport van 17 maart 2026, opgemaakt in de zaak met parketnummer 21-003723-24, waarin op 10 juni 2025 bijzondere voorwaarden aan de verdachte zijn opgelegd, geadviseerd het reclasseringstoezicht voortijdig negatief te beëindigen, omdat de verdachte de voorwaarden heeft overtreden. Beschreven wordt dat bij de verdachte sprake is van een alcoholverslaving en een daklozenbestaan; ook is hij al maanden niet gekomen op afspraken met de reclassering. Wanneer hij wel komt, is hij regelmatig onder invloed van alcohol en toont hij soms intimiderend dan wel agressief gedrag. Dit in combinatie met het feit dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft leidt ertoe dat het voor de reclassering onhaalbaar is de verdachte te bereiken.
Uit het (omvangrijke) strafblad van de verdachte van 23 april 2026 blijkt dat hij eerder vele malen onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Op zijn strafblad staat een grote hoeveelheid lokaalvredebreuk-zaken; de verdachte heeft vrijwel in iedere zaak steeds weer hoger beroep ingesteld.
De verdachte is, zo oordeelt het hof, een kwetsbaar en dakloos persoon die kampt met een ernstige alcoholverslaving wat tot overlastgevend gedrag leidt. Hoewel de raadsman heeft bepleit dat de verdachte niet nogmaals de gevangenis in wil en een (langere) gevangenisstraf geen rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ziet het hof dat anders. Naar het oordeel van het hof kan een gevangenisstraf juist een positieve draai aan het leven van de verdachte geven. Het zal er in ieder geval voor zorgen dat de verdachte weer structuur en regelmaat zal ervaren. Tevens zorgt de detentie ervoor dat de verdachte geen alcohol zal kunnen gebruiken, waardoor hem een kans geboden wordt om een begin te maken met het afkicken van alcohol. Ook kan tijdens detentie samen met de verdachte worden gezocht naar dat wat hij nodig heeft om uit de problemen te komen en te blijven en (zo) de draad van zijn leven weer op te pakken, om zodoende ook recidive te voorkomen. Gelet op voorgaande acht het hof een gevangenisstraf juist in het belang van de verdachte. Het hof zal dan ook voor deze strafmodaliteit kiezen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63 en 138 van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer: 16-266486-22)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 23 november 2022 opgelegde voorwaardelijke taakstraf van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.
De raadsman heeft primair verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte bereid is een taakstraf te verrichten.
Het hof acht de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging niet opportuun, omdat het een taakstraf betreft en de verdachte deze vanwege zijn problematiek naar alle waarschijnlijkheid niet zal kunnen uitvoeren. Het hof zal deze vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

Vordering tenuitvoerlegging (parketnummer: 21-003778-23)

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven dagen. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen.
De raadsman heeft het hof verzocht de vordering af te wijzen wegens de betekeningsperikelen die in eerste aanleg al werden benoemd en vanwege inhoudelijke redenen samenhangende met de persoon van de verdachte zoals onder het strafmaatverweer toegelicht.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom zal de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 16-007345-25 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 16-008779-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 16-007345-25 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 16-008779-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst af de vordering van de officier van justitie van het parket Midden-Nederland van
8 januari 2025, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland (locatie Utrecht) van 23 november 2022, parketnummer 16-266486-22, voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 (dertig) uren subsidiair 15 (vijftien) dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 april 2024, parketnummer 21-003778-23, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten: een
gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.W.T. Klappe en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 8 mei 2026.