Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1607

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
23-002459-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep oplichting en poging tot oplichting met emballagebonnen

In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de politierechter vernietigd en de verdachte veroordeeld voor driemaal oplichting en eenmaal poging tot oplichting met emballagebonnen bij verschillende winkels in Amsterdam.

De feiten betreffen het frauduleus verkrijgen en inleveren van emballagebonnen door listige kunstgrepen, waaronder het meerdere malen scannen van dezelfde flesjes en biervaten in emballageautomaten. Camerabeelden en kassabonnen vormden het belangrijkste bewijs, waarbij de verdachte duidelijk herkenbaar was. De verdediging voerde aan dat de bonnen van iedereen konden zijn, maar dit werd door het hof verworpen.

Het hof hield rekening met eerdere veroordelingen van de verdachte en zijn gebrek aan inzicht in de ernst van zijn gedrag. Tegelijkertijd werd meegewogen dat de verdachte een plek heeft bij het Leger des Heils die hij kan verliezen bij een langere gevangenisstraf. Daarom legde het hof een gevangenisstraf van vier weken op, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Het vonnis is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 22 mei 2026.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier weken gevangenisstraf, waarvan twee weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens driemaal oplichting en eenmaal poging tot oplichting.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002459-25
datum uitspraak: 22 mei 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam, gewezen op het hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 7 oktober 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-233324-25 en 13-242340-25 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980,
postadres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 mei 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 13-233324-25 (zaak A):1.
hij op of omstreeks 31 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [winkel] (vestiging [adres 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten goed/dienst/gegevens/schuld/inschuld, door een emballagebon (ter waarde van 115,10 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen;
2.
hij op of omstreeks 1 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [winkel] (vestiging [adres 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten goed/dienst/gegevens/schuld/inschuld, door een emballagebon (ter waarde van 50,10 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen.
Zaak met parketnummer 13-242340-25 (zaak B):
1.
hij op of omstreeks 15 september 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [winkel] (vestiging [adres 3] ) te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, een emballagebon (ter waarde van ongeveer 30,15 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 6 september 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [winkel] (vestiging [adres 3] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten goed/schuld/inschuld, door een emballagebon (ter waarde van ongeveer 70,- euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in zaak A en zaak B tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat het dossier voldoende bewijsmiddelen bevat.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft hiertoe – kort gezegd – aangevoerd dat onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte degene is geweest die de emballagebonnen heeft geïnd en heeft ingeleverd. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat het aan het Openbaar Ministerie is om de kassabonnen aan te leveren en dat de bonnen die zich in het dossier bevinden van iedereen kunnen zijn.
Het hof overweegt als volgt.
Zaak A
Ten aanzien van dat wat aan de verdachte in zaak A onder 1 en 2 is tenlastegelegd, stelt het hof het volgende vast. Uit de beschrijving en de
stillsvan de camerabeelden van zowel 31 juli 2025 als
1 augustus 2025 (pagina’s 12-20) blijkt dat de verdachte – die duidelijk herkenbaar in beeld is – op beide dagen een biervat op de kratband onder in de emballageautomaat van de [winkel] heeft geplaatst. Daarbij is te zien dat hij meerdere keren zijn hoofd en bovenlichaam en/of arm onderin de automaat heeft gestopt, waarbij hij het biervat op de kratband vast bleef houden en dit steeds heen en weer bewoog. Vervolgens heeft de verdachte een flesje bovenin de automaat gestopt om het te scannen, waarna hij het flesje weer uit de automaat heeft getrokken. Dit heeft hij ook een aantal keer herhaald. Beide keren is de verdachte enkele minuten doende met het voorgaande.
Uit de afzonderlijke aangiftes van 31 juli 2025 en 1 augustus 2025 (pagina’s 5-6; pagina’s 7-8) blijkt dat de verdachte na zijn handelingen bij de emballageautomaat beide keren naar de zelfscankassa is gelopen om (een) flesje(s) Duvel af te rekenen met de door hem geïnde emballagebonnen ter waarde van
€ 115,10 respectievelijk € 50,10. Vervolgens heeft de verdachte het resterende bedrag door middel van ‘retour pin’ teruggestort gekregen op zijn rekening. De kassabonnen zijn tevens opgenomen in het dossier (pagina’s 38-39). Het hof stelt vast dat de tijdstippen zoals die te zien zijn op de beide kassabonnen overeenkomen met de tijdstippen zoals vermeld in de beide aangiftes. Bovendien is op de beelden van 1 augustus 2025 te zien dat de verdachte na zijn handelingen een statiegeldbon uit de automaat haalt.
Zaak B
Ten aanzien van hetgeen de verdachte in zaak B onder 1 is tenlastegelegd, stelt het hof het volgende vast. Uit de beschrijving en de
stillsvan de camerabeelden zoals opgenomen in een proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 22-30) blijkt dat de verdachte op 15 september 2025 een product meerdere malen door de emballageautomaat heeft gehaald en met zijn lichaam meerdere keren onderin in de automaat is gegaan, waarna hij een emballagebon ter waarde van € 30,15 heeft geïnd (pagina’s 20 en 30). De winkelmanager van de [winkel] heeft verklaard dat de verdachte een winkelverbod heeft en deze truc al vaker heeft uitgehaald (pagina 8). Uit de aangifte (pagina’s 5-6) blijkt dat de emballagebon is ingenomen, waardoor de verdachte niet tot een voltooide oplichting, maar enkel tot een poging daarvan is gekomen. Het hof stelt vast dat het tijdstip waarop de emballagebon is geïnd – te weten: 14:58 uur – overeenkomt met het tijdstip van de camerabeelden: de verdachte is om 14:54 uur de [winkel] binnengekomen, waarna hij naar de emballageautomaat is gelopen.
Ten aanzien van hetgeen de verdachte in zaak B onder 2 is tenlastegelegd, stelt het hof het volgende vast. Uit de beschrijving en de
stillsvan de camerabeelden zoals opgenomen in een proces-verbaal van onderzoek camerabeelden (pagina’s 13-18) blijkt dat de verdachte – die op deze beelden eveneens duidelijk herkenbaar is – ook op 6 september 2025 dezelfde kunstgreep heeft uitgehaald door – kort gezegd – meermalen een flesje in en uit de emballageautomaat te halen en ditzelfde heeft gedaan met een biervat, door zijn bovenlichaam onderin de automaat bij de kratband te steken terwijl hij het biervat vasthield. Uit de aangifte (pagina’s 5-6) blijkt dat, in tegenstelling tot feit 1, de verdachte op 6 september 2025 wel tot een voltooide oplichting is gekomen omdat hij met de emballagebonnen ter waarde van
€ 15,30 en € 60,00 twee blikjes Passoa heeft gekocht waarna hij het resterende bedrag uit heeft laten betalen op zijn rekening. De kassabon is opgenomen in het dossier (pagina 21).
Oordeel van het hof
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte zich door middel van listige kunstgrepen (te weten: het meermaals scannen van dezelfde flesjes en biervaten in de emballageautomaat) meermalen schuldig heeft gemaakt aan oplichting met als doel zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen, en éénmaal aan een poging tot oplichting. Het verweer van de verdachte dat de kassabonnen die zijn opgenomen in het dossier van iedereen kunnen zijn gaat niet op en wordt door het hof verworpen, nu de bonnen gelet op de datum en tijd, in combinatie met de
stillsvan de camerabeelden, direct kunnen worden gelinkt aan de verdachte.
Gelet op bovenstaande in onderling verband en samenhang bezien komt het hof tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 en 2.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:
1.
hij op 31 juli 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [winkel] (vestiging [adres 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door een emballagebon (ter waarde van 115,10 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen;
2.
hij op 1 augustus 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [winkel] (vestiging [adres 2] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door een emballagebon (ter waarde van 50,10 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen.

Zaak B:

1.
hij op 15 september 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [winkel] (vestiging [adres 3] ) te bewegen tot de afgifte van enig goed, door een emballagebon (ter waarde van ongeveer 30,15 euro) in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 6 september 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [winkel] (vestiging [adres 3] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, door een emballagebon in te leveren die hij op frauduleuze/onrechtmatige wijze had verkregen.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.
Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.
Het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde levert op:
poging tot oplichting.
Het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde levert op:
oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en het in zaak B onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek van voorarrest.
De raadsvrouw heeft – behoudens de bepleite vrijspraak – het hof verzocht een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf als stok achter de deur. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf grote gevolgen zal hebben voor de verdachte, nu hij een plek heeft bij het Leger des Heils en hij deze plek zal kwijtraken indien hij langer dan twee weken afwezig is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Door de bewezenverklaarde oplichtingen en de poging tot oplichting heeft de verdachte het vertrouwen van de [winkel] geschaad. Bovendien leiden dit soort delicten voor winkels ook tot financiële schade en overlast. Blijkens zijn strafblad van 23 april 2026 is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor vermogensfeiten. Desondanks lijkt de verdachte de ernst van zijn gedrag niet in te zien, omdat hij weer voor soortgelijke feiten wordt veroordeeld. Daar komt bij dat de verdachte ter zitting in hoger beroep naar het oordeel van het hof een gebrek aan inzicht en de gevolgen van zijn acties heeft getoond. Het hof rekent dit de verdachte aan. Het hof is in beginsel dan ook van oordeel dat geen andere straf dan een gevangenisstraf kan worden opgelegd.
Daar staat tegenover dat uit een e-mailbericht van het Leger des Heils van 6 maart 2026 blijkt dat de verdachte op dit moment binnen de 24-uurs opvang van het Leger des Heils verblijft. Indien een bewoner langer dan twee weken afwezig is, wordt dit traject beëindigd en komt de plek te vervallen. Het hof ziet in dat deze plek van belang is voor de verdachte en houdt hier in belangrijke mate rekening mee in de strafoplegging.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 13-233324-25 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 13-242340-25 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 13-233324-25 onder 1 en 2 en het in de zaak met parketnummer 13-242340-25 onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
2 (twee) weken, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D.A.C. Koster, mr. A.W.T. Klappe en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van
mr. S.B. Zoet, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
22 mei 2026.