Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1617

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
200.360.489/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 10:105 BWArt. 1:227 BWArt. 1:228 BWArt. 1:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging adoptie pleegkind met naamswijziging ondanks verzet biologische vader

De zaak betreft de adoptie van een 14-jarige minderjarige door zijn pleegouders en de wijziging van zijn geslachtsnaam en voornaam. De rechtbank had de adoptie en naamswijziging toegewezen, maar de biologische vader ging in hoger beroep omdat hij eerst contactherstel wilde om zijn ouderschapsrol te vervullen.

Het hof oordeelt dat de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, dat het kind niets meer van zijn vader als ouder te verwachten heeft en dat de weigering van de vader om toestemming te geven op grond van Belgisch recht gerechtvaardigd kan worden gepasseerd. De vader heeft sinds 2017 geen structureel contact meer met het kind, en het kind wil ook geen contact.

De pleegouders zorgen sinds het eerste levensjaar voor het kind, die hen als ouders beschouwt. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert eveneens tot toewijzing. De naamswijziging wordt bekrachtigd ondanks het verzet van de vader, omdat het kind deze naam al jaren gebruikt en het belang van het kind prevaleert.

Het hof wijst het beroep van de vader af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank. De adoptie leidt tot beëindiging van het gezag van de voogd en inschrijving van de geboorteakte in Nederland met de nieuwe naam.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de adoptie door pleegouders en de naamswijziging, ondanks het verzet van de biologische vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.489/01
zaaknummer rechtbank: C/15/339904 / FA RK 23-2298
beschikking van de meervoudige kamer van 16 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente 1] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. E.C. Weijsenfeld te Amsterdam,
en
[pleegouders] ,
beiden wonende te [plaats B] , gemeente [gemeente 2] ,
verweerders in hoger beroep,
hierna respectievelijk: de pleegvader en de pleegmoeder,
hierna gezamenlijk: de pleegouders,
advocaat: mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna ook: de voogd,
- [de moeder] , hierna: de moeder, en
- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag, hierna: de ambtenaar.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de adoptie van [minderjarige 1] (14 jaar) door de pleegouders en, in het verlengde daarvan, het wijzigen van zijn geslachtsnaam en voornaam. De rechtbank heeft de verzoeken van de pleegouders tot adoptie en wijziging van beide namen toegewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat eerst wordt gewerkt aan contactherstel zodat [minderjarige 1] een weloverwogen beslissing kan nemen.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 16 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 juli 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar. (hierna: de rechtbank).
2.2
De pleegouders hebben op 15 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 17 februari 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de ambtenaar van 26 februari 2026, en
- een bericht van de zijde van de pleegouders van 4 maart 2026.
2.4
De voorzitter heeft voorafgaand aan de zitting met [minderjarige 1] gesproken. Van dit gesprek is ter zitting een samenvatting gegeven.
2.5
De zitting heeft op 13 maart 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de pleegvader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de voogd, en
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.
De ambtenaar heeft bij zijn brief van 26 februari 2026 laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.
De pleegmoeder is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
De moeder is op de voorgeschreven wijze opgeroepen door middel van plaatsing van de oproeping in de Staatscourant. Zij is niet verschenen ter zitting in hoger beroep
.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn gehuwd [in] 2011 in Marokko. Uit hun huwelijk zijn geboren [minderjarige 1] [in] 2011 in [plaats C] (België) en [minderjarige 2] [in] 2013. Het huwelijk is in 2014 ontbonden door echtscheiding.
3.2
Bij beschikking van 24 mei 2012 is [minderjarige 1] (voorlopig) onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg. In het kader van de ondertoezichtstelling is [minderjarige 1] (met spoed) uit huis geplaatst in een crisispleeggezin. [minderjarige 1] woont sinds december 2012 bij de pleegouders. De pleegouders zijn sinds 19 september 2009 met elkaar gehuwd.
3.3
Bij beschikking van 23 december 2015 van de rechtbank is het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige 1] beëindigd, met benoeming van De Jeugd- & Gezinsbeschermers tot voogd over [minderjarige 1] . Bij beschikking van 29 november 2016 heeft dit hof de beschikking bekrachtigd.
3.4
[minderjarige 2] woont bij de vader. Het gezag van de moeder over [minderjarige 2] is in 2021 beëindigd.
3.5
[minderjarige 1] had tot 2017 omgang met de vader. In 2017 is deze omgangsregeling stopgezet omdat [minderjarige 1] er last van ondervond (rapport raad 30 november 2023, p. 5). In oktober 2021 heeft de GI contact opgenomen met de vader omdat [minderjarige 1] [minderjarige 2] wilde zien en vragen had over zijn naam en nationaliteit.
In juli 2023 hebben [minderjarige 1] , de vader en [minderjarige 2] elkaar weer gezien. Daarna is er geen omgang meer geweest.
3.6
De vader heeft op 11 maart 2024 een verzoekschrift over de omgang ingediend. De rechtbank heeft op 18 juli 2025 een beschikking gegeven. Daarin heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de vraag of contact en/of omgang met de vader en [minderjarige 2] op dit moment in het belang is van [minderjarige 1] en zo ja, hoe dat contact en die omgang er dan moeten uitzien, nu niet duidelijk is voor de rechtbank. De rechtbank achtte zich onvoldoende voorgelicht om een beslissing te nemen over contact en omgang. De rechtbank heeft daarom de raad verzocht om naar deze vragen onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen en de zaak met dat doel pro forma aangehouden tot 31 oktober 2025.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft, overeenkomstig het verzoek van de pleegouders, in de bestreden beschikking de adoptie uitgesproken van [minderjarige 1] door de pleegouders. De rechtbank heeft verstaan dat de geslachtsnaam van [minderjarige 1] zal zijn [naam 2] en heeft, eveneens op het verzoek van de pleegouders, de wijziging van de voornaam gelast zodat de volledige naam na adoptie zal zijn: [naam 1] [naam 2] .
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, de inleidende verzoeken van de pleegouders af te wijzen.
4.3
De pleegouders verzoeken de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Nu [minderjarige 1] de Belgische nationaliteit heeft en de vader en de moeder de Marokkaanse nationaliteit, draagt deze zaak een internationaal karakter.
5.2
De pleegouders, de vader en [minderjarige 1] hebben hun woonplaats in Nederland. Op grond van artikel 3 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) is de Nederlandse rechter bevoegd kennis te nemen van het verzoek.
Op grond van artikel 10:105 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is op een in Nederland uit te spreken adoptie het Nederlands recht van toepassing, met dien verstande, dat op de toestemming dan wel de raadpleging of de voorlichting van de ouders van het kind het recht van de staat waarvan het kind de nationaliteit bezit toepasselijk is. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat hieruit volgt dat op de door de pleegouders gevraagde adoptie Nederlands recht van toepassing is, maar dat op de daarvoor benodigde toestemming van de vader en de moeder Belgisch recht van toepassing is.
Het wettelijk kader
5.3
Uit artikel 1:227 BW Pro volgt - voor zover hier van belang - het volgende. Adoptie geschiedt door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen of op verzoek van één persoon alleen. Twee personen tezamen kunnen geen verzoek tot adoptie doen, indien zij geen huwelijk zouden mogen aangaan. Het verzoek door twee personen tezamen kan slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Het verzoek kan alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden, genoemd in artikel 1:228 BW Pro wordt voldaan.
5.4
De voorwaarden voor adoptie genoemd in artikel 1:228, eerste lid, BW zijn, voor zover van belang:
a. a) dat het kind op de dag van het eerste verzoek minderjarig is, en dat het kind, indien het op
de dag van het verzoek twaalf jaren of ouder is, ter gelegenheid van zijn verhoor niet van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek heeft doen; hetzelfde geldt, indien de rechter is gebleken van bezwaren tegen toewijzing van het verzoek van een minderjarige die op de dag van het verzoek de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake;
b) dat het kind niet is een kleinkind van een adoptant;
c) dat de adoptant of ieder der adoptanten ten minste achttien jaar ouder is dan het kind;
d) dat geen der ouders het verzoek tegenspreekt;
e) (…)
f) dat de adoptant of de adoptanten het kind gedurende ten minste een jaar heeft of hebben verzorgd en opgevoed; (…)
g) dat de ouder of ouders niet of niet langer het gezag over het kind hebben.(…)
Grieven
5.5
De grieven van de vader richten zich - samengevat - tegen het oordeel van de rechtbank dat de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 1] is, dat [minderjarige 1] niets meer van zijn vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, dat het weigeren van de toestemming door de vader naar Belgisch recht ongerechtvaardigd was, dat [minderjarige 2] geen belanghebbende is, dat geen bijzondere curator hoeft te worden benoemd en dat de geslachtsnaam en voornaam van [minderjarige 1] worden gewijzigd.
5.6
Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of [minderjarige 2] in deze procedure als belanghebbende dient te worden aangemerkt en of een bijzondere curator moet worden benoemd.
Belanghebbende
5.7
Volgens de vader is [minderjarige 2] belanghebbende in deze procedure, nu zij door adoptie haar broer verliest. Dat is van groot effect op haar ontwikkeling. Zij wordt geraakt in haar recht op family life. Haar belang had dan ook moeten worden onderzocht. Ten onrechte heeft de rechtbank haar niet willen horen en haar behandelaar niet als deskundige willen horen.
5.8
Het hof overweegt als volgt. Voor zaken betreffende het personen- en familierecht geeft artikel 798 lid 1 eerste Pro volzin, Rv een algemene regeling met betrekking tot de vraag wie als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Onder belanghebbende wordt verstaan degene op wiens rechten en plichten de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Een indirect of afgeleid belang is niet genoeg om als belanghebbende te worden aangemerkt.
Door de adoptie houdt weliswaar de familierechtelijke betrekking tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op te bestaan, maar door het adoptieverzoek van de pleegouders wordt de eigen afstammingsrelatie/familierechtelijke betrekking van [minderjarige 2] met haar vader niet geraakt. [minderjarige 2] heeft zonder meer een afgeleid belang bij het voortbestaan of verbreken van de familierechtelijke betrekking tussen de vader en [minderjarige 1] . Dit afgeleide belang is echter niet voldoende om als belanghebbende in deze procedure te worden aangemerkt.
Daarbij komt dat [minderjarige 2] is geboren toen [minderjarige 1] al bij de pleegouders woonde. Zij zijn niet samen in een gezin opgegroeid. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben niet bij elkaar gewoond. Van family life als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is geen sprake. Het hof is van oordeel dat ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden waaruit moet worden geconcludeerd dat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op rechten en plichten van [minderjarige 2] . [minderjarige 2] zal daarom door het hof niet worden gehoord en ook haar behandelaar zal niet in de procedure worden betrokken.
Bijzondere curator
5.9
Volgens de vader had een bijzondere curator voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] benoemd moet worden. Deze zou kunnen onderzoeken of gesprekken mogelijk zijn, of mediation, en of vader, zoon en dochter nader tot elkaar kunnen komen in deze zaak.
5.10.1
Aangezien [minderjarige 2] geen belanghebbende is in deze procedure, zal voor haar ook geen bijzondere curator benoemd worden.
5.10.2
Voor zover de vader heeft bedoeld zijn verzoek ten aanzien van [minderjarige 1] te baseren op het bepaalde in art 1:212 BW Pro, is het hof van oordeel dat adoptie buiten de reikwijdte van dit artikel valt. Adoptie behoort niet tot de in de wet opgenomen afstammingstitel 11.
5.10.3
Het verzoek van de vader komt naar het oordeel van het hof evenmin voor toewijzing in aanmerking op de grond van artikel 1:250 BW Pro. In de eerste plaats is geen sprake van een belangenconflict als bedoeld in artikel 1:250 BW Pro. De vader oefent sinds eind 2015 niet meer het ouderlijk gezag uit over [minderjarige 1] . [minderjarige 1] en zijn voogd zijn het eens over de verzochte adoptie. Daarbij komt dat [minderjarige 1] veertien jaar oud is en twee keer door een rechter gehoord. Hij verwoordt duidelijk wat hij wil en is consistent in wat hij wil en waarom hij dat wil. De raad heeft naar de verzoeken van de pleegouders onderzoek gedaan en schriftelijk geadviseerd. [minderjarige 1] is in dit onderzoek betrokken. Benoeming van een bijzondere curator is niet in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk. Ten slotte acht het hof zich voldoende voorgelicht om in de onderhavige zaak op de verzoeken te beslissen. Het hof zal voor [minderjarige 1] dan ook geen bijzondere curator benoemen.
Ontvankelijkheid
5.11
Met betrekking tot de adoptie van [minderjarige 1] , zal het hof allereerst beoordelen of de pleegouders ontvankelijk zijn in hun verzoek. Zoals gezegd geschiedt een adoptie ingevolge artikel 1:227, eerste lid BW door een uitspraak van de rechtbank op verzoek van twee personen tezamen. Twee personen tezamen kunnen geen verzoek tot adoptie doen, indien zij geen huwelijk of partnerschap zouden mogen aangaan. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan een verzoek door twee personen slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd.
Het hof stelt op basis van de stukken en de mondelinge behandeling vast dat de pleegouders aan deze voorwaarden voldoen en dat zij kunnen worden ontvangen in hun verzoek.
Het verzoek kan ingevolge artikel 1:227, derde lid, BW vervolgens alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang is van het kind en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro wordt voldaan.
5.12
Zoals in rechtsoverweging 5.5 overwogen, verzet de vader zich in hoger beroep onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat adoptie door de pleegouders in het kennelijk belang van [minderjarige 1] is en dat [minderjarige 1] niets meer van zijn vader in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Het hof beoordeelt deze grieven hierna.
Kennelijk belang
5.13
Het verzoek tot adoptie kan alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van [minderjarige 1] is. Hierbij dient niet alleen te worden gelet op de positie die [minderjarige 1] door de adoptie verkrijgt maar ook en niet minder, op hetgeen hij verliest.
5.14
Juist omdat [minderjarige 1] niet de kans heeft gehad om regelmatig contact te houden met de vader en door zijn jonge leeftijd de gevolgen van deze onomkeerbare beslissing nog niet kan overzien, acht de vader het in het kennelijk belang van [minderjarige 1] om - nog - niet over te gaan tot adoptie. [minderjarige 1] heeft nog niet de kans gehad om zijn identiteit van vaderszijde te ontdekken en om contact op te bouwen met [minderjarige 2] . Het is geen teken van een gezonde identiteitsontwikkeling dat hij zijn biologische afkomst volledig wil wissen. Blijvend contactverlies is schadelijk voor de ontwikkeling van kinderen. Er moet daarom eerst worden gekeken naar minder ingrijpende alternatieven zoals pleegoudervoogdij met een omgangsregeling. Er moet eerst worden gewerkt aan contactherstel, duiding van de afkomst en geschiedenis van [minderjarige 1] en het in contact komen met zijn uitgebreide biologische familie voordat in alle vrijheid een keuze gemaakt kan worden. De mensenrechten worden geschonden doordat er geen initiatief wordt genomen voor contact tussen de vader en [minderjarige 1] . Als de adoptie wordt uitgesproken is de overheid niet meer betrokken en kan zij niet meer meehelpen aan contactherstel tussen de vader en [minderjarige 1] , aldus de vader.
5.15
De pleegouders stellen zich op het standpunt dat adoptie van [minderjarige 1] door hen in het kennelijk belang van [minderjarige 1] is. Zij kunnen daardoor ook juridisch invulling geven aan de sinds jaar en dag bestaande feitelijke gezinsband. [minderjarige 1] beschouwt verzoekers als zijn ouders. Er is sprake van een hecht gezin.
5.16
De voogd is van mening dat adoptie in het kennelijk belang is van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft een uitdrukkelijke wens om geadopteerd te worden door de pleegouders.
5.17
De raad heeft onderzoek gedaan en op 30 november 2023 een rapport en advies uitgebracht. In dit rapport, ter zitting bij de rechtbank en bij het hof heeft de raad geadviseerd het verzoek tot adoptie toe te wijzen respectievelijk de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen.
De raad acht het in het kennelijk belang van [minderjarige 1] dat hij wordt geadopteerd door zijn pleegouders. Het zal hem een gevoel van zekerheid geven dat hij officieel bij het gezin van de pleegouders hoort waarin hij al vrijwel zijn hele leven woont. [minderjarige 1] heeft slechts enkele maanden met zijn ouders in gezinsverband geleefd. Hij is en wordt verzorgd en opgevoed door zijn pleegouders. Hij beschouwt de pleegouders als zijn ouders en voelt zich volledig onderdeel van het gezin en de bredere familie. [minderjarige 1] kan duidelijk verwoorden waarom hij wil worden geadopteerd. Hij wil officieel deel uitmaken van de familie waarbij hij woont. Hij voelt zich Nederlander, maar is formeel nog steeds Belg. Daarnaast heeft hij een grote wens om zijn voor- en achternaam te wijzigen naar de voornaam die hij al sinds jonge leeftijd gebruikt en de achternaam van de pleegouders. Voor de Raad is het invoelbaar dat de pleegouders [minderjarige 1] willen adopteren en daarmee gehoor willen geven aan de grote wens van [minderjarige 1] om te worden geadopteerd. Ondanks zijn jonge leeftijd heeft [minderjarige 1] een eigen, heldere en doordachte mening over de adoptie. De raad ziet geen risico op het verlies van een deel van de identiteit van [minderjarige 1] als hij wordt geadopteerd. Hij weet wie zijn vader is, hij staat onder voorbehoud open voor contact met de vader en zijn zusje. De pleegouders hebben hem al van jongs af aan geïnformeerd over zijn afstamming en afkomst. Naast zijn plek in het pleeggezin verwacht de raad dat het deel van zijn identiteit, afkomstig van de zijde van de vader, altijd mag en zal blijven bestaan. Adoptie zal [minderjarige 1] zekerheid bieden en kan hem van daaruit de ruimte geven om te exploreren en zichzelf en mogelijk zijn roots te ontdekken. Adoptie zal kunnen bijdragen om de positieve ontwikkeling die hij heeft doorgemaakt te behouden. Adoptie kan daarbij volgens de raad juist wel bijdragen aan contactherstel met zijn biologische familie.
5.18
Hoewel het hof met de vader van oordeel is dat het belangrijk is om te onderzoeken of en zo ja op welke wijze contactherstel tussen vader en [minderjarige 1] mogelijk is, staat dat aan de verzochte adoptie niet in de weg. Er is al langere tijd geen (bestendig) contact tussen [minderjarige 1] en de vader. [minderjarige 1] wil dat nu ook niet. Maar zelfs indien ervan uit zou worden gegaan dat (enige) feitelijke omgang in de toekomst weer mogelijk is, dan staat dat niet in de weg aan een positief oordeel over de vraag of de adoptie ook wat de verbreking van de familierechtelijke banden betreft in het kennelijke belang van [minderjarige 1] is. Omgekeerd staat adoptie omgang tussen de vader en [minderjarige 1] niet in de weg. Naar de mogelijkheden van omgang tussen [minderjarige 1] en de vader doet de raad in een andere procedure in opdracht van de rechtbank onderzoek. Het hof neemt in zijn overweging mee dat de raad door de adoptie geen risico op verlies van identiteit ziet, maar een bestendiging van een positieve ontwikkeling bij [minderjarige 1] , en juist kan bijdragen aan contacten met vader en zijn familie.
5.19
Het hof is in de onderhavige zaak van oordeel dat adoptie door de pleegouders in het kennelijk belang is van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] woont sinds hij een baby was bij de pleegouders en wordt sindsdien door hen verzorgd en opgevoed. [minderjarige 1] voelt zich onderdeel van het gezin en ziet zijn pleegouders als zijn ouders in de zin van papa en mama. [minderjarige 1] weet dat hij een vader en een moeder heeft en een zusje. Zijn moeder is geheel verdwenen uit zijn leven. Met de vader heeft [minderjarige 1] jarenlang geen contact gehad en zijn zusje kent hij nauwelijks. Hij heeft nooit met haar in gezinsverband geleefd.
[minderjarige 1] heeft van jongs af aan altijd zijn hoofdverblijfplaats bij de pleegouders gehad en beschouwt hen als zijn primaire opvoeders en hechtingsfiguren. Adoptie is de uitdrukkelijke wens van [minderjarige 1] . Ondanks zijn jonge leeftijd heeft [minderjarige 1] een eigen, heldere en doordachte mening over adoptie. Tussen [minderjarige 1] en de pleegouders bestaat een hechte, stabiele en affectieve band die kenmerkend is voor een ouder-kindrelatie. De pleegouders voorzien structureel in de dagelijkse verzorging, opvoeding en emotionele ondersteuning van [minderjarige 1] . Daarmee bieden zij continuïteit, veiligheid en stabiliteit, die essentieel is voor een gezonde ontwikkeling. Ook is gebleken dat de pleegouders aandacht hebben voor de afkomst van [minderjarige 1] en daarmee bijdragen aan de ontwikkeling van een belangrijk deel van zijn identiteit.
Vanuit het perspectief van [minderjarige 1] is sprake van een feitelijke gezinssituatie die reeds langdurig bestaat. Juridische bevestiging van deze situatie door middel van adoptie sluit aan bij de feitelijke werkelijkheid en voorkomt onzekerheid over de toekomst.
Van de biologische ouder valt niets meer te verwachten
5.2
Voor de adoptie van [minderjarige 1] door de pleegouders geldt verder als vereiste dat op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [minderjarige 1] niets meer van zijn ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Met deze voorwaarde heeft de wetgever beoogd het algemene criterium dat adoptie het kennelijke belang van het kind behoort te dienen aan te scherpen.
De rechtbank heeft geoordeeld dat mogelijkheden voor omgang niet afdoen aan het feit dat er niets meer van vader als ouder te verwachten is. Hiermee kan de vader zich niet verenigen. Hij woont in de buurt, zorgt voor [minderjarige 2] en heeft niet de kans gekregen om voor [minderjarige 1] te zorgen. Voordat beslist kan worden tot adoptie moeten er maatregelen komen gericht op contactherstel, vooral ook omdat de overheid zelf de band tussen vader en kind heeft doorgesneden. De voogd heeft te weinig gedaan om contact tussen de vader en [minderjarige 1] mogelijk te maken, aldus de vader.
Volgens de vader dient bij het criterium dat er niets meer van een ouder te verwachten is gedacht te worden aan ouders die onvindbaar zijn of bij wie zeker geen groei meer kan zijn in zorgtaken. Zo is dat ten aanzien van de moeder het geval, maar bij de vader ligt het anders. Hij is beschikbaar, bereidwillig, hij zorgt adequaat en veilig voor [minderjarige 2] en hij heeft een grote familie en ondersteuning achter hem staan. In de rol van ouder heeft [minderjarige 1] nog heel veel van de vader te verwachten. De vader accepteert dat [minderjarige 1] opgroeit bij de pleegouders maar hij wil wel invulling geven aan zijn rol als vader.
5.21
Volgens de pleegouders gaat het primair om de dagelijkse zorg en opvoeding en op dat punt heeft [minderjarige 1] niets meer te verwachten van de vader. Ook de voogd is die mening toegedaan.
5.22
De raad heeft aangegeven dat, nadat in 2017 de contactmomenten zijn gestopt, de voogd of pleegzorg niet meer actief heeft getracht het contact te herstellen. Ook de vader heeft gedurende (daarvoor) langere periodes geen initiatief genomen tot contact. De vader heeft thans een diepe wens tot contactherstel. Hoewel dit invoelbaar is, staat dit, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, los van het vervullen van een rol als ouder. Van belang is of [minderjarige 1] nog kan verwachten dat zijn vader invulling geeft aan het ouderschap. De vader heeft in zijn rol als ouder van [minderjarige 2] laten zien dat hij in staat is om invulling te geven aan ouderschap. De raad acht dit niet mogelijk en overigens ook onwenselijk ten aanzien van [minderjarige 1] . Vanwege instabiliteit in de opvoedsituatie is reeds in 2013 het perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige 1] niet bij de ouders zal opgroeien. De vader kon niet aansluiten bij wat [minderjarige 1] nodig had, wat bij [minderjarige 1] leidde tot gevoelens van spanning en afwijzing. Na ruim zes jaar is er slechts één contactmoment geweest. [minderjarige 1] heeft van zijn vader begrip en acceptatie nodig. De vader lijkt te reageren vanuit zijn eigen behoeftes en ideeën en houdt daarbij onvoldoende rekening met de wens van [minderjarige 1] , en wat zijn uitlatingen betekenen voor [minderjarige 1] . De raad acht het daarom niet aannemelijk dat de vader in staat is, nu of in de toekomst, een ouderrol te vervullen voor [minderjarige 1] . Een adoptie sluit de mogelijkheid voor contactherstel in de toekomst niet uit.
5.23
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat [minderjarige 1] van de moeder als ouder niets meer te verwachten heeft.
Ten aanzien van de vader is gebleken dat het contact tussen hem en [minderjarige 1] in 2017 is gestopt. Na het stoppen van het contact in 2017 is van de zijde van de voogd niet meer geprobeerd om het contact weer op te starten. Tegen de achtergrond van de op de overheid rustende positieve verplichting om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëindigd hereniging van kind en ouder te bevorderen. Het moet er, bij gebreke van andersluidende informatie, voor worden gehouden dat van de zijde van de voogd te weinig initiatieven zijn ontplooid om de mogelijkheden van contactherstel te onderzoeken. Daar staat tegenover dat [minderjarige 1] zelf geen behoefte had om het contact met de vader weer op te bouwen. Verder is het in de jaren vanaf de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in 2012 tot 2021 ook aan de zijde van de vader stil gebleven. Hij heeft niet getracht het contact weer op te bouwen. Vanaf 2021 zijn door de vader pogingen gedaan om omgang met [minderjarige 1] op te starten. Er is na ruim zes jaar slechts één contactmoment geweest: in 2023 is er eenmalig contact geweest tussen [minderjarige 1] , de vader en [minderjarige 2] . Daarna is er geen contact meer geweest. [minderjarige 1] wil dat nu ook niet. Hoewel de voogd na 2017 meer initiatieven had moet nemen, is ook de vader langdurig niet consistent geweest in zijn pogingen tot contact. Dit is geen verwijt aan vader, maar een gegeven.
5.24
Bij de beoordeling van de vraag of [minderjarige 1] nog iets van zijn vader te verwachten heeft gaat het echter niet om de vraag of [minderjarige 1] met de vader in het geheel geen feitelijke contacten meer heeft of zal krijgen, maar om de vraag of [minderjarige 1] nog kan verwachten dat de vader invulling geeft aan het ouderschap, dat wil zeggen het dragen van verantwoordelijkheid jegens [minderjarige 1] voor zijn verzorging en opvoeding of het uitoefenen van het gezag. Die vraag beantwoordt het hof ontkennend. Al in 2013 is het perspectief besluit genomen dat [minderjarige 1] niet bij de ouders zal opgroeien. Sinds dat hij een baby is, wordt hij door de pleegouders verzorgd en opgevoed. Dat zal niet meer wijzigen. Sinds 23 december 2015 is de vader niet meer belast met het gezag over [minderjarige 1] .
Hoewel het zou kunnen zijn, dat er in de toekomst weer contact is tussen [minderjarige 1] en de vader, valt er naar het oordeel van het hof van de vader als ouder in de zin van artikel 1:227 lid 3 BW Pro niets meer te verwachten.
Toestemmingsvereiste naar Belgisch recht
5.25
Aan de eerste twee gronden van artikel 1:227, lid 3 BW is voldaan. Ook is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1:228 lid 1 sub a tot Pro en met c.
Onder artikel 1:228 lid 1 sub d BW Pro staat de voorwaarde dat geen van de ouders het verzoek tot adoptie tegenspreekt. Zoals in rechtsoverweging 5.2 overwogen, is op de toestemming van de ouders Belgisch recht van toepassing.
5.26
Volgens de vader heeft de rechtbank in rechtsoverweging 7.15 en 7.16 van de bestreden beschikking een onjuist criterium toegepast, door te overwegen dat volgens Belgisch recht aan toestemming van de vader voor adoptie kan worden voorbijgegaan indien de rechtbank de weigering ongerechtvaardigd acht.
5.27
De pleegouders zijn van mening dat de rechtbank op goede gronden aan het ontbreken van de toestemming van de vader voorbij is gegaan.
5.28
Het hof verweegt als volgt.
Artikel 348-3 Belgisch (Oud) Burgerlijk Wetboek luidt:
Wanneer de afstamming van een kind ten aanzien van zijn moeder en van zijn vader vaststaat, moeten beiden in de adoptie toestemmen. Indien echter een van hen vermoedelijk afwezig is, geen gekende verblijfplaats heeft, in de onmogelijkheid verkeert om zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, is de toestemming van de andere voldoende.
Wanneer de afstamming van een kind slechts ten aanzien van een van zijn ouders vaststaat, dient enkel deze in de adoptie toe te stemmen.
Artikel 348-11 Belgisch (Oud) Burgerlijk Wetboek luidt:
1. Ingeval een persoon die overeenkomstig de artikelen 348-2 tot 348-7 in de adoptie moet toestemmen, dit weigert te doen, kan de adoptie op verzoek van de adoptant, van de adoptanten of van het openbaar ministerie toch worden uitgesproken indien de familierechtbank van oordeel is dat de toestemming op onverantwoorde wijze is geweigerd.
2. Wanneer evenwel de vader of de moeder van het kind weigert in de adoptie toe te stemmen, kan de rechtbank de adoptie pas uitspreken wanneer na een grondig maatschappelijk onderzoek gebleken is dat deze persoon zich niet meer om het kind heeft bekommerd of de gezondheid, de veiligheid of de zedelijkheid van het kind in gevaar heeft gebracht, behalve wanneer het gaat om een nieuwe adoptie of wanneer het gaat om de adoptie van het kind of van het adoptief kind van een echtgeno(o)t(e), van een samenwonende partner of van een voormalige partner ten aanzien van wie een gemeenschappelijk ouderlijk engagement bestaat.
Om het onverantwoorde karakter te beoordelen van de weigering om toestemming te verlenen, houdt de rechtbank rekening met het belang van het kind.
5.29
Niet in geschil is dat de toestemming van de moeder niet vereist is. De moeder is sinds [minderjarige 1] een baby is uit zijn leven verdwenen. De verblijfplaats van de moeder is onbekend. Zij is niet ter zitting (rechtbank en hof) verschenen. Uit artikel 348-3 Belgisch (Oud) Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat toestemming van de vader dan voldoende is.
5.3
In het onderhavige geval gaat het om artikel 348-11 lid 2 Belgisch (Oud) BW. De vader weigert zijn toestemming te geven, zodat het hof dient te beoordelen of aan één van de voorwaarden in deze bepaling is voldaan en aan de weigering van de vader voorbij kan worden gegaan.
Het hof is van oordeel dat voldaan is aan het vereiste van een grondig gedaan maatschappelijk onderzoek als bedoeld in art 348-11, lid 2 (Oud) BW. De raad heeft uitgebreid onderzoek gedaan, op 30 november 2022 rapport en advies uitgebracht en dit ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep bevestigd en aangevuld.
5.31
Daarmee komt het hof toe aan de vraag of gebleken is dat de vader zich niet meer om [minderjarige 1] heeft bekommerd als bedoeld in artikel 348-11, lid 2 (Oud) BW. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen de vader en [minderjarige 1] geen sprake is van een wederzijdse affectieve relatie. [minderjarige 1] woont sinds dat hij een baby was bij de pleegouders en wordt sindsdien door hen verzorgd en opgevoed. Tot 2017 was er omgang tussen hem en zijn vader. De vader doet sinds 2021 pogingen om [minderjarige 1] te zien, maar er zijn ook langere periodes geweest dat dit niet zo was. [minderjarige 1] toont nauwelijks tot geen interesse. Er is tussen [minderjarige 1] en zijn vader geen sprake van een regelmatig contact (bezoeken, bellen of berichten). Na 2017 is er slechts eenmaal contact geweest, in juli 2023. Toen was het adoptieverzoek al gedaan. Sindsdien is er geen contact meer geweest. Zoals hiervoor overwogen is dit deels veroorzaakt door het uitblijven van initiatieven van de voogd, maar heeft ook de vader langdurig stil gezeten. Het loutere bestaan van een biologische band is onvoldoende om aan te nemen dat de vader zich om [minderjarige 1] heeft bekommerd.
In 2013 is het perspectiefbesluit genomen dat [minderjarige 1] niet bij de ouders zal opgroeien. Dat zal niet meer wijzigen. Sinds 23 december 2015 is de vader niet meer belast met het gezag over [minderjarige 1] . Er is door vader niet verzocht om herstel in het gezag.
Het hof is van oordeel dat voldoende gebleken is dat de vader zich niet meer om [minderjarige 1] heeft bekommerd, in de zin van artikel 348-11, lid 2 Belgisch (Oud)Burgerlijk Wetboek.
5.32
De vader heeft aangegeven dat [minderjarige 1] de gevolgen van de onomkeerbare beslissing tot adoptie niet kan overzien, en dat hij mogelijk later spijt krijgt van de zijn (uitgevoerde) wens. Het hof overweegt daarover in de eerste plaats dat het uit de stukken en het gesprek met [minderjarige 1] heeft kunnen vaststellen dat [minderjarige 1] zijn wens tot adoptie zeer goed heeft overdacht, en de gevolgen daarvan voldoende overziet. Daarbij komt dat artikel 1:231 BW Pro [minderjarige 1] de mogelijkheid biedt later, na zijn meerderjarigheid, een verzoek tot herroeping van de adoptie te doen, zij het dat het verzoek slechts onder de in lid 2 genoemde voorwaarden kan worden toegewezen.
Ten overvloede – het betreft immers nog geen wet - overweegt het hof in dit verband dat in januari 2026 door het kabinet een wetsvoorstel ‘Afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging identiteitsherstel’ in consultatie is gebracht. Daarin wordt voorgesteld de termijn van artikel 1:231 lid 2 BW Pro geheel te schrappen. Ook wordt het makkelijker gemaakt om de identiteit te herstellen, bijvoorbeeld door wijziging van de voornaam en/of achternaam.
5.33
Het vooroverwogene betekent dat de adoptie van [minderjarige 1] door de pleegouders kan worden uitgesproken, aangezien aan alle vereisten voldaan is. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de adoptie dan ook bekrachtigen.
5.34
Door de adoptie komen [minderjarige 1] en de pleeguders en hun bloedverwanten in een familierechtelijke betrekking tot elkaar te staan. Tegelijkertijd houdt de familierechtelijke
betrekking tussen [minderjarige 1] en de vader en moeder en hun bloedverwanten op te bestaan als de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:230 BW Pro). Door de adoptie worden de pleegouders de juridische ouders van [minderjarige 1] . Gelet op hun huwelijk ontstaat er op grond van artikel 1:251 BW Pro van rechtswege gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Dat betekent dat daarmee de voogdij van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers zal zijn geëindigd.
Aantekening in het gezagsregister
5.35
De rechtbank heeft bepaald dat de griffier, wanneer de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, een afschrift van de beschikking zal doen toekomen aan het gezagsregister. Gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder k van het Besluit gezagsregisters, zal het hof ook deze beslissing bekrachtigen.
Wijziging geslachtsnaam
5.36
[minderjarige 1] bezit thans de Belgische nationaliteit. Op het moment dat deze beschikking
in kracht van gewijsde is gegaan levert dit een grondslag op voor het verkrijgen van de
Nederlandse nationaliteit, zijnde de nationaliteit van de pleegouders. Op grond van artikel 10:19, eerste lid, BW worden de geslachtsnaam en de voornamen van een vreemdeling bepaald door het recht van de staat waarvan hij de nationaliteit heeft. Ingevolge artikel 10:20 BW Pro worden de geslachtsnaam en de voornamen van een persoon die de Nederlandse nationaliteit bezit bepaald door het Nederlandse recht. Artikel 10:22, eerste lid, BW bepaalt dat ingeval van verandering van nationaliteit het recht van de staat van de nieuwe nationaliteit van toepassing is daaronder begrepen de regels van dat recht betreffende de gevolgen van de nationaliteitsverandering voor de naam. Het voorgaande brengt mee dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek dat betrekking heeft op de voornamen en de geslachtsnaam van de minderjarige.
5.37
De vader verzet zich tegen het wijzigen van de geslachtsnaam, aangezien dit volgens hem de mooiste naam van de wereld is. Het is na adoptie bovendien het enige dat [minderjarige 1] nog verbindt aan zijn vader, zusje en uitgebreide familie en dat hem verbindt aan zijn afkomst en roots. De naam vormt onderdeel van het privéleven ex artikel 8 EVRM Pro en is bepalend voor iemands identiteit.
5.38
De pleegouders hebben gekozen voor de geslachtsnaam [naam 2] . [minderjarige 1] heeft kenbaar gemaakt die naam graag te willen aannemen.
5.39
Hoewel het hof begrip heeft voor het standpunt van de vader is de Nederlandse wet op dit punt duidelijk: in artikel 1:5 lid Pro 3, eerste volzin BW is bepaald, voor zover van belang, dat, indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten van verschillend geslacht, die met elkaar zijn gehuwd, het kind de geslachtsnaam heeft van de vader, tenzij de adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de moeder, de oorspronkelijke geslachtsnaam of de geslachtsnaam van beide adoptanten in een vrij te bepalen volgorde of van één van hen in combinatie met de oorspronkelijke geslachtsnaam van het kind in een vrij te bepalen volgorde zal hebben.
De rechterlijke uitspraak inzake de adoptie vermeldt de verklaring van de adoptanten omtrent de geslachtsnaamkeuze.
Zoals hiervoor overwogen hebben de pleegouders (adoptanten) gekozen voor geslachtsnaam
[naam 2] .[minderjarige 1] heeft aangegeven daarmee in te stemmen. In het licht van de adoptie en de door pleegouders en [minderjarige 1] uitgesproken wens tot wjjziging van de geslachtsnaam is het door de vader aangevoerde onvoldoende om de verzochte naamswijziging af te wijzen. De inbreuk die dit vormt op artikel 8 EVRM Pro is bij wet voorzien en noodzakelijk als bedoeld in het tweede lid van dat artikel. Het hof zal de beslissing van de rechtbank over de naam bekrachtigen.
Wijziging voornaam
5.4
[minderjarige 1] wil graag [naam 1] heten. Deze voornaam gebruikt hij al jaren. De vader heeft er grote moeite mee dat [minderjarige 1] [naam 1] wil heten zodat hij een Nederlands klinkende naam heeft. Vader is zelf getraumatiseerd door alles wat er is gebeurd en dit treft hem diep. Het voelt als verloochening van zijn afkomst.
5.41
De pleegouders hebben verzocht de voornaam van [minderjarige 1] te wijzigen in [naam 1] .
5.42
Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1:4 lid 4 BW Pro kan wijziging van de voornamen op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank.
Voor de wijziging dient voldoende zwaarwichtig belang te bestaan.
De beslissing van de rechtbank omtrent de voornaam wijziging zal door het hof worden bekrachtigd, nu de wens van [minderjarige 1] om [naam 1] te heten al lang bestaat en hij zich – zolang hij zich kan herinneren – ook met deze voornaam door het leven gaat. Van bezwaren daartegen naar de maatstaven van artikel 1:4, tweede lid, BW is niet gebleken. De vader heeft aangevoerd dat [minderjarige 1] later mogelijk spijt zal krijgen van de naamswijziging, die hij dan niet meer kan veranderen en op mogelijke problemen in Marokko bij wijziging van de naam. Over de gestelde onomkeerbaarheid van de adoptie heeft het hof al overwogen als hiervoor onder 5.32 vermeld. De mogelijke problemen in Marokko heeft de vader verder niet geconcretiseerd, zodat het hof daaraan al om die reden voorbijgaat.
De hof stelt – met de rechtbank - vast dat [minderjarige 1] na de adoptie zal heten:
[naam 1] [naam 2] .
Last tot inschrijving geboorteakte
5.43
De Belgische geboorteakte van [minderjarige 1] is niet ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand van de gemeente Den Haag. Op grond van artikel 1:25 lid 5 BW Pro gelast de rechtbank die de adoptie uitspreekt ambtshalve afzonderlijk de inschrijving van de in het eerste en het tweede lid van art. 1:25 BW Pro bedoelde akte van geboorte.
5.44
Bij de stukken in eerste aanleg bevindt zich de geboorteakte van [minderjarige 1] uit België. Het hof zal de beslissing van de rechtbank bekrachtigen inhoudende dat deze geboorteakte wordt ingeschreven in het register van geboorten van de gemeente Den Haag. De ambtenaar heeft ook in hoger beroep kenbaar gemaakt geen bezwaar te hebben tegen de last tot inschrijving.
5.45
De ambtenaar zal nadat de geboorteakte van [minderjarige 1] is ingeschreven in de registers
van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag een latere vermelding van de adoptie
de geslachtsnaamwijziging en de voornaamswijziging toevoegen aan de geboorteakte van
[minderjarige 1] .

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 18 juli 2025;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. A.N. van de Beek en mr. J.M. van Baardewijk, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 16 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.