Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
“Uw werknemer dhr. [geïntimeerde] is uitgevallen voor zijn werkzaamheden in verband met medisch klachten en beperkingen. (…) Er is ook sprake van scheurende arbeidsverhoudingen. (…) Betrokkene kan nu niet deelnemen aan het werkproces (…).”
“Zijn klachten en beperkingen zijn onveranderd. Er is nog steeds sprake van arbeidsconflict. (…) In verband met verscheurende arbeidsverhouding zijn er geen werk mogelijkheden in spoor 1.- Oplossing vinden ten aanzien van verscheurende arbeidsrelatie.- Doorgaan met spoor 2 traject (…)”
“U kunt vanaf 2 juni 2023 geen WIA-uitkering krijgen. (…) Uit het oordeel van onze arts blijkt dat u, per 1e WIA dag, niet ziek bent en dat u dus ook niet arbeidsongeschikt bent. (…) U en uw werkgever hebben voldoende gedaan aan uw re-integratie.”[geïntimeerde] heeft bezwaar ingesteld tegen deze beslissing.
“Uw cliënt wordt door UWV niet ziek en daarmee niet arbeidsongeschikt geacht. (…) Desondanks is uw cliënt niet genegen (gebleken) om zijn werkzaamheden voor cliënte te hervatten; telefonisch bevestigde u mij ook dat uw cliënt zijn werkzaamheden voor cliënte niet zal hervatten.”
“Alles overwegende dient er per einde wachttijd wel te worden uitgegaan van ziekte of gebrek. Er zijn beperkingen, waarbij de door de bedrijfsarts aangegeven IZP [inzetbaarheidsprofiel, hof] plausibel wordt geacht. Dit betreft geen marginale belastbaarheid; op basis van het IZP waren er wel degelijk re-integratiemogelijkheden, zoals ook mbt het 2e spoor is geadviseerd.”
“De maatgevende arbeid is de mondhygiënist. (…) De heer [geïntimeerde] is beperkt voor hoog handelingstempo, omgaan met conflicten, werken in de avond en nacht, kan maximaal 8 uren op een werkdag en 40 uren per week werken en is aangewezen op regelmatige werktijden. Vergelijkend de belastbaarheid met de belasting in de maatgevende functie bevat de maatgevende arbeid geen zwaardere belasting. Daarom vind ik de heer [geïntimeerde] geschikt voor de maatgevende arbeid. (…) Om die reden kan geen aanspraak gemaakt worden op een WIA-uitkering.”
4.Eerste Aanleg
- te bepalen dat [geïntimeerde] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en dientengevolge geen recht heeft op een transitievergoeding ten laste van [appellanten] ;
- indien de kantonrechter mocht oordelen dat [geïntimeerde] recht heeft op een transitievergoeding, een termijn vast te stellen waarbinnen [appellanten] de bevoegdheid heeft het onderhavige verzoek in te trekken;
- met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure.
5.Beoordeling
grief 1bestrijdt [appellanten] het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] vanwege ziekte of gebrek niet in staat is om zijn werkzaamheden voor [appellanten] uit te voeren. De grief faalt. Bij zijn beoordeling stelt het hof het volgende voorop. Voor de vraag of [geïntimeerde] als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is zijn werkzaamheden voor [appellanten] uit te voeren, dient aansluiting gezocht te worden bij het ziektebegrip van artikel 19 Ziektewet Pro (Zw) en artikel 7:629 BW Pro, dat het recht op loondoorbetaling bij ziekte regelt. Artikel 19 lid 1 Zw Pro bepaalt dat de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, recht op ziekengeld heeft overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde. Op grond van artikel 19 lid 4 Zw Pro worden onder ziekte mede verstaan gebreken. Om te voldoen aan het ziekte-criterium uit het BW is niet vereist dat de werknemer zijn functie in het algemeen kan uitoefenen; het gaat erom of hij de contractueel overeengekomen arbeid (dus de functie bij zijn werkgever) kan verrichten. Zodra een werknemer ten gevolge van ziekte of gebrek de eigen arbeid niet in de volle omvang kan verrichten, is sprake van ziekte in de zin van het BW.
grief 2bestrijdt [appellanten] het oordeel van de kantonrechter dat het feit dat [geïntimeerde] door het UWV geschikt wordt geacht voor maatgevende arbeid, niet betekent dat hij ook geschikt wordt geacht voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever. Onder maatgevende arbeid wordt immers het eigen werk verstaan, aldus [appellanten] . De grief faalt. Hierboven heeft het hof al uiteengezet dat voor arbeidsongeschiktheid niet is vereist dat de werknemer zijn functie in het algemeen niet kan uitoefenen maar slechts dat hij de contractueel overeengekomen arbeid niet kan verrichten. Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een WIA-uitkering geldt een ander toetsingskader zoals vastgelegd in artikel 4 e.v. van de WIA. Op grond daarvan is iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt als hij (als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van o.a. ziekte) duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Daarbij wordt dus niet onderzocht of de betrokkene geschikt is voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever maar wordt bezien of hij in staat is om een bepaald percentage van het maatmaninkomen te verdienen. Juist in een situatie als de onderhavige, waarin de werknemer is uitgevallen in verband met medische klachten en beperkingen als gevolg van een arbeidsconflict met de werkgever, zal het antwoord op de vraag of hij zijn eigen werk kan verrichten mogelijk verschillen van het antwoord op de vraag of hij in staat is een bepaald percentage van het maatmaninkomen te verdienen. Uit het feit dat [geïntimeerde] door het UWV geschikt wordt geacht voor maatgevende arbeid kan dus, anders dan [appellanten] betoogt, niet worden afgeleid dat hij geschikt wordt geacht voor de bedongen arbeid bij de eigen werkgever. Evenmin kan [appellanten] worden gevolgd in haar stelling dat als het zo was dat [geïntimeerde] vanwege een arbeidsconflict arbeidsongeschikt zou zijn geacht voor zijn eigen werk, dat met zoveel woorden in de rapportages zou zijn opgenomen. Voldoende is als de relatie tussen de ziekte en het arbeidsconflict uit de context in de rapportage blijkt.