Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1629

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.359.134/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 350 SvArt. 35 Algemene Bankvoorwaarden 2017Art. 2 Algemene Bankvoorwaarden 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging opzegging bankrelaties en registraties na ontvangst fraudegelden

Flex Easy ontving €80.000 afkomstig uit fraude, waarvan €75.000 in vier delen werd overgemaakt naar de vermoedelijke fraudeur. ABN AMRO beëindigde daarop de bankrelaties en registreerde Flex Easy en [appellant] in het intern en extern verwijzingsregister. De voorzieningenrechter wees de vorderingen tot herstel van de bankrelaties en verwijdering van registraties af.

In hoger beroep vorderden [appellanten] vernietiging van dit vonnis en herstel van de bankrelaties en verwijdering van de registraties. Het hof oordeelde dat ABN AMRO op grond van de Algemene Bankvoorwaarden bevoegd was de relatie te beëindigen en dat dit niet onaanvaardbaar was naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Het hof vond de toelichting van [appellanten] onvoldoende plausibel en concludeerde dat ABN AMRO terecht twijfels had over de legitimiteit van de betalingen. De registraties in het intern en extern verwijzingsregister waren eveneens gerechtvaardigd. Het belang van ABN AMRO bij bescherming van de financiële sector woog zwaarder dan het belang van [appellanten]. Het hoger beroep werd afgewezen en het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de opzegging van de bankrelaties en registraties door ABN AMRO rechtmatig zijn en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.359.134/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/770703/ KG ZA 25-445
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant] ,

wonend in [plaats] ,
2.
FLEX EASY B.V.,
gevestigd in Enschede,
appellanten,
advocaat: mr. J.M. Wagenaar te Enschede,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd in Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.R.D. den Hertog te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] , Flex Easy (en gezamenlijk [appellanten] ) en ABN AMRO genoemd.

1.De zaak in het kort

Flex Easy heeft een bedrag van € 80.000 ontvangen dat afkomstig was uit fraude. Vervolgens heeft [appellant] namens Flex Easy van dat bedrag – in vier gedeeltes in een periode van ruim anderhalve maand – € 75.000 overgemaakt naar de vermoedelijke fraudeur. Volgens ABN AMRO hebben [appellanten] voor deze transacties geen plausibele verklaring gegeven en zij heeft daarom de bankrelaties met [appellanten] beëindigd en hen geregistreerd in het intern verwijzingsregister en het extern verwijzingsregister. Kort gezegd, vorderen [appellanten] in dit kort geding herstel van de bankrelaties en verwijdering van de registraties. De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen. Het hof bekrachtigt het oordeel van de voorzieningenrechter.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 29 augustus 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 8 augustus 2025 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en ABN AMRO als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met producties 8 en 9.
Op 17 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, aan de kant van [appellanten] aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd. [appellanten] hebben nog productie 15 in het geding gebracht.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.De feiten

3.1.
Flex Easy exploiteert een onderneming die zich bezig houdt met onder meer het vervangen van kozijnen. Zij had een ondernemersrekening bij ABN AMRO (hierna ook wel: de rekening). [appellant] is aandeelhouder (en is echtgenoot van de bestuurder) van Flex Easy en had een bankrekening bij ABN AMRO.
3.2.
Op 21 november 2024 heeft [appellant] namens Flex Easy vanaf de rekening 1 cent overgemaakt op een bankrekening ten name van Biljartvereniging De Pelikaan, onder vermelding van "overboeking". Tien minuten later is vanaf de bankrekening van Biljartvereniging De Pelikaan € 80.000 overgemaakt naar de rekening onder vermelding van " [nummer] ".
3.3.
Op 25 november 2024 heeft [appellant] namens Flex Easy € 50.000 overgeboekt van de rekening naar een Turkse bankrekening op naam van [naam] (hierna: [naam] ) onder vermelding van " [nummer] ".
3.4.
Op 14 en 23 december 2024 heeft [appellant] namens Flex Easy in totaal € 15.000 overgeboekt van de rekening naar een Revolut-rekening op naam van [naam] , onder vermelding van "foute boeking".
3.5.
Op 7 januari 2025 heeft [appellant] namens Flex Easy € 10.000 overgeboekt van de rekening naar de Turkse bankrekening op naam van [naam] , onder vermelding van "foute boeking".
3.6.
Op 9 januari 2025 heeft Biljartvereniging De Pelikaan aangifte bij de politie gedaan van diefstal/verduistering van ruim € 442.000 door (vermoedelijk) [naam] . Op dezelfde dag heeft ABN AMRO de rekening geblokkeerd en aan [appellant] gevraagd om informatie.
3.7.
Op 24 januari 2025 heeft ABN AMRO de relatie met Flex Easy en met [appellant] in privé (met uitzondering van een hypothecaire lening) opgezegd. Ook heeft zij [appellanten] geregistreerd in het intern verwijzingsregister (hierna: IVR), het extern verwijzingsregister (hierna: EVR) en het incidentenregister voor een periode van acht jaar.
3.8.
Op 31 maart 2025 heeft [appellant] aangifte bij de politie gedaan van oplichting door [naam] .
3.9.
Na een klacht van [appellanten] is ABN AMRO gebleven bij haar beslissing om de bankrelaties te beëindigen.
4. De procedure bij de rechtbank
4.1.
Samengevat hebben [appellanten] in eerste aanleg gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • ABN AMRO te verbieden om uitvoering te geven aan de opzegging van de bankrelatie zakelijk en/of privé, in ieder geval totdat in de bodemprocedure is beslist;
  • ABN AMRO te veroordelen om alle bankrekeningen, betaalpassen, creditcards en internet banking van [appellanten] (zakelijk en privé) in stand te laten en uitvoering te geven aan transacties over de rekening, in ieder geval totdat in de bodemprocedure is beslist, en/of om opgeheven bankrekeningen te herstellen;
  • ABN AMRO te verbieden om de persoonsgegevens van [appellanten] op te nemen in het IVR of het EVR en/of bestaande registraties ongedaan te maken;
  • ABN AMRO te veroordelen in de proceskosten met nakosten en rente.
4.2.
De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. De voorzieningenrechter was voorshands van oordeel dat ABN AMRO op goede gronden de bankrelaties met [appellanten] heeft opgezegd en hen heeft geregistreerd in het IVR en het EVR.

5.De vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van hun vorderingen, met veroordeling van ABN AMRO in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
Volgens ABN AMRO moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6.De beoordeling

6.1.
[appellanten] hebben twee grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. In de eerste grief voeren [appellanten] aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat ABN AMRO de bankrelaties met [appellanten] op goede gronden heeft opgezegd. Met de tweede grief betogen [appellanten] dat er geen grond is voor de registraties in het IVR en EVR. Deze grieven hebben geen succes. Het hof licht dat hierna toe.
Spoedeisend belang
6.2.
Allereerst moet de vraag worden beantwoord of [appellanten] in dit hoger beroep een voldoende spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. Dat is gedeeltelijk het geval. ABN AMRO heeft inmiddels de bancaire relaties beëindigd en zij heeft [appellanten] geregistreerd in het IVR en EVR. Volgens [appellanten] ondervinden zij daarvan veel hinder. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven bij de vorderingen die zien op het herstel van de bankrelaties, het delen van informatie uit het IVR en het EVR en het ongedaan maken van de registraties. Bij de overige vorderingen hebben [appellanten] geen spoedeisend belang. De bankrelaties zijn namelijk al opgezegd en de gegevens van [appellanten] zijn al geregistreerd in het IVR en EVR.
De opzegging is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
6.3.
Het hof stelt voorop dat een bank op grond van artikel 35 Algemene Pro Bankvoorwaarden 2017 (ABV) in beginsel bevoegd is de bankrelatie met een klant op te zeggen. Als een bank gebruikmaakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de relatie, moet de rechtsgeldigheid daarvan worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 BW Pro. Een opzegging is niet rechtsgeldig indien het gebruikmaken van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader is mede van belang dat artikel 2 ABV Pro voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).
6.4.
Het hof acht niet aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat de opzegging van de bankrelaties met [appellanten] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het volgende heeft het hof tot dit voorlopig oordeel gebracht.
6.5.
ABN AMRO heeft het volgende aangevoerd. Vaststaat dat Flex Easy een bedrag van € 80.000 heeft ontvangen van Biljartvereniging De Pelikaan. Dat bedrag was afkomstig uit fraude, vermoedelijk gepleegd door [naam] . Vervolgens heeft [appellant] van dat bedrag – in vier gedeeltes in een periode van ruim anderhalve maand – € 75.000 overgemaakt naar [naam] , naar twee verschillende bankrekeningen waarvan één bij een Turkse bank. Bij drie overboekingen is als omschrijving "foute boeking" vermeld. ABN AMRO heeft geconcludeerd dat [appellanten] voor deze gang van zaken een onvoldoende plausibele verklaring hebben gegeven om aan te kunnen nemen dat zij gerechtvaardigd mochten vertrouwen op de legitimiteit van de hiervoor genoemde betalingen. Voor ABN AMRO staat dan ook voldoende vast dat [appellanten] betrokken waren bij de fraude en dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan (schuld)witwassen. Daarom heeft ABN AMRO de bancaire relaties met [appellanten] opgezegd en hen geregistreerd in het IVR en het EVR.
6.6.
[appellanten] hebben gesteld dat zij ten onrechte worden beschuldigd van betrokkenheid bij strafbare feiten. Volgens hen zijn zij slachtoffer van oplichting door [naam] . [appellanten] hebben als toelichting het volgende aangevoerd. [appellant] bezat een Rolex-horloge. [naam] wilde dat voor een bedrag van € 80.000 van hem kopen en vroeg [appellant] om een factuur te maken op naam van J&M Marketing Advies en Ondersteuning B.V. [appellant] heeft toen – op advies van zijn boekhouder – het horloge ingebracht in Flex Easy en vanuit Flex Easy een factuur gemaakt en per post verstuurd. Daarnaast heeft [appellant] namens Flex Easy op verzoek van [naam] 1 cent overgemaakt naar de door [naam] opgegeven bankrekening (van Biljartvereniging De Pelikaan), zodat [naam] de juiste rekeninggegevens zou hebben voor de betaling van de koopprijs. Vervolgens heeft [naam] € 80.000 overgeboekt naar de rekening. [appellant] heeft gesignaleerd dat die betaling afkomstig was van Biljartvereniging De Pelikaan. Hij heeft in het handelsregister gekeken en zag dat deze vereniging op hetzelfde adres was gevestigd als J&M Marketing Advies en Ondersteuning B.V. Een dag of twee nadat [naam] het horloge had opgehaald, heeft [naam] laten weten dat hij het horloge toch niet wilde kopen omdat er gebruikssporen op zaten. [appellanten] vonden dat prima en hebben toen het geld naar hem overgemaakt. Dat hebben zij in gedeelten gedaan omdat zij toen niet meer over het hele bedrag beschikten. Met de kennis van nu zouden [appellanten] nooit aan deze transactie hebben meegewerkt. [naam] was echter een kennis en [appellanten] hadden op dat moment geen redenen om aan de bedoelingen van [naam] te twijfelen.
6.7.
Volgens ABN AMRO is deze toelichting onvoldoende geloofwaardig, en zij blijft bij haar standpunt dat zij de relatie met [appellanten] mag beëindigen. Het hof volgt ABN AMRO hierin. Het staat vast dat [appellanten] geld hebben ontvangen dat afkomstig is uit fraude en het overgrote deel daarvan in tranches hebben overgeboekt naar verschillende (buitenlandse) rekeningen op naam van de vermoedelijke fraudeur. Het ligt op de weg van [appellanten] om met een plausibel en consistent verhaal aannemelijk te maken dat zij met de fraude niets te maken hebben. Dat hebben zij – ook (tijdens de zitting) in hoger beroep – niet gedaan. Zo hebben [appellanten] onder andere geen duidelijkheid kunnen verschaffen over (i) op welke dag [naam] het horloge heeft opgehaald, (ii) waarom geen BTW in rekening is gebracht bij de verkoop van het horloge door Flex Easy, (iii) waarom het nummer van zowel de verkoopfactuur ( [nummer] ) als de creditfactuur ( [nummer] ) niet logisch lijkt voor een verkoop in november 2024, (iv) waarom de verkoopfactuur per post is verstuurd, terwijl alle communicatie met [naam] elektronisch ging, (v) wanneer [appellant] het handelsregister heeft geraadpleegd, (vi) waarom 1 cent is overgemaakt naar de bankrekening van Biljartvereniging De Pelikaan terwijl het rekeningnummer waarop [naam] zou moeten betalen ook op de factuur van Flex Easy stond, (vii) waarom [naam] niet al bij het ophalen heeft opgemerkt dat er gebruikssporen op de Rolex zaten, (viii) wanneer [naam] het horloge heeft teruggebracht en waarom [appellant] aangifte heeft gedaan van oplichting door [naam] als hij het horloge al "gewoon netjes" had teruggekregen, (ix) waarom bij drie van de overboekingen de omschrijving "foute boeking" is vermeld en (x) of het horloge nog steeds tot het vermogen van Flex Easy behoort of dat [appellant] het weer uit Flex Easy heeft "opgenomen". Een plausibele verklaring met onderbouwing op deze punten mocht wel van [appellanten] worden verwacht, ook al is het inmiddels anderhalf jaar geleden dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden.
6.8.
Op grond van het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat ABN AMRO voldoende twijfels heeft aangevoerd over de legitimiteit van de betalingen. Daaraan doet niet af dat [appellant] door de politie niet is aangemerkt als verdachte. [appellanten] hebben de terechte zorgen van ABN AMRO over de legitimiteit van de betalingen onvoldoende weggenomen. ABN AMRO had gelet hierop naar het voorlopig oordeel van het hof een voldoende gerechtvaardigd belang de bancaire relatie met [appellanten] te beëindigen. Anders dan [appellanten] hebben aangevoerd, brengt de zorgplicht van ABN AMRO niet mee dat zij voorafgaand aan de opzegging tenminste een persoonlijk gesprek met [appellant] had moeten voeren.
6.9.
In de gegeven omstandigheden weegt het belang van ABN AMRO bij beëindiging van de relatie met [appellanten] zwaarder dan het belang van [appellanten] dat deze relatie wordt voortgezet. Bij dit oordeel heeft het hof betrokken dat [appellanten] bij Revolut bankieren. Zij kunnen dus blijven deelnemen aan het betalingsverkeer. Dat het bankieren bij ABN AMRO voor [appellanten] makkelijker en gebruiksvriendelijker is dan bij Revolut, legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal. Zoals hierna in 6.12 wordt overwogen, is niet aannemelijk geworden dat er een concrete dreiging bestaat dat Revolut de bankrelaties met [appellanten] zal beëindigen.
ABN AMRO had voldoende grond voor de registraties in het IVR en EVR
6.10.
Het hof stelt voorop dat voor opname van strafrechtelijke gegevens in het EVR is vereist dat het gaat om zodanig concrete feiten en omstandigheden dat zij een als strafbaar feit te kwalificeren bewezenverklaring – in de zin van artikel 350 van Pro het Wetboek van strafvordering – kunnen dragen en de vastgestelde gedragingen een zwaardere verdenking dan een redelijk vermoeden van schuld opleveren, in die zin dat de te verwerken strafrechtelijke persoonsgegevens in voldoende mate moeten vaststaan. Voor een registratie in het IVR gelden minder strenge eisen.
6.11.
Het hof is voorshands van oordeel dat de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de beëindiging van de bancaire relatie met [appellanten] voldoen aan de hiervoor genoemde maatstaf en dus een registratie in het EVR rechtvaardigen. Dit brengt mee dat ook de registratie van [appellanten] in het IVR is gerechtvaardigd. Daarnaast is de registratie voor de maximale duur van acht jaar naar het oordeel van het hof voorshands gerechtvaardigd. [appellanten] hebben in dit kort geding onvoldoende gesteld dat aanleiding geeft voor verkorting van die termijn.
6.12.
Het belang van ABN AMRO bij handhaving van de registraties in het IVR en EVR – te weten bescherming van de financiële sector en van haar klanten – weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder dan het belang van [appellanten] dat deze registraties worden verwijderd. [appellanten] hebben onvoldoende concreet gemaakt dat zij ernstig nadeel ondervinden van de registraties in het IVR en EVR. Ten aanzien van de registratie in het EVR hebben [appellanten] aangevoerd dat zij het vermoeden hebben dat zij daardoor moeilijkheden ondervinden bij het vernieuwen van de lease voor de bedrijfsauto's van Flex Easy. Ook vermoeden zij dat Revolut de relatie met [appellanten] zal beëindigen als zij ontdekt dat [appellanten] zijn geregistreerd in het EVR. Zij hebben deze vermoedens echter niet onderbouwd. Daarentegen heeft ABN AMRO toegelicht dat een registratie in het EVR niet in de weg hoeft te staan aan het aangaan van een dergelijke leaseovereenkomst. Verder is niet gebleken dat Revolut van plan is de relatie met [appellanten] daadwerkelijk te beëindigen. Er is dus onvoldoende reden om, vooruitlopend op een bodemprocedure, de registraties in het IVR en EVR nu te verwijderen.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.13.
Het hoger beroep heeft geen succes. Aan het bewijsaanbod van [appellanten] wordt voorbijgegaan, omdat dit kort geding zich niet leent voor bewijslevering. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat € 2.580tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407

7.De beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt [appellanten] hoofdelijk tot betaling van € 178 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4.
verklaart de veroordelingen onder 7.2 en 7.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Y. Steeg-Tijms, K.A.J. Bisschop en M.M. Kruithof door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.