Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1630

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
200.353.390/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:201 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gebruik voormalige echtelijke woning na echtscheiding geen huurovereenkomst maar tijdelijk gebruiksrecht

Partijen zijn in 2016 gehuwd en waren gezamenlijk eigenaar van een woning. Na hun echtscheiding in 2020 sloten zij een echtscheidingsconvenant waarin de woning aan de man werd toebedeeld, met afspraken over een uitkoopbedrag en een tijdelijke verblijfsregeling voor de vrouw. De vrouw mocht de woning maximaal drie jaar blijven bewonen tegen een maandelijkse vergoeding.

Na het verkrijgen van financiering werd de woning aan de man geleverd en werd de vrouw ontslagen uit haar hypotheekverplichtingen. De vrouw betaalde vervolgens een vergoeding voor het gebruik van de woning, maar weigerde na drie jaar te vertrekken. De man vorderde ontruiming en ontbinding van de huurovereenkomst.

De kantonrechter kwalificeerde de rechtsverhouding als huur en veroordeelde de vrouw tot betaling van achterstallige huur en ontruiming. In hoger beroep stelde de man dat de afspraken geen huurovereenkomst vormden, maar een tijdelijke gebruiksovereenkomst in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap.

Het hof oordeelde dat hoewel de vrouw een vergoeding betaalde, de afspraken in hun geheel moeten worden gezien als een tijdelijk gebruiksrecht en niet als huur in de zin van artikel 7:201 BW Pro. Dit strookt met de bedoeling van partijen om finale kwijting te verlenen na de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap. Het hof stelde partijen in de gelegenheid zich over dit voorlopige oordeel uit te laten en hield verdere beslissing aan.

Uitkomst: Het hof kwalificeert het gebruik van de voormalige echtelijke woning als een tijdelijk gebruiksrecht en houdt verdere beslissing aan voor nadere behandeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.353.390/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 11222159/ CV EXPL 24-9098
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A. Ekkel te Utrecht,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. C.L.C. O'Connor te Nijmegen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Geschil over beëindiging gebruik voormalige echtelijke woning na afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Kwalificeren de afspraken tussen partijen als huur of moeten deze, gelet op de inhoud en strekking, in de gegeven omstandigheden in het geheel beschouwd niet als huur worden aangemerkt omdat zij voorzien in het tijdelijke gebruik van de voormalige echtelijke woning in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen?

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 28 maart 2025 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 31 december 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van 6 mei 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 10 juli 2026 heeft plaatsgevonden. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven tevens wijziging van eis;
- memorie van antwoord;
- akte uitlaten met productie;
- antwoordakte met productie.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Partijen zijn op 21 juni 2016 naar Chinees recht gehuwd. Tijdens hun huwelijk waren zij gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [straat] te [plaats] (hierna: de woning).
3.3.
Partijen hebben op 10 september 2020 een echtscheidingsconvenant ondertekend dat, voor zover van belang, bepaalt:

3.4 Aan de man worden toebedeeld de navolgende baten: (…)
- de onroerende zaak (…) aan de [straat] te [plaats] ; (…)
3.5
Door de bovenstaande verdeling wordt de man overbedeeld. Ter beëindiging van de onzekerheid c.q. geschillen omtrent het bedrag dat de man aan de vrouw wegens overbedeling zal uitkeren stellen partijen dit vast op € 110.000,-. (…)
3.7
De man zal binnen twee maanden na het tot stand komen van de echtscheiding ten behoeve van de vrouw een bedrag van € 80.000,- overmaken (…)
3.11
Partijen geven hierbij opdracht aan een door de man aan te wijzen notaris om, nadat de echtscheiding tot stand gekomen is, een notariële akte te verlijden waarbij de onroerende zaak aan de [straat] te [plaats] aan de man geleverd wordt en daarbij te constateren dat partijen ter zake de verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben (…)
3.12
Partijen zullen de ABN-AMRO-bank verzoeken de vrouw te ontslaan uit haar verplichtingen uit hoofde van de lening waarvoor een hypotheek is gevestigd op de onroerende zaak aan de [straat] te [plaats] . (…)
3.14
Voor zover de man niet in staat is financiering te verkrijgen voor voornoemd bedrag van € 80.000,- en de vrouw te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening, vervalt de toedeling van het huis aan de man en vervallen de artikelen 3.11 t/m 3.13, en komt de volgende regeling daarvoor in de plaats:
3.15
Het huis blijft onverdeeld. De vrouw zal voor een periode van maximaal drie jaren, te rekenen vanaf 1 november 2020, in het huis blijven wonen. (…) Partijen zullen na uiterlijk drie jaren het huis verkopen en de opbrengst (…) bij helfte delen. (…)
Artikel 4 – HUISVESTING VROUW: HUUROVERENKOMST
4.1
Partijen komen overeen dat de vrouw in de voormalige echtelijke woning aan de [straat] te [plaats] mag blijven wonen. Zij zal de woning huren van de man voor € 1.500,- per maand. (…) Ongeacht het tijdstip van overdracht van de woning aan de man zal de vrouw met ingang van 1 november 2020 het (huur)bedrag van € 1.500,- aan de man gaan betalen.
4.2.
Partijen zullen met inachtneming van deze uitgangspunten een aparte huurovereenkomst betreffende de woning opstellen.
3.4.
Hierna heeft de advocaat van [geïntimeerde] de advocaat van [appellant] benaderd met het verzoek het echtscheidingsconvenant aan te passen. Per e-mailbericht van 17 december 2020 heeft de advocaat van [geïntimeerde] aan de advocaat van [appellant] een concept voor een door partijen te ondertekenen Supplemental Agreement verzonden. In de door beide partijen ondertekende Supplemental Agreement d.d. 17 december 2020 is, voor zover van belang, vervat:

5: [appellant] buys off the house from [geïntimeerde] , if he could get the mortgage from the bank (…) [appellant] will pay [geïntimeerde] € 80.000 on divorce and pay the rest € 25.000 later.
a, [appellant] is obliged to pay the € 25,000 within two years after [geïntimeerde] moves out of the house without condition.
b, [appellant] is obliged to pay the € 25,000 no matter if he sells the house after [geïntimeerde] moved out when the house’s value reaches € 570,000.
c, [appellant] is obliged to rent the house to [geïntimeerde] for up to 3 years as the divorce agreement (ECHTSCHEIDINGSCONVENANT) mentioned.
d, [geïntimeerde] is obliged to leave the house after 3 years living after divorce. (…)
This supplemental agreement will come into force together with the divorce agreement (ECHTSCHEIDINGSCONVENANT) [appellant] and [geïntimeerde] have signed
3.5.
De scheiding is op 24 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.6.
Begin 2021 heeft [appellant] financiering voor de woning verkregen, waarna toebedeling aan [appellant] heeft plaatsgevonden en [geïntimeerde] is ontslagen uit haar verplichtingen uit hoofde van de hypotheeklening. Eind januari 2021 heeft [appellant] de woning verlaten, is hij vertrokken naar het buitenland en is hij een aantal jaren in zijn geboorteland China verbleven. Sinds 1 februari 2021 betaalt [geïntimeerde] aan [appellant] een maandelijkse vergoeding voor het gebruik van de woning.
3.7.
[appellant] is na verloop van drie jaren naar Nederland teruggekeerd en heeft [geïntimeerde] verzocht de woning te verlaten. [geïntimeerde] heeft dat geweigerd.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft [appellant] in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot ontruiming van de woning en voor zover nodig ontbinding van de huurovereenkomst en tot betaling van (i) de ontstane huurachterstand, vermeerderd met wettelijke rente en (ii) een gebruikersvergoeding tot de datum van ontruiming (vermeerderd met rente en kosten).
4.2.
De kantonrechter heeft de rechtsverhouding tussen partijen gekwalificeerd als huur en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, over een periode vermeerderd met wettelijke rente. De ontbindings- en ontruimingsvordering van [appellant] is toegewezen voor zover [geïntimeerde] niet binnen een maand de achterstallige huurbedragen betaalt (
terme de grâce). De gevorderde veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten (vermeerderd met wettelijke rente) is toegewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

5.De procedure in hoger beroep

5.1.
[appellant] heeft vier grieven gericht tegen het bestreden vonnis. [appellant] concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en vordert – zakelijk weergegeven – na eiswijziging in hoger beroep, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat de Supplemental Agreement kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst;
2. [geïntimeerde] te veroordelen tot nakoming van de afspraken in het echtscheidingsconvenant en de Supplemental Agreement;
3. te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] zonder recht of titel in de woning verblijft;
4. [geïntimeerde] te veroordelen tot ontruiming van de woning;
5. te bepalen dat (indien sprake is van huur in de zin van 7:201 BW) de huurovereenkomst zal eindigen met veroordeling van [geïntimeerde] tot ontruiming van de woning;
6. [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding tot aan de datum van ontruiming, en,
7. [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties, vermeerderd met de wettelijke rente.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep vermeerderd met nakosten.
Omvang hoger beroep
5.3.
[geïntimeerde] heeft ter uitvoering van het vonnis in eerste aanleg de openstaande bedragen aan [appellant] betaald, zodat bij het aanhangig maken van dit hoger beroep de eerder ontstane betalingsachterstand geen onderwerp van geschil meer is tussen partijen.

6.Beoordeling

6.1.
Tussen partijen is in geschil of de tussen hen bestaande rechtsverhouding dient te worden aangemerkt als huur in de zin van artikel 7:201 BW Pro, dan wel het echtscheidingsconvenant en de Supplemental Agreement bindende afspraken omvatten ten aanzien van het gebruik en termijn van ontruiming van de woning door [geïntimeerde] , die niet kwalificeren als huur omdat zij voorzien in het tijdelijke gebruik van de voormalige echtelijke woning in het kader van de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap van partijen.
6.2.
Het hof stelt voorop dat artikel 7:201 lid 1 BW Pro huur omschrijft als de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst als een huurovereenkomst moet worden aangemerkt, moet eerst door uitleg aan de hand van de Haviltex-maatstaf worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Nadat aldus de inhoud van de overeenkomst – dat wil zeggen de wederzijdse rechten en verplichtingen – is vastgesteld (uitleg), moet worden beoordeeld hoe die overeenkomst dient te worden aangemerkt (kwalificatie). Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de huurovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de huurovereenkomst te laten vallen.
Bevat de overeenkomst elementen op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan, dan is het mogelijk dat de overeenkomst in de gegeven omstandigheden, gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch niet als huurovereenkomst moet worden aangemerkt. Bij de beoordeling of deze uitzondering zich voordoet is mede van belang voor welke situatie partijen een regeling hebben willen treffen en of een kwalificatie anders dan als huurovereenkomst zich in die situatie verdraagt met het dwingendrechtelijke beschermingsregime voor huurovereenkomsten met betrekking tot woonruimte. (ECLI:NL:HR:2025:167)
6.3.
Met toepassing van de onder 6.2. beschreven maatstaf overweegt het hof voorshands als volgt. Naar het voorlopige oordeel van het hof dient de tussen partijen bestaande rechtsverhouding niet te worden aangemerkt als huur in de zin van artikel 7:201 BW Pro. [geïntimeerde] betaalt weliswaar een vergoeding voor het gebruik van een tot woning bestemde onroerende zaak, waarmee de afspraken tussen partijen elementen bevatten op grond waarvan op zichzelf aan de wettelijke omschrijving van huur is voldaan. In dit geval dient naar het voorshandse oordeel van het hof echter de rechtsverhouding tussen partijen, gelet op haar inhoud en strekking, in haar geheel beschouwd toch niet als huurovereenkomst te worden aangemerkt. Het hof is vooralsnog voornemens de tussen partijen bestaande rechtsverhouding te kwalificeren als een tijdelijke gebruiksovereenkomst waarbij het gebruik van de woning exclusief is gegund aan een van de (destijds nog) deelgenoten. Daartoe is het volgende redengevend.
6.4.
Partijen hebben in het kader van de afwikkeling van de verdeling van de eerder tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap afspraken vastgelegd in het door hen ondertekende echtscheidingsconvenant. In de door hen vervolgens ondertekende Supplemental Agreement, die onbetwist voortborduurt op de afspraken vervat in het echtscheidingsconvenant, zijn vervolgens nadere afspraken vastgelegd. Uit het echtscheidingsconvenant en de Supplemental Agreement blijkt dat partijen ten aanzien van de bij ondertekening van beide documenten nog onverdeelde woning afspraken hebben willen maken, waarbij partijen twee scenario’s hebben voorzien: dan wel (i) [appellant] koopt [geïntimeerde] uit tegen een vooraf vastgesteld bedrag en de woning wordt aan hem toebedeeld (indien en voor zover hij daartoe financiering zou kunnen verkrijgen) óf (ii) de onverdeelde woning blijft onverdeeld en wordt door hen beiden verkocht waarna de opbrengst bij helfte wordt verdeeld. Beide scenario’s gaan uit van een aan [geïntimeerde] te gunnen tijdelijk gebruiksrecht, te weten gedurende maximaal drie jaren. Uit het echtscheidingsconvenant en de Supplemental Agreement blijkt dat deze afspraken omtrent het gebruik van de woning door [geïntimeerde] door partijen zijn gemaakt met het oogmerk na de verdeling finale kwijting aan elkaar te verlenen. De kwalificatie van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding als een exclusief tijdelijk gebruiksrecht, strookt met hetgeen partijen bij het aangaan van de afspraken omtrent de afwikkeling van de verdeling van het eerder tussen hen bestaande huwelijksvermogen voor ogen stond en ook overigens niet ongebruikelijk is bij het maken van afspraken omtrent verdeling tussen voormalige echtelieden. Daarbij komt dat als na effectuering van de verdeling een nieuwe doorlopende huurrelatie zou ontstaan tussen [appellant] en [geïntimeerde] , dat met de beoogde finale kwijting in tegenspraak lijkt.
6.5.
Dat in het echtscheidingsconvenant is opgenomen dat [geïntimeerde] de voormalige echtelijke woning zal “
huren”, een
“(huur)bedrag zal betalen” en partijen een seperate huurovereenkomst zullen opstellen, leidt voorshands niet tot een ander oordeel.
Het echtscheidingsconvenant bepaalt dat de overeenkomst zou worden opgesteld met inachtneming van de uitgangspunten uit het echtscheidingsconvenant. De afspraken omtrent het toestaan van bewoning van [geïntimeerde] van de voormalige echtelijke woning gedurende een beperkte periode van maximaal drie jaren, zijn dan ook evident onderdeel van het samenstel aan gemaakte afspraken omtrent de afwikkeling van de verdeling na echtscheiding en de hierna aan elkaar te verlenen finale kwijting.
Ook de afspraak dat [geïntimeerde] de voormalige echtelijke woning tijdelijk mag bewonen, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de bewoordingen “
[appellant] is obliged to rent the house to You for up to 3 years as the divorce agreement (ECHTSCHEIDINGSCONVENANT) mentioned (…) [geïntimeerde] is obliged to leave the house after 3 years living after divorce”, van de Supplemental Agreement, dient in dat licht te worden bezien. Voor zover de Supplemental Agreement niet door een jurist is opgesteld, doet dat naar het voorlopige oordeel van het hof aan het voorgaande niet af. De bewoordingen zijn immers op zichzelf duidelijk. Daaruit was voor [geïntimeerde] evident dat zij maximaal drie jaar na de scheiding in de woning mocht verblijven tegen betaling van een vergoeding en dat zij na die termijn verplicht was de woning te verlaten, waarna zij geen recht meer zou hebben op gebruik daarvan. Dat geldt te meer nu [geïntimeerde] kennelijk het initiatief heeft genomen tot vastlegging van de afspraken zoals deze in de Supplemental Agreement zijn opgenomen.
Tot ondertekening van een huurovereenkomst is [geïntimeerde] overigens ook nimmer overgegaan.
6.6.
Aldus is het hof voorshands van oordeel dat de woning ten tijde van de totstandkoming van de afspraken in het echtscheidingsconvenant en vervolgens de Supplemental Agreement in dit geval niet in gebruik is verstrekt in de zin van artikel 7:201 BW Pro maar op grond van een andere rechtsverhouding op basis waarvan het gebruik van de woning toegelaten was, namelijk een uitdrukkelijke gebruiksregeling tussen deelgenoten op grond waarvan [geïntimeerde] het exclusieve gebruik is gegund, vervat in het echtscheidingsconvenant en vervolgens de Supplemental Agreement. Weliswaar heeft [geïntimeerde] een tegenprestatie voor het gebruik van de woning voldaan, maar deze is niet aan te merken als een tegenprestatie voor het in gebruik verstrekken van de zaak in de zin van artikel 7:201 BW Pro.
6.7.
Het hof zal partijen de gelegenheid bieden zich over het voorshandse oordeel van het hof omtrent de kwalificatie van de tussen hen bestaande rechtsverhouding (in 6.4., 6.5. en 6.6.) uit te laten. Daartoe zullen partijen eerst in de gelegenheid worden gesteld bij akte te reageren, waarna het hof een mondelinge behandeling zal gelasten. In dat kader worden partijen verzocht de verhinderingen hunnerzijds voor de maanden augustus tot en met oktober 2026 op te geven.
6.8.
Iedere verdere beslissing wordt aanhouden.

7.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 7 juli 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] met de hiervoor in rov. 6.7. vermelde doeleinden, waarna [geïntimeerde] in de gelegenheid zal worden gesteld hierop binnen vier weken bij antwoordakte te reageren, en
bepaalt dat de advocaten van [appellant] en [geïntimeerde] uiterlijk op 23 juni 2026 aan (de griffie van) het hof dienen te doen toekomen de verhinderdata van partijen en hun advocaten in de periode augustus tot en met oktober 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, M.E. van Neck en Z.D. van Heesen-Laclé en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.