ECLI:NL:GHAMS:2026:164

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
23-000420-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging van vonnis en vrijspraak in hoger beroep betreffende voorhanden hebben van een stroomstootwapen

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De verdachte was eerder vrijgesproken van enkele tenlastegelegde feiten, maar was wel veroordeeld voor andere feiten. Het hoger beroep was beperkt tot de veroordeling voor feit 5, dat betrekking had op het voorhanden hebben van een stroomstootwapen. Het hof heeft vastgesteld dat er onvoldoende bewijs was om te concluderen dat het vermeende stroomstootwapen daadwerkelijk een echt wapen was. De advocaat-generaal had gevorderd tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde, maar het hof oordeelde dat de verdachte vrijgesproken moest worden van zowel het primaire als het subsidiaire feit. Het hof heeft de straf voor de overige bewezenverklaarde feiten, die niet in appel waren, bepaald op een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken met een proeftijd van twee jaren. Het arrest is gewezen door een meervoudige strafkamer en is openbaar uitgesproken.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000420-24
datum uitspraak: 21 januari 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 6 februari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-293805-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in Justitieel Complex Zaanstad, EMD te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 januari 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman - naar voren heeft gebracht.

Omvang hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte bij voormeld vonnis vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd en hem veroordeeld voor hetgeen onder 1, 3, 4 en 5 aan hem is tenlastegelegd. Namens de verdachte is beperkt hoger beroep tegen voormeld vonnis ingesteld, te weten tegen de veroordeling van het onder 5 tenlastegelegde.
Het hoger beroep is dus slechts gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep opgenomen beslissing ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde.
Het voorgaande betekent dat het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde niet in appel voorligt en het hof geen oordeel toekomt met betrekking tot de beslissingen ten aanzien van die feiten. Wel zal het hof in geval van vernietiging ten aanzien van de straf toepassing dienen te geven aan artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover in hoger beroep nog aan de orde en gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging, tenlastegelegd dat:
5. primair
hij op of omstreeks 6 november 2023 te Heiloo een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht voorhanden heeft gehad
5. subsidiair
hij op of omstreeks 6 november 2023 te Heiloo een wapen van categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat dit voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, voorhanden heeft gehad;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Vrijspraak ten aanzien van feit 5 primair en subsidiair

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde, nu met betrekking tot het onder 5 primair tenlastegelegde onvoldoende kan worden vastgesteld dat het stroomstootwapen echt is. Het stroomstootwapen valt echter wel onder categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie (hierna: WWM), aldus de advocaat-generaal.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de verdachte van het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde vrij te spreken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – primair aangevoerd dat het stroomstootwapen speelgoed betreft. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat het voorwerp niet kan worden aangemerkt als een voorwerp zodanig lijkend op een wapen, omdat elk element van bedreiging of afdreiging ontbreekt. Het voorwerp valt dus niet als een (namaak) stroomstootwapen in de zin van de WWM aan te merken.
Het hof overweegt als volgt.
Feit 5 primair
Het in beslag genomen vermeende stroomstootwapen is door een daartoe bevoegde verbalisant onderzocht en gecategoriseerd als een wapen in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 5 WWM. Hoewel het hof in beginsel geen reden ziet om aan een dergelijke determinatie te twijfelen, kan het hof gelet op alle stukken die daarover door de verdediging zijn overgelegd en de vragen die daarover zijn gesteld, niet met zekerheid vaststellen dat het stroomstootwapen daadwerkelijk onder de definitie van een wapen in de zin van de WWM valt. Het hof is van oordeel dat deze twijfel in het voordeel van de verdachte werkt. Om die reden zal het hof de verdachte vrijspreken van het onder 5 primair tenlastegelegde.
Feit 5 subsidiair
Aan verdachte is subsidiair tenlastegelegd dat hij een wapen van categorie I, onder 7 van de WWM, te weten een voorwerp dat zodanig op een wapen geleek dat dit voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een op een stroomstootwapen gelijkend voorwerp, voorhanden heeft gehad.
Als wapen van categorie I onder 7 WWM gelden:
andere
door Onze Minister aangewezenvoorwerpen die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken, dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn.
Artikel 3 van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm) luidt:
Als voorwerpen van categorie I, onder 7 van de WWM, die een ernstige bedreiging van personen kunnen vormen of die zodanig op een wapen gelijken dat zij voor bedreiging of afdreiging geschikt zijn, worden aangewezen:
a. voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met vuurwapens of met voor ontploffing bestemde voorwerpen, met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;
b. voorwerpen vermeld op lijst a of lijst b van de bij deze regeling behorende bijlage I, alsmede niet in die bijlage genoemde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen daarmee een sprekende gelijkenis vertonen met, uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG;
c. lucht- gas- en veerdrukwapens etc.
d. stiletto’s, valmessen en vlindermessen etc.
e. laserwapens etc.
f. werppennen en
g. alle voorwerpen die een sprekende gelijkenis vertonen met wapens, niet zijnde vuurwapens, en die door de aard en de samenstelling van het materiaal waaruit zij zijn vervaardigd, niet dan wel slecht detecteerbaar zijn door metaaldetectoren of andere elektronische detectieapparatuur, met uitzondering van voorwerpen die specifiek zijn vervaardigd voor reguliere maatschappelijk aanvaarde gebruiksdoeleinden en met uitzondering van speelgoedvoorwerpen als bedoeld in de Richtlijn 2009/48/EG.
Het hof overweegt dat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat het voorwerp waar het in dit geval om gaat, één van de in hiervoor in artikel 3 Rwm sub a, b, c, d, e, f en g aangewezen voorwerpen betreft. Om die reden zal het hof de verdachte ook vrijspreken van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde.

Toepassing van artikel 423, vierde lid, Sv

De rechtbank heeft ter zake van de onder 1, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met aftrek van het voorarrest, aan de verdachte opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 tenlastegelegde een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met een proeftijd van twee jaren zal opleggen. Ten aanzien van het onder 5 subsidiair tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de verdachte schuldig zal verklaren zonder oplegging van een straf.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting subsidiair verzocht om ten aanzien van het onder 1, 3, 4 en 5 tenlastegelegde toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr).
Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het onder feit 5 primair en subsidiair tenlastegelegde en de verdachte in hoger beroep hiervan zal worden vrijgesproken, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 Sv de straf ten aanzien van de in eerste aanleg bewezenverklaarde misdrijven, te weten feiten 1, 3 en 4, bepalen. Dat houdt in dat het hof moet beslissen welk gedeelte van de straf geacht moet worden door de rechtbank te zijn opgelegd ter zake van deze feiten, die niet aan het oordeel van het hof zijn onderworpen.
Het hof zal de straf ter zake van het door de rechtbank onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde bepalen op een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 1, 3 en 4 bewezenverklaarde op:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten het vermeende stroomstootwapen, op de beslaglijst genoemd:
- 1 STK stroomstootwapen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. N. van der Wijngaart en mr. N.J.M. de Munnik, in tegenwoordigheid van mr. A.C. Vermeijden, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 januari 2026.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.