ECLI:NL:GHAMS:2026:1651

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.360.606/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:377a BWArt. 1:377c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging afwijzing omgangsregeling vader met minderjarige wegens medische en traumatische omstandigheden

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de afwijzing door de rechtbank van zijn verzoek tot het vaststellen van een vaste omgangsregeling met zijn vierjarige dochter. De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk gezag uit, waarbij de dochter bij de moeder woont. De vader is strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van de moeder.

De vader verzocht onder meer om deskundigenonderzoek en een raadsonderzoek om de omgangsregeling te beoordelen, en stelde dat de rechtbank onvoldoende onderzoek had gedaan. De moeder betoogde dat omgang met de vader schadelijk is voor de dochter vanwege de mishandeling, bedreigingen en de angst die zij en de dochter ervaren.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde terughoudendheid vanwege de traumatische situatie van de dochter en de moeder, en de ernstige medische toestand van de dochter. Het hof oordeelde dat het vaststellen van een omgangsregeling op dit moment niet in het belang van de dochter is, gezien haar medische situatie en de lopende traumahulpverlening. Het hof zag geen noodzaak voor een raadsonderzoek en bekrachtigde de beschikking van de rechtbank, waarbij het verzoek van de vader werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot omgangsregeling vanwege de medische en traumatische situatie van de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.360.606/01
zaaknummer rechtbank: C/15/363267 / FA RK 25-1439
beschikking van de meervoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak van
[de vader] ,
voorheen [naam] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. J.I. Vervest te Heemskerk ,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. E.P.J. Appelman te Alkmaar.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem,
gevestigd te Den Haag,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de omgang tussen de vader en [minderjarige] (4 jaar). De rechtbank heeft het verzoek van de vader tot het vaststellen van een zorgregeling afgewezen
.
De vader is het daarmee niet eens en wil dat het hof alsnog een regeling vaststelt. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking. Zij meent dat aan de vader het recht op omgang moet worden ontzegd.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 21 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 september 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
2.2
De moeder heeft op 11 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 20 maart 2026 met bijlagen (prod. K t/m O)
- een bericht van de zijde van de moeder van 23 maart 2026 met bijlage (prod. P).
2.4
De zitting op 26 maart 2026 is aangehouden vanwege de afwezigheid van een tolk voor de vader. Van deze zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.
2.5
Het hof heeft nadien nog de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 3 april 2026 met bijlage (prod. Q);
- een bericht van de zijde van de vader van 7 april 2026.
2.6
De zitting is voortgezet op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en door S. Veseli, tolk in de Albanese taal,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Eijpe.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [plaats C] .
De ouders zijn van [datum] 2022 tot 20 november 2024 getrouwd geweest.
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder.
3.2
Op 11 maart 2024 heeft de moeder aangifte van mishandeling door de vader gedaan.
De vader is hiervoor strafrechtelijk veroordeeld.
3.3
Bij verzoekschrift van 25 maart 2024 heeft de moeder de rechtbank verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken, de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij haar te bepalen, het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te kennen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . In dit verzoekschrift heeft de moeder gesteld dat zij verbaal en fysiek is mishandeld en bedreigd door de vader.
3.4
Op 9 oktober 2024 heeft de moeder een gewijzigd verzoekschrift tot echtscheiding ingediend, met als bijlage een ouderschapsplan waarin partijen zijn overeengekomen dat het gezamenlijk gezag in stand blijft, [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben en dat partijen met elkaar in overleg zullen treden wanneer [minderjarige] omgang met de vader zal hebben (een flexibele zorgregeling).
3.5
Bij beschikking van 13 november 2024 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vader tot wijziging van voornoemde flexibele zorgregeling in een vaste regeling afgewezen.
4.2
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking,
1. een deskundigenonderzoek te gelasten naar:
- de authenticiteit van de WhatsApp-berichten door een forensisch ICT-deskundige;
- de psychische gesteldheid van [minderjarige] en of omgang met vader schadelijk is;
- de geschiktheid van vader voor (begeleide) omgang;
2. een raadsonderzoek te bevelen:
- onderzoek naar de vrijwilligheid van het ouderschapsplan;
- onderzoek naar de werkelijke omgangshistorie tussen vader en [minderjarige] ;
- advisering over welke vorm van omgang in belang van [minderjarige] is;
3. een opbouwende begeleide omgangsregeling vast te stellen:
- aanvang met korte begeleide contactmomenten op neutrale locatie;
- professionele begeleiding door erkende instelling;
- uitbreiding naarmate verantwoord volgens begeleiders;
- duidelijk stappenplan met concrete doelen.
4.3
De moeder verzoekt het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Omdat de vader de Albanese nationaliteit heeft en de moeder en [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit hebben, draagt de zaak een internationaal karakter. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het verzoek van de vader te oordelen, omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Tussen partijen staat niet ter discussie het oordeel van de rechtbank in de bestreden beschikking dat Nederlands recht van toepassing is, zodat ook het hof dat als uitgangspunt zal nemen.
5.2
De vader meent dat de door de moeder overgelegde medische stukken ter zake van [minderjarige] buiten beschouwing moeten worden gelaten en niet aan het dossier dienen te worden toegevoegd, omdat deze stukken de privacy van [minderjarige] schenden en voor het inbrengen van de stukken zijn toestemming niet is gevraagd. Het hof volgt de vader niet in dit standpunt. Nog daargelaten de vraag of het inbrengen van stukken een gezagsbelissing is, heeft de moeder deze stukken overgelegd om te onderbouwen dat [minderjarige] kwetsbaar is vanwege haar zorgelijke medische toestand. Hiertoe is zij als ouder die de belangen van [minderjarige] vertegenwoordigt gerechtigd. De stukken maken onderdeel uit van het dossier.
Wettelijk kader
5.3
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 1:377c, eerste en tweede lid, BW wordt verschaft.
De standpunten
5.4
De vader meent dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft afgewezen en heeft vier grieven geformuleerd tegen de bestreden beschikking. Volgens de vader heeft de rechtbank haar beslissing gebaseerd op een eenzijdige en innerlijk tegenstrijdige voorstelling van zaken door de moeder en onvoldoende onderzoek gedaan naar de tegengestelde verklaringen van partijen over de omgangshistorie. Er heeft slechts één keer een handgemeen tussen partijen plaatsgevonden en voor deze eenvoudige mishandeling is de vader veroordeeld. Van stelselmatige mishandelingen van de moeder door de vader is geen sprake geweest. De vader staat niet bij Interpol geregistreerd en heeft ook niemand vermoord. Evenmin heeft hij de moeder gestalkt. Hij is eenmalig bij het huis van de moeder geweest, omdat hij dacht dat hij een afspraak had om [minderjarige] te zien. Dit bleek een misverstand. De door de moeder overgelegde WhatsApp-berichten heeft hij niet gestuurd. Hij spreekt geen Nederlands en is bovendien dyslectisch. De rechtbank had de beschuldigingen van de moeder moeten verifiëren door nader onafhankelijk onderzoek te gelasten. Tot het moment dat hij de moeder liet weten in romantisch opzicht niet verder met haar te willen, heeft hij omgang met [minderjarige] gehad. Als de rechtbank twijfels had over de veiligheid van [minderjarige] , had de mogelijkheid van begeleide omgang moeten worden onderzocht. Door zijn verzoek af te wijzen, heeft de rechtbank het recht op omgang van de vader en [minderjarige] geschonden.
De bestreden beschikking kan dan ook niet in stand blijven, aldus de vader.
5.5
De moeder vindt dat de rechtbank terecht vaders verzoek tot omgang heeft afgewezen en meent dat de door hem aangevoerde grieven niet kunnen slagen. Omgang met de vader zorgt voor ernstig geestelijk of lichamelijk nadeel voor de ontwikkeling van [minderjarige] . De vader is kennelijk ongeschikt tot omgang en omgang is ook anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De vader neemt geen enkele verantwoordelijkheid, noch toont hij spijt voor de mishandeling van de moeder. De moeder heeft geen vertrouwen in de vader. Daarvoor is er teveel gebeurd. Bij herhaling staat hij onaangekondigd voor de deur van de vrouw, terwijl hij daar op zo’n moment niets te zoeken heeft. De vader heeft (zeer) ernstige doodsbedreigingen aan het adres van de moeder gestuurd. Niet alleen weigert hij nu om daarvoor verantwoordelijkheid te nemen, maar hij gaat zelfs zo ver dat hij de authenticiteit van die berichten betwist. Ook in het beroepschrift laat de vader een zekere mate van controledrang zien, onder meer getuige het feit dat hij navraag heeft gedaan bij de betrokken instanties over de behandelingen die [minderjarige] momenteel zou volgen. De moeder betwist met klem de stelling van de vader dat hij gedurende meerdere periodes omgang had met [minderjarige] tijdens het weekend. De keren dat de moeder een concrete afspraak voor omgang voorstelde, is de vader niet komen opdagen. De moeder is zeer bang voor de vader. Zij slaapt slecht, heeft veel last van stress- en spanningsklachten, kijkt op straat voortdurend over haar schouder en draagt pepperspray bij zich. Half december (2025) is zij gestart met traumatherapie. [minderjarige] is getuige geweest van de mishandelingen door de vader en kampt ook met ernstige fysieke gezondheidsproblemen. Zij kan niet worden belast met omgang met de vader die daarvoor ongeschikt is. De bestreden beschikking dient dan ook in stand te blijven, aldus de moeder.
Het advies van de raad
5.6
De raad heeft op zitting in hoger beroep het volgende naar voren gebracht. Normaal gesproken is de visie van de raad dat een kind het recht heeft om een band met beide ouders op te bouwen. In deze zaak is sprake van risico’s en zijn er grote zorgen. De raad acht het opvallend dat de verhalen van de ouders over de situatie tijdens en na de relatie zo ver uit elkaar liggen waar het gaat over de mishandeling, de stalking, de dreiging, de tijd die de vader heeft doorgebracht met [minderjarige] , de WhatsApp-berichten, het strafblad van de vader en andere geweldsdelicten. In ieder geval kan de raad vaststellen dat de moeder angst heeft voor de vader en dat [minderjarige] mogelijk een trauma heeft. De moeder en [minderjarige] ontvangen allebei therapie en de vader is eenmaal veroordeeld voor de mishandeling van de moeder. Niet ter discussie staat dat de verstandhouding tussen de ouders enorm is verstoord. De vader stelt dat er één keer sprake is geweest van mishandeling, maar ontkent dat er andere zaken zijn voorgevallen. De moeder blijft bang en wantrouwend. [minderjarige] krijgt deze spanningen mee. Zij is nog jong en volledig afhankelijk van haar verzorgers. Hoewel niet duidelijk is wat er precies is gebeurd tussen partijen, is het wel zo dat [minderjarige] afhankelijk is van de moeder om begeleid te worden naar het contact met de vader. Dan zou het goed zijn als de vader zou inzien dat de hele situatie de moeder ernstig onder druk heeft gezet. Zolang de vader niet erkent dat het een groot probleem voor de moeder is, verandert de situatie niet, ook niet als bijvoorbeeld hulpverlening wordt ingezet. Als er geen hulpvraag is, zal er niets veranderen. Als moeder en kind traumabehandeling ontvangen en op dat moment contact met de vader plaatsvindt, kan dat leiden tot triggers en herbeleving. Eerst moeten de moeder en [minderjarige] de kans krijgen om gebeurtenissen te verwerken voordat kan worden overgegaan tot contactherstel met de vader en een zorgregeling kans van slagen kan hebben. Daarbij geldt dat [minderjarige] op dit moment ernstig ziek is en de traumabehandeling is uitgesteld. Gezien haar medische situatie is het risicovol als zij meer spanning ervaart van de situatie. Zij zal de spanningen van de moeder meekrijgen. De moeder heeft het zwaar op dit moment, maar moet er voor [minderjarige] zijn.
Aan de andere kant is er een vader die betrokken wil zijn en ook wat te bieden heeft. Hij heeft geen grote rol gehad bij [minderjarige] . Maar [minderjarige] krijgt wel een halfbroertje en zij moet ook weten van wie zij afstamt.
Op dit moment is een zorgregeling echter niet in haar belang, gezien haar huidige situatie en het feit dat zij geen emotionele toestemming van de moeder krijgt. De raad acht het belangrijk dat [minderjarige] weet van wie zij afstamt en wie haar vader is. Een onderzoek door de raad zou de gebeurtenissen in het verleden en de huidige situatie en eventuele hulpverlening bij contactherstel in beeld kunnen brengen, maar de wachttijd voor een onderzoek is lang. De wachttijd kan in dit geval echter in het voordeel werken omdat [minderjarige] die tijd nodig zal hebben voor herstel en traumaverwerking. Op de korte termijn is [minderjarige] te ziek voor een zorgregeling en kan de moeder daarvoor ook geen toestemming geven, aldus de raad.
5.7
Het hof overweegt als volgt.
Anders dan de raad ziet het hof op dit moment geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten. Het hof acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op het voorliggende verzoek ten aanzien van de zorgregeling. Dat de situatie mogelijk anders is op het moment dat het raadsonderzoek van start kan gaan, doet aan dit oordeel niet af.
5.8
Het hof onderschrijft de beslissing van de rechtbank en hetgeen daartoe in de bestreden beschikking is overwogen.
In aanvulling daarop overweegt het hof dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de gezondheidssituatie van [minderjarige] op dit moment zorgelijk is. [minderjarige] heeft een aangeboren hartafwijking. Recent is het niet gelukt om het gaatje in haar hart te sluiten via een hartkatheterisatie en zij zal om die reden een openhartoperatie moeten ondergaan. Omdat [minderjarige] een te laag aantal bloedplaatjes in haar bloed heeft, staat zij wekelijks onder controle en dreigt een ziekenhuisopname. Onder deze omstandigheden acht het hof het vaststellen van een zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] . Haar gezondheidssituatie en medische behandeling staan nu op de voorgrond en dienen voorrang te krijgen. Zij moet na haar operatie in alle rust kunnen revalideren en daarbij is het van belang dat zij gevrijwaard blijft van spanningen rondom het contact met haar vader. Net zoals de rechtbank acht het hof voldoende aannemelijk dat de moeder zeer angstig is voor de vader. Hoewel de vader meent dat deze angst onterecht is, staat vast dat hij de moeder ten minste één keer heeft mishandeld. Op dit moment kan de moeder [minderjarige] geen emotionele toestemming geven voor het contact met de vader. Uit de overgelegde brief van haar GZ-psycholoog van 16 maart 2026 blijkt dat de moeder traumagericht wordt behandeld voor een posttraumatische stressstoornis. Ook [minderjarige] ontvangt (trauma)hulpverlening, zij het dat deze nu tijdelijk is stopgezet vanwege haar medische situatie. [minderjarige] heeft een ontwikkelingsachterstand en praat nog niet hoewel zij inmiddels vier jaar oud is. Gedacht wordt aan een taalontwikkelingsstoornis en/of trauma. Anders dan de raad, ziet het hof geen aanleiding om vooruit te lopen op de verbetering van de medische situatie van [minderjarige] en afronding van de traumabehandelingen van de moeder en [minderjarige] door het gezin op de wachtlijst voor een raadsonderzoek te plaatsen. Een naderend raadsonderzoek naar de mogelijkheid van een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zal de spanningen voor de moeder (en daarmee voor [minderjarige] ) niet doen afnemen. Daarnaast zal een dergelijk onderzoek pas over een (klein) jaar volledig zijn afgerond. Nu de onderhavige beslissing in beginsel een tijdelijk karakter heeft, zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep afwijzen.
5.9
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem van 5 september 2025;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 23 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.