Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1656

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.367.899
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op hardheidsclausule in hoger beroep wsnp-verzoek wegens onvoldoende bestendigde verbeteringen

Appellant heeft in hoger beroep het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (wsnp) beperkt tot een beroep op de hardheidsclausule. Hij stelde dat hij de omstandigheden die tot zijn schulden leidden inmiddels onder controle heeft en dat hij zich saneringsgezind opstelt.

Het hof overwoog dat hoewel appellant sinds 7 mei 2026 onder beschermingsbewind staat en enige positieve ontwikkelingen heeft doorgemaakt, de aangebrachte veranderingen nog van te korte duur zijn om te concluderen dat hij zijn schulden duurzaam onder controle heeft. De voorgenomen psychologische behandeling was nog niet gestart en de psychosociale problematiek, mede oorzaak van de schulden, was nog niet voldoende overwonnen.

Daarnaast gaf appellant onvoldoende openheid over zijn uitgavenpatroon, met name over meerdere betalingen aan een partij genaamd “thenewdutch”. Het hof concludeerde dat appellant onvoldoende blijk gaf van een saneringsgezinde houding en dat het beroep op de hardheidsclausule daarom niet toewijsbaar was.

Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Noord-Holland dat het verzoek tot wsnp-toelating afwees. Het staat appellant vrij om bij een meer bestendige verbetering van zijn situatie opnieuw een verzoek in te dienen.

Uitkomst: Het beroep op de hardheidsclausule wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.367.899/01
rekestnummer rechtbank : NL:TZ:2607255:R-RK
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 9 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonende te [plaats] , gemeente Hoorn,
appellant,
advocaat: mr. M. van Espen te Hoorn.
Appellant wordt hierna [appellant] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij per e-mail op 22 april 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 16 april 2026, waarbij het verzoek van [appellant] tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 2 juni 2026. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. Van Espen voornoemd, die het beroepschrift mondeling heeft toegelicht. Voorts is ter zitting verschenen M. Pieterse, beschermingsbewindvoerder van [appellant] .
Het hof heeft kennisgenomen van het beroepschrift met bijlage, het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg, en het aanvullend beroepschrift van 26 mei 2026 met bijlagen. [appellant] heeft verklaard eveneens te beschikken over de genoemde stukken.

2.Beoordeling

2.1.
[appellant] heeft in het beroepschrift verzocht het vonnis van de rechtbank te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog op hem van toepassing te verklaren. Daartoe heeft [appellant] het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schulden. [appellant] betwist de gestelde tekortkomingen en stelt dat voor zover de tekortkomingen wel aanwezig zijn de verwijtbaarheid hiervan ontbreekt. Daarnaast doet [appellant] een beroep op de hardheidsclausule van artikel 288, derde lid, van de Faillissementswet (Fw), als aangenomen wordt dat hij niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van (één van) de schulden. [appellant] stelt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft.
2.2.
Verder heeft [appellant] in het aanvullend beroepschrift aangevoerd dat de schuld aan de Belastingdienst is ontstaan doordat hij dit geld heeft gebruikt om zijn hoofd boven water te houden vanwege de teruggelopen inkomsten uit zijn onderneming. In 2022 is [appellant] gescheiden van de moeder van zijn kinderen. De schulden aan familie en vrienden hadden te maken met de herinrichtingskosten van zijn nieuwe woning, waar hij ook zijn kinderen moest kunnen ontvangen. Destijds (in 2023) is [appellant] redelijk onervaren in de keukenbranche gestapt en heeft hij de onderneming overgenomen van de vorige eigenaar. Het klantenaantal nam af en de concurrentie was groot. [appellant] heeft in oktober 2025 zijn werkzaamheden in de onderneming gestaakt. Toen [appellant] in die periode met de verhuurder in gesprek ging om zijn huur te beëindigen, bleek dat zich in het door [appellant] onderverhuurde deel van het pand een wietplantage bevond. [appellant] had hier niets mee te maken en is hiervoor ook niet vervolgd.
[appellant] kan op dit moment nog niet werken, hij moet aan zichzelf werken. Hij is in een burn-out terechtgekomen en staat op de wachtlijst voor hulpverlening. [appellant] stelt dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden onder controle heeft. [appellant] heeft zich gemeld bij een schuldhulpverlener ( [bedrijf] ) en heeft zich ingespannen in dit traject. Er is een beschermingsbewindvoerder aangesteld en een nihilstelling van de alimentatieverplichting aangevraagd, zodat [appellant] in ieder geval zijn vaste lasten kan betalen. [appellant] accepteert hulpverlening vanuit de gemeente, een jobcoach en de huisarts. Er is sprake van een totale schuld van ruim € 270.000,00 en de situatie is uitzichtloos. [appellant] is bereid om zich volledig in te zetten. Hij wil er alles aan doen om zijn thans uitzichtloze positie te verbeteren, aldus steeds [appellant] .
2.3.
Het hof overweegt als volgt. Ingevolge artikel 288, eerste lid, aanhef en onder b, Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest.
2.4.
Uit het bestreden vonnis leidt het hof af dat de rechtbank van oordeel is dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan van de schuld van ruim
€ 18.000,00 aan de Belastingdienst ter zake van niet afgedragen omzetbelasting. Voorts is de rechtbank blijkens het vonnis van oordeel dat [appellant] met de opname van een totaalbedrag van € 5.000,00 van zijn rekening - naar eigen zeggen om schulden aan kennissen af te lossen - zijn overige schuldeisers heeft benadeeld en daarom ten aanzien van het onbetaald laten van die schulden ook niet te goeder trouw is geweest. Ter zitting in hoger beroep heeft mr. Van Espen namens [appellant] desgevraagd verklaard dat het hoger beroep niet is gericht tegen voornoemde oordelen omdat het bestrijden daarvan in de gegeven feiten en omstandigheden niet vol te houden is. Zij heeft toegelicht dat het hoger beroep uitsluitend het hiervoor onder 2.1 vermelde beroep op de hardheidsclausule bestrijkt.
2.5.
Met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule overweegt het hof als volgt. Het hof stelt voorop dat ten aanzien van [appellant] - nadat hij daartoe zelf het initiatief had genomen - sinds 7 mei 2026 beschermingsbewind is ingesteld en dat de beschermingsbewind-voerder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat [appellant] sinds het kennismakings-gesprek een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en gemotiveerd is om zijn financiën op orde te brengen. Voorts heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij op 3 juni 2026 een intakegesprek heeft ten behoeve van een nog op te starten behandeling van zijn psychische klachten. Ook zal [appellant] - naar eigen zeggen - op 4 juni 2026 een sollicitatiegesprek hebben bij Trigion teneinde - na het doorlopen van een intern opleidingstraject - werkzaam te zijn in de beveiligingsbranche. Het hof onderkent dat [appellant] - in navolging van het hiervoor onder 2.2. vermelde verzoek om nihilstelling van de alimentatieverplichting en de acceptatie van hulpverlening - hiermee enige stappen in de goede richting heeft gezet, maar dat voor het overige de aangebrachte veranderingen nog van te korte duur zijn en daarmee onvoldoende bestendig om het oordeel te rechtvaardigen dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden thans afdoende onder controle heeft. Daartoe is het volgende redengevend.
2.6.
[appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij gedurende een langere periode kampte met veel stress, gevoelens van eenzaamheid en psychische klachten en dat hij mede hierdoor het overzicht over zijn financiële situatie heeft verloren. Hoewel [appellant] heeft verklaard dat de stress sinds het instellen van het beschermingsbewind per 7 mei 2026 aanzienlijk is afgenomen, moet de voorgenomen psychologische behandeling nog aanvangen en kan op het daarmee te behalen resultaat thans niet worden vooruitgelopen. Dit klemt temeer nu [appellant] ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het een lang traject zal zijn en dat hij er nog niet is. Daarbij komt dat [appellant] - naar eigen zeggen - tot voor kort als gevolg van stress nog overmatig alcohol gebruikte en ongeveer drie maanden geleden strafrechtelijk is veroordeeld wegens rijden onder invloed tot een taakstraf van 30 uren en dit feit tot invordering van zijn rijbewijs heeft geleid voor de duur van een jaar. Op dit moment kan dus niet worden geoordeeld dat [appellant] de psychosociale problematiek die mede aan zijn financiële problemen ten grondslag heeft gelegen, voldoende onder controle heeft en dat sprake is van een bestendige keer ten goede.
2.7.
Verder heeft [appellant] naar het oordeel van het hof onvoldoende blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. Op vragen van het hof naar het uitgavenpatroon van [appellant] - zoals hiervan blijkt uit de bankafschriften over de periode van 1 december 2025 tot en met 28 februari 2026 - heeft [appellant] onvoldoende openheid van zaken gegeven. Zo heeft hij geen afdoende en plausibele verklaring gegeven voor het feit dat hij in januari 2026 viermaal en in februari 2026 zesmaal een bedrag van € 120,- heeft betaald aan “thenewdutch”. Hij heeft slechts volstaan met het antwoord dat deze transacties telkens de aankoop van een trainingspak betreffen en dat hij daar niet meer over kan verklaren.
2.8.
Tegen de achtergrond van het voorgaande kan niet worden gezegd dat de persoonlijke ontwikkeling die [appellant] tot op heden heeft doorgemaakt een zodanige voldoende en stabiele basis biedt dat het gerechtvaardigd is te oordelen dat hij de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling op dit moment naar behoren zal nakomen. Het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule wordt daarom afgewezen.
2.9.
Mede gelet op de zware verplichtingen die in het kader van de schuldsaneringsregeling op [appellant] van toepassing zullen zijn, is het van belang dat [appellant] in de komende tijd verder aan de stabilisatie van zijn situatie werkt. Indien [appellant] op termijn aan de hand van stukken voldoende aannemelijk maakt dat zijn situatie een meer bestendige stabiele wending heeft genomen, staat het hem vrij nogmaals een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling aan de rechter voor te leggen.
2.10.
De slotsom is dat het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ook in hoger beroep niet toewijsbaar is. Het vonnis van de rechtbank zal dan ook worden bekrachtigd.

3.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, M.C. Bosch en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.