Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2] ,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
tweede griefvan Intermaris voor zover deze inhoudt dat ook [geïntimeerde 2] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor de periode dat er niets voor het gehuurde betaald is, vergeefs is voorgesteld.
6.Beoordeling
eerste griefop tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurachterstand minder dan drie maanden bedraagt en daarmee niet hoog genoeg is om toewijzing van de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te kunnen rechtvaardigen. Volgens Intermaris bedraagt de huurachterstand meer dan drie maanden huur omdat [geïntimeerde 1] sinds 7 november 2024 geen enkele (huur)betaling meer aan Intermaris heeft voldaan. In totaal was er ten tijde van de ontruiming op 10 juli 2025 een huurachterstand van € 5.004,-, zijnde acht maanden huur. Deze huurachterstand rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde, aldus Intermaris. Ook moet [geïntimeerde 1] veroordeeld worden tot betaling van de huur vanaf 1 maart 2025 tot in elk geval 10 juli 2025, de datum van ontruiming, zo betoogt Intermaris met haar
tweede grief.
grief 3) dat de kantonrechter ten onrechte de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 112,35 heeft afgewezen omdat het beding waarop dat is gebaseerd oneerlijk is bevonden. Op zichzelf bestrijdt Intermaris niet dat het beding oneerlijk is maar betoogt zij dat zij zich ter zake niet heeft beroepen op de artikelen in de algemene huurvoorwaarden, maar op de wettelijke regeling. Die kosten zouden volgens haar dus alsnog moeten worden toegewezen.
€ 1.290,00