Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1658

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.354.992
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 GerechtsdeurwaarderswetArt. 45 lid 1 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen ongegrond verklaard verzet tegen beslissing gerechtsdeurwaarderskamer

Klager heeft bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders een klacht ingediend tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de voorzitter van de kamer als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager stelde buiten de wettelijke termijn verzet in tegen deze beslissing, waarna de kamer het verzet niet-ontvankelijk verklaarde. Klager ging hiertegen in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of het rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet doorbroken kan worden. Klager voerde aan dat de voorzitter van de kamer tijdens de zitting had medegedeeld dat hoger beroep mogelijk was, wat volgens klager het rechtszekerheidsbeginsel schond en tot doorbreking van het verbod zou moeten leiden.

Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de voorzitter deze mededeling heeft gedaan en dat zelfs indien dit het geval zou zijn, de schriftelijke beslissing waarin expliciet staat vermeld dat geen rechtsmiddel openstaat, leidend is. Het hof concludeert dat het rechtsmiddelenverbod niet is doorbroken en wijst het hoger beroep af.

De uitspraak bevestigt het belang van het rechtsmiddelenverbod bij ongegrond of niet-ontvankelijk verklaard verzet en benadrukt dat alleen onder zeer bijzondere omstandigheden, zoals schending van fundamentele rechtsbeginselen, hiervan kan worden afgeweken. De procedure vond plaats via videoverbinding en het vonnis is openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders wordt afgewezen vanwege het geldende rechtsmiddelenverbod.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.354.992/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13//757002/ DW RK 24/337
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 juni 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde],
toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: B. Boos.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.

1.De zaak in het kort

Klager is in hoger beroep gekomen van een beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) waarbij het door klager ingediende verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer ongegrond is verklaard. Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) staat tegen een dergelijke beslissing geen hoger beroep open. Dit rechtsmiddelenverbod kan slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken. Klager stelt dat de voorzitter van de kamer tijdens de zitting heeft meegedeeld dat klager wél tegen voornoemde beslissing in hoger beroep kan komen. Naar het oordeel van het hof is dat niet komen vast te staan. Onderaan de beslissing staat bovendien vermeld dat daartegen geen rechtsmiddel openstaat. Het hof wijst het hoger beroep af.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 15 mei 2025 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de aan deze uitspraak gehechte beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 28 april 2025, tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer.
2.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 29 augustus 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. Klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn beiden per videoverbinding verschenen en hebben het woord gevoerd.

3.Ontvankelijkheid

3.1.
Klager heeft bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 18 juni 2024 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beslissing heeft klager buiten de wettelijke termijn van veertien dagen verzet ingesteld bij de kamer. Op grond van deze termijnoverschrijding heeft de kamer het verzet bij de bestreden beslissing niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 45 lid 1 Gdw Pro staat tegen een beslissing van de kamer op een klacht het rechtsmiddel van hoger beroep bij dit hof open, tenzij dit is uitgesloten. Artikel 39 lid 4 Gdw Pro bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer waarbij het verzet ongegrond of niet-ontvankelijk is verklaard, geen rechtsmiddel openstaat. Dit is ook vermeld onder de bestreden beslissing. Dit rechtsmiddelenverbod kan onder zeer bijzondere omstandigheden worden doorbroken, bijvoorbeeld indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
3.3.
Klager is het niet eens met de beslissing op verzet van de kamer. Klager stelt dat de kamer heeft veronachtzaamd dat de gerechtsdeurwaarder bij het leggen van het beslag onvoldoende rekening heeft gehouden met de beslagvrije voet. Daarnaast heeft klager naar voren gebracht dat de termijn om in verzet te gaan niet veertien, maar 28 dagen bedraagt. Ten slotte heeft klager aangevoerd dat de voorzitter van de kamer, tijdens de mondelinge behandeling van het verzet, aan klager heeft meegedeeld dat de kamer op 28 april 2025 uitspraak zou doen en op de vraag van klager wat hij kon doen als hij het niet eens zou zijn met de uitspraak, heeft geantwoord dat klager in dat geval hoger beroep tegen de uitspraak zou kunnen instellen. Daarmee heeft de voorzitter hem bewust misleid en het beginsel van gelijke behandeling geschonden, aldus klager.
3.4.
Het hof oordeelt als volgt. Dat klager het niet eens is met de inhoud van de beslissing van de kamer is geen grond voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Zijn bezwaar ziet namelijk niet op schending van een fundamenteel rechtsbeginsel. Als klager alleen deze inhoudelijke grond zou hebben gesteld, zou het hoger beroep niet-ontvankelijk zijn. Klager heeft daarnaast echter ook gesteld dat het gelijkheidsbeginsel tijdens de zitting bij de kamer zou zijn geschonden doordat de voorzitter klager heeft meegedeeld dat klager nog in hoger beroep zou kunnen gaan. Het hof kwalificeert dit bezwaar niet zozeer als een (gestelde) schending van het gelijkheidsbeginsel, maar veeleer als een (gestelde) schending van het rechtszekerheidsbeginsel: een klager moet in beginsel kunnen afgaan op de juistheid van een rechterlijke mededeling over de (on)mogelijkheid van hoger beroep. Omdat klager zich uitdrukkelijk beroept op deze doorbrekingsgrond zal het hof hem ontvangen in zijn hoger beroep en beoordelen of deze stelling juist is en tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod kan leiden.
3.5.
Naar het oordeel van het hof is niet komen vast te staan dat de voorzitter tijdens de mondelinge behandeling van het verzet aan klager heeft meegedeeld dat tegen de beslissing op het verzet hoger beroep kon worden ingesteld. De gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder, die ook bij die zitting aanwezig is geweest, heeft dit uitdrukkelijk betwist. Maar zelfs als zou komen vast te staan dat de voorzitter per abuis iets van die strekking zou hebben gezegd, neemt dat niet weg dat onderaan de nadien gegeven bestreden beslissing uitdrukkelijk staat vermeld dat daartegen op grond van artikel 39 lid 4 Gdw Pro geen rechtsmiddel openstaat. Deze schriftelijke vermelding onderaan de beslissing is leidend voor de beoordeling of de rechtszekerheid is geschonden. Het hof komt tot het oordeel dat dat hier niet het geval is. Uit de overgelegde stukken en wat ter zitting in hoger beroep nog door klager is aangevoerd, is het hof ook verder niet gebleken van gronden voor een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen.

4.Beslissing

Het hof:
- wijst het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 28 april 2025 af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door de rolraadsheer.