Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1660

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.352.679/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:96 BWArt. 21 RvArt. 185 Wegenverkeerswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzekeringsfraude door onjuiste informatieverstrekking over letsel en schade

Appellant stelde NN aansprakelijk na een aanrijding waarbij hij beweerde letsel en materiële schade te hebben opgelopen. NN ontdekte via onderzoek en een externe tactisch onderzoeker dat appellant onjuiste informatie had verstrekt over de toedracht, het letsel en de schade, en vorderde de onderzoekskosten en terugbetaling van vergoedingen.

De kantonrechter wees de vorderingen toe omdat appellant geen verweer voerde. In hoger beroep voerde appellant verweer, onder meer dat de strafrechtelijke vrijspraak inzake fraude betekende dat hij niet opzettelijk had misleid. Het hof oordeelde dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid losstaat van de strafrechtelijke uitkomst en dat NN voldoende bewijs had geleverd van opzettelijke misleiding.

Het hof verwierp de stellingen van appellant over het letsel en de materiële schade, onderbouwde de redelijkheid van de onderzoekskosten en wees de vorderingen van NN toe. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten en het vonnis werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot vergoeding van onderzoekskosten en terugbetaling van vergoedingen wegens opzettelijke misleiding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.352.679/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11125119 CV EXPL 24-5392
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. A. Hashem Jawaheri te Amsterdam,
tegen
Nationale-Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
gevestigd te Den Haag,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A.N.L. de Hoogh te Den Haag.
Partijen worden hierna [appellant] en NN genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft NN aansprakelijk gesteld na te zijn aangereden door een bij NN verzekerde. Uit onderzoek van NN en een door NN ingeschakelde externe tactisch onderzoeker heeft NN geconcludeerd dat [appellant] onjuiste informatie heeft verstrekt over de toedracht van de aanrijding, het gestelde letsel en de gestelde schade. NN vordert de kosten van het fraudeonderzoek van [appellant] . Daarnaast vordert NN terugbetaling van een voorschotbetaling en een al uitbetaalde vergoeding voor juridische kosten. De kantonrechter heeft de vorderingen als niet weersproken toegewezen. In hoger beroep heeft [appellant] alsnog verweer gevoerd. Het hof oordeelt dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door opzettelijk onjuiste informatie aan NN te verstrekken en gehouden is de kosten te vergoeden en al uitgekeerde vergoedingen terug te betalen. Het hof bekrachtigt het vonnis.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 11 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 26 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen NN als eiseres en [appellant] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
  • memorie van grieven, met vier producties;
  • memorie van antwoord, met één productie.
Op 23 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voor NN is mr. J.A.A. van Beek als advocaat verschenen in plaats van mr. De Hoogh. De advocaten hebben de zaak toegelicht. [appellant] is in persoon aanwezig geweest en heeft vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Op 1 mei 2022 heeft er een aanrijding plaatsgehad waarbij [appellant] op zijn fiets is aangereden door een personenauto (hierna: de auto). In de auto zaten op het moment van de aanrijding twee personen, de bestuurder en een passagier. De auto was WAM-verzekerd bij NN.
3.3.
De passagier heeft video-opnames en foto’s gemaakt van de situatie (hierna: het beeldmateriaal) en de bestuurder heeft de politie gebeld. Twee verbalisanten zijn ter plaatse gekomen. Van het voorval is door de verbalisanten een kenmerkenmelding opgemaakt.
3.4.
Bij brief van 3 mei 2022 heeft [naam] (hierna: [naam] ), werkzaam bij letselschadekantoor [bedrijf] , zich als belangenbehartiger van [appellant] bij NN gemeld. In die brief is NN aansprakelijk gesteld voor de financiële gevolgen van de aanrijding. [appellant] zou bij de aanrijding letsel en schade aan zijn fiets, telefoon, jas en broek hebben opgelopen.
3.5.
NN heeft de aansprakelijkheidstelling van [appellant] in behandeling genomen. Bij controle van de CIS-databank heeft NN geconstateerd dat [appellant] in de interne en externe verwijzingsregisters in totaal zeven keer werd vermeld. Twee van deze vermeldingen betroffen gevallen van misleiding van andere verzekeraars. Daarnaast heeft NN geconstateerd dat de kenmerkenmelding van de aanrijding alleen materiële schade vermeldde. Dit betrof schade aan de bumper en het kenteken van de auto en schade aan de achterzijde van de fiets. NN heeft de aansprakelijkheidstelling van [appellant] voor nader onderzoek overgedragen aan haar afdeling speciale zaken. Besloten is om een externe tactisch onderzoeker in te schakelen om een nader feitenonderzoek te doen.
3.6.
In juli 2022 heeft NN, via een assurantietussenpersoon, wederom een aansprakelijkheidstelling ontvangen. In die aansprakelijkheidsstelling staat dat [appellant] op 10 juli 2022 als bestuurder van een scooter is aangereden door een bij NN verzekerde.
3.7.
In het kader van zijn onderzoek heeft de tactisch onderzoeker:
  • op 27 juli 2022 een bespreking met [appellant] gehad in het bijzijn van [naam] ; hiervan is een door [appellant] in september 2022 ondertekend gespreksverslag opgesteld;
  • bij e-mail van 9 augustus 2022 onder meer foto’s van de beschadigde telefoon, jas en trainingsbroek bij [appellant] opgevraagd;
  • bij e-mail van 12 augustus 2022 foto’s van een beschadigde telefoon, een beschadigde jas (merk Woolrich) en een beschadigde broek (lichtkleurig, merk Nike) van [appellant] ontvangen;
  • bij e-mail van 13 september 2022 vragen gesteld aan de verbalisanten die na de aanrijding ter plaatse waren gekomen;
  • bij e-mail van 14 september 2022 antwoord van een van de verbalisanten ontvangen;
  • een bespreking gehad met de bestuurder en de passagier van de auto;
  • het beeldmateriaal van de passagier van de auto ontvangen en bekeken;
  • op 11 oktober 2022 een tweede bespreking gehad met [appellant] , wederom in het bijzijn van [naam] ; hiervan is een gespreksverslag opgesteld welk verslag [appellant] geweigerd heeft te ondertekenen.
3.8.
Bij e-mail van 27 oktober 2022 heeft NN aan [appellant] geschreven dat zij op grond van art. 185 Wegenverkeerswet Pro (WVW) aansprakelijkheid erkent met een schulddeling van 50% vanwege door [appellant] gemaakte verkeersfouten en dat de vaststelling van de materiele schade en letselschade in behandeling was.
3.9.
In december 2022 heeft NN uit hoofde van art. 6:96 BW Pro een bedrag van € 2.000,- aan [bedrijf] voldaan naar aanleiding van een factuur van [bedrijf] van 28 oktober 2022 voor een bedrag van € 3.994,22 voor werkzaamheden die zij heeft verricht voor [appellant] .
3.10.
In januari 2023 heeft NN een bedrag van € 500,- aan [appellant] voldaan als voorschot onder algemene titel.
3.11.
Op 25 januari 2023 heeft de medisch adviseur van NN een medisch advies uitgebracht op basis van de beschikbare medische informatie over de gezondheidssituatie van [appellant] .
3.12.
Bij brief van 30 maart 2023 heeft NN aan [appellant] onder meer bericht dat uit haar onderzoek blijkt dat [appellant] opzettelijk onjuiste informatie aan NN heeft verstrekt en dat [appellant] daarmee heeft gepoogd om NN opzettelijk te misleiden. NN vordert de door haar gemaakte onderzoekskosten, bestaand uit € 532,- interne kosten en € 2.400,- voor het inschakelen van een externe tactisch onderzoeker, van [appellant] op grond van onrechtmatige daad. Daarnaast vordert NN € 1.500,- terug van het bedrag dat NN aan [bedrijf] heeft voldaan. Het aan [appellant] betaalde voorschot van € 500,- beschouwde NN volgens haar brief als slotbetaling voor de schade aan zijn fiets en smartengeld.
3.13.
NN heeft Service Organisatie Directe Aansprakelijkstelling (SODA) ingeschakeld om de totale vordering van € 4.432,- van NN op [appellant] te verhalen. SODA heeft [appellant] schriftelijk aansprakelijk gesteld en gesommeerd te betalen. Nadat betaling binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft SODA [appellant] in gebreke gesteld en nadien nogmaals tot betaling gesommeerd en rechtsmaatregelen aangekondigd. Dit heeft niet tot enige betaling door [appellant] geleid.
3.14.
NN heeft bij de politie aangifte tegen [appellant] gedaan. [appellant] is strafrechtelijk vervolgd voor fraude. Hij is op 13 november 2024 door de politierechter vrijgesproken omdat de ten laste gelegde feiten niet bewezen zijn verklaard. NN is niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering als benadeelde partij.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Bij de kantonrechter heeft NN samengevat gevorderd:
  • veroordeling van [appellant] tot betaling van € 4.432,- aan NN met wettelijke rente vanaf 30 maart 2023;
  • veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.
4.2.
[appellant] is in de procedure verschenen maar heeft geen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft de vorderingen van NN als niet weersproken toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proces- en nakosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vordering van NN alsnog wordt afgewezen en – uitvoerbaar bij voorraad – dat NN wordt veroordeeld tot terugbetaling aan [appellant] van wat hij naar aanleiding van het vonnis aan NN heeft betaald met rente en dat NN wordt veroordeeld in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
NN concludeert tot bekrachtiging van het vonnis met veroordeling van [appellant] in de proceskosten met nakosten en rente, uitvoerbaar bij voorraad.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] heeft, na een inleiding, in hoger beroep vier grieven aangevoerd.
6.2.
[appellant] stelt zich met grief 1 op het standpunt dat de vorderingen van NN op basis van onrechtmatige daad alsnog dienen te worden afgewezen omdat in de strafrechtelijke procedure is geconcludeerd dat opzet bij het verstrekken van onjuiste informatie bij hem ontbrak. Daarnaast stelt [appellant] dat NN art. 21 Rv Pro heeft geschonden omdat NN de uitkomst van de strafprocedure niet in de procedure bij de kantonrechter heeft vermeld.
6.3.
Het hof overweegt dat de vrijspraak in de tegen [appellant] gevoerde strafrechtelijke procedure niet in de weg staat aan het aannemen van civielrechtelijke aansprakelijkheid. De uitkomst van de strafprocedure is niet beslissend voor de beoordeling van de civielrechtelijke vorderingen van NN. Het hof zal een eigen oordeel geven. Het strafvonnis heeft in deze procedure vrije bewijskracht. NN had haar dagvaarding in de procedure bij de kantonrechter al aangebracht toen [appellant] werd vrijgesproken en had nadien geen gelegenheid meer om zich over het verloop van de strafrechtelijke procedure uit te laten. Niet is gebleken dat NN art 21 Rv Pro heeft geschonden.
6.4.
Met grief 1 betoogt [appellant] verder dat NN geen goede weergave geeft van zijn verweer, zowel op het punt van de materiele schade als op het punt van zijn letsel. De grief heeft de kennelijke strekking dat het hof het verweer van [appellant] alsnog beoordeelt. Bij de beoordeling van dit onderdeel van de grief stelt het hof het volgende voorop.
6.5.
NN heeft gesteld dat [appellant] heeft geprobeerd haar opzettelijk te misleiden. Ter onderbouwing heeft NN het volgende aangevoerd. In de kenmerkenmelding van de aanrijding staat dat bij de aanrijding uitsluitend materiele schade is ontstaan en dat dit schade aan de fiets en aan de auto betreft. De bestuurder, de passagier en een van de verbalisanten hebben verklaard dat na de aanrijding niet is gebleken dat [appellant] letsel had opgelopen en dat [appellant] toen ontkennend heeft geantwoord op de vraag of hij letsel had opgelopen. Op het beeldmateriaal is niet te zien dat [appellant] na de aanrijding letsel of enige beperkingen had en is te zien dat [appellant] direct na de aanrijding een onbeschadigde telefoon vasthield en gekleed was in een donkere trainingsbroek van het merk Adidas en een jas van het merk [merk] , welke kleding geen schades vertoonde. Uit het medisch advies, dat is gebaseerd op [appellant] medische dossier, blijkt niet dat [appellant] letsel heeft dat het gevolg is van de aanrijding. Uit het medisch advies blijkt dat de klachten die [appellant] stelt te hebben, verklaard kunnen worden door eerder letsel. Vervolgens wijst NN op het door [appellant] ondertekende gespreksverslag van de bespreking van 27 juli 2022. Daarin staat dat [appellant] heeft verklaard dat hij voor de aanrijding gezond was, dat hij direct na de aanrijding niet meer kon staan en dat hij ten gevolge van het bij de aanrijding opgelopen letsel bijna volledig immobiel was geworden. [appellant] heeft verklaard dat zijn huisarts en medisch specialisten van oordeel waren dat zijn klachten het gevolg waren van de aanrijding. In het verslag staat ook dat [appellant] heeft verklaard dat hij tijdens de aanrijding van 1 mei 2022 een lichtkleurige broek van het merk Nike en een jas van het merk Woolridge droeg en dat deze kleding en zijn telefoon door de aanrijding beschadigd waren geraakt. Over de aanrijding van 10 juli 2022 verklaarde [appellant] blijkens het verslag dat het een scooterongeluk was dat niets met deze zaak te maken had, dat bij die aanrijding alleen schade was ontstaan aan het windscherm van de scooter, dat hij niet weet hoe de schade verder is afgewikkeld en dat hij er niets mee te maken heeft. Naast op het verslag heeft NN gewezen op de foto’s die [appellant] op 12 augustus 2022 heeft gestuurd waarop een kapotte telefoon, gescheurde Woolrich-jas en gescheurde lichtkleurige Nike-broek te zien zijn.
6.6.
[appellant] heeft aangevoerd dat NN geen correcte weergave heeft gegeven van zijn letsel. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant] dit toegelicht en verklaard dat hij bij de aanrijding een schaafwondje aan zijn scheenbeen heeft opgelopen en dat dit wondje geïnfecteerd is geraakt waardoor zijn voet geamputeerd moest worden. De vergoeding van de schade aan zijn telefoon en zijn kleding is volgens hem ten onrechte is afgewezen omdat NN ervan uit is gegaan dat de foto’s die [appellant] op 12 augustus 2022 heeft gestuurd betrekking hebben op schade die het gevolg is van de aanrijding van 1 mei 2022. Volgens [appellant] vertonen deze foto’s schade die hij heeft opgelopen bij de aanrijding van 10 juli 2022. NN heeft de juistheid van de stellingen van [appellant] betwist.
6.7.
Het hof overweegt dat de inhoud van de door NN overgelegde, hiervoor ook onder 6.5 genoemde, stukken steun geven aan haar stelling dat [appellant] geen letsel heeft opgelopen bij de aanrijding van 1 mei 2022. Dat de amputatie van zijn voet het gevolg zou zijn van een geïnfecteerd schaafwondje, heeft [appellant] voor het eerst aangevoerd tijdens de mondelinge behandeling. Gesteld noch gebleken is dat het bestaan van de gestelde infectie niet eerder had kunnen worden aangevoerd. NN is er ook niet mee akkoord gegaan deze stelling alsnog in het hoger beroep te betrekken. Het hof zal de stelling buiten beschouwing laten. Het gaat om een nieuw feit waarop NN niet voldoende heeft kunnen reageren en dat een nieuw onderzoek zou vergen. De goede procesorde staat er dan aan in de weg om hier nog acht op te slaan. Ten overvloede merkt het hof nog op dat in de overgelegde stukken geen aanknopingspunten te vinden zijn voor de veronderstelling dat [appellant] bij de aanrijding van 1 mei 2022 een verwonding heeft opgelopen en ook niet dat hij toen een infectie heeft opgelopen. Tegenover het door NN overgelegde medisch advies had het ook op de weg van [appellant] gelegen concreet met stukken te onderbouwen dat de amputatie verband houdt met de aanrijding op 1 mei 2022.
6.8.
Met betrekking tot de gestelde materiele schade geldt het volgende. Uit het gespreksverslag van 27 juli 2022 en de op 12 augustus 2022 toegestuurde foto’s volgt dat [appellant] aan NN heeft verklaard dat de gestelde schade aan zijn telefoon, jas en broek waren veroorzaakt door de aanrijding van 1 mei 2022 en dat [appellant] ter onderbouwing van die schade foto’s van een kapotte telefoon en kapotte kleding aan NN heeft gestuurd. Niet weersproken is dat op het beeldmateriaal – waarvan afbeeldingen in de dagvaarding zijn gekopieerd – is te zien dat [appellant] direct na de aanrijding andere kleding droeg dan waar zijn verklaring en foto’s betrekking op hadden. [appellant] heeft aangevoerd dat de toegestuurde foto’s mede betrekking hebben op de tweede aanrijding van 10 juni 2022. In het gesprek op 27 juli 2022 heeft [appellant] verklaard dat hij na 1 mei 2022 geen andere ongevallen heeft gehad, dat de schade als gevolg van de aanrijding van 1 mei 2022 bestaat uit een barst in het scherm van zijn telefoon en schade aan zijn Woolridge jas en Nike trainingsbroek en dat het scooterongeluk van 10 juni 2022 niets met deze zaak te maken heeft. In zijn verklaring van 11 oktober 2022, zoals deze is opgetekend door de onderzoeker, heeft [appellant] er eerst in volhard dat de schade aan de telefoon, broek en jas op de foto’s de schade was als gevolg van de aanrijding van 1 mei 2022 en dat hij daarvoor een schadevergoeding wenste. Na geconfronteerd te zijn met het beeldmateriaal heeft [appellant] verklaard dat hij niet kan zien dat de telefoon niet kapot is, dat hij de Nike-trainingsbroek onder een andere broek aan had en dat de onderzoeker misschien een punt had over de jas. Voor zover [appellant] wil volhouden dat de foto’s mede zien op een aanrijding op 10 juni 2022, geldt dat hij niet heeft toegelicht hoe dit zich verhoudt tot zijn zeer concrete verklaring van 27 juli 2022 over de schade als gevolg van de aanrijding van 1 mei 2022 en over het ontbreken van dergelijke schade als gevolg van de gestelde aanrijding van 10 juni 2022. Dat van een simpele vergissing sprake was kan zonder verdere uitleg niet worden aangenomen.
6.9.
Uit het vorenstaande volgt dat grief 1 niet slaagt. NN heeft voldoende onderbouwd dat [appellant] heeft gepoogd haar opzettelijk te misleiden en [appellant] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.
6.10.
Met grief 2 stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij recht heeft op de vergoeding van zijn schade omdat NN haar aansprakelijkheid (gedeeltelijk) heeft erkend, dat zijn schade aanzienlijk hoger ligt dan € 500,- en dat dit meebrengt dat hij recht heeft op vergoeding van een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten dan € 500,- en dat de onderzoekskosten niet als schadevergoeding bij [appellant] in rekening kunnen worden gebracht. NN heeft de grief gemotiveerd betwist.
6.11.
NN is aansprakelijk voor schade die [appellant] ten gevolge van de aanrijding heeft geleden met een schulddeling van 50%. NN heeft [appellant] een vergoeding van € 500,- betaald. [appellant] heeft geen aanwijzingen verstrekt dat de schade die hij ten gevolge van de aanrijding heeft geleden hoger is dan € 1.000,-. NN is in het licht hiervan dus niet gehouden om aan [appellant] nog enige vergoeding te voldoen. Dit betekent dat verder geen buitengerechtelijke kosten zijn te verwachten. De hoogte van de door NN aan [appellant] te vergoeden buitengerechtelijke kosten en de kwestie van de onderzoekskosten komen hierna verder aan de orde in het kader van de grieven 3 en 4.
6.12.
Met grief 3 stelt [appellant] dat NN ten onrechte € 1.500,- terugvordert van de door NN betaalde vergoeding van € 2.000,- voor buitengerechtelijke kosten. Hij stelt dat het noodzakelijk was om de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten te maken omdat NN niet direct aansprakelijkheid heeft erkend en omdat NN uit eigen beweging vragen aan [appellant] en [bedrijf] heeft gesteld en hen heeft uitgenodigd voor gesprekken. Gezien de declaratie van [bedrijf] van € 3.994,22 is een vergoeding van € 2.000,- volgens hem niet meer dan redelijk. NN heeft de grief weersproken.
6.13.
NN is aansprakelijk voor 50% van de redelijke kosten die [appellant] heeft moeten maken om de aansprakelijkheid van NN met betrekking tot de aanrijding van 1 mei 2022 en de schade vast te stellen. Een groot deel van de door [appellant] opgevoerde kosten van juridische bijstand is echter niet aan te merken als kosten die [appellant] heeft moeten maken om de aansprakelijkheid van NN en de schade vast te stellen. Het gaat immers voor een groot deel om kosten die zijn gemaakt in verband met het onderzoek van NN naar de juistheid van de door [appellant] verstrekte informatie. Zoals hiervoor al aan de orde is geweest, heeft dit onderzoek geleid tot de conclusie dat [appellant] heeft geprobeerd NN opzettelijk te misleiden. De kosten van [appellant] die verband houden met dat onderzoek dienen voor zijn eigen rekening te blijven. [appellant] heeft, gelet hierop, niet onderbouwd dat een hoger bedrag dan het door NN redelijk geachte bedrag van € 500,- (50% van € 1.000,-) aan buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komt. NN heeft een bedrag van € 2.000,- als voorschot voldaan ter vergoeding van [appellant] ’s buitengerechtelijke kosten. Zij is dus gerechtigd is om het bedrag van € 1.500,- als te veel betaald van [appellant] te vorderen.
6.14.
Met grief 4 ten slotte (per abuis aangeduid als een tweede grief 3) betwist [appellant] dat NN € 532,- aan interne onderzoekskosten en € 2.400,- aan kosten voor een externe onderzoeker heeft gemaakt en dat deze kosten op hem verhaalbaar zijn. Hij stelt dat NN geen onderzoekskosten op hem kan verhalen omdat hij NN niet opzettelijk heeft misleid. Volgens [appellant] zijn de onderzoekskosten nodeloos gemaakt en staan deze kosten niet in verhouding tot de schade. Het zou volgens [appellant] niet redelijk zijn dat die kosten voor zijn rekening komen. Verder stelt [appellant] dat het onderzoek mede was gericht op de vraag of NN aansprakelijk was. Aangezien NN uiteindelijk haar aansprakelijkheid heeft erkend, kan NN de kosten niet of niet volledig op [appellant] verhalen. NN acht de grief ongegrond.
6.15.
NN heeft voldoende onderbouwd dat zij € 2.932,- aan onderzoekskosten heeft gemaakt en [appellant] heeft dit ongemotiveerd betwist. De interne kosten volgen de daarvoor geldende richtlijn en de externe kosten zijn gespecificeerd en ook nog gematigd. De omvang van de door NN opgevoerde kosten acht het hof redelijk.
Naar oordeel van het hof heeft NN zich terecht op het standpunt gesteld dat zij zich genoodzaakt zag om de juistheid van de stellingen die [appellant] aan zijn claim op haar ten grondslag heeft gelegd nader te onderzoeken. Er waren immers aanwijzingen dat er mogelijk sprake was van een frauduleuze – verstrekkende – claim. Het is dan niet onredelijk dat NN een externe onderzoeker heeft aangetrokken om, ook met het oog op het algemenere belang bij bestrijding van verzekeringsfraude, onderzoek te doen naar de juistheid van de feitelijke stellingen van [appellant] . NN heeft voor 50% aansprakelijkheid erkend voor schade die het gevolg is van de aanrijding. Die erkenning heeft geen gevolg voor de mogelijkheid van NN om schade op [appellant] te verhalen die het gevolg is van een door hem gepleegde onrechtmatige daad. De onderzoekskosten zijn het gevolg van de poging tot opzettelijke misleiding. Dat de onderzoeker ook is ingegaan op de toedracht van de aanrijding past bij zijn taak de feitelijke stellingen van [appellant] te onderzoeken.
6.16.
Ook de grieven 2 tot en met 4 worden verworpen, zoals volgt uit het vorenstaande.
6.17.
Slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten en rente als gevorderd. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,-
- salaris advocaat
€ 1.824,-(tarief I, 2 punten)
Totaal € 2.651,-

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de kant van NN vastgesteld op € 2.651,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris, en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.4
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, M.M.M. Tillema en K.A.J. Bisschop en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026.