ECLI:NL:GHAMS:2026:1668

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.346.662/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WaadiArt. 7:625 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over vergelijkingsloon en salariscomponenten bij detachering offshore

De zaak betreft een hoger beroep van Tecforce Services B.V. tegen een werknemer die gedetacheerd was bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM). De werknemer vordert betaling van achterstallig salaris en salarisverhogingen op grond van artikel 8 van Pro de Waadi, waarbij discussie bestaat over de juiste indeling in salarisgroepen (SG) en het PIR-percentage binnen de NAM-cao.

De kantonrechter had vastgesteld dat de werknemer vanaf februari 2017 ten minste als Operational Technician (SG8) was ingezet en vanaf februari 2022 als Senior Operation Technician (SG7), met PIR-percentages vastgesteld op basis van billijkheid. Het hof oordeelt dat de functie van de werknemer terecht in SG7 is ingedeeld en wijst het gewijzigde standpunt van Tecforce af dat lagere schalen van toepassing zouden zijn.

Over het PIR-percentage kan het hof nog niet definitief beslissen en verwijst de zaak naar een rol voor aktewisseling over de vaststelling en jaarlijkse stijging van het PIR-percentage. Daarnaast bevestigt het hof dat onbetaalde ADV-dagen met overwerktoeslag in het vergelijkingsloon moeten worden meegenomen. De wettelijke vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt eveneens toegewezen, met een matiging van de wettelijke verhoging tot 30%. Het hof houdt verdere beslissingen aan in afwachting van de aktewisseling.

Uitkomst: Het hof bevestigt de indeling in salarisgroep 7 en verwijst de zaak voor nadere vaststelling van het PIR-percentage naar een rol voor aktewisseling, met toewijzing van achterstallig loon en incassokosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.662/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10270242 / CV EXPL 23-92
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van
TECFORCE SERVICES B.V., voorheen genaamd Redwave Services B.V.,
gevestigd te Beverwijk,
appellante,
advocaat: mr. E.M. Hoogeveen te Abcoude (gemeente De Ronde Venen),
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [plaats] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.J. Lauwen te Oss.
Partijen worden hierna Tecforce en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

Geschil over de Waadi en de verschillende componenten die bij de berekening van het vergelijkingsloon moeten worden meegenomen; tussenarrest waarbij een aktewisseling is bepaald voor uitlating over onbetaalde jaarlijkse salarisstijgingen volgens de NAM-cao.

2.Het geding in hoger beroep

Tecforce is bij dagvaarding van 28 augustus 2024 in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 13 december 2023 en het eindvonnis van 29 mei 2024 door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en Tecforce als gedaagde. Bij tussenarrest van 22 oktober 2024 is de zaak geselecteerd voor een mondelinge behandeling na aanbrengen, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2025. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling na aanbrengen heeft Tecforce een aantal producties in het geding gebracht. Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen bevindt zich tussen de stukken.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord houdende incidenteel appel;
- memorie van antwoord in het incidenteel appel;
- akte overlegging producties 23 tot en met 25 van Tecforce;
- productie 33 van [geïntimeerde] .
Op 30 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad, alwaar partijen hun zaak door hun advocaat hebben laten toelichten, beiden aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd, en vragen van het hof hebben beantwoord.
Tecforce heeft samengevat geconcludeerd tot vernietiging van de beide vonnissen en afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde] , en - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden eindvonnis heeft voldaan, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proces- en nakosten in beide instanties, met rente.
[geïntimeerde] heeft samengevat geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het principaal appel en in het incidenteel appel tot vernietiging van de bestreden vonnissen voor zover daarbij zijn vorderingen zijn afgewezen en tot toewijzing alsnog van die vorderingen, met veroordeling van Tecforce in de proces- en nakosten in principaal en incidenteel appel, met rente.
Tecforce heeft samengevat in incidenteel appel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het appel, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten, met rente.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs aangeboden.

3.Feiten

3.1.
De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Voor zover niet in geschil dienen die feiten ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat daarbij verkort weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang om de volgende feiten.
3.2.
Tecforce houdt zich onder meer bezig met het uitlenen (detacheren) van personeel aan de offshore industrie.
3.3.
[geïntimeerde] , geboren op [datum] , is op 5 april 2006 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Tecforce.
3.4.
Vanaf 2011 was [geïntimeerde] gedetacheerd bij de Nederlandse Aardolie Maatschappij (hierna: de NAM), met uitzondering van de maand augustus 2018 wegens detachering bij een andere inlener, en van 28 januari 2019 tot en met 29 januari 2020 wegens ziekte.
3.5.
De NAM heeft een ondernemings-cao (hierna: de NAM-cao).
3.6.
In de NAM-cao, geldig van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2018, staat onder meer:

(…)Artikel 31 Vaststellen Pro van uw pensioenbasissalaris
1. Uw pensioenbasissalaris is afhankelijk van uw functie, leeftijd en ervaring.
a. Uw functie wordt door de NAM ingedeeld in een van de salarisgroepen (15-7). (…)
b. Bij elke salarisgroep hoort een salarisschaal (zie bijlage 1).
c. Als u voldoet aan de functie-eisen die door de NAM zijn gesteld, krijgt u het pensioenbasissalaris dat bij die functie hoort.
(…)
Artikel 32 Salarisverhoging Pro (merit)
De NAM vindt het belangrijk dat uw werkprestaties zichtbaar worden in uw beloning. Op basis van uw beoordelingen en een ranking sessie zal uw (direct) leidinggevende per 1 februari uw individuele salarisverhoging (merit) bepalen.
(…)
2. Individuele salarisverhoging (merit) per 1 februari
a.
Een merit is een pensionabele individuele salarisverhoging gebaseerd op individuele
prestaties. De hoogte van de merit is afhankelijk van de individuele werkprestatie (IPF) en daarnaast van de individuele salarisschaalpositie (SP), uitgedrukt als % van het normale 100% maximum.
(…)
c. U krijgt in februari of maart van uw leidinggevende te horen wat uw nieuwe pensioenbasissalaris en bonus wordt. (…)
3.7.
De artikelen 31 en 32 van de NAM-cao hebben geen voor dit geding relevante wijzigingen ondergaan.
3.8.
Bij brief van 4 februari 2022 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [geïntimeerde] aan Tecforce geschreven:

(…)Geen gelijke beloning
(…) Sinds 2011 verricht hij zijn werkzaamheden bij NAM-Shell, laatstelijk in de functie van Senior Operations Technician (Process Operator, Crane Operator, MATCO, Roborg Operator, HLO etc). Cliënt ontvangt een salaris uit salarisgroep 7 van de CAO NAM (…). De salaristrede waarin cliënt is ingedeeld binnen salarisgroep 7 komt niet overeen met de salaristrede van collega’s rechtstreeks in dienst bij NAM met ongeveer dezelfde ervaringsjaren als cliënt. Cliënt is een stuk lager ingedeeld.
(…)
Op basis van artikel 8 van Pro de Waadi maakt cliënt aanspraak op dezelfde arbeidsvoorwaarden als die welke gelden voor werknemers werkzaam in gelijke of gelijkwaardige functies in dienst van de NAM-Shell (…).
Stuiting verjaring
Om te voorkomen dat de vordering op bovenstaande emolumenten verjaart, handhaaf ik namens cliënt onverkort en ondubbelzinnig alle rechten en in het bijzonder het recht op nakoming van de verbintenis(sen) en of het vorderen van een schadevergoeding.
Deze mededeling is uitdrukkelijk bedoeld om een (eventuele) verjaring te stuiten.
(…)
3.9.
Bij brief van 1 maart 2022 heeft Tecforce gereageerd:
“(…) [geïntimeerde] is bij Redwave B.V. werkzaam en bij de NAM in de functie van Senior Operation Technician gedetacheerd. Hij voert in deze functie bij de NAM zijn werkzaamheden uit onder leiding en toezicht van de NAM. (…)
Basisloon: het vergelijkingsloon van de NAM is het loon dat hoort bij schaal 7 NAM CAO
(…)
3.10.
Bij brief van 6 april 2022 heeft (de gemachtigde van) Tecforce aan (de gemachtigde van) [geïntimeerde] geschreven:
1. Werkzaamheden de heer [geïntimeerde]
1.1
In ons nader onderzoek hebben wij eerst beoordeeld in welke NAM schaal de feitelijke werkzaamheden van de heer [geïntimeerde] thuishoren/thuishoorde. Daaruit bleek dat de administratieve functietitel ‘Senior Operation Technician’ (‘SOT’) die voor de heer [geïntimeerde] wordt gehanteerd,nietovereenstemt met zijn feitelijke werkzaamheden en verantwoordelijkheden.
1.2
De feitelijke werkzaamheden van de heer [geïntimeerde] worden door de NAM omschreven ‘kraandrijver, materiaal coördinator en operator technician in ondersteuning aan de leidinggevende op de locatie’.
1.3
De oorzaak van deze discrepantie vindt haar oorsprong in 2016 toen de NAM nieuwe planningssoftware introduceerde (‘IQN’). Dit systeem wordt gebruikt om financiële/administratieve transacties te faciliteren.
1.4
Ten tijde van de inrichting van IQN was de heer [geïntimeerde] Proces Operator/Crane Operator. Deze titel/functie kwam echter niet in het IQN systeem voor en als gevolg daarvan kon aan de heer [geïntimeerde] geen vaste functietitel of jobgroup worden toegewezen. Om die (administratieve/systeem) reden is bij hem de functietitel van SOT gezet zodat er toch gefactureerd kon worden. Deze inrichting is daarna niet gewijzigd.
1.5
Deze ‘fout’ is zo ook overgenomen in de systemen van Redwave en Redwave heeft de loonverhouding zelf ook op basis van deze foutieve indeling/benaming uitgevoerd. Vandaar dat Redwave in haar brief van 1 maart jl. ook dat – onjuiste – uitgangspunt heeft genomen.
1.6
Overigens is het zo dat de heer [geïntimeerde] überhaupt niet de werkzaamheden van SOT kan/had kunnen uitvoeren omdat hij daarvoor de vereiste kwalificaties mist, waaronder 100% competentie en een technische eindtoets. NAM registreert dit in een trainingsmatrix welke bijgehouden wordt in FBLM (NAM Front Line Barrier Management Systeem).

2.Inschaling werkzaamheden de heer [geïntimeerde] in NAM CAO schalen

2. Zoals hiervoor – en door de NAM – vastgesteld, corresponderen de werkzaamheden van de heer [geïntimeerde] met die van de functies van (i) kraandrijver, (ii) materiaal coördinator en (iii) operator technician in ondersteuning aan de leidinggevende op de locatie. De heer [geïntimeerde] verricht deze werkzaamheden in de volgende verdeling: 25% kraandrijver, 50% materiaal coördinator (storeman) en 25% operator technician ondersteunend aan leidinggevende op locatie.

2.2
Deze functies worden door de NAM als volgt ingeschaald:
  • Kraandrijver: schaal SG10 (25% van de werkzaamheden;
  • Materiaal coördinator: schaal SG10 (50% van de werkzaamheden);
  • Operation Technician: schaal SG8 (indien volwaardig, ondersteunend eerder SG9 – 25% van de werkzaamheden).
Hieruit volg dus dat 75% van de werkzaamheden van de heer [geïntimeerde] in schaal SG10 worden ingeschaald en 25% van de werkzaamheden in schaal SG8/SG9.

3.Loonverhouding

3.1
Uit het voorgaande blijkt dat Redwave de afgelopen jaren een onjuiste en hogere schaal heeft toegepast ter bepaling van de loonverhouding van de heer [geïntimeerde] . Op basis van die hogere schaal werd er al voldaan aan de loonverhouding.
3.2
De loonverhouding moet echter worden beoordeeld ten opzichte van 1 tot 2lageresalarisschalen (maximaal SG8/SG9 in tegenstelling tot SG7). Dit kan geen andere uitkomst hebben dan dat de beloning van Redwave op alle componenten fors hoger was dan dat Redwave gehouden was te voldoen op basis van art. 8 Waadi Pro.
3.3
Dit is ook het geval als we:
  • de eventuele stappen in de schaal meenemen (i.e. de stappen die werknemers van NAM zouden hebben gemaakt bij presteren vergelijkbaar zoals de heer [geïntimeerde] dat heeft gedaan); en
  • de inconveniënten in aanmerking nemen die als loon (i.e. vergoeding voor arbeid) in de zin van art. 8 Waadi Pro kwalificeren.
(…)
Ondanks - en onverminderd - het voorgaande is Redwave zoals eerder aangegeven nog steeds bereid de heer [geïntimeerde] met ingang van loonperiode 1 van dit jaar een inzettoeslag van EUR 1,- per verloond uur toe te kennen ter compensatie van een per loonperiode 1 van 2020 per abuis niet toegekende verhoging. (…) Voor de goede orde, uit hoofde van het loonverhoudingsvoorschrift zou deze verhoging niet nodig zijn. (…)”.
3.11.
In bijlage 1 van de NAM-cao staan de NAM-salarisschalen. Als voorbeeld hierbij de salarisschaal per 1 januari 2023:
3.12.
Tecforce heeft in eerste aanleg twee verklaringen van de NAM van 6 maart 2023 en 30/31 januari 2024 overgelegd, waarin uitleg wordt gegeven over het salarishuis bij de NAM. De NAM heeft daarbij haar visie gegeven op de functie(s) die [geïntimeerde] bij de NAM heeft vervuld en over het salaris dat hij zou hebben ontvangen als hij bij de NAM in dienst zou zijn geweest. Die visie is overgenomen in de hiervoor onder rov. 3.10. weergegeven brief van Tecforce.
3.13.
De detachering van [geïntimeerde] bij de NAM is per 11 juni 2024 beëindigd.

4.Eerste aanleg

4.1.
[geïntimeerde] heeft - naast een verklaring voor recht zonder zelfstandige betekenis - na vermeerdering van eis gevorderd dat Tecforce wordt veroordeeld tot betaling van € 445.528,05 bruto aan achterstallig salaris vanaf 1 februari 2017 tot en met september 2023 en daarna tot betaling van € 151.188,03 bruto per jaar volgens de betalingssystematiek van de NAM, te vermeerderen met toekomstige NAM-cao schaalverhogingen of andere verhogingen vanaf 11 september 2023 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% over deze loonbedragen en met de wettelijke rente vanaf het verschuldigd zijn van deze bedragen, en tot betaling van € 4.906,63 voor buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van Tecforce in de kosten. De vordering is gegrond op artikel 8 lid 1 van Pro de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (hierna de Waadi).
4.2.
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis vastgesteld dat partijen twisten over:
i. i) in welke NAM-salarisgroep(en) [geïntimeerde] sinds februari 2017 had moeten worden ingedeeld;
ii) of [geïntimeerde] recht heeft op verhoging van zijn schaalpositie (position in range, hierna: ook PIR), en zo ja, van welke PIR per februari 2017 moet worden uitgegaan;
iii) of de zeetoeslag, de ongemakkentoeslag en de prestatiebonus (BPF) onder artikel 8 van Pro de Waadi vallen;
iv) of het betaalde loon tijdens ziekte onder het vergelijkingsloon valt;
v) of [geïntimeerde] onbetaalde overuren heeft gemaakt.
4.3.
Ter beoordeling van de twistpunten onder i) en ii) is aan Tecforce opgedragen de beoordelingsformulieren van [geïntimeerde] vanaf 2018 over te leggen en de NAM-functiebeschrijving van een Senior Operational Technician (hierna SOT).
4.4.
Tecforce heeft in vervolg op het tussenvonnis verklaard dat de NAM na 2017 geen beoordelingsformulieren heeft opgemaakt en heeft in plaats van een NAM-functieomschrijving voor een SOT een vacaturetekst voor een SOT overgelegd.
4.5.
In het eindvonnis heeft de kantonrechter met betrekking tot de twistpunten sub i) en ii) overwogen en beslist dat [geïntimeerde] vanaf februari 2017 ten minste is ingezet als Operational Technician (hierna OT) en ingedeeld had moeten worden in SG8 en dat hij per 1 februari 2022 is ingezet als SOT en ingedeeld had moeten worden in SG7. De PIR heeft de kantonrechter vanaf 1 februari 2017 tot 1 februari 2022 naar billijkheid vastgesteld op een percentage van 95% oplopend tot 99% en vanaf 1 februari 2022 tot 1 februari 2024 eveneens op een percentage van 95% oplopend tot 96%. Op de punten iii) en iv) is in het voordeel van [geïntimeerde] beslist en zo ook op punt v) voor zover het gewerkte en niet betaalde ADV-dagen betreft. In het dictum is bepaald dat partijen op basis van hetgeen is overwogen en beslist met elkaar een berekening moeten maken van het achterstallige loon vanaf 1 februari 2017 tot en met 10 september 2023, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Tecforce tot betaling van het aldus berekende achterstallig loon, te vermeerderen met de wettelijke verhoging gematigd tot 20% en met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de betreffende loonbedragen, alsmede tot het blijven betalen van het in lijn met de betalingssystematiek van de NAM vanaf 11 september 2023 verschuldigde loon, inclusief toekomstige NAM-cao-verhogingen, te vermeerderen met een vergoeding op de voet van het Besluit buitengerechtelijke incassokosten berekend over het toewijsbaar geoordeelde bedrag, met veroordeling van Tecforce in de kosten en afwijzing van het meer of anders gevorderde.

5.Beoordeling in hoger beroep

in principaal en incidenteel appel
5.1.
Beide partijen zijn in hun grieven opgekomen tegen de oordelen van de kantonrechter over i) in welke salarisgroep [geïntimeerde] vanaf februari 2017 moet worden ingedeeld en ii) van welke PIR-percentages vanaf februari 2017 moet worden uitgegaan. Tecforce heeft ook gegriefd tegen het oordeel over v) of [geïntimeerde] onbetaalde overuren heeft gemaakt. Hetgeen de kantonrechter heeft beslist over de punten iii) en iv) is in hoger beroep niet aan de orde. Die beslissingen zijn daarmee onherroepelijk geworden.
Salarisgroep (SG)
5.2.
Volgens artikel 31 van Pro de NAM-cao wordt het salaris vastgesteld aan de hand van de salarisgroep die bij een betreffende functie hoort. [geïntimeerde] maakt voor zijn vordering aanspraak op het loon dat behoort bij SG7 op de grond dat hij al vanaf 2014 werkte als SOT. Tecforce heeft aanvankelijk bij brief van 1 maart 2022 (weergegeven onder 3.9.) bevestigd dat [geïntimeerde] werkzaam is in de functie van SOT en dat voor zijn vergelijkingsloon moet worden uitgegaan van SG7. In eerste instantie was het [geïntimeerde] met zijn vordering dan ook alleen om het PIR-percentage in SG7 te doen.
5.3.
In de loop van de discussie tussen partijen heeft Tecforce zich op het gewijzigd standpunt gesteld dat [geïntimeerde] een combinatie had van de functies van Crane Operator (CO), Storemanager en later ook (assistent/trainee) OT. Volgens Tecforce had [geïntimeerde] daarom ingedeeld moeten worden eerst in SG10, vervolgens vanaf 26 januari 2018 in SG9 en laatstelijk vanaf 17 maart 2021 in SG8. Zij heeft dat gewijzigd standpunt onderbouwd met verklaringen van de NAM van 6 maart 2023 en 30/31 januari 2024 en een rapport van een functiewaarderingsonderzoek van bureau Highberg van 19 januari 2026. Tecforce heeft als verklaring voor haar gewijzigd standpunt gegeven dat de NAM in 2016 een nieuw financieel systeem (IQN-systeem) heeft geïntroduceerd. Omdat de combinatie van functies van [geïntimeerde] in dat systeem niet kon worden gelabeld, is toen voor de functie van [geïntimeerde] fictief het label SOT gebruikt (een functie in SG7), opdat toch voor [geïntimeerde] kon worden gefactureerd, aldus het betoog van Tecforce.
5.4.
De door Tecforce opgegeven verklaring voor haar gewijzigd standpunt gaat niet op, want verklaart niet waarom de functie van [geïntimeerde] dan niet ook is gelabeld met een functie in de schalen SG10 tot en met SG8. Als productie 9 bij dagvaarding zijn de NAM-salarisgroepen van 2016 en de daarop volgende jaren overgelegd. In 2016 liepen de salarisgroepen al - van laag naar hoog - van SG15 tot en met SG7. De enig denkbare verklaring voor het label op de functie van [geïntimeerde] is dat de NAM destijds van oordeel was dat zijn werkzaamheden kwalificeerden als die van een functie in SG7. Aan dat oordeel wordt meer gewicht toegekend dan aan de verklaringen van de NAM waarop Tecforce zich beroept. Die verklaringen zijn achteraf opgesteld kennelijk met het doel om de vordering van [geïntimeerde] te betwisten. Dat doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van die verklaringen en daarmee ook van het Highberg-rapport, nu dat op basis van die verklaringen is opgesteld.
5.5.
Gelet op het voorgaande wordt het ervoor gehouden dat de functie van [geïntimeerde] op goede grond is gelabeld met een functie in SG7 en dat [geïntimeerde] dus terecht in SG7 is ingedeeld. Bij de bepaling van het vergelijkingsloon moet dus van SG7 worden uitgegaan. De indeling van [geïntimeerde] in SG7 heeft al in 2016 plaatsgehad en geldt dus voor de gehele periode waarop de vordering betrekking heeft. Tot zover heeft het principaal appel geen en het incidenteel appel wel succes.
PIR-percentage
5.6.
Volgens artikel 31 van Pro de NAM-cao wordt het pensioenbasissalaris bepaald aan de hand van functie, leeftijd en ervaring. Binnen een salarisschaal worden medewerkers ingeschaald op een bepaald PIR-percentage. Dat percentage kan variëren van in 2016 nog 73%, in 2017 opgehoogd tot 76%, en de jaren daarna van 80% tot steeds 120%. Volgens artikel 32 van Pro de NAM-cao bepaalt de leidinggevende per 1 februari de individuele salarisverhoging (merit) van een medewerker. De stijging is mede afhankelijk van prestaties. Daarvoor worden jaarlijks beoordelingen opgemaakt door de NAM.
5.7.
Het PIR-percentage van [geïntimeerde] is niet op de voet van artikel 32 van Pro de NAM-cao jaarlijks gestegen. Dat is ten onrechte nu [geïntimeerde] op grond van de Waadi gelijke loonaanspraken heeft als de NAM-medewerkers. [geïntimeerde] gaat bij zijn vordering wegens ten onrechte buiten toepassing gelaten PIR-stijgingen uit van een PIR-percentage van 100% in SG7 in het jaar 2014 oplopend naar een PIR-percentage van 116,6% in SG7 in het jaar 2023. [geïntimeerde] voert daartoe aan dat hij vanaf 2014 de SG7-functie had van SOT. Dat volgt echter niet uit de NAM-beoordelingsformulieren in het dossier. Die vermelden als functies van [geïntimeerde]
Kraandrijver/MATCO/Operator(2013);
Kraandrijver/operator(2015);
Process operator Crane operator POCO(2016) en
Process Operator Crane operator POCO(2017). Weliswaar staat in het formulier van 2013 al dat [geïntimeerde] wordt ingezet als
operator, maar volgens Tecforce betekent dat binnen de NAM bediener van een apparaat en is daarmee niet zonder meer de functie van (S)OT bedoeld. Dat vindt steun in het beoordelingsformulier van 2017 dat onder meer inhoudt:
” [geïntimeerde] heeft zijn Shell FLBM afgerond voor operaties en wordt nu ook ingezet binnen het OPS team als Operator Technician (OT), terwijl OT een lagere functie is dan SOT. [geïntimeerde] kan al met al niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij al in 2014 was of had behoren te worden ingedeeld in SG7, laat staan op een PIR-percentage van 100%. Het wordt zonder verdere onderbouwing - die ontbreekt - ervoor gehouden dat [geïntimeerde] - zo staat vast - in 2016 is ingedeeld in SG7.
5.8.
Daarmee is het 1) de vraag op welk PIR-percentage [geïntimeerde] in 2016 bij zijn indeling in SG7 door de NAM is ingeschaald. Er is geen aanleiding om de indeling van de NAM in SG7 wel te volgen en de gelijktijdige inschaling op een PIR-percentage in die salarisgroep niet. Aangenomen mag worden dat de NAM destijds het functioneren van [geïntimeerde] in beide kaders (salarisgroep en PIR) gelijktijdig en daarmee even zorgvuldig en juist heeft gewogen. Verder is het 2) de vraag met welke percentages het onder 1) bedoelde PIR-startpercentage jaarlijks had behoren te stijgen. Daarvoor gelden - zo begrijpt het hof - een objectieve systematiek in de NAM-cao en de SMC-matrix zoals die als bijlage 11 bij de dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd. Bij het volgen van bedoelde systematiek en SMC-matrix dient tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] ook na 2017 steeds goed heeft gefunctioneerd. Het feit dat de NAM daarna geen beoordelingsformulieren meer heeft opgemaakt waaruit het tegendeel zou kunnen blijken, komt voor risico van Tecforce die als werkgever jegens [geïntimeerde] daarvoor verantwoordelijk is. Het dossier wijst overigens erop dat [geïntimeerde] ook na 2017 steeds (meer dan) goed heeft gefunctioneerd en dus voor de reguliere stijging van zijn PIR-percentage volgens de NAM-cao en SMC-matrix in aanmerking komt.
5.9.
Op basis van het dossier zoals dat thans voorligt, kan over het PIR-percentage niet verder worden beslist. De zaak zal voor de vaststelling en jaarlijkse stijging van dat percentage worden verwezen naar de rol voor aktes uitlating over de grondslagen 1) en 2). Van Tecforce als werkgever wordt verwacht dat zij het onder 1) bedoelde PIR-startpercentage zo nodig bij de NAM opvraagt en zo nodig [geïntimeerde] daarover onderbouwd informeert. Van beide partijen wordt verwacht dat zij voor de bepaling van de onder 2) bedoelde stijging van het PIR-startpercentage elk een berekening maken volgens de systematiek van de NAM-cao met inachtneming van bedoeld SMC-matrix. Ter bevordering van de voortgang van de procedure wordt partijen verzocht om in hun aktes tegelijkertijd op elkaars aktes te reageren en daartoe uiterlijk twee weken voorafgaand aan de roldatum hun aktes in concept aan elkaar toe te sturen. In afwachting van de aktewisseling wordt iedere verdere beslissing op dit onderdeel aangehouden.
in het principaal appel voorts
v) Onbetaalde overuren
5.10.
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg 165% overwerktoeslag gevorderd over 1) 15,2 meer gewerkte uren per maand vergeleken bij de door NAM-medewerkers per maand gewerkte uren; en 2) 88 door hem gewerkte ADV-dagen waar de NAM-medewerkers op grond van de NAM-cao recht op hadden. De post onder 1) is al in het tussenvonnis ongegrond bevonden. Tegen de daarop gevolgde afwijzing van die post in het eindvonnis is in incidenteel appel niet gegriefd. De post onder 2) is in het eindvonnis alsnog gegrond bevonden en toegewezen. Tecforce komt met
grief IVin het principaal appel op tegen die toewijzing. Het hof overweegt als volgt.
5.11.
[geïntimeerde] heeft zich ter onderbouwing van zijn vordering sub 2) op het standpunt gesteld dat i) het daarbij gaat om uren die de NAM-medewerkers niet hoeven te werken maar wel betaald krijgen; en ii) dat een NAM-medewerker die desgevraagd die uren wel werkt daarvoor het overwerktarief van 165% ontvangt. De kantonrechter heeft beide onderdelen van dat standpunt als onweersproken voor juist gehouden. Tecforce heeft in haar grief dat standpunt niet alsnog weersproken zodat het onverminderd voor juist wordt gehouden. Dat standpunt kan op zich zelf de vordering dragen. Het verweer dat [geïntimeerde] zijn rechten dienaangaande al dan niet wegens schending van een klachtplicht heeft verwerkt, gaat niet op. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat [geïntimeerde] zich eerst na gesprekken met NAM-collega’s vragen is gaan stellen over zijn beloning. Dat hij dat kennelijk niet eerder heeft gedaan kan hem niet worden tegengeworpen. Hij mocht in beginsel erop vertrouwen dat bij zijn beloning de NAM-cao werd nageleefd. Aanwijzingen dat hij voor bedoelde gesprekken met NAM-collega’s reden had om daaraan te twijfelen, zijn er niet. Niet is geschil dat hij na bedoelde gesprekken met NAM-collega’s voldoende voortvarend tegen Tecforce is opgetreden. Van schending van een klachtplicht of anderszins rechtsverwerking is dan geen sprake. Over de door [geïntimeerde] gewerkte ADV-dagen moet dus de overwerktoeslag van 165% in het vergelijkingsloon worden meegenomen, met de onweersproken kanttekening van de kantonrechter dat bedoelde dagen wel naar rato van inzet moeten worden berekend. De grief heeft geen succes.
in principaal en incidenteel appel voorts
5.12.
Beide partijen komen in hun grieven op tegen de toewijzing door de kantonrechter van 20% van de wettelijke vergoeding van artikel 7:625 BW Pro. Tecforce komt op tegen de toewijzing van die vergoeding en [geïntimeerde] tegen de matiging tot 20%.
5.13.
Tecforce betoogt dat zij op goed verdedigbare gronden niet gehouden was tot betaling van het gevorderde achterstallig loon. Dat betoog gaat niet op. De vordering is gegrond op de Waadi en Tecforce is jegens [geïntimeerde] verantwoordelijk voor een juiste toepassing van de Waadi. Dat zij daarbij mede afhankelijk was van de medewerking van de NAM doet aan haar verantwoordelijkheid jegens [geïntimeerde] niet af omdat nalatigheid van de NAM in haar verhouding tot [geïntimeerde] voor haar (Tecforce) risico is. Schending van de Waadi is naar haar aard verwijtbaar, uitzonderingen daargelaten waarvan hier niet is gebleken. Integendeel, een belangrijke component van het achterstallig loon is de misgelopen jaarlijkse stijging van het PIR-percentage; een loonaanspraak die onomwonden volgt uit de NAM-cao die bij Tecforce bekend mag worden verondersteld. De grief van Tecforce heeft dus geen succes.
5.14.
De grief van [geïntimeerde] slaagt in zoverre dat in de toegewezen 20% de verwijtbaarheid van Tecforce onvoldoend tot uitdrukking komt. In het licht daarvan wordt een matiging tot de subsidiair gevorderde 30% passend geacht. Bij afwijzing van het meergevorderde is in aanmerking genomen dat in eerste aanleg ook de wettelijke rente is toegewezen, telkens vanaf de datum van opeisbaar worden van de betreffende loonbedragen. Weliswaar heeft Tecforce tegen die toewijzing gegriefd maar zonder zelfstandige toelichting en dus vruchteloos.
in principaal appel voorts
5.15.
Tecforce heeft wel (meer) inhoudelijk gegriefd tegen de toewijzing van de kantonrechter van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De grief faalt omdat - anders dan de grief betoogt - voldoende is onderbouwd dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht anders dan waarvoor de artikelen 237 e.v. Rv een vergoeding plegen in te sluiten. Voor die onderbouwing is verwezen naar punt 110 van de inleidende dagvaarding waarin onweerspoken is gesteld dat er voorafgaand aan de procedure mailwisseling is geweest en dat zijdens [geïntimeerde] met een volledig uitgewerkte vordering is verzocht om in overleg te gaan. Die werkzaamheden rechtvaardigen een vergoeding zoals door de kantonrechter is toegewezen.
in principaal en incidenteel appel voorts
5.16.
De grieven in beide appellen kunnen voor het overige worden beschouwd als voortbouwgrieven zonder zelfstandige toelichting. Zij kunnen niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen leiden en daarom onbesproken blijven. Er is ook geen bewijsaanbod gedaan dat van belang kan zijn voor de uitkomst van de zaak. Daarmee rest nog een beslissing op het punt van de PIR waartoe een aktewisseling wordt bepaald. In afwachting van de aktewisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

6.Beslissing

Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 1 september 2026 voor aktes aan beide zijden met het in rov. 5.9. omschreven doel;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Arnold, R.L. de Graaff en E. Verhulp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.