ECLI:NL:GHAMS:2026:1671

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.349.646/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WoningwetArt. 7:213 BWArt. 6:265 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing ontruimingsvordering wegens onvoldoende bewijs woonfraude sociale huurwoning

De zaak betreft een hoger beroep van een huurster tegen de ontbinding van haar huurovereenkomst en ontruimingsvordering door De Alliantie, een toegelaten instelling. De kantonrechter had de vorderingen toegewezen op basis van vermoedens dat de huurster de woning niet zelf bewoonde, maar aan haar zoon in gebruik had gegeven.

In hoger beroep heeft het hof de feiten en het bewijs opnieuw gewogen. De Alliantie kon onvoldoende onderbouwen dat de huurster de woning gedurende een zekere tijd had verlaten en aan haar zoon had overgedragen. Huisbezoeken, rapporten van het combiteam Woonfraude, verklaringen van omwonenden en andere informatie boden geen overtuigend bewijs. De huurster heeft haar afwezigheid tijdens bezoeken verklaard met werkgerelateerde reizen en andere omstandigheden.

Het hof oordeelt dat de tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst niet is aangetoond en dat de ontbinding en ontruiming daarom niet gerechtvaardigd zijn. De vorderingen van De Alliantie worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van De Alliantie af wegens onvoldoende bewijs dat de huurster de woning niet persoonlijk bewoonde.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.349.646/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10525399 / CV EXPL 23-7675
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend te [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. F.F.A. Havelaar te Amsterdam,
tegen
STICHTING DE ALLIANTIE,
gevestigd te Hilversum,
geïntimeerde,
advocaat: mr. D.L. van Praag te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en De Alliantie genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] huurt een sociale huurwoning van De Alliantie. Volgens De Alliantie houdt [appellant] zich niet aan de huurovereenkomst, omdat zij niet zelf in de woning woont, maar haar zoon daar alleen laat wonen. Daarom heeft De Alliantie bij de kantonrechter gevorderd om de huurovereenkomst tussen partijen te ontbinden en [appellant] te verplichten de woning te ontruimen. De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen. [appellant] is daartegen in hoger beroep gegaan. Het hof vernietigt de beslissingen van de kantonrechter en wijst de vorderingen van De Alliantie alsnog af.

2.Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 23 december 2024 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 12 januari 2024 (hierna: het bestreden tussenvonnis) en het eindvonnis van 4 oktober 2024 (hierna: het bestreden eindvonnis) van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen De Alliantie als eiseres en [appellant] als gedaagde. In deze dagvaarding staan de grieven van [appellant] en daaraan zijn producties gehecht. [appellant] heeft die dagvaarding ingediend bij het hof. Daarna heeft De Alliantie een memorie van antwoord ingediend.
Op 14 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Voor [appellant] is tevens verschenen mr. A. Martijn, advocaat te Amsterdam. Beide partijen hebben bij deze gelegenheid nog producties in het geding gebracht. Partijen en hun advocaten hebben ook vragen van het hof beantwoord.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden tussenvonnis onder 1.1 tot en met 1.14 de feiten vastgesteld die hij bij zijn beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. De grieven IV, XI, XIII, XV en XVI van [appellant] zijn tegen een deel van die feitenvaststelling gericht. Voor zover de vastgestelde feiten in hoger beroep niet ter discussie staan, gaat ook het hof van die feiten uit. Deze feiten, aangevuld met enkele andere niet bestreden feiten, komen op het volgende neer.
3.1.
De Alliantie is een toegelaten instelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Woningwet. Sinds 1 november 2002 huurt [appellant] van (een rechtsvoorganger van) De Alliantie de sociale huurwoning aan het [A-straat] te [plaats A] (hierna: het gehuurde). In de daartoe tussen partijen gesloten huurovereenkomst is bepaald dat de woning uitsluitend bestemd is te worden gebruikt als woonruimte ten behoeve van de huurder en de leden van zijn huishouden. Op de huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing verklaard. In deze huurvoorwaarden staat dat het gehuurde persoonlijk moet worden bewoond door de huurder en de leden van zijn huishouden (artikel 11.1). Ook staat daarin dat de huurder het gehuurde niet geheel of gedeeltelijk mag onderverhuren of in gebruik mag geven aan een ander zonder toestemming van de verhuurder (artikel 13).
3.2.
Op 5 november 2002 zijn [appellant] en haar zoon (geboortejaar 1995) in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van het gehuurde. De echtgenoot van [appellant] huurt zelf een andere woning van De Alliantie, die hij ook bewoont.
3.3.
In december 2017 ontving De Alliantie een anonieme melding dat [appellant] uit het gehuurde was vertrokken en dat had achtergelaten aan haar zoon. De Alliantie is toen een onderzoek naar de bewoning van het gehuurde gestart.
3.4.
In de periode van 7 maart 2018 tot en met 22 augustus 2018 heeft De Alliantie drie keer een bezoek gebracht aan het gehuurde, maar er werd niet opengedaan.
3.5.
In de ochtend van 24 augustus 2018 heeft De Alliantie een bezoek gebracht aan de woning van de echtgenoot van [appellant] en haar daar aangetroffen. Eveneens op deze dag heeft De Alliantie [appellant] bij brief verzocht om de huurovereenkomst op te zeggen omdat zij tegen haar verplichtingen in niet zelf in het gehuurde zou wonen en dat aan derden in gebruik zou hebben gegeven. [appellant] heeft geweigerd de huurovereenkomst op te zeggen. Nadien heeft het onderzoek van De Alliantie naar de bewoning van het gehuurde stilgelegen.
3.6.
Mede in verband met haar werk, ontvangt [appellant] regelmatig (pers)pakketten per post. Bij e-mail van 13 december 2021 heeft [appellant] in reactie op een vraag waar een bepaalde kerstgift naar toe mag worden gestuurd, geschreven: “
Heb je mijn huisadres? Voor de zekerheid: [A-straat]”.
3.7.
In januari 2022 ontving De Alliantie een anonieme melding over het gehuurde. Naar aanleiding hiervan heeft De Alliantie op 28 januari 2022 een bezoek gebracht aan het gehuurde, maar er werd niet opengedaan.
3.8.
In een aanvraag van verzorgingsproducten heeft [appellant] op 25 februari 2022 geschreven: “
Zou je producten die in deze thema’s passen -inclusief persbericht- naar mij op willen sturen? (…) Gezien de haast, mag het voor dit keer naar mijn huisadres. Voor de volledigheid: [A-straat] ”.
3.9.
Op 9 mei 2022 en 2 juli 2022 heeft [appellant] bestellingen gedaan en als factuur- en verzendadres [A-straat] ingevoerd.
3.10.
Bij e-mail van 2 augustus 2022 heeft een medewerker van Coty aan [appellant] geschreven: “
Ondertussen hebben wij twee perspakketjes (…) teruggekregen. (…) Of kan het zijn dat de adresgegevens die we hebben – [A-straat] (…) – niet meer kloppen.” Daarop heeft [appellant] per e-mail van 3 augustus 2022 gereageerd: “
Adres klopt, alleen ben ik vaak weg dus dan mis ik weleens wat. Beter om pakketjes voortaan het volgende adres te laten bezorgen: [hof: adres van de echtgenoot van [appellant] ]”.
3.11.
Op 25 augustus 2022 werd bij het gehuurde niet opengedaan voor De Alliantie.
3.12.
Op 1 november 2022 heeft de zoon van [appellant] de deur van het gehuurde geopend voor De Alliantie. Hij verklaarde toen dat zijn moeder aan het werk was. De Alliantie is vervolgens naar de woning van de echtgenoot van [appellant] gegaan, maar de deur werd niet opengedaan. De Alliantie trof bij deze woning meerdere postpakketten gericht aan [appellant] aan.
3.13.
Bij e-mail van 22 november 2022 is aan [appellant] geschreven dat een perspakket retour is ontvangen en gevraagd of het adres [A-straat] nog klopt. Diezelfde dag heeft [appellant] gereageerd: “
Perspakketten mag je sturen naar: [hof: adres van de echtgenoot van [appellant] ]. (…) [A-straat] is mijn woonadres, maar die mag je er dan uit halen”.
3.14.
Op 22 november 2022 werd op het adres van de echtgenoot van [appellant] niet opengedaan voor De Alliantie.
3.15.
Op 29 november 2022 heeft De Alliantie het gehuurde bezocht, maar daar werd niet opengedaan. Ook heeft De Alliantie toen de woning van de echtgenoot van [appellant] bezocht. Hij verklaarde tijdens dat bezoek dat [appellant] niet in zijn woning was.
3.16.
De Alliantie heeft melding gedaan bij de toezichthouder van de gemeente [plaats A] . De Alliantie en de toezichthouder hebben op 22 december 2022 een bezoek gebracht aan het gehuurde. De zoon van [appellant] deed open en verklaarde dat zijn moeder aan het werk was. Hij heeft De Alliantie en de toezichthouder niet binnengelaten.
3.17.
Naar aanleiding van een advertentie van [appellant] op Werkspot.nl, heeft zij op 16 januari 2023 in het gehuurde een offertegesprek gevoerd met een klusbedrijf over ‘binnenschilderwerk’ aan het gehuurde.
3.18.
Op 21 februari 2023 heeft het zogenoemde combiteam Woonfraude, bestaande uit de toezichthouder en een medewerker woonfraude van De Alliantie, met een machtiging tot binnentreden en in het bijzijn van twee politieagenten een huisbezoek aan het gehuurde afgelegd. Daar waren de zoon van [appellant] en een vriend van hem aanwezig. Tijdens dit bezoek is [appellant] gebeld. Zij was aan het werk en niet in de gelegenheid naar het gehuurde te komen. Zij heeft toen telefonisch verklaard wel in het gehuurde te wonen. Van dit bezoek is een rapport met foto’s opgemaakt.
3.19.
Tussen partijen heeft op 30 maart 2023 een gesprek plaatsgevonden. [appellant] heeft toen en nog eens nadien geweigerd de huurovereenkomst op te zeggen.
3.20.
De zoon van [appellant] staat sinds 26 juli 2025 niet meer ingeschreven op het adres van het gehuurde.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft De Alliantie, na wijziging van eis, gevorderd dat bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de huurovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden en [appellant] wordt veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde, met doorbetaling van een vergoeding ter hoogte van de huurprijs tot aan de ontruiming, en tot betaling van de proceskosten.
4.2.
Samengevat heeft de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis geoordeeld dat vermoed wordt dat [appellant] niet steeds hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde. De kantonrechter heeft [appellant] toegelaten om dit vermoeden te ontzenuwen door het leveren van tegenbewijs.
4.3.
[appellant] heeft in het kader van haar bewijslevering onder andere getuigen laten horen. De Alliantie heeft afgezien van contra-enquête.
4.4.
In het bestreden eindvonnis staat dat de kantonrechter [appellant] niet geslaagd acht in het ontzenuwen van het vermoeden dat zij het gehuurde niet voortdurend zelf heeft bewoond maar voor langere tijd in gebruik of onderhuur heeft afgestaan aan haar meerderjarige zoon. Deze schending van haar verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het verleden die niet meer ongedaan kan worden gemaakt, rechtvaardigde naar het oordeel van de kantonrechter de ontbinding van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft in zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaarde eindvonnis de huurovereenkomst ontbonden en [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en tot betaling van een vergoeding ter hoogte van de huurprijs tot aan deze ontruiming en van de proceskosten.
4.5.
Nadien is [appellant] een executiegeschil gestart, waarin zij schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden eindvonnis vorderde, maar haar vordering is door de rechter afgewezen. De Alliantie heeft niettemin besloten het eindvonnis voorlopig niet ten uitvoer te leggen in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden tussenvonnis en eindvonnis en afwijzing alsnog van de vorderingen van De Alliantie, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van De Alliantie in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
De Alliantie concludeert tot bekrachtiging, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.

6.Beoordeling

Inleiding
6.1.
[appellant] heeft 22 grieven aangevoerd, die zijn genummerd met I tot en met XXII. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellant]
grief XXIIingetrokken, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.
Vraag naar verplichting tot het hebben van hoofdverblijf is zonder belang.
6.2.
Met
grief Ikomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij op grond van de huurovereenkomst verplicht is om haar hoofdverblijf te hebben en te houden in het gehuurde. De Alliantie erkent dat deze verplichting niet met zoveel woorden in de huurovereenkomst wordt genoemd, maar betoogt dat deze verplichting moet worden gelezen in artikel 11.1 van de huurvoorwaarden (persoonlijke bewoning) in combinatie met artikel 7:213 BW Pro (goed huurderschap). Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [appellant] verplicht was haar hoofdverblijf te hebben in het gehuurde. Partijen zijn in hoger beroep immers niet opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat, gelet op de bepaling in de huurovereenkomst dat het gehuurde is bestemd om te dienen als woonruimte voor de huurder persoonlijk alsmede de leden van zijn huishouden en op artikel 13 van Pro de huurvoorwaarden dat [appellant] het gehuurde niet zonder toestemming van De Alliantie aan anderen in gebruik mag geven, het verblijfsrecht van de zoon van [appellant] afhankelijk is van het verblijf van [appellant] in het gehuurde. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de verplichting van [appellant] het gehuurde persoonlijk te bewonen en het verbod het gehuurde te verhuren of in gebruik te geven aan een ander, inhoudt dat zij het gehuurde moet gebruiken als woonruimte voor zichzelf. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [appellant] het gehuurde gedurende een zekere tijd heeft verlaten en achtergelaten aan haar zoon en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraken uit de huurovereenkomst. Deze vraag zal het hof hierna beantwoorden. Voor de beantwoording van deze vraag is niet van belang of [appellant] op grond van de huurovereenkomst tevens verplicht was haar hoofdverblijf te hebben en te houden in de woning. Daarom behoeft de eerste grief geen verdere bespreking.
Bewijslastverdeling
6.3.
Bij de beantwoording van voornoemde vraag stelt het hof het volgende voorop. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW Pro). In de beslissing van de kantonrechter ligt besloten dat de stelplicht en bewijslast van de tekortkoming van [appellant] in de nakoming onder de huurovereenkomst rust op De Alliantie. Dit sluit aan bij het bepaalde in artikel 150 Rv Pro. Ook ligt in de beslissing van de kantonrechter besloten dat op [appellant] een verzwaarde stel- of motiveringsplicht rust. Dit houdt in dat als – in dit geval – De Alliantie gemotiveerd stelt dat [appellant] de huurovereenkomst heeft overtreden doordat zij het gehuurde niet persoonlijk bewoont, de bewijslast van deze tekortkoming op De Alliantie blijft rusten, maar van [appellant] mag worden verlangd dat zij feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de stellingen van De Alliantie om De Alliantie aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. Als [appellant] niet voldoet aan de verzwaarde motiveringsplicht kan de rechter de stellingen van De Alliantie als onvoldoende betwist voor waar aannemen, al of niet met de mogelijkheid van tegenbewijs. Tegen deze bewijslastverdeling zijn partijen in hoger beroep – terecht – niet opgekomen en het hof zal ook van deze verdeling uitgaan.
De Alliantie heeft onvoldoende gesteld
Inleiding; grieven II, III en XII
6.4.
Met
grief IIen
het eerste deel van grief XIIbestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij er tot dan toe niet in was geslaagd het vermoeden dat zij niet steeds het hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde te weerleggen, op grond waarvan als voorshands aannemelijk werd geacht dat [appellant] de huurovereenkomst schond. In haar toelichting op grief II heeft [appellant] zich onder andere op het standpunt gesteld dat, zo begrijpt het hof, niet wordt toegekomen aan de vraag of zij aan haar verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan, omdat De Alliantie niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [appellant] het gehuurde niet persoonlijk bewoont maar aan haar zoon in gebruik heeft gegeven. Anders dan De Alliantie in haar reactie op deze grief heeft aangevoerd, heeft [appellant] daarmee eveneens gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter om haar toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. Als [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter wel zou zijn geslaagd in het weerleggen van het genoemde vermoeden, zou zij immers niet tot tegenbewijs kunnen zijn toegelaten, maar had de kantonrechter moeten beoordelen of De Alliantie zou worden toegelaten tot (nadere) bewijslevering.
6.5.
Grief IIIen
het tweede deel van grief XIIkomen op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden eindvonnis dat [appellant] het gehuurde niet zelf heeft bewoond en haar verplichting tot het houden van hoofdverblijf heeft geschonden, wat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Volgens [appellant] heeft De Alliantie onvoldoende gesteld om tot deze tekortkoming te kunnen concluderen, hetgeen De Alliantie in haar reactie op grief III bestrijdt.
6.6.
Grieven II, III en XII zijn terecht voorgesteld. De Alliantie heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [appellant] het gehuurde gedurende een zekere tijd heeft verlaten en achtergelaten aan haar zoon, zodat [appellant] zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door het gehuurde niet persoonlijk te bewonen en onder te verhuren of in gebruik te geven aan haar zoon. Dit motiveert het hof als volgt.
Samenvatting van de door De Alliantie aangedragen omstandigheden
6.7.
Ter onderbouwing van haar stelling dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst heeft De Alliantie zich beroepen op de afgelegde huisbezoeken aan het gehuurde, het rapport van het combiteam Woonfraude, de huisbezoeken aan de woning van de echtgenoot van [appellant] , verklaringen van twee omwonenden bij het gehuurde en de woning van de echtgenoot van [appellant] en op overige informatie, waaronder de postpakketjes gericht aan [appellant] die bij de woning van haar echtgenoot zijn aangetroffen. Het hof zal deze omstandigheden hierna bespreken en daarbij de grieven van [appellant] en, voor zover van belang, haar betwisting betrekken.
Huisbezoeken aan het gehuurde
6.8.
Uit het door De Alliantie overgelegde interne dossier leidt het hof af dat De Alliantie negen keer bij het gehuurde op bezoek is geweest. De Alliantie heeft gesteld dat [appellant] tijdens deze bezoeken nimmer is aangetroffen en dat toen herenkleding is gezien.
6.9.
[appellant] komt in
grief Vonder andere op tegen de overweging van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij bij de huisbezoeken nimmer is aangetroffen. In
het eerste deel van grief IXkomt zij onder andere op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij niet heeft onderbouwd dat zij voor haar werk zo’n twee weken per maand in het buitenland is. [appellant] heeft niet betwist dat zij tijdens de huisbezoeken niet thuis was, maar aangevoerd dat de stelling van De Alliantie suggestief is. Volgens [appellant] zijn de huisbezoeken momentopnames en is haar afwezigheid te verklaren doordat zij voor haar werk vaak op reis is, zowel in Nederland als naar het buitenland. [appellant] heeft aangevoerd gemiddeld 25% van het jaar 2022 en (begin) 2023 voor het werk op reis te zijn geweest en elders te hebben verbleven. Verder heeft zij toegelicht dat zij in die periode gemiddeld drie keer per week sportte in de buurt van het gehuurde, regelmatig in Venlo was om haar hulpbehoevende vader te verzorgen en een deel van haar tijd in de woning van haar echtgenoot verbleef. Deze grieven slagen.
6.10.
Voor haar afwezigheid ten tijde van de drie huisbezoeken die zijn afgelegd in 2018 heeft [appellant] geen specifieke verklaring gegeven, maar in het licht van haar betwisting heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat uit die afwezigheid volgt dat [appellant] niet in het gehuurde zou wonen. [appellant] heeft over haar afwezigheid bij de andere zes huisbezoeken (in de periode van 28 januari 2022 tot en met 21 februari 2023) deels wel specifiek verklaard. In een door [appellant] overgelegde tijdlijn staat op 28 januari 2022 ‘NVT’ vermeld. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat dit ‘niet van toepassing’ betekent en dat zij daarmee bedoelt dat zij niet meer kon reconstrueren waar zij op die datum was of dat zij dit uit privacy overwegingen niet wilde zeggen. Verder blijkt uit die tijdlijn dat zij tijdens twee van de bezoeken in het buitenland was (25 augustus en 1 november 2022) en op 29 november 2022 heeft gesport in [plaats A] . Dit heeft De Alliantie onvoldoende betwist. Hoewel in de tijdlijn op 22 december 2022 ook ‘NVT’ staat vermeld, heeft haar zoon ten tijde van dit bezoek verklaard dat [appellant] aan het werk was. Op 21 februari 2023 was [appellant] aan het werk. Waar [appellant] met ‘NVT’ haar afwezigheid tijdens één van de zes huisbezoeken dus niet specifiek heeft verklaard, heeft [appellant] in meer algemene zin voldoende betwist dat uit haar afwezigheid zonder meer zou volgen dat zij niet in het gehuurde woont.
6.11.
Met
grieven IVen
Vkomt [appellant] op tegen de vaststelling van de kantonrechter dat tijdens de huisbezoeken van 7 maart 2018, 25 augustus 2022 en 1 en 29 november 2022 herenkleding hing te drogen in het trapgat en herensneakers en -jassen zijn gezien. [appellant] heeft onder andere betwist dat op basis van de stellingen van De Alliantie kan worden vastgesteld of het om herenkleding gaat en aangevoerd dat zij zelf ook wel herenkleding draagt, waaronder kleding van haar zoon. Ten aanzien van het huisbezoek op 7 maart 2018 heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat er herenkleding hing te drogen in het trappenhuis bij het gehuurde, omdat niet blijkt op basis waarvan is vastgesteld dat het om herenkleding zou gaan die bovendien niet van [appellant] is. Ten aanzien van het bezoek op 25 augustus 2022 heeft De Alliantie gesteld dat in het trappenhuis herenondergoed hing te drogen en dat er geen kledingstukken van een vrouw hingen te drogen. Voor zover er wel andere kledingstukken dan het ondergoed hingen te drogen, blijkt echter niet hoe De Alliantie heeft vastgesteld dat dit geen vrouwenkleding betrof en dus herenkleding zou zijn die bovendien niet van [appellant] is. Ook heeft [appellant] voldoende toegelicht dat en waarom zij haar eigen ondergoed niet in het trappenhuis te drogen hangt. Ten aanzien van het bezoek op 1 november 2022 heeft De Alliantie gesteld dat bij de voordeur zes paar herensneakers stonden, aan de kapstok herenjassen hingen en in het trappenhuis herenondergoed te drogen hing. Niet blijkt echter hoe De Alliantie heeft vastgesteld dat het om herensneakers en -jassen ging. Hierbij zij opgemerkt dat in haar eigen verslag van dit huisbezoek staat dat zes paar
sportsneakers zijn gezien, zodat ook daarom onvoldoende is onderbouwd dat het om
herensneakers zou gaan. [appellant] heeft verder aangevoerd dat haar jassen ook aan de kapstok hingen. En ook hier geldt hetgeen reeds is opgemerkt over de kleding die in het trappenhuis te drogen hing. Ten aanzien van het huisbezoek van 29 november 2022 heeft De Alliantie gesteld dat er weer kledingstukken van een man te drogen hingen, maar niet blijkt hoe zij heeft vastgesteld dat dit herenkleding betrof en dat er niet ook vrouwenkleding te drogen hing. Om deze redenen heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat bij deze huisbezoeken alleen herenkleding is aangetroffen, die tevens niet van [appellant] is.
Rapport van het combiteam Woonfraude
6.12.
Een aantal grieven van [appellant] is gericht tegen hetgeen de kantonrechter heeft geoordeeld op basis van het rapport van het combiteam Woonfraude. In
grief Vkomt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat in dit rapport staat dat er geen dameskleding of verzorgingsproducten zijn aangetroffen, maar wel drie cilinders voor lachgas, resten van wiet, herenkleding in meerdere kledingkasten, mannengympen in kasten en in de hal, Playstation attributen en baseballcaps en dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat deze spullen lijken toe te behoren aan een jonge man, op basis waarvan de conclusie wordt getrokken dat [appellant] niet in het gehuurde woonde.
Grief VIbestrijdt het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat persoonlijke spullen van haar aanwezig waren in het gehuurde die duiden op haar bewoning.
Grief VIIbestrijdt het oordeel van de kantonrechter in zijn eindvonnis dat er geen damesschoenen of verzorgingsproducten voor vrouwen zijn gezien. Deze grieven slagen.
6.13.
[appellant] heeft het rapport van het combiteam Woonfraude betwist en aangevoerd dat het een momentopname is. Het rapport zegt niets over de periode voor en na die tijd. Ook heeft [appellant] aangevoerd dat uit het rapport volgt dat bij het huisbezoek is gezocht naar zaken die het vermoeden van woonfraude van De Alliantie ondersteunen. In dat rapport wordt alleen melding gemaakt van spullen die eventueel aan haar zoon te linken zouden zijn, maar spullen van [appellant] die zijn aangetroffen worden niet genoemd. [appellant] heeft toegelicht dat op de foto’s bij het rapport ook spullen van haar te zien zijn, zoals schoenen, kleding, verzorgingsproducten in de badkamer en persoonlijke eigendommen in de kast in de grote slaapkamer.
6.14.
De Alliantie heeft over het rapport van het combiteam Woonfraude onder meer aangevoerd dat de woning is bekeken en dat niets erop wees dat [appellant] het gehuurde bewoonde.
6.15.
Deze stelling van De Alliantie wordt naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd door het rapport van het combiteam Woonfraude. De vaststelling van de kantonrechter op basis van het rapport dat het gehuurde een rommelige indruk maakte ten tijde van het bezoek, draagt niet noodzakelijkerwijs bij aan de conclusie dat [appellant] daar niet zou wonen. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat zij ‘in chaos’ leeft. In zoverre zou de rommel zelfs een indicatie voor haar aanwezigheid in het gehuurde kunnen zijn. Ook de vaststelling van de kantonrechter op basis van het rapport dat het tweepersoonsbed in gebruik is bij de zoon van [appellant] draagt niet noodzakelijkerwijs bij aan de conclusie dat [appellant] niet in het gehuurde zou slapen of wonen. Zij heeft in dat verband onder meer aangevoerd dat zij onder andere op de bank in de woonkamer slaapt onder de deken die daar al ligt of onder het dekbed en met de kussens die op de kast in de slaapkamer liggen. De Alliantie heeft dit niet betwist.
6.16.
De Alliantie heeft de vragen van het hof die bij het rapport zijn gerezen ook onvoldoende kunnen beantwoorden. Weliswaar kan een oorzaak van het gebrek aan informatie gelegen zijn in de omstandigheid dat de medewerker van De Alliantie die bij dit huisbezoek aanwezig was niet meer bij haar werkzaam is, maar die omstandigheid blijft voor haar risico. Door het gebrek aan antwoorden is het rapport op cruciale punten onduidelijk gebleven. Zo blijkt uit het rapport niet hoe is vastgesteld dat sprake is van mannenkleding en -schoenen, bijvoorbeeld door controle van maten of merken. Ook blijkt daaruit niet hoe is vastgesteld dat er uitsluitend mannenkleding en -schoenen in de woning aanwezig waren. Zou dat zo zijn, dan is daarmee ook nog niet vast te stellen dat die kleding en schoenen niet van [appellant] zouden kunnen zijn, omdat zij heeft aangevoerd ook mannenkleding te dragen. Niet blijkt uit het rapport dat is gevraagd van wie de kleding en schoenen zijn. Ook vermeldt het rapport niet dat is geïnformeerd naar de aanwezigheid van vrouwenkleding of -schoenen, terwijl [appellant] op basis van de foto’s bij het rapport heeft aangewezen waar haar kleding en schoenen aangetroffen hadden kunnen worden en dat vijf van de op die foto’s zichtbare jassen van haar zijn. Dit heeft De Alliantie niet voldoende betwist. Op foto’s van de badkamer zijn tenminste drie tandenborstels te zien en andere verzorgingsproducten. Uit het rapport blijkt niet dat is gevraagd van wie deze producten zijn, terwijl dat in ieder geval ten aanzien van de tandenborstels een voor de hand liggende vraag zou zijn geweest. Terecht heeft [appellant] daarover aangevoerd dat dit aantal tandenborstels een contra-indicatie vormt voor de stelling van De Alliantie dat haar zoon alleen in de woning zou wonen. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat op foto’s van de kast in de grote slaapkamer te zien is dat er boeken en sieraden van haar in liggen. Volgens [appellant] heeft haar zoon tijdens het bezoek desgevraagd ook spullen van haar aangewezen. Hoewel De Alliantie dit niet heeft betwist, is daarover niets terug te lezen in het rapport.
6.17.
Over de in grief V genoemde spullen die in het rapport worden benoemd heeft de kantonrechter in zijn tussenvonnis overwogen dat die lijken toe te behoren aan een jonge man. [appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat deze spullen (ook) van haar zijn. Dat heeft De Alliantie niet betwist. Maar zelfs als genoemde spullen zouden toebehoren aan de zoon van [appellant] , leidt dat niet tot de conclusie dat [appellant] niet in het gehuurde woont, omdat haar zoon (de ‘jonge man’) nu eenmaal óók in het gehuurde woonde.
Huisbezoeken van De Alliantie aan de woning van de echtgenoot van [appellant]
6.18.
De Alliantie is drie keer op bezoek geweest bij de woning van de echtgenoot van [appellant] . [appellant] komt met drie grieven op tegen hetgeen de kantonrechter over deze bezoeken heeft geoordeeld.
Grief XIbestrijdt zijn vaststelling dat De Alliantie op 22 november 2022 op het adres van de echtgenoot van [appellant] een vrouw heeft gezien en een vrouwenstem heeft gehoord, waaraan de (impliciete) conclusie is verbonden dat dat [appellant] moet zijn geweest, dan wel dat [appellant] geen duidelijkheid verschafte van wie die vrouwenstem dan wel was. In
grief XIVbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij door de Alliantie zou zijn aangetroffen op het woonadres van haar echtgenoot.
Grief XVIbestrijdt de vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] op 24 augustus 2018 verklaarde dat zij niet met haar 22-jarige zoon in het gehuurde wilde verblijven maar wel voornemens was het gehuurde weer zelf te gaan bewonen.
6.19.
[appellant] heeft de vaststelling van de kantonrechter dat zij op 24 augustus 2018 door De Alliantie op het adres van haar echtgenoot is aangetroffen in hoger beroep niet uitdrukkelijk bestreden. De Alliantie heeft bij brief van 24 augustus 2018 bevestigd dat zij [appellant] op dat adres heeft aangetroffen, waarop [appellant] niet afwijzend heeft gereageerd. [appellant] heeft bovendien erkend dat zij soms bij haar echtgenoot verblijft. [appellant] heeft daarom onvoldoende betwist dat zij is aangetroffen bij haar echtgenoot. Grief XIV faalt.
6.20.
De Alliantie heeft betoogd dat grief XVI zelfstandige betekenis mist, omdat de kantonrechter de in die grief genoemde verklaring niet heeft meegewogen in zijn uitspraak. Dit betoog slaagt niet, omdat deze grief gericht is tegen de feitelijke vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] die verklaring gegeven zou hebben en zij dat betwist. Zonder grief zou deze verklaring in hoger beroep als vaststaand tussen partijen hebben te gelden.
6.21.
In het licht van de gemotiveerde betwisting van [appellant] heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat [appellant] op 24 augustus 2018 de bedoelde verklaring zou hebben gegeven. De Alliantie heeft die stelling in hoger beroep niet nader onderbouwd en in haar brief van 24 augustus 2018, waarin zij wel bevestigde dat zij [appellant] had aangetroffen op het adres van haar echtgenoot, bevestigde zij niet dat [appellant] deze verklaring zou hebben gegeven. Grief XVI slaagt.
6.22.
Grief XIheeft betrekking op de bezoeken van De Alliantie aan de woning van de echtgenoot van [appellant] op 22 en 29 november 2022. Ten aanzien van het eerstgenoemde bezoek heeft De Alliantie gesteld dat een vrouw zicht- en hoorbaar was. Ten aanzien van het tweede bezoek heeft De Alliantie gesteld dat een vrouw hoorbaar was. De echtgenoot van [appellant] heeft bij dit tweede bezoek verklaard dat [appellant] niet in de woning was. Voor zover een vrouwenstem hoorbaar en een vrouw zichtbaar is geweest, heeft De Alliantie niet voldoende gesteld en is niet gebleken dat dit over [appellant] gaat, zodat dit naar het oordeel van het hof niet kan leiden tot de conclusie dat [appellant] op dat moment in de woning van haar echtgenoot was. Daarbij komt dat de echtgenoot van [appellant] als getuige over kennelijk het tweede bezoek heeft verklaard dat zij niet in zijn woning was en zij tegen hem had gezegd dat zij in haar huis was. Op 29 november 2022 werd bij het gehuurde echter niet opengedaan. Uitgaande van de juistheid van de verklaring van de echtgenoot van [appellant] heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis overwogen dat de vraag rees waarom [appellant] dan niet opendeed en van wie de gehoorde vrouwenstem was en dat het aan [appellant] was om hierover duidelijkheid te verschaffen. Als het uitgangspunt echter is dat [appellant] niet bij haar echtgenoot was, dan is het antwoord op de vraag welke vrouw bij haar echtgenoot zou zijn niet relevant en blijkt ook niet hoe [appellant] daar duidelijkheid over kan verschaffen. Grief XI slaagt.
Verklaringen van twee omwonenden bij het gehuurde en de woning van haar echtgenoot
6.23.
De Alliantie heeft gesteld dat de aanleiding voor het onderzoek naar het gehuurde een anonieme melding in december 2017 is, waarin de melder aangaf dat [appellant] uit het gehuurde zou zijn vertrokken en het gehuurde volledig achterliet aan haar zoon. Ook heeft De Alliantie gesteld dat een onderbuurman op 22 augustus 2018 heeft verklaard dat [appellant] al enkele jaren niet meer in het gehuurde zou wonen en waarschijnlijk bij haar echtgenoot zou wonen. Verder heeft De Alliantie gesteld dat zij van een achterbuurman van de echtgenoot van [appellant] op 1 november 2022 heeft begrepen dat in zijn huis ‘een koppel’ zou wonen. Ook heeft De Alliantie een telefoonnotitie van 27 januari 2022 in het geding gebracht, waarin staat dat een onderbuurman van [appellant] , die belde mede namens een andere onderbuurman, klaagde over geluidsoverlast en aangaf dat hij vermoedde dat de zoon van [appellant] in het gehuurde woonde en [appellant] er nooit heeft gewoond. Van die andere onderbuurman heeft De Alliantie een telefonisch gegeven verklaring van 17 augustus 2023 in het geding gebracht, waarin onder andere staat dat de zoon van [appellant] al jaren alleen woonachtig is op het adres, [appellant] slechts enkele keren bij de woning is gezien en de door deze onderbuurman ervaren geluidsoverlast ontstond toen de zoon ouder werd en [appellant] er niet meer woonde. In hoger beroep heeft De Alliantie een woonfraudemelding uit februari 2026 van een bekende van [appellant] in het geding gebracht.
6.24.
Grief XIIIbestrijdt de vaststelling van de kantonrechter in het tussenvonnis dat een onderbuurman volgens De Alliantie op 9 en 22 augustus 2018 heeft verklaard dat [appellant] al enkele jaren niet meer in het gehuurde maar bij haar echtgenoot zou wonen, dat haar zoon voor veel (geluids)overlast zorgde en dat er begin 2022 en op 17 augustus 2023 telefonisch anonieme meldingen van geluidsoverlast zijn gedaan.
Grief XVbestrijdt de vaststelling van de kantonrechter dat De Alliantie van een omwonende van de echtgenoot van [appellant] zou hebben vernomen dat er een koppel woont.
6.25.
De stellingen van De Alliantie hebben geen betrekking op 9 augustus 2018 en dat is door de kantonrechter ook niet anders vastgesteld. In zoverre mist grief XIII grondslag in het tussenvonnis.
6.26.
Afgezien van het gegeven dat van een deel van deze meldingen bekend is (geworden) door wie die zijn gedaan, deelt het hof niet het standpunt van [appellant] dat anonieme meldingen in het algemeen niet kunnen dienen als bewijs (zie artikel 152 Rv Pro).
6.27.
Voor het overige slagen de grieven XIII en XV. De stellingen van De Alliantie zijn aanvankelijk ogenschijnlijk vooral gebaseerd op de verklaring van de onderbuurman van 17 augustus 2023 en de verklaring van de achterbuurman van de echtgenoot van [appellant] . Deze verklaringen zijn door de kantonrechter ook uitdrukkelijk meegenomen in zijn beoordeling in het tussenvonnis. De onderbuurman heeft zijn verklaring in zoverre genuanceerd dat hij in een door [appellant] in hoger beroep in het geding gebrachte verklaring heeft verklaard dat hij over het reilen en zeilen van [appellant] niets weet en daarover dus ook niet kan verklaren. De verklaring van de achterbuurman acht het hof onvoldoende toegelicht, omdat daaruit niet blijkt op basis waarvan deze buurman de conclusie zou hebben getrokken dat in het huis van de echtgenoot van [appellant] een koppel zou wonen. Hierbij weegt het hof mee dat [appellant] gemotiveerd heeft betwist samen te wonen met haar echtgenoot. [appellant] heeft in dat verband aangevoerd dat zij niet met haar echtgenoot wil samenwonen én dat zijn psychische toestand samenwonen ook niet toelaat. Deze toestand heeft zij onderbouwd met een verklaring van zijn huisarts, waaruit afgeleid kan worden dat die toestand in ieder geval speelt sinds het najaar van 2021 en dus ruim van voor de verklaring van de achterbuurman. Deze verklaring heeft De Alliantie onvoldoende betwist. De echtgenoot van [appellant] heeft als getuige ook verklaard dat hij en [appellant] niet zijn gaan samenwonen na hun huwelijk. Anders dan De Alliantie heeft aangevoerd, doet aan dit niet kunnen samenwonen op zichzelf niet af dat de echtgenoot van [appellant] als getuige heeft verklaard dat [appellant] tijdens corona langere periodes bij hem was, omdat daaruit nog niet van samenwoning blijkt.
6.28.
Ook de andere door De Alliantie aangevoerde verklaringen acht het hof onvoldoende onderbouwing van de stelling dat [appellant] niet in het gehuurde zou wonen. In die verklaringen worden vermoedens gedeeld, maar wordt niet uitgelegd waarop die zijn gebaseerd. De Alliantie heeft die verklaringen ook niet anderszins toegelicht. De woonfraudemelding van de bekende van [appellant] acht het hof onvoldoende om de stellingen van De Alliantie te onderbouwen, omdat de inhoud daarvan door [appellant] is betwist en [appellant] gemotiveerd heeft toegelicht dat deze melding een vergelding zou zijn voor een zakelijk conflict dat tussen deze bekende en [appellant] speelde. Op dezelfde dag waarop deze bekende zijn melding deed, uitte hij in een Whatsappbericht zijn boosheid aan [appellant] . Op zichzelf terecht heeft De Alliantie aangevoerd dat de beweegredenen voor het doen van een dergelijke melding aan de waarheid van de inhoud daarvan niet af hoeven te doen, maar uit berichtenverkeer uit januari 2025 tussen [appellant] en deze bekende kan worden afgeleid dat diegene toen al bekend was met de situatie van [appellant] en daarin toen geen inhoudelijke reden zag om een woonfraudemelding te doen. Uit die berichten zou zelfs kunnen worden afgeleid dat deze bekende zich juist aan de zijde van [appellant] schaarde. Deze context doet daarom wel af aan de betrouwbaarheid van de inhoud van de woonfraudemelding.
6.29.
Daarbij komt dat [appellant] zelf ook verklaringen in het geding heeft gebracht, waaronder die van haar buurvrouw op nummer 10-1 en haar overburen, waaruit iets anders blijkt of kan worden afgeleid dan De Alliantie stelt. De buurvrouw verklaart dat niets klopt van de verdenking van woonfraude. Zij verklaart verder dat [appellant] al meer dan 20 jaar haar buurvrouw is en dat zij regelmatig een praatje met [appellant] maakt of een kopje thee samen drinkt. Haar overburen verklaren dat zij [appellant] regelmatig zien en geen reden hebben om te denken dat zij niet in het gehuurde woont en dat zij vanaf hun adres in de keuken van [appellant] kunnen kijken. In zijn tussenvonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat De Alliantie door middel van foto’s van zichtlijnen tussen het gehuurde en het adres van deze overburen heeft aangetoond dat deze verklaringen niet waar kunnen zijn.
Grief XVIIbestrijdt dit oordeel, omdat de overburen die zichtlijnen wel hebben. De Alliantie heeft in haar reactie op deze grief erkend dat het mogelijk is vanaf het balkon van [appellant] het balkon van deze buren te zien. De grief is dan ook terecht voorgesteld.
Overige informatie van De Alliantie
6.30.
De Alliantie heeft zich verder nog beroepen op overige informatie, waaronder de postpakketjes gericht aan [appellant] die bij de woning van haar echtgenoot zijn aangetroffen. In
grief VIIIvoert [appellant] aan dat de kantonrechter in zijn tussenvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar hoofdverblijf niet steeds in het gehuurde had, als hij dat baseert op een anonieme telefonische melding, de omstandigheden dat [appellant] bezig was met een verhuislift, pakketjes laat bezorgen bij haar echtgenoot, een en/of-rekening heeft met haar echtgenoot en getrouwd is, wat op zijn minst de schijn van een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot wekt, hetgeen ook gebruikelijk is voor echtelieden. In dit oordeel over de opgewekte schijn heeft de kantonrechter ook meegewogen de omstandigheden dat [appellant] op het adres van haar echtgenoot is aangetroffen en een omwonende heeft laten weten dat op dit adres een koppel zou wonen. Deze omstandigheden zijn bij de bespreking van de grieven XIV en XV reeds aan de orde gekomen. Grief VIII slaagt grotendeels.
6.31.
De bedoelde anonieme melding heeft blijkens het tussenvonnis en de stellingen van partijen betrekking op de telefonische verklaring van 17 augustus 2023 die reeds aan de orde is gekomen bij de bespreking van grief XIII.
6.32.
[appellant] heeft niet betwist dat zij bezig was met een verhuislift. In de toelichting op haar grief voert zij aan dat de kantonrechter zou (kunnen) hebben meegewogen in zijn oordeel dat [appellant] niet (meer) in het gehuurde woonde omdat zij aan het verhuizen was. Voor zover de kantonrechter zou hebben geoordeeld dat [appellant] aan het verhuizen was, heeft zij dit betwist door toe te lichten dat zij deze lift nodig had voor de levering van een bank voor in het gehuurde, hetgeen door De Alliantie op zichzelf niet is betwist. In zoverre slaagt grief VIII.
6.33.
[appellant] heeft niet betwist dat zij pakketten laat bezorgen op het adres van haar echtgenoot. Zij heeft echter toegelicht dat zij voor haar werk veel (pers)pakketten toegezonden krijgt, zelf regelmatig op reis is waardoor zij, zo begrijpt het hof, niet in de gelegenheid is die pakketten aan te nemen of tijdig op te halen, en haar echtgenoot meer ruimte heeft om deze pakketten tijdelijk op te slaan. Daarbij heeft zij opgemerkt dat het sinds de zomer van 2022 steeds vaker gebeurde dat haar pakketten naar het adres van haar echtgenoot werden gestuurd en dat zij haar persoonlijke post op het adres van het gehuurde ontvangt. In dit verband heeft [appellant] e-mailcorrespondentie overgelegd waarin zij aangeeft waar bepaalde (pers)pakketten mogen worden bezorgd. Daaruit kan de door [appellant] geschetste gang van zaken worden afgeleid. In het oog springt daarbij dat deze correspondentie grotendeels dateert van voor 25 augustus 2022, de datum waarop De Alliantie haar onderzoek naar de bewoning van het gehuurde intensiveerde. Het ligt daarom niet voor de hand dat [appellant] bij het versturen van die e-mails bijvoorbeeld rekening heeft gehouden met het onderzoek van De Alliantie, wat bijdraagt aan de betrouwbaarheid daarvan. De geschetste gang van zaken heeft De Alliantie ook onvoldoende betwist. De Alliantie vindt het argument dat de echtgenoot van [appellant] een grotere woning heeft en vaak thuis is in het licht van wat De Alliantie zelf heeft aangevoerd weinig overtuigend en onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft echter niet gesteld dat haar echtgenoot vaak thuis is. Of hij een grotere woning zou hebben is in dit verband niet van (doorslaggevend) belang. Waar het om gaat is dat [appellant] voldoende heeft betwist dat uit de omstandigheid dat er pakketten voor [appellant] bij het adres van haar echtgenoot zijn aangetroffen, kan worden afgeleid dat zij niet in het gehuurde zou wonen of het aan haar zoon in gebruik zou hebben gegeven. In zoverre slaagt grief VIII.
6.34.
Grief VIII faalt voor zover die is gericht tegen de vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] een en/of-rekening met haar echtgenoot heeft, omdat zij het bestaan daarvan uitdrukkelijk heeft erkend.
6.35.
Ook faalt de grief voor zover die gericht is tegen de overweging van de kantonrechter dat het, zo begrijpt het hof, in zijn algemeenheid gebruikelijk is voor echtelieden om een gemeenschappelijke huishouding te hebben. Dat, zoals [appellant] aanvoert, in Nederland de samenwoningsplicht voor getrouwde stellen zou zijn afgeschaft en het voor dergelijke stellen dus niet uitzonderlijk zou zijn om geen gemeenschappelijke huishouding te hebben, is niet voldoende om het door de kantonrechter aangenomen gebruik te weerleggen. Meer van belang is dat [appellant] voldoende heeft betwist met haar echtgenoot samen te (kunnen) wonen, zoals al bij de bespreking van de grieven XIII en XV aan de orde kwam.
Overige betwisting door [appellant]
6.36.
Als onderdeel van haar betwisting dat zij niet in het gehuurde zou wonen, heeft [appellant] aangevoerd voornemens te zijn geweest het gehuurde te laten schilderen. In
het tweede deel van grief IXkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in zijn tussenvonnis dat zij niet heeft onderbouwd dat er plannen waren voor een schilderbeurt zodat om die reden de tweede slaapkamer tijdelijk werd gebruikt voor de opslag van extra spullen. Verder heeft de kantonrechter volgens deze grief ten onrechte geoordeeld dat in de fase waarin nog slechts offertes worden opgevraagd al daadwerkelijk zou worden vooruitgelopen op schilderwerkzaamheden. Deze grief slaagt. [appellant] heeft in hoger beroep alsnog onderbouwd dat zij schilderplannen had in januari 2023 en toegelicht waarom zij in de offertefase vooruitliep op de schilderwerkzaamheden. De Alliantie heeft dit onvoldoende betwist.
6.37.
[appellant] heeft zich tevens beroepen op een overzicht van ShareNow-ritten die in de omgeving van het gehuurde zouden zijn verreden, de aankopen die zij heeft gedaan bij winkels op een kilometer afstand van het gehuurde en het energieverbruik in het gehuurde, dat meer zou corresponderen met het gemiddelde van een twee- dan een eenpersoonshuishouden. Met
grief Xbestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter in zijn tussenvonnis dat de autoritten via ShareNow en de aankopen die zij deed weinig zeggen over de bewoning van het gehuurde, wat eveneens geldt voor het energiecontract dat op naam staat van [appellant] waaruit niet kan worden afgeleid door wie de energie is gebruikt.
6.38.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] boodschappen heeft gedaan bij Marqt en Stadsmarkt [X] Verder heeft [appellant] in hoger beroep toegelicht dat zij sportte bij een personal trainer, die zij leerde kennen bij sportschool [Y] en is gevolgd naar twee andere sportscholen. Anders dan De Alliantie heeft aangevoerd ten aanzien van het [plaats A] Training Center, liggen deze sportscholen op minder fietsminuten afstand van het gehuurde dan van de woning van de echtgenoot van [appellant] . Met een plattegrond heeft [appellant] in hoger beroep inzichtelijk gemaakt dat de genoemde winkels en sportscholen meer in de buurt van het gehuurde dan van de woning van haar echtgenoot liggen. Ook staat in hoger beroep niet ter discussie dat het gehuurde 56 keer de vertrek- of bestemmingslocatie is geweest van een ShareNow-rit en dat de woning van de echtgenoot van [appellant] 26 keer de vertrek- of bestemmingslocatie is geweest. Weliswaar heeft De Alliantie deze omstandigheden ter discussie gesteld, door bijvoorbeeld op te merken dat [appellant] niet heeft laten zien waar zij nog meer boodschappen deed of dat de sportlocaties zich ook op fietsafstand van de woning van haar echtgenoot bevinden of dat niet is onderbouwd dat [appellant] de ShareNow-ritten heeft gemaakt, maar waar het om gaat is dat [appellant] daarmee haar betwisting van de stelling van De Alliantie dat zij niet in het gehuurde (maar bij haar echtgenoot) zou wonen heeft onderbouwd. En dat heeft zij daarmee voldoende gemotiveerd gedaan. In zoverre slaagt de grief.
6.39.
Grief X faalt voor zover die het oordeel van de kantonrechter over het energieverbruik bestrijdt. Dit verbruik heeft [appellant] onvoldoende toegelicht, omdat niet duidelijk is hoe dat verbruik grotendeels kan corresponderen met het gemiddeld verbruik van een tweepersoonshuishouden, zoals [appellant] heeft gesteld, omdat zij tevens heeft gesteld veelvuldig buiten het gehuurde te verblijven. Dat sprake zou zijn van een verbruik gelijkend op dat van een gemiddeld tweepersoonshuishouden kan daarom niet zonder meer haar aanwezigheid in het gehuurde onderbouwen.
Slotsom
6.40.
De slotsom is dat De Alliantie in het licht van de betwisting van [appellant] – op zichzelf en in onderlinge samenhang beschouwd – onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door het gehuurde niet persoonlijk te bewonen en onder te verhuren of in gebruik te geven aan haar zoon. Aan eventuele nadere bewijslevering wordt daarom niet toegekomen. Bij deze stand van zaken behoeven de
grieven XVIII, XIX en XX(over de bewijswaardering van drie getuigenverklaringen) geen behandeling.
Proceskosten
6.41.
Het hoger beroep heeft succes. Het bestreden tussen- en eindvonnis worden vernietigd. De Alliantie is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in het geding in beide instanties.
Grief XXItegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg slaagt dus.
Het hof stelt de proceskosten in eerste aanleg als volgt vast:
- salaris advocaat € 816,00 (€ 204,00 * 4 punten)
Totaal € 816,00
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- explootkosten € 135,97
- griffierecht € 362,00
- salaris advocaat € 2.580,00 (€ 1.290,00 * 2 punten)
Totaal € 3.077,97
De gevorderde nakosten en rente worden toewezen zoals hierna vermeld onder de beslissing.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
vernietigt het bestreden tussenvonnis en eindvonnis, en doet opnieuw recht:
7.2.
wijst de vorderingen van De Alliantie af;
7.3.
veroordeelt De Alliantie in de proceskosten in beide instanties. De kosten voor de eerste aanleg worden tot nu vastgesteld op € 816,00 en de kosten voor het hoger beroep worden tot nu vastgesteld op € 3.077,97, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de proceskostenveroordeling is voldaan;
7.4.
veroordeelt De Alliantie tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan;
7.5.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. Bellaart, Z.D. van Heesen-Laclé en G.J. Boeve en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.