Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Heb je mijn huisadres? Voor de zekerheid: [A-straat]”.
Zou je producten die in deze thema’s passen -inclusief persbericht- naar mij op willen sturen? (…) Gezien de haast, mag het voor dit keer naar mijn huisadres. Voor de volledigheid: [A-straat] ”.
Ondertussen hebben wij twee perspakketjes (…) teruggekregen. (…) Of kan het zijn dat de adresgegevens die we hebben – [A-straat] (…) – niet meer kloppen.” Daarop heeft [appellant] per e-mail van 3 augustus 2022 gereageerd: “
Adres klopt, alleen ben ik vaak weg dus dan mis ik weleens wat. Beter om pakketjes voortaan het volgende adres te laten bezorgen: [hof: adres van de echtgenoot van [appellant] ]”.
Perspakketten mag je sturen naar: [hof: adres van de echtgenoot van [appellant] ]. (…) [A-straat] is mijn woonadres, maar die mag je er dan uit halen”.
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
grief XXIIingetrokken, zodat deze grief geen verdere bespreking behoeft.
grief Ikomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij op grond van de huurovereenkomst verplicht is om haar hoofdverblijf te hebben en te houden in het gehuurde. De Alliantie erkent dat deze verplichting niet met zoveel woorden in de huurovereenkomst wordt genoemd, maar betoogt dat deze verplichting moet worden gelezen in artikel 11.1 van de huurvoorwaarden (persoonlijke bewoning) in combinatie met artikel 7:213 BW Pro (goed huurderschap). Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of [appellant] verplicht was haar hoofdverblijf te hebben in het gehuurde. Partijen zijn in hoger beroep immers niet opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat, gelet op de bepaling in de huurovereenkomst dat het gehuurde is bestemd om te dienen als woonruimte voor de huurder persoonlijk alsmede de leden van zijn huishouden en op artikel 13 van Pro de huurvoorwaarden dat [appellant] het gehuurde niet zonder toestemming van De Alliantie aan anderen in gebruik mag geven, het verblijfsrecht van de zoon van [appellant] afhankelijk is van het verblijf van [appellant] in het gehuurde. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de verplichting van [appellant] het gehuurde persoonlijk te bewonen en het verbod het gehuurde te verhuren of in gebruik te geven aan een ander, inhoudt dat zij het gehuurde moet gebruiken als woonruimte voor zichzelf. De vraag die partijen verdeeld houdt is of [appellant] het gehuurde gedurende een zekere tijd heeft verlaten en achtergelaten aan haar zoon en daarmee is tekortgeschoten in de nakoming van de afspraken uit de huurovereenkomst. Deze vraag zal het hof hierna beantwoorden. Voor de beantwoording van deze vraag is niet van belang of [appellant] op grond van de huurovereenkomst tevens verplicht was haar hoofdverblijf te hebben en te houden in de woning. Daarom behoeft de eerste grief geen verdere bespreking.
grief IIen
het eerste deel van grief XIIbestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij er tot dan toe niet in was geslaagd het vermoeden dat zij niet steeds het hoofdverblijf heeft gehad in het gehuurde te weerleggen, op grond waarvan als voorshands aannemelijk werd geacht dat [appellant] de huurovereenkomst schond. In haar toelichting op grief II heeft [appellant] zich onder andere op het standpunt gesteld dat, zo begrijpt het hof, niet wordt toegekomen aan de vraag of zij aan haar verzwaarde motiveringsplicht heeft voldaan, omdat De Alliantie niet voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [appellant] het gehuurde niet persoonlijk bewoont maar aan haar zoon in gebruik heeft gegeven. Anders dan De Alliantie in haar reactie op deze grief heeft aangevoerd, heeft [appellant] daarmee eveneens gegriefd tegen de beslissing van de kantonrechter om haar toe te laten tot het leveren van tegenbewijs. Als [appellant] naar het oordeel van de kantonrechter wel zou zijn geslaagd in het weerleggen van het genoemde vermoeden, zou zij immers niet tot tegenbewijs kunnen zijn toegelaten, maar had de kantonrechter moeten beoordelen of De Alliantie zou worden toegelaten tot (nadere) bewijslevering.
het tweede deel van grief XIIkomen op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden eindvonnis dat [appellant] het gehuurde niet zelf heeft bewoond en haar verplichting tot het houden van hoofdverblijf heeft geschonden, wat de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. Volgens [appellant] heeft De Alliantie onvoldoende gesteld om tot deze tekortkoming te kunnen concluderen, hetgeen De Alliantie in haar reactie op grief III bestrijdt.
grief Vonder andere op tegen de overweging van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij bij de huisbezoeken nimmer is aangetroffen. In
het eerste deel van grief IXkomt zij onder andere op tegen het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat zij niet heeft onderbouwd dat zij voor haar werk zo’n twee weken per maand in het buitenland is. [appellant] heeft niet betwist dat zij tijdens de huisbezoeken niet thuis was, maar aangevoerd dat de stelling van De Alliantie suggestief is. Volgens [appellant] zijn de huisbezoeken momentopnames en is haar afwezigheid te verklaren doordat zij voor haar werk vaak op reis is, zowel in Nederland als naar het buitenland. [appellant] heeft aangevoerd gemiddeld 25% van het jaar 2022 en (begin) 2023 voor het werk op reis te zijn geweest en elders te hebben verbleven. Verder heeft zij toegelicht dat zij in die periode gemiddeld drie keer per week sportte in de buurt van het gehuurde, regelmatig in Venlo was om haar hulpbehoevende vader te verzorgen en een deel van haar tijd in de woning van haar echtgenoot verbleef. Deze grieven slagen.
grieven IVen
Vkomt [appellant] op tegen de vaststelling van de kantonrechter dat tijdens de huisbezoeken van 7 maart 2018, 25 augustus 2022 en 1 en 29 november 2022 herenkleding hing te drogen in het trapgat en herensneakers en -jassen zijn gezien. [appellant] heeft onder andere betwist dat op basis van de stellingen van De Alliantie kan worden vastgesteld of het om herenkleding gaat en aangevoerd dat zij zelf ook wel herenkleding draagt, waaronder kleding van haar zoon. Ten aanzien van het huisbezoek op 7 maart 2018 heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat er herenkleding hing te drogen in het trappenhuis bij het gehuurde, omdat niet blijkt op basis waarvan is vastgesteld dat het om herenkleding zou gaan die bovendien niet van [appellant] is. Ten aanzien van het bezoek op 25 augustus 2022 heeft De Alliantie gesteld dat in het trappenhuis herenondergoed hing te drogen en dat er geen kledingstukken van een vrouw hingen te drogen. Voor zover er wel andere kledingstukken dan het ondergoed hingen te drogen, blijkt echter niet hoe De Alliantie heeft vastgesteld dat dit geen vrouwenkleding betrof en dus herenkleding zou zijn die bovendien niet van [appellant] is. Ook heeft [appellant] voldoende toegelicht dat en waarom zij haar eigen ondergoed niet in het trappenhuis te drogen hangt. Ten aanzien van het bezoek op 1 november 2022 heeft De Alliantie gesteld dat bij de voordeur zes paar herensneakers stonden, aan de kapstok herenjassen hingen en in het trappenhuis herenondergoed te drogen hing. Niet blijkt echter hoe De Alliantie heeft vastgesteld dat het om herensneakers en -jassen ging. Hierbij zij opgemerkt dat in haar eigen verslag van dit huisbezoek staat dat zes paar
sportsneakers zijn gezien, zodat ook daarom onvoldoende is onderbouwd dat het om
herensneakers zou gaan. [appellant] heeft verder aangevoerd dat haar jassen ook aan de kapstok hingen. En ook hier geldt hetgeen reeds is opgemerkt over de kleding die in het trappenhuis te drogen hing. Ten aanzien van het huisbezoek van 29 november 2022 heeft De Alliantie gesteld dat er weer kledingstukken van een man te drogen hingen, maar niet blijkt hoe zij heeft vastgesteld dat dit herenkleding betrof en dat er niet ook vrouwenkleding te drogen hing. Om deze redenen heeft De Alliantie onvoldoende onderbouwd gesteld dat bij deze huisbezoeken alleen herenkleding is aangetroffen, die tevens niet van [appellant] is.
grief Vkomt [appellant] op tegen de overweging van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat in dit rapport staat dat er geen dameskleding of verzorgingsproducten zijn aangetroffen, maar wel drie cilinders voor lachgas, resten van wiet, herenkleding in meerdere kledingkasten, mannengympen in kasten en in de hal, Playstation attributen en baseballcaps en dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat deze spullen lijken toe te behoren aan een jonge man, op basis waarvan de conclusie wordt getrokken dat [appellant] niet in het gehuurde woonde.
Grief VIbestrijdt het oordeel van de kantonrechter in het bestreden tussenvonnis dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat persoonlijke spullen van haar aanwezig waren in het gehuurde die duiden op haar bewoning.
Grief VIIbestrijdt het oordeel van de kantonrechter in zijn eindvonnis dat er geen damesschoenen of verzorgingsproducten voor vrouwen zijn gezien. Deze grieven slagen.
Grief XIbestrijdt zijn vaststelling dat De Alliantie op 22 november 2022 op het adres van de echtgenoot van [appellant] een vrouw heeft gezien en een vrouwenstem heeft gehoord, waaraan de (impliciete) conclusie is verbonden dat dat [appellant] moet zijn geweest, dan wel dat [appellant] geen duidelijkheid verschafte van wie die vrouwenstem dan wel was. In
grief XIVbetoogt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat zij door de Alliantie zou zijn aangetroffen op het woonadres van haar echtgenoot.
Grief XVIbestrijdt de vaststelling van de kantonrechter dat [appellant] op 24 augustus 2018 verklaarde dat zij niet met haar 22-jarige zoon in het gehuurde wilde verblijven maar wel voornemens was het gehuurde weer zelf te gaan bewonen.
Grief XVbestrijdt de vaststelling van de kantonrechter dat De Alliantie van een omwonende van de echtgenoot van [appellant] zou hebben vernomen dat er een koppel woont.
Grief XVIIbestrijdt dit oordeel, omdat de overburen die zichtlijnen wel hebben. De Alliantie heeft in haar reactie op deze grief erkend dat het mogelijk is vanaf het balkon van [appellant] het balkon van deze buren te zien. De grief is dan ook terecht voorgesteld.
grief VIIIvoert [appellant] aan dat de kantonrechter in zijn tussenvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat zij haar hoofdverblijf niet steeds in het gehuurde had, als hij dat baseert op een anonieme telefonische melding, de omstandigheden dat [appellant] bezig was met een verhuislift, pakketjes laat bezorgen bij haar echtgenoot, een en/of-rekening heeft met haar echtgenoot en getrouwd is, wat op zijn minst de schijn van een gemeenschappelijke huishouding met haar echtgenoot wekt, hetgeen ook gebruikelijk is voor echtelieden. In dit oordeel over de opgewekte schijn heeft de kantonrechter ook meegewogen de omstandigheden dat [appellant] op het adres van haar echtgenoot is aangetroffen en een omwonende heeft laten weten dat op dit adres een koppel zou wonen. Deze omstandigheden zijn bij de bespreking van de grieven XIV en XV reeds aan de orde gekomen. Grief VIII slaagt grotendeels.
het tweede deel van grief IXkomt [appellant] op tegen het oordeel van de kantonrechter in zijn tussenvonnis dat zij niet heeft onderbouwd dat er plannen waren voor een schilderbeurt zodat om die reden de tweede slaapkamer tijdelijk werd gebruikt voor de opslag van extra spullen. Verder heeft de kantonrechter volgens deze grief ten onrechte geoordeeld dat in de fase waarin nog slechts offertes worden opgevraagd al daadwerkelijk zou worden vooruitgelopen op schilderwerkzaamheden. Deze grief slaagt. [appellant] heeft in hoger beroep alsnog onderbouwd dat zij schilderplannen had in januari 2023 en toegelicht waarom zij in de offertefase vooruitliep op de schilderwerkzaamheden. De Alliantie heeft dit onvoldoende betwist.
grief Xbestrijdt [appellant] het oordeel van de kantonrechter in zijn tussenvonnis dat de autoritten via ShareNow en de aankopen die zij deed weinig zeggen over de bewoning van het gehuurde, wat eveneens geldt voor het energiecontract dat op naam staat van [appellant] waaruit niet kan worden afgeleid door wie de energie is gebruikt.
grieven XVIII, XIX en XX(over de bewijswaardering van drie getuigenverklaringen) geen behandeling.
Grief XXItegen de veroordeling van [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg slaagt dus.