ECLI:NL:GHAMS:2026:1672

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
23 juni 2026
Zaaknummer
200.357.366/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Hoofdsplitsingsakte
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

VvE niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesmachtiging voor hoger beroep

De Vereniging van Eigenaars (VvE) heeft in eerste aanleg verschillende vorderingen ingesteld tegen een eigenaar, welke door de kantonrechter zijn afgewezen vanwege het ontbreken van een machtiging van de vergadering van eigenaars aan het bestuur om de procedure te voeren. In hoger beroep heeft de VvE betoogd dat uit notulen en besluitenlijsten van vergaderingen mandaat voor proceskosten blijkt, maar het hof oordeelt dat dit geen machtiging is voor het instellen van de procedure, laat staan voor het hoger beroep.

Het hof analyseert de notulen van vergaderingen van 22 april 2024, 14 april 2025 en 13 oktober 2025 en concludeert dat geen expliciete of impliciete machtiging is verleend voor het voeren van deze procedure tegen de geïntimeerde. De VvE heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het mandaat proceskosten ook het instellen van de procedure omvatte. De geïntimeerde heeft gemotiveerd betwist dat hem duidelijk was dat het mandaat betrekking had op een rechtszaak tegen hem.

Daarmee verklaart het hof de VvE niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelt haar in de proceskosten. Het hof gaat niet inhoudelijk in op de zaak vanwege deze processuele tekortkoming.

Uitkomst: De VvE wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van een vereiste machtiging en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.357.366/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 11440395 \ CV EXPL 24-4087
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van
[VvE],
gevestigd te Broek op [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. Y.A. Rampersad te Leiden,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Knol te Assendelft.
Partijen worden hierna de VvE en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

De VvE heeft in eerste aanleg verschillende vorderingen ingesteld tegen een van de eigenaars. De kantonrechter heeft die vorderingen afgewezen, omdat het bestuur van de VvE niet over een machtiging van de vergadering van eigenaars beschikt om de procedure te voeren. Het hof verklaart de VvE niet-ontvankelijk in haar hoger beroep, omdat de vereiste procesmachtiging ontbreekt.

2.Het geding in hoger beroep

De VvE is bij dagvaarding mede inhoudende memorie van grieven (met producties) van
14 juli 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 16 april 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser in het verzet en de VvE als gedaagde in het verzet (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord.
Op 31 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de zaak hebben toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd en waarbij producties in het geding zijn gebracht (producties 40 t/m 54 van de VvE en productie 4 van [geïntimeerde] ).
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
Bij notariële akte van hoofdsplitsing van 24 februari 2004 (hierna: de Hoofdsplitsingsakte) is de VvE opgericht. De Hoofsplitsingsakte bepaalt voor zover van belang:

Artikel 40(…)
4. Het bestuur behoeft de machtiging van de vergadering voor het instellen van en berusten in rechtsvorderingen
3.3.
Bij notariële akte van ondersplitsing van 11 juni 2004 is het appartementsrecht rechtgevende op het gebruik van de camping kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie H [nummer] en genaamd “
[camping]” ondergesplitst in appartementsrechten. [geïntimeerde] is rechthebbende op een vijftal appartementsrechten en is van rechtswege lid van de VvE.
3.4.
In de vergaderingen van eigenaars van 22 april 2024, 14 april 2025 en 13 oktober 2025 is het verlenen van een mandaat proceskosten onderwerp geweest van de vergadering. In de notulen en besluitenlijst van die vergaderingen is voor zover van belang het volgende opgenomen:
-
vergadering van 22 april 2024:

Notulen(…)

8.Mandaat proceskosten

De voorzitter geeft een toelichting op het agendapunt. Het mandaat voor proceskosten is akkoord voor de aanwezigen.
Besluit: De aanwezigen verlenen een mandaat aangaande proceskosten.
(…)
Besluitenlijst(…)

8.Mandaat proceskosten

8.1
De aanwezigen verlenen een mandaat aangaande proceskosten.
-
vergadering van 14 april 2025:

Notulen(…)

8.Mandaat proceskosten

De voorzitter geeft een toelichting op het belang van het verstrekken van gevraagd mandaat. Wanneer een Vereniging van Eigenaren (VvE) als eiser of verzoeker wil gaan procederen, dan moet de vergadering daar toestemming voor geven. De aanwezigen stemmen unaniem in met het gevraagde mandaat
Besluit: De vergadering is akkoord met het mandaat proceskosten. (…)
Besluitenlijst(…)

8.Mandaat proceskosten

8.1
De vergadering is akkoord met het mandaat proceskosten.
-
vergadering 13 oktober 2025:

3. Mededelingen

Op advies van de advocaat meldt de voorzitter dat de/het VvE-(bestuur) een proces voert tegen de heer [geïntimeerde] en het mandaat proceskosten is om die reden gevraagd aan de ALV.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Bij inleidende dagvaarding van 5 september 2024 heeft de VvE gevorderd dat de kantonrechter:
[geïntimeerde] veroordeelt om alle goederen (o.a. voertuigen en caravans) te verwijderen, op straffe van een dwangsom;
[geïntimeerde] veroordeelt om zich te houden aan de Hoofd- en ondersplitsingsakte en het huishoudelijk reglement, op straffe van een dwangsom;
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een boete van € 5.000,00;
voor recht verklaart dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door de vangpaal van het slagboomsysteem te beschadigen en [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 640,48 met rente;
[geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten met rente, en
[geïntimeerde] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Bij verstekvonnis van 9 oktober 2024 heeft de kantonrechter de hiervoor genoemde vorderingen van de VvE toegewezen, behalve de vordering onder v.
4.3.
[geïntimeerde] heeft bij verzetdagvaarding van 19 november 2024 geconcludeerd tot ontheffing van de veroordeling en afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen, met veroordeling van de VvE in de proceskosten.
4.4.
Bij vonnis van 16 april 2025 heeft de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
het verzet gegrond verklaard en het verstekvonnis van 9 oktober 2024, inclusief de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling, vernietigd;
de oorspronkelijke vorderingen alsnog afgewezen; en
de VvE veroordeeld tot betaling van de proceskosten inclusief nakosten.

5.Procedure in hoger beroep

5.1.
De VvE concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
Volgens [geïntimeerde] moet het hof het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

6.Beoordeling

Ontvankelijkheid
6.1.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat op grond van artikel 40 onder Pro 4 van de Hoofdsplitsingsakte door de vergadering van eigenaars machtiging aan het bestuur van de VvE moet worden verleend voor het instellen van rechtsgedingen. Partijen twisten over de vraag of een machtiging aan het bestuur van de VvE is verleend voor het voeren van deze procedure (in hoger beroep) tegen [geïntimeerde] . Het hof is van oordeel dat dit niet is komen vast te staan. Het hof licht dit als volgt toe.
6.2.
De VvE betoogt dat de machtiging blijkt uit de notulen en besluitenlijsten van de vergaderingen van eigenaars van 22 april 2024 en 14 april 2025 en uit de notulen van de vergadering van eigenaars van 13 oktober 2025 (zie onder 3.4.). Volgens de VvE is het gebruikelijk om in dit soort gevallen niet aan
naming and shamingte doen. Daarom is de naam van [geïntimeerde] niet in de notulen/besluitenlijsten van de eerste twee vergaderingen genoemd, hoewel alle eigenaars weten om wie het gaat. Blijkens de notulen van de laatste vergadering van eigenaars is de naam van [geïntimeerde] expliciet genoemd en is meegedeeld dat de VvE een procedure tegen hem voert. Volgens de VvE is hiermee duidelijk dat het eerder gevraagde mandaat voor proceskosten dus ziet op de procedure tegen [geïntimeerde] .
6.3.
Het hof volgt de VvE hierin niet. Het bestuur van de VvE behoeft een machtiging van de vergadering van eigenaars voor het instellen van (hoger beroep in) deze procedure. Niet is gebleken dat ná het wijzen van het bestreden vonnis een machtiging is verleend voor het instellen van dit hoger beroep. Uit de notulen van de vergadering van eigenaars van
13 oktober 2025 volgt dat toen enkel is medegedeeld dat de VvE een proces voert tegen [geïntimeerde] en dat het mandaat proceskosten om die reden is gevraagd. Op deze vergadering is geen machtiging gevraagd om hoger beroep te mogen instellen tegen het bestreden vonnis. De VvE heeft dit ter zitting in hoger beroep desgevraagd bevestigd. Evenmin is gebleken dat er voorafgaand aan het bestreden vonnis al een machtiging was verleend voor het instellen van deze rechtszaak (inclusief hoger beroep). Daartoe overweegt het hof als volgt.
6.4.
Niet gebleken is dat op een eerder moment aan de vergadering van eigenaars is verzocht een machtiging te verlenen voor het voeren van deze rechtszaak (inclusief hoger beroep) tegen [geïntimeerde] . Uit de notulen en de besluitenlijst van de vergadering van eigenaars van 22 april 2024 blijkt slechts dat de aanwezigen akkoord zijn gegaan met het verlenen van een mandaat proceskosten. De tekst van de notulen en de besluitenlijst waarop de VvE zich beroept is algemeen geformuleerd. Niet is geconcretiseerd dat tijdens de vergadering mandaat is verleend voor het aanhangig maken van de onderhavige rechtszaak (in eerste aanleg en in hoger beroep) tegen [geïntimeerde] . Uit de notulen blijkt ook anderszins niet dat het instellen van een procedure tegen [geïntimeerde] onderwerp van gesprek is geweest.
6.5.
Dat geldt ook voor de notulen en besluitenlijst van de vergadering van eigenaars van
14 april 2025. Tijdens die vergadering is wederom besloten tot de verlening van een mandaat proceskosten. Ook hier blijkt niet uit de notulen (inclusief toelichting van de voorzitter)
– waarnaar de VvE verwijst – dat de mandaatverlening ziet op het instellen van de onderhavige procedure tegen [geïntimeerde] .
6.6.
Het hof volgt de VvE niet in haar stelling dat het – ondanks dat er op de vergaderingen van eigenaars van 22 april 2024 en 14 april 2025 niet is meegedeeld dat mandaat werd gevraagd voor het instellen van een rechtszaak tegen [geïntimeerde] (inclusief het instellen van een eventueel hoger beroep) – voor iedereen duidelijk was dat dit mandaat daarop betrekking had. [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist door te stellen dat het hem in ieder geval niet duidelijk was dat dit besluit werd gevraagd om een rechtszaak tegen hem aan te kunnen spannen; in dat geval zou hij hebben tegengestemd op de vergadering van eigenaars en niet vóór. Hier heeft de VvE onvoldoende tegenin gebracht, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Slotsom en kosten
6.7.
Het hof komt tot de slotsom dat noch het mandaat proceskosten van 22 april 2024, noch het mandaat van 14 april 2025, noch de mededeling tijdens de vergadering van eigenaars van 13 oktober 2025 – ook niet in onderling verband – kunnen worden aangemerkt als een machtiging voor het instellen van een gerechtelijke procedure (in hoger beroep) tegen [geïntimeerde] . Gelet daarop dient de VvE niet-ontvankelijk in haar hoger beroep te worden verklaard. Het hof komt daardoor op processuele gronden niet toe aan een inhoudelijke behandeling en beoordeling van de zaak.
6.8.
De VvE zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 362,--
- salaris advocaat
€ 1.824,--(tarief I, 2 punten)
Totaal € 2.186,--

7.Beslissing

Het hof:
verklaart de VvE niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt de VvE in de proceskosten in hoger beroep, tot nu aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.186,--;
veroordeelt de VvE tot betaling van € 189,-- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,-- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. Z.D. van Heesen-Laclé, E.J. Bellaart en B.J.P.G. Roozendaal en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.