ECLI:NL:GHAMS:2026:1676
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J.C.W. Rang
- H.T. van der Meer
- A.W. Jongbloed
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken doorbrekingsgrond tegen ongegrond verklaard verzet tegen klacht gerechtsdeurwaarder
Klager diende een klacht in tegen een toegevoegd gerechtsdeurwaarder, welke door de voorzitter van de kamer voor gerechtsdeurwaarders als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klager stelde verzet in tegen deze beslissing, maar dit verzet werd eveneens ongegrond verklaard door de kamer. Klager ging in hoger beroep tegen deze beslissing.
Op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet staat tegen de beslissing waarbij het verzet ongegrond wordt verklaard geen hoger beroep open, tenzij sprake is van bijzondere doorbrekingsgronden. Klager stelde geen dergelijke doorbrekingsgrond aan het hof voor, maar betwistte slechts inhoudelijk de beslissing.
Het hof oordeelde dat het ontbreken van een doorbrekingsgrond betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Er was geen sprake van schending van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijke en onpartijdige behandeling in het geding zouden brengen. Het verzoek van de gerechtsdeurwaarder om klager in de proceskosten te veroordelen kon niet worden ingewilligd omdat de Gerechtsdeurwaarderswet dit niet toestaat.
Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het vonnis werd in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer namens het hof.
Uitkomst: Het hoger beroep van klager is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een doorbrekingsgrond tegen het rechtsmiddelenverbod.