Uitspraak
Onderzoek van de zaak
Vonnis waarvan beroep
- in bewijsmiddel 7 van de aanvulling verkort vonnis de zin “
- bewijsmiddel 12 toevoegt aan de bewijsmiddelen van de rechtbank in de aanvulling verkort vonnis, te weten: de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven: “
Oplegging van straffen
3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren.
first offenderis en dat hij deze strafbare feiten heeft gepleegd in een moeilijke periode in zijn leven. De verdachte heeft zich na deze strafzaak niet opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat hij inmiddels in staat is nieuwe problemen op de juiste manier op te lossen. Verder is sprake van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.
Dat zijn ernstige strafbare feiten, waarbij de verdachte zijn eigen financiële gewin heeft laten prevaleren boven de negatieve gevolgen die zijn gedrag voor anderen zou kunnen hebben. Zijn gedrag heeft ook daadwerkelijk tot problemen voor anderen geleid. Met name slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en
[slachtoffer 3] hebben deze negatieve gevolgen ondervonden. Door op naam van [slachtoffer 1] een betaalrekening te openen, creditcards aan te vragen en daarvan gebruik te maken, heeft [slachtoffer 1] aanmaningen ontvangen en stelt hij te zijn belemmerd bij de aanvraag van een hypotheek. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] konden geen aanspraak maken op een compensatieregeling van de gemeente voor burgers die door de coronacrisis in financiële nood terecht waren gekomen, doordat de verdachte al op hun naam woonkostentoeslag had aangevraagd en deze op zijn eigen rekening heeft laten overmaken. De verdachte was bij de gemeente Amsterdam werkzaam bij het Team Armoedebestrijding Voorzieningen in de functie van Inkomensconsulent.
Gelet op de inhoud van zijn functie, moet hij zich ervan bewust zijn geweest dat deze slachtoffers, tot wiens gegevens hij door zijn werkzaamheden toegang had, zich in een financieel kwetsbare positie bevonden. Dat heeft hem er niet van weerhouden hun gegevens te gebruiken. De verdachte heeft daarbij bewust misbruik gemaakt van zijn positie bij de gemeente in een tijd waarin de werkdruk zo hoog lag dat het vierogen-principe nauwelijks werd nageleefd. Bovendien heeft de verdachte, door de identiteit van anderen te gebruiken, schade toegebracht aan het vertrouwen dat in het bankwezen en de overheid moet kunnen worden gesteld. Ook heeft hij het vertrouwen in de echtheid van identificerende persoonsgegevens, die door bank- en overheidsinstanties worden verstrekt, geschaad. Dit alles neemt het hof de verdachte kwalijk.
De verdachte kreeg een huurhuis aangeboden en zou ‘uit paniek’ hebben gehandeld toen hij zijn baan verloor en een huurachterstand ontstond. Hij heeft zich pas achteraf gerealiseerd welke impact zijn strafbare handelen heeft gehad op het leven van de slachtoffers en ter terechtzitting zijn spijt betuigd. Inmiddels leidt de verdachte een ander leven; hij is getrouwd en ondernemer.
8 december 2022. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 19 december 2022 en is deze termijn geëindigd met dit arrest op 25 juni 2026, waarmee de redelijke termijn van 2 jaren met ruim
1 jaar en 6 maanden is overschreden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Vordering van de benadeelde partij International Card Services B.V.
De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering zal worden toegewezen.
Vordering van de benadeelde partij ING Bank Nederland N.V.
BESLISSING
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
taakstrafvoor de duur van
200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
100 (honderd) dagen hechtenis.
€ 2.258,40 (tweeduizend tweehonderdachtenvijftig euro en veertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
€ 7.137,20 (zevenduizend honderdzevenendertig euro en twintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.