ECLI:NL:GHAMS:2026:1701

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
23-002222-25
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.2 Wet dierenArt. 5.1 OmgevingswetArt. 11.39 Besluit activiteiten leefomgevingArt. 1a WEDArt. 1 WED
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens illegaal verplaatsen en verhandelen van beschermde vogeleieren zonder vergunning

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het verplaatsen van broedeieren van Duitsland naar Nederland zonder het vereiste diergezondheidscertificaat en voor het zonder omgevingsvergunning onder zich hebben en verhandelen van eieren van diverse beschermde vogelsoorten. Daarnaast werd hij samen met zijn vader en broer veroordeeld voor het opzettelijk onder zich hebben en vervoeren van eieren van papegaaiduiker, kuifeend en ijseend zonder omgevingsvergunning.

Het hof oordeelde dat de verdachte opzettelijk handelde en dat het ontbreken van een aankoopbewijs niet uitsluit dat de eieren illegaal waren. De verdediging voerde aan dat de eieren legaal in IJsland waren verkregen, maar dit verweer werd verworpen omdat het Nederlandse recht het bezit en vervoer zonder vergunning verbiedt, ongeacht de herkomst.

De strafmaat bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een geldboete van €8.000,00, subsidiair 65 dagen hechtenis. Het hof hield rekening met de ernst van de feiten, het beschermde karakter van de vogelsoorten en de beperkte draagkracht van de verdachte. Tevens werden inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard.

Het vonnis van de economische politierechter werd vernietigd en het hof deed opnieuw recht met een andere bewezenverklaring en strafoplegging. De verdachte werd vrijgesproken van hetgeen meer of anders was ten laste gelegd dan bewezen verklaard.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een geldboete van €8.000 wegens illegaal bezit, vervoer en verhandeling van beschermde vogeleieren zonder vergunning.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002222-25
datum uitspraak: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 16 september 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 81-092299-25 (hierna:
zaak A) en 81-184844-25 (hierna:
zaak B) tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 2000,
adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
11 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
Zaak A:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2024 tot en met 24 juni 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk,
heeft gehandeld in strijd met een met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop de Wet dieren van toepassing was,
immers heeft hij, verdachte, levende producten afkomstig van andere gehouden landdieren, dan die bedoeld in de punten a), b), en c) van lid 1 van artikel 143 Verordening Pro (EG) 2016/429, verplaatst van Duitsland naar Nederland, althans van een lidstaat naar een andere lidstaat, terwijl die van landdieren afkomstige levende producten, te weten broedeieren, niet vergezeld gingen van een overeenkomstig artikel 149, lid 1 Verordening (EG) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat;
2.
hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2024 tot en met 24 juni 2024 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij eieren van soorten van de Vogelrichtlijn en/of van soorten genoemd in bijlage A en/of B van de CITES-verordening 338/98, te weten
  • vier, althans één of meer stuks Krooneend(en), althans eieren van een soort zoals bedoeld in artikel 1 van Pro de Vogelrichtlijn en/of;
  • drie, althans één of meer stuks Witnekkraanvogel en/of
  • één stuk Japanse Kraanvogel en/of
  • vijf, althans één of meer stuks Roodhalsgans(en) en/of
  • vijf, althans één of meer stuks Glansfazant(en), althans eieren van soorten genoemd in bijlage A van de CITES-verordening 338/98 en/of;
  • elf, althans één of meer stuks Groene Pauw(en) en/of
  • vijf, althans één of meer stuks Afrikaanse knobbelpronkeend(en) en/of
  • twee, althans één of meer stuks Grijze Kroonkraanvogels,
althans eieren van soorten genoemd in bijlage B van de CITES-verordening 338/98
onder zich gehad en/of verhandeld;
Zaak B (gevoegd):
primair
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) om een andere reden dan verkoop één of meer eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en/of één of meer eieren (29 stuks) van één of meer eendensoorten (kuifeenden en/of ijseenden),
althans producten en/of eieren uit die vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de vogelrichtlijn verkregen onder zich gehad en/ of vervoerd;
subsidiair
hij op of omstreeks 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk,
zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij en/of zijn mededader(s) één of meer eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en/of één of meer eieren (29 stuks) van één of meer eendensoorten (kuifeenden en/of ijseenden),
althans producten en/of eieren uit die vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de vogelrichtlijn verkregen vervoerd voor verkoop en/of onder zich gehad voor verkoop.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.

Standpunten van partijen

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat in zaak A feit 1 en feit 2, en in zaak B het primair tenlastegelegde, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de raadsvrouw
In zaak B heeft de raadsvrouw zich primair op het standpunt gesteld dat de verdachte van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de eieren, zoals deze zijn aangetroffen tijdens de controle van 16 juni 2025, legaal in IJsland zijn aangekocht en – zo verstaat het hof het verweer – dat deze daarom legaal, via Nederland, naar Duitsland mochten worden getransporteerd. Het dossier bevat geen enkel onderzoek waaruit blijkt dat de aangetroffen papegaaiduikereieren niet afkomstig waren van een landeigenaar die gerechtigd was deze eieren aan de verdachte en/of zijn medereizigers te verkopen. Het ontbreken van een aankoopbewijs maakt die mogelijkheid niet ongedaan. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de eendeneieren onder dezelfde voorwaarden als de papegaaiduikereieren in IJsland verkocht mochten worden.
Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte van het opzettelijk handelen moet worden vrijgesproken. De verdachte wist niet dat zijn handelen in strijd was met de regelgeving noch heeft hij hierop bewust de aanmerkelijke kans aanvaard. De verdachte was ervan overtuigd dat hij rechtmatig handelde en het dossier bevat ook geen concrete aanwijzingen voor het tegendeel. Hooguit kan worden geoordeeld dat de verdachte onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld, zodat, zo begrijpt het hof, enkel een bewezenverklaring voor de overtredingsvariant kan volgen.
Wat betreft zaak A feit 1 en feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Zaak A
De verdachte heeft verklaard dat hij de eieren van een boerderij in Duitsland heeft meegenomen naar Nederland en aan twee Israëliërs heeft gegeven. [1] Ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026 heeft de verdachte verklaard dat hij en de twee Israëliërs geen documenten bij zich hadden. [2] De raadsvrouw heeft zich, zoals aangegeven, inzake zaak A feit 1 en feit 2 gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 22 juni 2024 tot en met 24 juni 2024 in Nederland, opzettelijk, levende producten afkomstig van gehouden landdieren heeft verplaatst van Duitsland naar Nederland, terwijl die van landdieren afkomstige levende producten, te weten broedeieren, niet vergezeld gingen van een diergezondheidscertificaat. Daarnaast acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in voornoemde periode opzettelijk zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht door in totaal 36 eieren onder zich te hebben gehad en te hebben verhandeld. Het ging hierbij om eieren van Krooneenden (4), Witnekkraanvogels (3), Japanse Kraanvogel (1), Roodhalsgansen (5), Glansfazanten (5), Groene Pauwen (11), Afrikaanse knobbelpronkeenden (5) en Grijze Kroonkraanvogels (2). [3]
Zaak B
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en
omstandigheden vast. [4]
Op maandag 16 juni 2025 zijn drie passagiers staande gehouden door de Douane op de luchthaven van Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Zij waren net aangekomen vanuit IJsland. Het ging om de passagiers [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) en zijn twee zonen, te weten: [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] , de verdachte). In de handbagage van de drie verdachten zijn dozen met in totaal 79 eieren aangetroffen. [5] Deze dozen zaten verspreid over twee rugtassen: een zwarte rugtas en een groene rugtas met wit/gele print. In de zwarte rugtas – die [verdachte] bij zich droeg – zaten 6 dozen met daarin in totaal 55 eieren. In de groene rugtas met wit/gele print – die [persoon 2] bij zich droeg – zaten 2 dozen met daarin in totaal 24 eieren. Tijdens de controle van de ruimbagage is er ook een broedmachine onder [persoon 1] in beslag genomen. [6] De eieren waren ver bebroed tot bijna uitkomen. [7] Medewerkers van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hebben de aangetroffen eieren gedetermineerd en het bleek te gaan om 51 eieren van de papegaaiduiker (
Fratercula arctica) en 27 eieren van de eend, meer specifiek: 12 eieren van de kuifeend (
Aythya fuligula) en 15 eieren van de ijseend (
Clangunla hyemalis). [8] In zowel de rugtas van [verdachte] als de rugtas van [persoon 2] bleek het te gaan om (ook) eieren van de papegaaiduiker. [9] [persoon 1] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat de eieren van hem zijn en dat zijn zonen (
het hof begrijpt: [persoon 2] en [verdachte]) alleen de rugtassen voor hem droegen. [10] [verdachte] heeft verklaard dat het klopt dat zij eieren bij zich droegen vanuit IJsland naar Nederland. [11] Voornoemde drie passagiers beschikten niet over een vergunning om de eieren onder zich te hebben. [12]

Bewijsoverweging met betrekking tot zaak B

Economisch delict
Ingevolge artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. Deze algemene maatregel van bestuur is het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Besluit). Ingevolge artikel 11.39, eerste lid, van het Besluit geldt dit verbod – om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten – voor het om andere reden dan verkoop onder zich hebben of vervoeren van onder meer voor vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van Pro de Richtlijn 2009/147/EG (hierna: de Vogelrichtlijn) en uit die vogels verkregen producten. In artikel 1, eerste lid, van de Vogelrichtlijn staat dat deze betrekking heeft op de instandhouding van “
alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is” en in het tweede lid staat dat deze richtlijn (ook) van toepassing is op de eieren van deze vogels. De eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend zijn eieren van vogels die vallen binnen de reikwijdte van de Vogelrichtlijn. [13] Dit betekent dat het onder zich hebben en/of vervoeren van de eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend verboden is zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet. Een overtreding van voorschriften gesteld bij of krachtens dit artikel van de Omgevingswet levert een economisch delict op ingevolge artikel 1a onder 1̊ van de Wet op de economische delicten (WED).
Bewezen kan worden dat de verdachte op 16 juni 2025 op de luchthaven van Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht door, om een andere reden dan verkoop, de tenlastegelegde 50 eieren van de papegaaiduiker en 27 eieren van de eend (zijnde kuifeenden en ijseenden) onder zich te hebben en te vervoeren. Uit het voorgaande volgt dat de verdachte hiermee een economisch delict heeft begaan.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de eieren, zoals deze zijn aangetroffen tijdens de controle op
16 juni 2025, legaal in IJsland zijn aangekocht en dus op geoorloofde wijze zijn verkregen. Voor zover de raadsvrouw hiermee bedoelt dat het op een geoorloofde wijze verkrijgen van de eieren in IJsland in de weg staat aan een bewezenverklaring van het (primair) tenlastegelegde feit, volgt het hof dat standpunt niet. Het op geoorloofde (legale) wijze verkrijgen van de eieren in een ander land (in dit geval IJsland) vormt niet één van de in artikel 11.39, tweede lid, van het Besluit neergelegde uitzonderingen op het verbod om zonder omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten te verrichten.
Het primaire tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Opzet
De vraag die vervolgens voorligt, is of de verdachte opzettelijk heeft gehandeld en daarmee een misdrijf
heeft gepleegd, of een (onopzettelijke) overtreding heeft begaan.
In de onderhavige zaak houdt de tenlastelegging in dat de verdachte “
(…) opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht (…)” door eieren van de papegaaiduiker, kuifeenden en ijseenden om een andere reden dan verkoop onder zich te hebben gehad en/of vervoerd. In deze formulering van het verwijt ligt besloten dat het opzet zich mede uitstrekt tot het verrichten van een flora- en fauna-activiteit zonder omgevingsvergunning. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte niet opzettelijk in strijd met de regelgeving heeft gehandeld. Volgens haar verkeerde hij in de veronderstelling dat de eieren in IJsland op legale wijze waren verkregen en dat hij deze daarom legaal onder zich had en vervoerde. Wat daarvan ook zij, dit ontsloeg de verdachte niet van de verplichting zich te vergewissen van de toepasselijke Nederlandse wet- en regelgeving. Door dat na te laten, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zonder de vereiste omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit verrichtte.
Dit betekent dat het hof ook het subsidiaire verweer van de raadsvrouw verwerpt en van oordeel is dat
bewezen kan worden dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Zaak A:

1.

hij in de periode van 22 juni 2024 tot en met 24 juni 2024 in Nederland, opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschrift van een EU-verordening betreffende een onderwerp waarop de Wet dieren van toepassing was,
immers heeft hij, verdachte, levende producten afkomstig van andere gehouden landdieren, dan die bedoeld in de punten a), b), en c) van lid 1 van artikel 143 Verordening Pro (EG) 2016/429, verplaatst van Duitsland naar Nederland, terwijl die van landdieren afkomstige levende producten, te weten broedeieren, niet vergezeld gingen van een overeenkomstig artikel 149, lid 1 Verordening (EG) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong uitgereikt diergezondheidscertificaat;
2.
hij op 24 juni 2024 in Nederland, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers heeft hij eieren van soorten van de Vogelrichtlijn en van soorten genoemd in bijlage A en B van de CITES-verordening 338/98, te weten
  • vier Krooneenden en
  • drie Witnekkraanvogel en
  • één Japanse Kraanvogel en
  • vijf Roodhalsgansen en
  • vijf Glansfazanten en
  • elf Groene Pauwen en
  • vijf Afrikaanse knobbelpronkeenden en
  • twee Grijze Kroonkraanvogels
onder zich gehad en verhandeld;
Zaak B (gevoegd):
primair
hij op 16 juni 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit heeft verricht, immers hebben hij en zijn mededaders om een andere reden dan verkoop eieren (50 stuks) van een papegaaiduiker en eieren (27 stuks) van eendensoorten (kuifeenden en ijseenden), onder zich gehad en vervoerd.
Hetgeen in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren.
Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder g, van de Omgevingswet.
Het in zaak B primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld bij artikel 5.1, tweede lid aanhef en onder g, van de Omgevingswet.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A feit 1 en feit 2 en in zaak B primair bewezenverklaarde veroordeeld tot (
in zaak A) een geldboete ter hoogte van € 5.000,00, subsidiair 60 dagen hechtenis, en (
in zaak B) een geldboete ter hoogte van € 7.500,00, subsidiair 72 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A feit 1 en feit 2 en in zaak B
primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 10.000,00, subsidiair 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsvrouw heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht een gedeeltelijk voorwaardelijke geldboete op te leggen. Bij de hoogte van een dergelijke geldboete dient rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte een minimaal inkomen heeft en
first offenderis. Wat betreft zaak A heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte geen financieel voordeel heeft gehad van de dieren, omdat deze in beslag zijn genomen en niet aan hem worden teruggegeven. Verder heeft zij in zaak B aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld zonder commercieel motief – de waarde van de eieren wordt volgens het dossier geschat op nihil – en geen financieel voordeel heeft behaald met het onder zich hebben en vervoeren van de eieren. Tot slot moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte in meerdere procedures tegelijkertijd met strafoplegging wordt geconfronteerd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verplaatsen van broedeieren van Duitsland naar Nederland zonder diergezondheidscertificaat. Daarnaast heeft de verdachte zonder omgevingsvergunning eieren van diverse (beschermde) vogels onder zich gehad en verhandeld. Ongeveer één jaar later, heeft de verdachte zich – dit keer tezamen en in vereniging met zijn vader en broer – schuldig gemaakt aan het opzettelijk onder zich hebben en vervoeren van een groot aantal eieren van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend – om andere reden dan verkoop – zonder dat hij de beschikking had over de hiervoor benodigde omgevingsvergunning. De vogels die deze eieren leggen, zijn beschermde diersoorten. Voor het voortbestaan van de papegaaiduiker, kuifeend en ijseend is het van groot belang dat zij hun eigen jongen uitbroeden en in het wild kunnen grootbrengen. Het wegnemen van hun (bebroede) eieren verstoort het natuurlijke proces. Dit zijn ernstige strafbare feiten en het hof rekent dit de verdachte aan.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 is hij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een geldboete de meest passende sanctie is, maar zal –
rekening houdend met de beperkte draagkracht van de verdachte – een lagere geldboete opleggen dan de
economische politierechter (voor zaak A en zaak B tezamen) heeft opgelegd. Teneinde ook voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten én de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst wederom schuldig te maken aan (dergelijk) strafbare feiten, zal het hof tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.
Het hof acht een voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van na te melden duur danwel hoogte passend en geboden.

Beslag

Het geldbedrag van € 500,00 behoort aan de verdachte toe. Het zal worden verbeurd verklaard aangezien het geheel of grotendeels door middel van het in zaak A onder 1 en 2 tenlastegelegde en bewezenverklaarde is verkregen.
Het in zaak B primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan of voorbereid met behulp van de
in beslag genomen en niet teruggegeven adapter. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden
verbeurd verklaard.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 33, 33a, 47 en 57 van het
Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 1a, 2 en 6 van de WED, artikel 5.1 van de Omgevingswet, artikel 11.39 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 6.2 van de Wet dieren, artikel 1.14 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren en artikel 143 van Pro de EG verordening 2016/429.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
1 (één) maand.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar
feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot een
geldboetevan
€ 8.000,00 (achtduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 500 EUR Geld Euro (Omschrijving: NVWA-159053-186821/1) (
zaak A).
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Adapter (Omschrijving: voedings adapter (elektrische kabel) voor een broedmachine; goednr NVWA-171296-193659/1) (
zaak B).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 630 EUR Geld Euro (Omschrijving: NVWA-159053-186821/1) (
zaak A).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juni 2026.
De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2025.
2.De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 11 juni 2026.
3.Gelet op de omstandigheid dat de verdachte in zaak A feit 1 en feit 2 heeft bekend en hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat het hof met de opgave van bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen zijn: (i) een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina’s 4-21); (ii) een geschrift, zijnde een bewijsmatrix verdachte [verdachte] (digitale pagina’s 27-31); en (iii) een proces-verbaal van bevindingen nr. 167028 behorende bij proces-verbaal nr. 158921 van 24 februari 2025 (digitale pagina’s 85-88).
4.Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de volgende voetnoten. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, zijn deze telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
5.Een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina’s 1-13).
6.Een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina 9 en een proces-verbaal van 16 juni 2025 (digitale pagina’s 39-40).
7.Een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina 3).
8.Een proces-verbaal van bevindingen nr. 183223 van 8 juni 2026 (los in dossier). Eén van de 28 eendeneieren is niet uitgekomen, daarom konden (slechts) 27 eendeneieren worden gedetermineerd (PV van bevindingen van 24 februari 2025, digitale pagina 3). In totaal zijn van de aangetroffen 79 eieren dus (51 + 27 =) 78 eieren gedetermineerd.
9.Een proces-verbaal van 17 juni 2025 (doorgenummerde pagina’s 83-84, inzake [verdachte] ) en een proces-verbaal van 17 juni 2025 (doorgenummerde pagina’s 81-82, inzake [persoon 2] ).
10.Een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina 7).
11.De verklaring van de verdachte [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 16 september 2025.
12.Geschrift, zijnde een bewijsmatrix verdachte [verdachte] (doorgenummerde pagina 14).
13.Een proces-verbaal van 24 februari 2025 (digitale pagina 4).