ECLI:NL:GHAMS:2026:1702

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
23-000942-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening (EG) Nr. 1889/2005Art. 6 EVRMArt. 9 SrArt. 9a SrArt. 14a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep witwassen contant geldbedrag van €71.630 naar Turkije

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor witwassen van een contant geldbedrag van €71.630 dat hij wilde meenemen naar Turkije zonder aangifte te doen bij de douane. Het hof achtte bewezen dat het geld geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit een misdrijf en dat de verdachte hiervan op de hoogte was.

Het onderzoek toonde aan dat de verdachte betrokken was bij georganiseerde hennepteelt en drugshandel, en dat het cafetaria van de verdachte mogelijk werd gebruikt voor witwaspraktijken. De verdachte gaf een verklaring over de herkomst van het geld, bestaande uit verkoopwinst van een woning en kasopnames uit zijn onderneming, maar het hof vond deze verklaring niet geloofwaardig en onvoldoende onderbouwd.

Het hof matigde de straf tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur, mede vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. Het geldbedrag werd verbeurd verklaard. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden, taakstraf van 120 uur en verbeurdverklaring van €71.630 wegens witwassen.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000942-23
datum uitspraak: 25 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 24 maart 2023 in de strafzaak onder parketnummer 15-253010-19 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
19 december 2024, 11 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 11 maart 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (te weten € 71.630), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;
subsidiair
hij op of omstreeks 11 maart 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) (volledige en/of juiste) aangifte, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij toen en daar geen, onvolledig of onjuiste, aangifte gedaan (door het niet doen van aangifte), terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen ten bedrage van 10.000,- euro of meer vervoerde, te weten (in totaal circa) € 71.630.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Standpunten van partijen

Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het primair tenlastegelegde witwassen van het geldbedrag van € 71.630,00 moet worden vrijgesproken. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag weliswaar een vermoeden van crimineel geld oplevert, maar dat de verdachte ook een concrete, min of meer verifieerbare verklaring heeft gegeven voor de herkomst van dit geldbedrag die niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk is. Die verklaring houdt in dat het aangetroffen bedrag is opgebouwd uit twee posten: een bedrag van € 32.000,00 van de verkoop van een woning in 2015 en een bedrag van € 40.000,00 van een contante kasopname uit de zaak van de verdachte op 10 maart 2019. Aan de hand van de cijfers van het cafetaria, de winst uit de verkoop van de woning en de verklaring van boekhouder [persoon 1] , heeft de verdachte zijn verklaring – dat hij (legaal) over het aangetroffen geldbedrag kon beschikken – onderbouwd. Het openbaar ministerie is er, ondanks het zeer uitgebreide onderzoek in deze zaak, niet in geslaagd aan te tonen dat deze verklaring van de verdachte (over de alternatieve, legale herkomst) onjuist is. Aldus kan niét worden gezegd dat ‘het niet anders kan zijn’ dan dat het aangetroffen geldbedrag een criminele herkomst heeft.
Het hof komt, gelet op het navolgende, niet toe aan het verweer van de raadsman met betrekking tot het subsidiaire feit, namelijk dat de vervolging voor dat feit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk is.
Bewijsoverweging van het hof [1]
Vermoeden van witwassen
Op 11 maart 2019 is [persoon 2] op Schiphol door een verbalisant gevraagd of hij geld bij zich had. Hij
verklaarde dat hij zelf geen geld bij zich had en dat zijn neef (
het hof begrijpt: de verdachte), waar hij
samen mee naar Turkije reisde, al het geld bij zich had. Vervolgens is aan de verdachte gevraagd hoeveel geld hij bij zich had en hij antwoordde dat hij € 15.000,00 bij zich had waarvan € 7.000,00 van zijn neef [persoon 2] was. De verdachte had bij de douane geen aangifte liquide middelen gedaan. In een buideltas, die de verdachte als handbagage bij zich had, zat € 11.630,00. Desgevraagd verklaarde de verdachte dat hij € 65.000,00 in zijn koffer had. Hij verklaarde verder dat het geld afkomstig is uit zijn bedrijf, cafetaria [bedrijf 1] in Haarlem. Hij verklaarde dat hij het geld
dagelijksuit zijn kas haalt en dan mee naar huis neemt, dat hij dit geld heeft opgespaard en dat er nog ongeveer € 9.000,00 thuis lag. Later heeft de verdachte verklaard dat hij
wekelijksgeld uit zijn kas haalde en dat mee naar huis nam. In totaal is bij de verdachte een bedrag aan contant geld van € 71.630,00 aangetroffen: € 11.630,00 in zijn handbagage, € 45.000,00 in een papieren zak in de ruimbagage en € 15.000,00 in een bruine envelop in de ruimbagage. Bij de aangetroffen geldbiljetten waren 64 biljetten van € 500,00. [2] Deze € 500,00 biljetten waren volgens de verdachte door hem in 2015 bij de bank besteld en hadden bij hem thuis gelegen. De verdachte had ongeveer zeven maanden eerder, op 14 augustus 2018, een proces-verbaal gekregen van de douane omdat hij wilde uitreizen met een bedrag van € 12.795,00 naar Turkije. [3]
Er zijn concrete aanwijzingen voor handel in verdovende middelen waarbij de verdachte betrokken was. Op 23 april 2019 is een MMA melding ontvangen [4] via de infodesk van de FIOD waarin is vermeld dat de verdachte zich bezighoudt met georganiseerde hennepteelt en dat hij gebruik maakt van een katvanger met de naam [persoon 3] . [persoon 3] zou de verantwoordelijkheid voor een in 2014 in Haarlem ontdekte hennepkwekerij op zich hebben genomen en de verdachte zou de hennepteelt daarna hebben verplaatst naar een villa in Heist op Den Berg in België. In 2018 is daar brand geweest. Het cafetaria op het [adres 2] zou worden gebruikt voor het witwassen van drugsgeld. De verdachte transporteert drugsgeld naar Turkije door contanten mee te nemen. Volgens de melding is hij in het bezit van grond in Turkije, alsmede van meerdere bankrekeningen bij Turkse banken. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek gedaan waaruit volgt dat op 22 november 2018 in Heist op Den Berg (België) een hennepplantage is ontdekt waarbij [persoon 3] was betrokken. Dit is bevestigd door Europol. Ook de zoon van [persoon 3] was betrokken bij de hennepplantage en in zijn gsm zijn berichten gezien tussen deze zoon en ene [persoon 1] (nr [telefoonnummer] ). Uit het onderzoek Kapstok is duidelijk geworden dat dit een telefoon is van de verdachte die op zijn naam staat. [5] Volgens de Belgische autoriteiten zijn de sms-berichten drugsgerelateerd. [6]
Vanaf 4 november 2019 is gedurende een periode van drie dagen telecommunicatie van de verdachte opgenomen. De verdachte verbleef in die periode in gezelschap van [persoon 3] in Spanje [7] ; zij waren voornemens om op 7 november 2019 terug te keren. Op 7 november 2019 zijn de verdachte en [persoon 3] aangehouden op de luchthaven van Rotterdam op verdenking van witwassen. Op dezelfde datum hebben doorzoekingen plaatsgevonden in de woning van de verdachte, [adres 3] , en in het bedrijfspand [adres 2] . Op 7 november 2019 had de verdachte een iPhone, BQ telefoon, [8] een Rolex 11.500, een tweetal handgeschreven betalingsopdrachten van een Turkse bankrekening [9] en 29 biljetten van € 50,00 bij zich. Bij [persoon 3] zijn stukken aangetroffen die betrekking hebben op de verkrijging van een Spaanse rechtspersoon en op de opening van een Spaanse bankrekening in september 2019. [persoon 3] was bestuurder en 100% aandeelhouder van deze rechtspersoon. Op 8 en 9 november 2019 is de verdachte gehoord en heeft hij gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. [persoon 3] heeft verklaard dat tijdens zijn verblijf in Spanje van 4 tot en met 7 november 2019, in gezelschap van de verdachte, een Spaanse rechtspersoon op zijn naam is gesteld. [10] Hij heeft daarover verklaard: “De loods is gehuurd op de naam van mijn bedrijf. De naam van het bedrijf weet ik niet. Ik weet niet waarom [persoon 1] mij nodig heeft om deze loods te huren. Ik besef nu dat er dingen in de loods zouden kunnen gebeuren waarvoor [persoon 1] buiten schot wil blijven [persoon 1] heeft een loods in Spanje nodig voor zijn handel.” Op 10 november 2019 heeft [persoon 3] verklaard dat de verdachte contacten heeft in de Amsterdamse onderwereld en dat hij zich ook bezighoudt met de inkoop en verkoop van wiet. [11] [persoon 3] is gebruikt als katvanger voor een bedrijf in Spanje. De verdachte had een loods nodig in Spanje voor een bedrijf. [persoon 3] heeft niets betaald voor het registreren van het bedrijf en het huren van de loods; hij denkt dat alleen zijn naam nodig was. [12]
Er is een iPad aangetroffen in de woning van de verdachte. [13] In de periode van 23 februari 2019 tot en met 9 oktober 2019 zijn 32 notities gemaakt, bewerkt en opgeslagen in Notes. Vrijwel alle notities hebben betrekking op handel, kosten, opbrengsten en transporten van verdovende middelen. Het gaat vermoedelijk om handel vanuit Spanje en Nederland met bestemming Ierland en Engeland.
Tot slot is uit onderzoek gebleken dat de verdachte beschikt over 5 bankrekeningen in Turkije [14] en een cryptotelefoon BQ Aquaris. [15]
Gelet op de grootte van het bedrag aan contant geld dat de verdachte op 11 maart 2019 bij zich had, het niet-doen van aangifte op Schiphol, de wijze van vervoeren, de aanwezigheid van € 500,00 biljetten, het feit dat de verdachte kort daarvoor ook naar Turkije is gereisd met een geldbedrag waarvoor hij geen aangifte had gedaan én de omstandigheid dat er concrete aanwijzingen zijn voor de handel in verdovende middelen, zijn er voldoende aanwijzingen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen.
Onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van witwassen
Naar aanleiding van de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld is op 11 maart 2019 een onderzoek naar de verdachte gestart onder de naam Kapstok. In het kader daarvan is een brief van
15 april 2019 bij de FIOD binnengekomen waarin over de herkomst van het aangetroffen geld (in afwijking van zijn eerdere verklaringen) is vermeld dat na de verkoop van de woning van de verdachte op 28 januari 2015 een bedrag van € 62.573,74 is overgeboekt naar zijn bankrekening. Hiervan zou een deel zijn overgeboekt naar zijn spaarrekening en een deel contant zijn opgenomen op verschillende data. Voor een ander deel (€ 40.000,00) is het geld afkomstig van de opname uit de zakelijke kas van zijn onderneming. De verdachte verwijst onder meer naar de meegezonden jaarrekening 2018 en de ingediende aangiften omzetbelasting over 2017 en 2018. Verder zijn meegestuurd de kasstaten over januari tot en met maart 2019, de aangifte omzetbelasting over het 1ste kwartaal 2019, een suppletie aangifte omzetbelasting over 2017 en een suppletie aangifte omzetbelasting over 2018. Op een van [bedrijf 2] , de boekhouder van de verdachte, afkomstige kasstaat van maart 2019 is vermeld dat op 10 maart 2019 een privé-opname heeft plaatsgevonden van € 40.000,00. [16] Op het kasstaatblad met daarop bovengenoemde opname is de aantekening geplaatst ‘conform beginbalans 12/4/2019’, dat wil zeggen: ruim een maand na de inbeslagname van € 71.630,00.
Kasadministratie: bedrag van € 40.000,00
De verdachte is op 25 april 2019 en op 11 juli 2019 gevraagd het fysieke kasboek van zijn onderneming,
[bedrijf 1] , te overleggen. Op 15 juli 2019 heeft de verdachte meegedeeld dat hij zijn kasadministratie bijhoudt op zijn laptop. In de aangeleverde jaarrekening 2018 van [bedrijf 2] is vermeld dat door de boekhouder geen kascontrole is uitgevoerd bij [bedrijf 1] . [17] [persoon 1] van [bedrijf 2] heeft verklaard: “Hij heeft een hoog kassaldo, die vraag stellen wij ook altijd. Ik heb nog nooit gevraagd laat eens zien. Soms is het 50.000, 60.000, 80.000 dat is hoog voor een cafetaria. Het lijkt mij niet logisch om zoveel kasgeld te hebben.” [18]
Verder zijn over de maanden april tot en met juni 2019 geen kasstaten aangeleverd. Onduidelijk is gebleven waarom suppletie aangiften omzetbelasting zijn gedaan op 15 april 2019 over de jaren 2017 en 2018. De vraag waarom in april 2019 de aangegeven omzet in die twee jaren te laag was, is niet beantwoord. De kasstaten over 2018 beginnen met 0 en hiervoor is geen aannemelijke verklaring gegeven. Verder is uit onderzoek van het kassysteem gebleken dat voor een aantal afzonderlijke producten verschillende verkoopprijzen worden gehanteerd waardoor het kassasysteem de mogelijkheid biedt om de administratieve omzet van het cafetaria te beïnvloeden. [19]
Verkoopwinst eigen woning: bedrag van € 32.000,00
Uit afschriften van de betaalrekening van ING bank [iban] ten name van [verdachte] e/o mw. [persoon 4] volgt dat op 28 januari 2015 door een notaris, [notaris] te Haarlem, inzake de overdacht van [adres 4] een spoedbetaling is verricht van € 62.573,74. In de periode tussen 30 januari 2015 en 4 mei 2015 is van de hiervoor bedoelde bankrekening, in contante bedragen, in totaal € 34.000,00 opgenomen.
De aannemelijkheid van de verklaring van de verdachte, dat hij van de verkoopwinst van zijn woning een bedrag van circa € 32.000,00 in 2019 voorhanden had, is onderzocht. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat in het cafetaria van de verdachte tussen 13 april 2015 en 10 mei 2015 verbouwd is. [20] Wat de kosten zijn geweest van deze verbouwing is onduidelijk. In de onderzochte bankbescheiden komen geen betalingen voor die te linken zijn aan deze verbouwing. Uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat de verdachte geen contanten heeft opgegeven. [21]
Conclusie
Het vermoeden van witwassen is door de verklaring van de verdachte, mede gelet op het onderzoek dat naar de verklaring over de verbouwing is gedaan, niet weerlegd. Ten aanzien van de kasopname van € 40.000,00 vanuit [bedrijf 1] is van belang dat de verdachte zelf de kasadministratie van deze onderneming bijhoudt. Niet gebleken is dat [persoon 1] of een werknemer van het cafetaria deze kasadministratie dagelijks administreert en controleert aan de hand van de hoeveelheid ontvangen en uitgegeven contanten. Daardoor is niet te controleren of de hoeveelheid contant geld, die de verdachte stelt in kas te hebben, overeenkomt met de werkelijke contante bedragen die in het cafetaria zijn ontvangen en uitgegeven. De wijze waarop de verdachte zijn kasadministratie heeft bijgehouden, is, mede in het licht van de hiervoor opgenomen concrete aanwijzingen dat de onderneming mede wordt gebruikt als dekmantel voor criminele activiteiten, volstrekt onbetrouwbaar en niet verifieerbaar.
Ten aanzien van de resterende € 31.630,00 heeft de verdachte verklaard dat dit geld afkomstig is van de verkoop van zijn woning in 2015. De verdachte zou dit geld contant hebben opgenomen en in zijn woning hebben bewaard. Dat is niet geloofwaardig, omdat de verdachte in 2015, vlak na de verkoop van de woning, het cafetaria heeft verbouwd en uit onderzoek van bankrekeningen niet blijkt dat de verdachte hiervoor facturen via bankrekeningen heeft betaald. Ook de verklaring van de verdachte dat hij voor de aankoop van een Mercedes in Duitsland slechts een gering bedrag heeft bijbetaald – omdat twee Mercedessen Sprinter zijn ingeruild – is niet aannemelijk. Onduidelijk is wie de Mercedes E 350 heeft aangekocht, de verdachte dan wel zijn onderneming. Verder blijft, met inachtneming van de verkoopprijzen van de Mercedessen die zouden zijn ingeruild (€ 19.000,00) een bij te betalen bedrag van € 16.000,00 over. In de aangifte inkomstenbelasting is overigens vermeld dat de verdachte per
1 januari 2017 geen contant geld aanwezig had. Dat het geld gedurende meer dan vier jaren in de woning van de verdachte heeft gelegen, is daarom evenmin aannemelijk geworden. Het gerechtvaardigde vermoeden van witwassen is, gelet op het onderzoek dat is gedaan naar aanleiding van het aantreffen van het geldbedrag op 11 maart 2019 en de verklaring van de verdachte, niet weerlegd.
Uit het voorgaande volgt dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geldbedrag een criminele herkomst heeft. Bewezen kan worden dat het geldbedrag van € 71.630,00 geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf en dat de verdachte dit wist. Ook kan worden bewezen dat de verdachte de verplaatsing van dit geldbedrag heeft verhuld door hiervan geen aangifte te doen terwijl hij de Europese Unie verliet.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan,
met dien verstande dat:
primair
hij op 11 maart 2019, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, van een voorwerp, te weten een groot geldbedrag (te weten € 71.630), de verplaatsing heeft verhuld, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten
aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
De raadsman heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) dan wel een voorwaardelijke straf op te leggen. Ter onderbouwing heeft hij aangevoerd dat het een oude zaak betreft: de verdenking dateert van ruim 7 jaren geleden. De verdachte heeft hiervan al die tijd de consequenties moeten ondervinden, waaronder ook de advocaatkosten. Het betreft een omvangrijk dossier en de verdachte komt niet in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. Subsidiair is verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte wilde een geldbedrag van € 71.630,00 naar Turkije brengen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting en ondermijning van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Daar heeft de verdachte door zijn handelen aan bijgedragen, hetgeen het hof de verdachte aanrekent. Tegen deze achtergrond – waarin allerminst sprake is van een ‘geringe ernst van het feit’ – ziet het hof, anders dan de raadsman heeft betoogd, geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 9a Sr. Evenmin is het hof gebleken dat de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan (of die zich nadien hebben voorgedaan) nopen tot het achterwege laten van een straf of maatregel.
Het hof is niettemin met de raadsman van oordeel dat het strafbare feit zich lang geleden heeft voorgedaan. In het hiernavolgende zal het hof tot uitdrukking brengen dat met dit tijdsverloop in strafmatigende zin rekening zal worden houden.
Redelijke termijn
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is aangevangen met het aantreffen en de inbeslagname van het geldbedrag van € 71.630,00 onder de verdachte op 11 maart 2019. De redelijke termijn van 2 jaren is in eerste aanleg met ruim 2 jaren overschreden, omdat vonnis is gewezen op 24 maart 2023. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 24 maart 2023 en is deze termijn geëindigd met dit arrest op 25 juni 2026, waarmee de redelijke termijn van 2 jaren met ruim 1 jaar en 3 maanden is overschreden.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de
duur van 4 maanden passend en geboden is, doch zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijdingen
van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep, matigen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Beslag

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag verbeurd moet worden verklaard. De raadsman heeft betoogd dat dit geldbedrag aan de verdachte moet worden teruggeven.
Het hof is van oordeel dat het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met betrekking tot het geldbedrag van € 71.630,00. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard. Het in beslag genomen telefoontoestel zal wel aan de verdachte worden teruggegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 63 en 420bis Sr.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht
gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar
feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdhet in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 71630 EUR (ibg 11-03-2019).
Gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: 126928, BQ Aquaris X2).
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van
mr. N.M. Simons, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
25 juni 2026.
De oudste raadsheer en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]

Voetnoten

1.Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze zijn opgenomen in de volgende voetnoten. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Een proces-verbaal van 28 januari 2021 (OPV Kapstok, A. Procesdossier Deel 1, pp. 1-31, digitale pp. 2-31).
3.Een proces-verbaal van 11 maart 2019 (AMB-001, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 8).
4.Een proces-verbaal van 9 juli 2019 (AMB-011, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 45).
5.Een proces-verbaal van 7 november 2019 (AMB-014, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 65).
6.Een proces-verbaal van 12 juli 2019 (AMB-10, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 36-38). Twee betalingen in België door de verdachte in Heist op Den Berg en een dag na de brand in Brussel. Stortingen op rekening *[nummer] t.n.v. [persoon 2] met omschrijving [omschrijving] , totaal € 14.500,00.
7.Een proces-verbaal van 19 november 2019 (AMB-023, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 89-91).
8.Een proces-verbaal van 27 oktober 2020 (AMB-044, C. Procesdossier Deel 3, digitale pp. 15-27). Zie ook de volgende geschriften: DOC-064 (F. Procesdossier Deel 5a, digitale pp. 211-241), DOC-069 (G. Procesdossier Deel 6, digitale pp. 17-18) en DOC-070 (G. Procesdossier Deel 6, digitale pp. 21-25).
9.Een proces-verbaal van 28 januari 2020 (AMB-022, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 73-74).
10.Een proces-verbaal van 27 januari 2020 (AMB-042, C. Procesdossier Deel 3, digitale p. 12).
11.Een proces-verbaal van 12 november 2019 (AMB-020, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 68).
12.Een proces-verbaal van 9 november 2019 (V-02-02, A. Procesdossier Deel 1, digitale pp. 234-235).
13.Een proces-verbaal van 28 januari 2021 (AMB-037, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 200-224) en een proces-verbaal van 17 januari 2020 (AMB-038, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 225-226).
14.Een proces-verbaal van 18 januari 2021 (AMB-030, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 150).
15.Een proces-verbaal van 18 januari 2021 (AMB-030, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 131-186). Encrochat telefoon bij aanhouding op 7 november 2019.
16.Geschrift, zijnde DOC-005b (E. Procesdossier Deel 5, digitale pp. 18 en verder).
17.Een proces-verbaal van 23 september 2019 (AMB-003, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 20).
18.Een proces-verbaal van 3 december 2020 (G-03-01, D. Procesdossier Deel 4, digitale p. 9).
19.Een proces-verbaal van 6 januari 2021 (AMB-059, C. Procesdossier Deel 3, digitale pp. 157-163).
20.Een proces-verbaal van 23 september 2019 (AMB-003, B. Procesdossier Deel 2, digitale p. 20).
21.Een proces-verbaal van 18 juni 2019 (AMB-005, B. Procesdossier Deel 2, digitale pp. 27-28).