Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
[geïntimeerde] vordert in dit kort geding ontruiming en beroept zich op de hospitaregeling van artikel 7:232 lid 3 BW Pro. Volgens [appellant] is niet aan de voorwaarden daarvan voldaan omdat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf niet (meer) in de woning heeft en de huurovereenkomst na een aantal maanden is gewijzigd in een huurovereenkomst met betrekking tot een zelfstandige woonruimte. De kantonrechter heeft de vordering tot ontruiming toegewezen. [appellant] komt daar in hoger beroep tegen op. Dit hoger beroep heeft geen succes.
2.Het geding in hoger beroep
16 april 2026 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen in kort geding tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven en een incidentele vordering. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] op de rol overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd en een productie in het geding gebracht.
3.Feiten
4.Procedure bij de kantonrechter
5.Vordering in hoger beroep
6.Beoordeling
15 januari 2026 hebben afgesproken dat hij de hele eerste verdieping als zelfstandige woonruimte zou gaan huren voor € 1.100,- per maand. [geïntimeerde] betwist de door [appellant] gestelde afspraak, waarvan [appellant] de stelplicht en bewijslast heeft.