Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2026:1722

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
200.368.744/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:232 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontruiming onderhuurder op grond van hospitaregeling en hoofdverblijf verhuurder

In deze zaak vordert de hoofdhuurder ontruiming van de onderhuurder na opzegging van de huurovereenkomst. De onderhuurder stelt dat de hospitaregeling niet van toepassing is omdat de verhuurder zijn hoofdverblijf niet meer in de woning zou hebben en de huurovereenkomst zou zijn gewijzigd in een zelfstandige woonruimte.

De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering toe en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het hof bekrachtigt dit vonnis. Het hof oordeelt dat de verhuurder zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehouden, ondanks verblijf bij zijn vriendin in het weekend en een periode in een verslavingskliniek. Dit blijkt uit verklaringen, inschrijving, betaling van nutsvoorzieningen en andere feiten.

Verder is onvoldoende aannemelijk dat de huurovereenkomst is gewijzigd in een zelfstandige woonruimte. De verhoging van de huurprijs wordt verklaard door het feit dat de tweede slaapkamer niet meer aan een derde wordt verhuurd. De incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt afgewezen omdat het belang van de verhuurder bij beëindiging van de onhoudbare situatie zwaarder weegt dan dat van de onderhuurder.

De onderhuurder wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering tot ontruiming toe omdat de verhuurder zijn hoofdverblijf in de woning heeft en de huurovereenkomst geen zelfstandige woonruimte betreft.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.368.744/01 SKG
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 12147738 KK EXPL 26-191
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juni 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. J. Veltheer te Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonend in [plaats 1] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. S.P. Dalmolen te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft op basis van een mondelinge huurovereenkomst een kamer van [geïntimeerde] gehuurd.
[geïntimeerde] vordert in dit kort geding ontruiming en beroept zich op de hospitaregeling van artikel 7:232 lid 3 BW Pro. Volgens [appellant] is niet aan de voorwaarden daarvan voldaan omdat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf niet (meer) in de woning heeft en de huurovereenkomst na een aantal maanden is gewijzigd in een huurovereenkomst met betrekking tot een zelfstandige woonruimte. De kantonrechter heeft de vordering tot ontruiming toegewezen. [appellant] komt daar in hoger beroep tegen op. Dit hoger beroep heeft geen succes.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 30 april 2026 in hoger beroep gekomen van een vonnis van
16 april 2026 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen in kort geding tussen [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie, en [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: het bestreden vonnis). De dagvaarding bevat de grieven en een incidentele vordering. Op de eerst dienende dag heeft [appellant] op de rol overeenkomstig die dagvaarding geconcludeerd en een productie in het geding gebracht.
[geïntimeerde] heeft daarna een memorie van antwoord, met producties, ingediend.
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht (mr. Veltheer aan de hand van spreekaantekeningen die zijn overgelegd) en partijen hebben vragen van het hof beantwoord. [appellant] heeft op voorhand nog stukken ingediend (producties 3 t/m 5), die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft onder 1.1 tot en met 1.11 van het bestreden vonnis de feiten opgesomd die zij bij de beoordeling tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve - enigszins aangepast - ook het hof tot uitgangspunt. Het gaat om het volgende.
3.1.
[geïntimeerde] huurt met ingang van 1 april 2017 van (thans) [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) een appartement aan [straat 1] 22-1 te [plaats 1] (hierna: de woning).
3.2.
Op deze huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing (ROZ versie 2003). Daarin is een verbod voor de huurder opgenomen om de woning zonder toestemming van de verhuurder geheel of gedeeltelijk onder te verhuren.
3.3.
De woning bestaat uit een woonkamer, keuken, badkamer en twee slaapkamers op de eerste verdieping (van een pand met vier verdiepingen) en een slaapkamer met kitchenette op de zolder (vierde verdieping). De woningen op de tweede en derde verdieping hebben ook een kamer op zolder. Bij de zolderkamer van de derde verdieping hoort een douche en toilet.
3.4.
[geïntimeerde] heeft vanaf 2020 met zijn vriendin in de woning gewoond en zij hebben daar een zoontje gekregen. Vanwege alcoholproblematiek bij [geïntimeerde] zijn er relatieproblemen ontstaan. De vriendin van [geïntimeerde] is om die reden met het zoontje in [plaats 2] gaan wonen, in de buurt van haar ouders.
3.5.
[geïntimeerde] heeft vanaf 1 juni 2025 een van de slaapkamers op de eerste verdieping aan [appellant] verhuurd voor € 850,- per maand. Vanaf 20 juni 2025 is de andere slaapkamer (hierna: de tweede slaapkamer) door [geïntimeerde] verhuurd aan [straat 2] (hierna: [straat 2] ), eveneens voor € 850,- per maand. Hiervan zijn geen schriftelijke huurovereenkomsten opgemaakt.
3.6.
Vanwege spanningen tussen [appellant] en [straat 2] heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst met [straat 2] beëindigd. [straat 2] heeft de door hem gehuurde kamer op 31 oktober 2025 verlaten. [geïntimeerde] heeft besloten die kamer niet meer aan een derde te verhuren.
3.7.
[geïntimeerde] heeft in januari 2026 enkele weken in een verslavingskliniek verbleven.
3.8.
Partijen hebben op enig moment afgesproken dat [appellant] met ingang van 1 februari 2026 € 1.100,- aan huur zou betalen aan [geïntimeerde] .
3.9.
Op 3 februari 2026 heeft [bedrijf] de woning geïnspecteerd en daarbij [appellant] aangetroffen.
3.10.
Bij brieven van 4 februari 2026 heeft [bedrijf] [geïntimeerde] en [appellant] gesommeerd om de woning te ontruimen, zich op het standpunt stellend dat [geïntimeerde] zich schuldig maakt aan illegale onderverhuur en dat [appellant] zonder recht of titel in de woning verblijft.
3.11.
Op 17 februari 2026 heeft [geïntimeerde] geconstateerd dat [appellant] de sloten van de woning op de eerste verdieping heeft vervangen, waarna [geïntimeerde] zich alsnog toegang tot deze ruimte heeft verschaft. Omdat gebleken is dat [appellant] naast zijn eigen kamer ook de tweede slaapkamer in gebruik had genomen, heeft [geïntimeerde] deze afgesloten met een slot. [geïntimeerde] heeft de huurovereenkomst met [appellant] diezelfde dag per WhatsAppbericht (van 16:25:22 en 16:44:05) opgezegd tegen 31 maart 2026.
3.12.
Bij e-mail van 23 februari 2026 heeft de advocaat van [appellant] namens hem aanspraak gemaakt op het ongestoord huurgenot van de gehele eerste verdieping en [geïntimeerde] gesommeerd sloten te verwijderen, [appellant] toegang te verschaffen en sleutels te overhandigen.
3.13.
In reactie daarop heeft de advocaat van [geïntimeerde] bij brief van 24 februari 2026 geschreven dat [appellant] slechts een kamer huurt en de huurovereenkomst nogmaals opgezegd, dit keer met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden tegen 31 mei 2026. Aan [appellant] is die dag een brief van dezelfde strekking verzonden.
3.14.
Partijen hebben bij verdere correspondentie hun standpunten herhaald.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
[geïntimeerde] heeft bij de kantonrechter gevorderd om [appellant] , op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot ontruiming te veroordelen, met kosten en rente.
4.2.
[appellant] heeft verweer gevoerd en in reconventie - kort gezegd - onbelemmerde toegang tot het gehuurde, afgifte van alle sleutels en diverse verboden gevorderd.
4.3.
[geïntimeerde] heeft op zijn beurt verweer gevoerd tegen de vordering in reconventie.
4.4.
De kantonrechter heeft de vordering tot ontruiming - zonder dwangsom - toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen. [appellant] is in conventie in de proceskosten (inclusief nakosten) van [geïntimeerde] veroordeeld. In reconventie is een proceskostenveroordeling achterwege gebleven. De veroordelingen zijn door de kantonrechter uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert in de hoofdzaak dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst en die van [appellant] alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, inclusief nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente. In het incident vordert [appellant] schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident.
5.2.
[geïntimeerde] concludeert tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep, inclusief nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente. In het incident concludeert [geïntimeerde] tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] komt met vier grieven op tegen de onder 4.4 weergegeven beslissingen van de kantonrechter en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. De grieven zijn door [geïntimeerde] bestreden. Voordat het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, bespreekt het hof het verzoek van [geïntimeerde] om geen acht te slaan op de producties van [appellant] en het betoog van [appellant] dat [geïntimeerde] geen belang meer heeft bij de door hem gevorderde ontruiming.
Producties [appellant] buiten beschouwing?
6.2.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht de producties van [appellant] buiten beschouwing te laten, tenzij [appellant] op duidelijke wijze heeft aangegeven op welk deel daarvan hij zich beroept.
6.3.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. Dit volgt uit de eisen van een behoorlijke rechtspleging. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (vlg. HR 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404).
6.4.
[appellant] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen verwezen naar een in eerste aanleg overgelegd 108 pagina’s tellend zelf opgesteld document getiteld ‘evidence’. In hoger beroep heeft hij een WhatsAppconversatie van 44 pagina’s overgelegd. Zoals ook tijdens de zitting besproken, volstaat het niet in algemene zin naar deze stukken te verwijzen maar dient dit concreet te gebeuren. Noch van [geïntimeerde] noch van het hof kan verwacht worden dat zij in de uitvoerige producties van [appellant] op zoek gaan naar [appellant] welgevallige argumenten. Naar bepaalde passages van zijn producties heeft [appellant] concreet verwezen, naar het overgrote deel niet. Het hof zal alleen die concrete verwijzingen van [appellant] bij de beoordeling betrekken en de rest van zijn producties buiten beschouwing laten. Het verzoek van [geïntimeerde] wordt dus gehonoreerd.
Belang bij voorlopige voorziening?
6.5.
[appellant] heeft bij de mondelinge behandeling aangevoerd dat er een nieuw beslissend feit zou zijn, waardoor [geïntimeerde] geen belang meer zou hebben bij de door hem gevorderde voorziening. Volgens [appellant] zou [geïntimeerde] met de hoofdverhuurder zijn overeengekomen dat hij de woning verlaat. [geïntimeerde] heeft in reactie hierop betwist dat hij een (nadere) overeenkomst met de verhuurder heeft gesloten. Los daarvan geldt dat partijen sinds medio februari 2026 samen op de eerste verdieping wonen. Ter zitting hebben zij beiden verklaard dat deze situatie heel vervelend is (en volgens [geïntimeerde] zelfs onhoudbaar) omdat zij over alles discussie hebben en de verhouding tussen hen ernstig is verstoord. Daarmee is het (spoedeisend) belang van [geïntimeerde] gegeven.
Hospitaregeling van toepassing?
6.6.
Ingevolge artikel 7:232 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) gelden gedurende negen maanden de meeste regels van het strenge huurrechtregime woonruimte niet, wanneer aan de volgende drie voorwaarden is voldaan: (a) het moet gaan om huur van een onzelfstandige woonruimte, (b) de verhuurder moet zelf zijn hoofdverblijf in de woning hebben, en (c) aan dezelfde huurder mag in dezelfde woning niet eerder woonruimte zijn verhuurd. Dit wordt de regeling van de hospitaverhuur genoemd en deze strekt ertoe het gebrek aan kamers voor jongeren te bestrijden.
6.7.
[appellant] stelt met zijn grieven aan de orde of (i) [geïntimeerde] sinds de verhuur van de twee slaapkamers zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehouden en of (ii) de huurovereenkomst na het vertrek van [straat 2] is gewijzigd in een overeenkomst met betrekking tot een zelfstandige woonruimte. Niet in geschil is dat als het antwoord op de eerste vraag bevestigend is en dat op de tweede vraag ontkennend, de opzegging van de huurovereenkomst door [geïntimeerde] rechtsgeldig is.
Ad (i) hoofdverblijf [geïntimeerde]
6.8.
De stelplicht en bewijslast ter zake van zijn hoofdverblijf rusten op [geïntimeerde] . [geïntimeerde] stelt dat hij sinds de kamerverhuur in de weekends en vakanties bij zijn vriendin en zoontje in [plaats 2] was, maar door de week in de woning. Hij sliep in de slaapkamer op de vierde verdieping en maakte gebruik van de voorzieningen op de eerste verdieping. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [geïntimeerde] verklaringen overgelegd van zijn vriendin, van [straat 2] en van de huurder van de derde verdieping. Daarnaast heeft hij stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op het adres van de woning staat ingeschreven, dat hij betaalt voor energie en internet in de woning, dat hij als zelfstandig aannemer zijn bedrijf in [plaats 1] heeft, in [plaats 1] en omstreken werkt, daar een parkeervergunning heeft en een huisarts en tandarts die hij in de bewuste periode regelmatig heeft bezocht.
6.9.
[appellant] heeft de authenticiteit van de verklaring van [straat 2] in twijfel getrokken, maar heeft niet meer gereageerd op de betwisting daarvan door [geïntimeerde] , die met een in het geding gebracht WhatsAppbericht van [straat 2] heeft onderbouwd dat de verklaring wel degelijk van [straat 2] afkomstig is. Het hof heeft dan ook geen aanleiding om aan de echtheid of juistheid van de verklaring van [straat 2] te twijfelen. De kort voor de zitting door [appellant] overgelegde e-mail van een medewerker van de stichting Woon! maakt dit niet anders, al was het maar omdat de inhoud daarvan het hof niet duidelijk is. Evenmin volgt het hof [appellant] in zijn betoog dat de enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] bevriend zou zijn met de bewoner van de derde verdieping diens verklaring onbetrouwbaar maakt. Het hof betrekt de verklaringen daarom bij zijn beoordeling.
6.10.
Op basis van de onder 6.8 genoemde stukken is het hof voorshands van oordeel dat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehouden. De overgelegde verklaringen sluiten aan bij de stellingen van [geïntimeerde] , die op zitting nader heeft toegelicht dat hij van zondagavond tot donderdagochtend in de woning (slaapkamer vierde verdieping) verbleef, steeds om half zes opstond om naar zijn werk te gaan, op de eerste verdieping douchte en brood uit de diepvries haalde om mee te nemen naar zijn werk. Dit verklaart ook waarom [appellant] , die een ander ritme had, hem nauwelijks zag. [appellant] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] de wc en douche op zolder kon gebruiken en dat hij geen spullen had staan op de eerste verdieping, maar beide stellingen zijn gemotiveerd door [geïntimeerde] betwist, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Verder beroept [appellant] zich ter staving van zijn betwisting van het hoofdverblijf van [geïntimeerde] op verklaringen van vrienden die hem hebben bezocht, maar die wegen niet op tegen de onderbouwing van [geïntimeerde] . Zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd, waren de vrienden van [appellant] er steeds maar kort en met name in de weekends, wanneer [geïntimeerde] naar [plaats 2] was. Dat zij [geïntimeerde] niet zijn tegengekomen laat zich derhalve goed verklaren. Ook de door [appellant] genoemde omstandigheden dat [geïntimeerde] een keer post naar [plaats 2] heeft laten sturen, dat er een postbakje voor hem was en dat hij na zijn verblijf in de ontwenningskliniek naar [plaats 2] zou zijn gegaan (hetgeen door [geïntimeerde] is betwist), leiden niet tot het oordeel dat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf in de woning heeft opgegeven. [geïntimeerde] sliep het grootste deel van de week in de woning en organiseerde zijn leven vanuit die woning. Daarmee is niet onverenigbaar dat hij in de weekends en vakanties in [plaats 2] en in januari 2026 een aantal weken in een verslavingskliniek verbleef.
Ad (ii) zelfstandige woonruimte
6.11.
Vast staat dat partijen aanvankelijk zijn overeengekomen dat [appellant] een kamer op de eerste verdieping en dus geen zelfstandige woonruimte huurde. [appellant] stelt dat partijen op
15 januari 2026 hebben afgesproken dat hij de hele eerste verdieping als zelfstandige woonruimte zou gaan huren voor € 1.100,- per maand. [geïntimeerde] betwist de door [appellant] gestelde afspraak, waarvan [appellant] de stelplicht en bewijslast heeft.
6.12.
Tussen partijen is niet in discussie dat zij op enig moment hebben afgesproken de huur te verhogen tot € 1.100,-. In februari 2026 heeft [appellant] dit bedrag ook daadwerkelijk betaald, volgens [geïntimeerde] omdat hij had besloten de tweede slaapkamer niet meer te verhuren en [appellant] daarmee de luxe had de woonkamer en voorzieningen op de eerste verdieping niet met een extra huisgenoot te delen. Tijdens de zitting is aan de orde geweest dat [geïntimeerde] sinds het veranderen van het slot door [appellant] (17 februari 2026) zelf in de tweede slaapkamer is getrokken. Om die reden betaalt hij vanaf maart 2026 maandelijks € 250,- aan [geïntimeerde] terug, die hem steeds € 1.100,- per maand betaalt.
6.13.
Het hof acht de door [appellant] gestelde afspraak onvoldoende aannemelijk geworden. [appellant] beroept zich ter zake onder meer op WhatsAppberichten, maar daaruit blijkt niet meer dan dat [appellant] [geïntimeerde] op 3 januari 2026 vraagt het snel over de huuraanpassing te hebben en dit op 15 januari 2026 opnieuw bij [geïntimeerde] aankaart, waarop [geïntimeerde] de contactgegevens van zijn vriendin doorstuurt. Ook uit de overgelegde screenshots van telefoongesprekken op de door [appellant] gestelde data volgt niet dat de door [appellant] gestelde afspraken daadwerkelijk zijn gemaakt. Tenslotte draagt ook het overgelegde overzicht van betalingen niet bij aan het bewijs van de stelling van [appellant] , omdat de gedane betalingen ook passen bij de onder 6.12 weergegeven lezing van de feiten van [geïntimeerde] . Nu er in dit kort geding in beginsel geen plaats is voor nader onderzoek naar de feiten, kan vooralsnog niet van de juistheid van de stelling van [appellant] worden uitgegaan.
Conclusie
6.14.
Op grond van het voorgaande falen niet alleen de grieven 1 t/m 3, maar ook grief 4 met betrekking tot de reconventionele vorderingen van [appellant] . Die zijn immers gebaseerd op de stelling dat [appellant] de hele eerste verdieping als zelfstandige woonruimte huurde, waarvan het hof zojuist voorshands heeft geoordeeld dat dit niet aannemelijk is geworden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde] .
Incidentele vordering
6.15.
[appellant] heeft in het incident gevorderd dat de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis wordt geschorst totdat in hoger beroep onherroepelijk is beslist. [geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.
6.16.
Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis, stelt het hof het volgende voorop (vgl. Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026). Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij de toepassing van deze maatstaf moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen, en blijft de kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
6.17.
Het hof constateert dat de kantonrechter de uitvoerbaarverklaring bij voorraad in het bestreden vonnis niet afzonderlijk heeft gemotiveerd. Het hof zal dat alsnog doen. Anders dan [appellant] stelt, is geen sprake van een kennelijke misslag. Het bestreden vonnis wordt juist bekrachtigd. Ook valt de belangenafweging niet uit in het voordeel van [appellant] . Uiteraard heeft [appellant] een belang om niet dakloos te worden, maar dat geldt ook voor [geïntimeerde] , die de woning al vanaf 2017 huurt. Bovendien heeft [geïntimeerde] , zoals hiervoor al overwogen, belang bij beëindiging van de onwenselijke situatie waarin hij samenwoont met een onderhuurder waarmee de relatie ernstig verstoord is. Het hof betrekt bij zijn oordeel dat [geïntimeerde] intensieve verslavingstherapie ondergaat, waarbij stress averechts werkt. Tot slot weegt aan de zijde van [geïntimeerde] mee dat hij de woning ontruimd aan de verhuurder ter beschikking wel stellen. Ter zitting heeft hij hierover verklaard dat hij zich realiseert dat hij jegens de verhuurder toerekenbaar tekort is geschoten en dat hij een einde wil maken aan die tekortkoming.
6.18.
Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding bestaat om af te wijken van de hoofdregel dat een veroordeling meteen ten uitvoer kan worden gelegd. De incidentele vordering van [appellant] tot schorsing van de tenuitvoerlegging wordt daarom afgewezen.
6.19.
[geïntimeerde] heeft gevorderd dat [appellant] in de proceskosten in het incident wordt veroordeeld. Deze vordering zal worden toegewezen, zij het dat de kosten in het incident gelet op de samenhang met de hoofdzaak op nihil worden begroot.

7.Beslissing

Het hof:
in de hoofdzaak:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 373,00 aan verschotten en € 2.580,- (twee punten à € 1.290,-) voor salaris en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in het incident:
wijst de vordering af;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in het incident in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J. van de Poel, E.K. Veldhuijzen van Zanten en C.A.H.M. ten Dam en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.