ECLI:NL:GHAMS:2026:1739

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
200.358.863
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling en verklaring recht verhuizing en opslag wegens onvoldoende stelplicht

Appellante vorderde betaling van facturen voor verhuizing en opslag van goederen van geïntimeerde, alsmede een verklaring voor recht tot onderhandse verkoop of vernietiging van die goederen. De kantonrechter wees de vorderingen af omdat appellante niet voldeed aan haar stelplicht en onvoldoende duidelijkheid bood over de overeenkomst en de naleving van informatieplichten.

In hoger beroep handhaafde het hof deze afwijzing. Het hof stelde vast dat appellante ook in hoger beroep niet voldoende concrete afspraken en bewijsstukken over de overeenkomst had overgelegd. De bewaarnemingsovereenkomst vertoonde discrepanties in datum en adres, en er ontbrak informatie over de wijze van totstandkoming van de overeenkomst, waardoor toetsing aan consumentenbescherming en oneerlijke bedingen niet mogelijk was.

Hoewel geïntimeerde een deelbetaling had gedaan en een betalingsregeling had erkend, was dit onvoldoende om de vorderingen toe te wijzen. Het hof benadrukte dat appellante expliciet en duidelijk had moeten stellen welke informatieplichten waren nagekomen en welke algemene voorwaarden van toepassing waren. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen van appellante af wegens onvoldoende stelplicht en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.358.863/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 10612642 \ CV EXPL 23-9872
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant],
gevestigd te [plaats 1] ,
appellante,
advocaat: mr. J.W. Verhoef te Uithoorn,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats 2] ,
geïntimeerde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] vordert betaling van facturen voor de door haar verzorgde verhuizing en opslag van de goederen van [geïntimeerde] . Ook vordert [appellant] een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is tot onderhandse verkoop dan wel vernietiging van de goederen van [geïntimeerde] die zij in opslag heeft genomen. Het hof wijst de vorderingen van [appellant] af omdat zij ook in hoger beroep niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 11 juli 2025, met producties, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 15 april 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis). Tegen [geïntimeerde] is verstek verleend.
[appellant] heeft daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties;
- akte overlegging producties.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis geen feiten vastgesteld. In hoger beroep gaat het hof uit van de volgende feiten.
3.1.
In februari 2022 heeft [appellant] in opdracht van [geïntimeerde] een verhuizing verzorgd. Daarbij heeft [appellant] goederen van [geïntimeerde] in opslag genomen.
3.2.
[appellant] heeft (onder meer) de verhuizing bij [geïntimeerde] in rekening gebracht bij factuur van 14 februari 2022. Op 18 februari 2022 heeft [appellant] de kosten voor de eerste 90 dagen opslag aan [geïntimeerde] gefactureerd. Nadien heeft [appellant] de opslagkosten steeds maandelijks aan [geïntimeerde] gefactureerd.
3.3.
Omdat [geïntimeerde] de facturen onbetaald liet, heeft [appellant] haar meermaals aangeschreven.
3.4.
Bij e-mail van 13 februari 2023 heeft [geïntimeerde] [appellant] , voor zover van belang, het volgende geschreven:
“Graag indien mogelijk knip ik de betaling in tweeën. Deel 1 zal ik dan per direct voldoen. Deel twee in de eerste week van april. (…)”
3.5.
Op 20 februari 2023 heeft [geïntimeerde] de eerste deelbetaling ter hoogte van € 4.098,08 voldaan aan [appellant] . De door [geïntimeerde] aangekondigde tweede deelbetaling heeft niet plaatsgevonden.
3.6.
[appellant] heeft de bewaarnemingsovereenkomst bij e-mail van 19 mei 2025 opgezegd per 1 augustus 2025.
3.7.
[geïntimeerde] heeft bij e-mail van 20 juni 2025, voor zover van belang, het volgende aan [appellant] geschreven:
“Om duidelijke afspraken omtrent de afwikkeling te maken wellicht goed om ze in deze vast te leggen. Zou het bedrag in 3 delen voldaan kunnen worden? En de eidnafrekening in aug bij levering van de goederen. Wellicht lukt mij eind juli maar wil Zeker weten dat ik mijn afspraak kan nakomen. Wat zou voor jullie een redelijke verdeel sleutel zijn (…)”
3.8.
[appellant] heeft [geïntimeerde] op 20 juni 2025 laten weten dat het dossier al uit handen is gegeven, maar dat zij bereid is het dossier terug te halen en afspraken te maken als er voor de volgende week woensdag een betaling van minimaal € 6.000,- is gedaan.
3.9.
[geïntimeerde] heeft geen betaling aan [appellant] gedaan.

4.Procedure bij de kantonrechter

4.1.
Samengevat heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van (i) een bedrag van € 4.098,08 aan hoofdsom (bestaande uit het openstaande deel van de facturen tot en met december 2022 alsmede de opslagkosten tot en met april 2023), (ii) de buitengerechtelijke incassokosten en (iii) de doorlopende opslagkosten tot beëindiging van de opslag; een en ander vermeerderd met rente en kosten. Voorts heeft [appellant] een verklaring voor recht gevorderd dat zij gerechtigd is de goederen van [geïntimeerde] te verkopen dan wel te vernietigen indien [geïntimeerde] niet aan het vonnis voldoet, onder gelijktijdige beëindiging van de opslagovereenkomst. [geïntimeerde] is in eerste aanleg niet verschenen.
4.2.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat de overeenkomst die aan de vorderingen ten grondslag is gelegd, is gesloten tussen een handelaar en een consument, zodat de kantonrechter ambtshalve de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden moet toetsen aan Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Ook moet de kantonrechter toetsen of [appellant] de op haar rustende informatieplichten heeft nageleefd. De kantonrechter heeft overwogen dat hij dit ambtshalve onderzoek niet kan uitvoeren omdat de dagvaarding niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Onduidelijk is op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en hoe aan de toepasselijke informatieplichten is voldaan. [appellant] heeft bovendien geen overeenkomst of bevestiging daarvan overgelegd en geen algemene voorwaarden in het geding gebracht. Hierdoor is niet duidelijk wat partijen zijn overeengekomen en kunnen het prijsbeding en de bedingen in de algemene voorwaarden niet worden getoetst op oneerlijkheid. Omdat [appellant] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, heeft de kantonrechter de vordering afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerde] , begroot op nihil.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en [geïntimeerde] alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeelt tot betaling van:
- € 4.098,08 aan hoofdsom (bestaande uit het restant van de facturen tot en met december 2022 en de facturen voor opslag/bewaarneming tot en met april 2023), te vermeerderen met wettelijke rente;
- € 9.399,06 aan kosten opslag/bewaarneming over de periode van 1 mei 2023 tot 1 augustus 2025, te vermeerderen met wettelijke rente;
- € 574,52 aan wettelijke rente.
[appellant] vordert voorts dat het hof voor recht zal verklaren:
- dat de overeenkomst tot opslag/bewaarneming rechtsgeldig is beëindigd per 1 augustus 2025, dan wel dat het hof de overeenkomst per datum arrest zal beëindigen;
- dat de goederen van [geïntimeerde] ingevolge de algemene voorwaarden vanaf 1 oktober 2025 rechtsgeldig kunnen worden vernietigd, dan wel dat het hof [appellant] toestemming zal verlenen tot vernietiging van de in bewaring genomen goederen.
[appellant] vordert ten slotte dat – indien het hof niet tot beëindiging van de overeenkomst tot opslag/bewaarneming zal overgaan – het hof [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de doorlopende opslagkosten tot het moment van daadwerkelijke beeindiging;
een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten.

6.Beoordeling

6.1.
[appellant] voert in hoger beroep vier grieven aan tegen het bestreden vonnis. Met
grief 1betoogt [appellant] onder verwijzing naar de in eerste aanleg overgelegde producties dat sprake is van de door haar gestelde overeenkomst waarmee [geïntimeerde] (blijkens de bevestiging van de getroffen betalingsregeling) ook heeft ingestemd. De kantonrechter heeft volgens [appellant] ten onrechte nagelaten de erkenning van [geïntimeerde] van de juistheid van de vordering uit de overgelegde producties af te leiden. [appellant] legt de algemene voorwaarden voor verhuizing en bewaarneming over en stelt onder verwijzing daarnaar dat het hof thans kan toetsen dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan.
Grief 2strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft geoordeeld dat uit de producties blijkt dat in voldoende mate rekening is gehouden met de consumentenbescherming die voor [geïntimeerde] geldt. [appellant] wijst er in dit kader op dat zij veelvuldig met [geïntimeerde] heeft gecorrespondeerd en zelfs tot een huisbezoek bij [geïntimeerde] is overgegaan om te proberen een overleg tot stand te brengen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.2.
Bij zijn beoordeling stelt het hof, net als de kantonrechter, voorop dat de overeenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] een overeenkomst betreft die gesloten is tussen een handelaar en een consument. Dat betekent dat het hof ambtshalve dient te toetsen of [appellant] heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieplichten en of sprake is van oneerlijke bedingen als bedoeld in Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
6.3.
Het hof is van oordeel dat [appellant] ook in hoger beroep niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Daartoe is het volgende redengevend.
6.4.
Ten eerste heeft [appellant] ook in hoger beroep de door haar gestelde afspraken met [geïntimeerde] onvoldoende duidelijk over het voetlicht gebracht. De bewaarnemingsovereenkomst die [appellant] als bijlage 5 in hoger beroep heeft overgelegd, lijkt namelijk niet op de door haar gestelde opdracht betrekking te hebben. De datum op de overeenkomst is immers 28 februari 2023, terwijl de verhuizing van [geïntimeerde] in 2022 plaatsvond. Ook het adres van [geïntimeerde] dat op de bewaarnemingsovereenkomst staat, komt niet overeen met de adressen op de offerte voor de verhuizing. Nu enige verklaring voor deze discrepanties ontbreekt, zijn de afspraken die aan de vordering van [appellant] betreffende de opslag en bewaarneming van de goederen van [geïntimeerde] ten grondslag liggen, ook in hoger beroep niet vast komen te staan.
6.5.
Ten tweede geldt dat [appellant] in hoger beroep wederom geen informatie heeft verstrekt over de wijze waarop de overeenkomst met [geïntimeerde] tot stand is gekomen. Het hof kan daarom niet vaststellen aan welke informatieplichten [appellant] bij de totstandkoming van de overeenkomst met [geïntimeerde] had moeten voldoen. De vraag welke informatie een handelaar voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst met een consument aan die consument dient te verstrekken, hangt immers af van de wijze van totstandkoming van de overeenkomst (op afstand/buiten de verkoopruimte, of anders dan op afstand/buiten de verkoopruimte). Het feit dat [appellant] veelvuldig met [geïntimeerde] heeft gecorrespondeerd en een huisbezoek heeft afgelegd, is voor de beoordeling van de vraag of [appellant] aan de op grond van de wet op haar rustende informatieplichten heeft voldaan irrelevant, zodat het hof daaraan voorbijgaat. [appellant] heeft bovendien nagelaten om in haar stukken aan te geven uit welke producties blijkt dat zij de op haar rustende informatieplichten is nagekomen. [appellant] heeft een aantal producties overgelegd, maar dat volstaat niet. Het is immers niet aan de rechter om eigenhandig in de overgelegde producties op zoek te gaan naar de benodigde informatie. De handelaar dient expliciet en op een duidelijke manier aan te geven per informatieplicht dat daaraan is voldaan en in welke productie welke informatie van de relevante wettelijke artikelen te vinden is (bijvoorbeeld door die informatie in de betreffende producties te markeren). Nu [appellant] dit heeft nagelaten, kan het hof niet vaststellen dat aan [geïntimeerde] op duidelijke en begrijpelijke wijze de essentiële informatie is verstrekt. Uit het voorgaande volgt dat [appellant] niet heeft voldaan aan haar stelplicht ten aanzien van de (pre)contractuele informatieplichten.
6.6.
Het hof kan evenmin toetsen of het prijsbeding en de algemene voorwaarden die op de overeenkomst(en) van toepassing zijn, moeten worden aangemerkt als oneerlijke bedingen in de zin van de richtlijn. [appellant] heeft in hoger beroep weliswaar een aantal setjes algemene voorwaarden overgelegd, maar deze zijn incompleet en liggen niet op volgorde. Wat [appellant] zelf in haar memorie van grieven stelt, namelijk dat zij op basis van haar algemene voorwaarden gerechtigd zou zijn haar daadwerkelijke buitengerechtelijke kosten door te belasten aan [geïntimeerde] , duidt er naar het oordeel van het hof overigens op dat de algemene voorwaarden die [appellant] hanteert niet aan de richtlijn voldoen.
6.7.
Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [appellant] op grond van de met [geïntimeerde] gesloten overeenkomst(en) niet toewijsbaar zijn. Hieraan doet niet af dat [geïntimeerde] heeft erkend enig bedrag schuldig te zijn aan [appellant] en ook een deelbetaling heeft gedaan. Voor toewijzing van de vorderingen van [appellant] is niet voldoende dat kan worden vastgesteld dat partijen “iets” zijn overeengekomen. [appellant] moet voldoende concreet stellen wat er is overeengekomen en welke informatie [appellant] daarbij aan [geïntimeerde] heeft verstrekt. Omdat [appellant] dit zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft nagelaten, kan het hof haar vorderingen niet toewijzen. Hoewel deze uitkomst door [appellant] mogelijk als onrechtvaardig of onnodig formalistisch wordt ervaren, is die een gevolg van de keuze zijdens [appellant] om de informatie die al in het bestreden vonnis werd aangemerkt als essentieel om de vorderingen te kunnen beoordelen en toewijzen, in hoger beroep toch niet te verstrekken.
6.8.
Voor zover de stellingen van [appellant] zo moeten worden begrepen dat de door partijen getroffen betalingsregeling als vaststellingsovereenkomst moet worden aangemerkt, leidt dat niet tot een ander oordeel. De vorderingen van [appellant] in de onderhavige procedure zijn immers gebaseerd op nakoming van de overeenkomsten voor de verhuizing en bewaarneming/opslag, en niet op een vaststellingsovereenkomst, indien daarvan al sprake zou zijn. Grieven 1 en 2 falen dan ook.
6.9.
Grief 3heeft betrekking op de buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente. Deze grief bouwt voort op grieven 1 en 2 en moet het lot daarvan delen.
Grief 4betreft een wijziging c.q. vermeerdering van de eis in eerste aanleg. Uit het voorgaande volgt dat deze grief ook faalt.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.10.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Nu [appellant] niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof niet toe aan bewijslevering. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep, begroot op nihil.

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, vastgesteld op nihil.
Dit arrest is gewezen door mr. M.E. van Neck, mr. I. de Greef en mr. R.L. de Graaff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.