ECLI:NL:GHAMS:2026:1750

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
200.350.346/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over onrechtmatige onttrekkingen en leningen in nalatenschap ouders tussen broer en zus

Partijen zijn broer en zus met een conflict over de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders. Broer stelt dat zus onrechtmatig dan wel zonder rechtsgrond geld heeft onttrokken en vordert terugbetaling van leningen en onrechtmatige onttrekkingen. Daarnaast maakt zus aanspraak op vergoeding van kosten die zij uit eigen vermogen voor ouders heeft voldaan.

De rechtbank had eerder een deel van de vorderingen toegewezen, maar het hof vernietigt deze vonnissen deels en doet in hoger beroep een nieuwe beoordeling. Het hof bevestigt dat zus een bedrag van € 8.600,- moet terugbetalen uit hoofde van leningen, maar wijst de vordering van broer af voor een groter bedrag aan leningen die niet als zodanig zijn aangemerkt. Ook wijst het hof de stelling van onrechtmatige onttrekkingen in de periode 2011-2015 af, omdat moeder in die periode wilsbekwaam was en betalingen met haar toestemming zijn gedaan.

Voor de periode na het overlijden van moeder tot vader's overlijden wijst het hof een deel van de kosten toe aan zus, maar corrigeert het bedrag voor een vakantie en een reisverzekering die niet ten laste van de nalatenschap mogen komen. De vordering van zus op de nalatenschap wordt vastgesteld op € 12.865,25 en haar betalingsverplichting op € 29.230,20. Het hof wijst de verbeurdverklaring wegens verzwijging van vorderingen af, omdat geen opzettelijk verzwijgen is vastgesteld. Proceskosten worden gecompenseerd en het arrest wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Hof veroordeelt zus tot betaling van €29.230,20 aan nalatenschap en bevestigt vordering van €12.865,25, wijst overige vorderingen af en compenseert proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.350.346/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/729612 / HA ZA 23-145
arrest van de meervoudige familiekamer van 30 juni 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [plaats A] ,
appellant,
advocaat: mr. P.M. Boiten te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[verweerster] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.C. van den End te Amsterdam.
Partijen worden hierna [eiser] en [verweerster] genoemd.

1.De zaak in het kort

Partijen zijn broer en zus. Zij hebben een conflict over de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders. Broer [eiser] verwijt zijn zus [verweerster] dat zij onrechtmatig dan wel zonder rechtsgrond geld heeft onttrokken aan het vermogen van hun ouders. Dat geld moet zij volgens [eiser] terugbetalen aan de nalatenschap. Verder is in deze procedure aan de orde of [verweerster] nog geld moet terugbetalen aan de nalatenschap omdat zij geld van haar ouders heeft geleend dat nog niet is terugbetaald. [verweerster] maakt op haar beurt juist aanspraak op vergoeding uit de nalatenschap van kosten die zij vanuit haar eigen vermogen ten behoeve van haar ouders heeft voldaan.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[eiser] is bij dagvaarding van 8 januari 2025 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 24 januari 2024 en 9 oktober 2024 van de rechtbank Amsterdam. Deze vonnissen zijn onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [eiser] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en [verweerster] als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
2.3.
Op 2 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Partijen hebben nog producties in het geding gebracht; [verweerster] producties HB4 tot en met HB7 en [eiser] producties 79 en 80.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
[moeder] (hierna: moeder) en [vader] (hierna: vader) waren met elkaar getrouwd in algehele gemeenschap van goederen. Het hof noemt moeder en vader samen hierna ‘ouders’. [eiser] en [verweerster] zijn hun kinderen. [verweerster] heeft twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] .
3.2.
Moeder is overleden [in] 2015 en vader op 5 september 2018. Zij hebben beiden op 1 december 1977 een testament opgemaakt. Volgens het testament van moeder zijn vader, [eiser] en [verweerster] ieder voor een gelijk deel erfgenaam van haar nalatenschap. [eiser] en [verweerster] zijn volgens het testament van vader ieder voor de helft erfgenaam van de nalatenschap van vader, dit omdat moeder eerder is overleden. [eiser] heeft de nalatenschap van ouders beneficiair aanvaard en [verweerster] heeft deze zuiver aanvaard.
3.3.
Ouders hebben in 2011 hun koopwoning verkocht. De netto verkoopopbrengst van de woning was € 168.176,-. Ouders zijn verhuisd naar een huurappartement in [plaats B] .
3.4.
In 2009/2010 werd bij vader Alzheimer geconstateerd. In 2015, na het overlijden van moeder, is het huurappartement van ouders opgezegd en heeft [verweerster] vader tijdelijk in huis genomen. Enkele maanden later is vader verhuisd naar [X] , een verpleeghuis voor ouderen met een vorm van dementie. Hij heeft daar tot zijn overlijden in 2018 op de gesloten afdeling gewoond.
3.5.
[verweerster] heeft op 23 januari 2015 een volmacht verkregen van ouders waarmee zij over de bankrekeningen van ouders kon beschikken. Na het overlijden van moeder heeft [verweerster] de mantelzorg gehad voor vader tot aan zijn overlijden.
3.6.
Op 26 maart 2019 heeft [verweerster] jaaroverzichten van de bankrekeningen alsook de aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting van ouders over de periode 2011-2018 beschikbaar gesteld aan [eiser] voor zover zij deze in haar bezit had.

4.Vordering in hoger beroep

4.1.
[eiser] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en vordert bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, dat:
voorwaardelijk (I):
indien dit hof [verweerster] niet beveelt een afschrift te overleggen van de hierna te noemen bescheiden en/of in dat kader een deskundigenbericht beveelt, haar te veroordelen om binnen 28 dagen na betekening van het ten deze te wijzen (tussen)arrest aan [eiser] te verstrekken een afschrift van:
A) de facturen ziende op de bedragen die [verweerster] in de periode van 30 september 2011 tot en met 11 september 2012 heeft voorgeschoten voor de inrichting van het nieuwe appartement, die volgens verklaring van [verweerster] € 46.692,50 bedragen en volgens de bankafschriften € 42.642,50 alsmede de bankafschriften van deze betalingen waaruit blijkt dat [verweerster] dit bedrag heeft voorgeschoten;
B) de facturen van de webshopaankopen van:
Maje € 841.50
Bijenkorf € 1.553,79
Weekday € 442,-
Showroom Privé € 178,40
Zalando € 1.539,80
Koopjedeal € 63,75
Koopjemarkt € 68,85
Zalando € 141,30
Showroom Prive € 25,95
Periode 2
C) de facturen ziende op de bedragen die [verweerster] in de periode vanaf overlijden moeder tot overlijden vader (
periode 2) heeft betaald aan allerlei uitgaven voor vader die [verweerster] voor haar rekening heeft genomen, die volgens verklaring van [verweerster] € 19.567,33 bedragen en volgens de bankafschriften € 19.655,- alsmede de bankafschriften van deze betalingen waaruit blijkt dat [verweerster] dit bedrag heeft voorgeschoten;
D) de facturen van de webshopaankopen van:
Zalando I = via creditcard € 1.961,53
Lloyd Hotel B.V. € 474,50
Koopjedeal € 380,32
Orange Bag € 509,48
Zeeman € 34,85
BZT Fashion € 129,-
The next closet € 480,-
Wehkamp € 318,90
Showroom Privé € 2.880,31
Vente Exclusive €8.080,57
Zalando Il € 5.966,50
Showroom Privé € 257,05
Vente Exclusive € 563,85
Koopjedeal € 54,80
Periode 3
E) de facturen van de webshopaankopen van;
Zalando € 528,60
Showroom Privé € 457,48
zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag - een gedeelte van een dag daaronder begrepen - met een maximum van € 50.000,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [verweerster] hiermee in gebreke is;
voorwaardelijk (II):
indien het gerechtshof de tegenvordering van [verweerster] van € 34.917,85 (gedeeltelijk) gegrond acht, en dit hof [verweerster] niet beveelt een afschrift te overleggen van de hierna te noemen bescheiden en/of in dat kader een deskundigenbericht beveelt, [verweerster] te veroordelen om binnen 28 dagen na betekening van het ten deze te wijzen (tussen)arrest aan [eiser] te verstrekken een afschrift van daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden waaronder de bankafschriften, facturen, bonnen en overeenkomsten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiser] van € 250,- per dag voor iedere dag dat [verweerster] na 28 dagen na betekening van dit arrest in gebreke blijft hieraan te voldoen, een en ander met een maximum van € 250.000,-;
onvoorwaardelijk:
primair:
I. [verweerster] te veroordelen om de volgende bedragen te betalen:
- € 47.625,-, dan wel het door het hof te bepalen bedrag uit hoofde van geldlening, waarvan de helft aan de nalatenschap van vader en de helft aan de nalatenschap van moeder;
- € 56.767,91 ( periode 1) dan wel het door het hof te bepalen bedrag uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen / onverschuldigde betaling / ongerechtvaardigde verrijking waarvan de helft aan de nalatenschap van vader en de helft aan de nalatenschap van moeder;
- € 43.522,28 ( periode 2) dan wel het door het hof te bepalen bedrag uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen/ onverschuldigde betaling/ ongerechtvaardigde verrijking aan de nalatenschap van vader;
- € 1.817,58 ( periode 3) dan wel het door het hof te bepalen bedrag uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen/ onverschuldigde betaling / ongerechtvaardigde verrijking aan de nalatenschap van vader;
waarop in mindering strekt het door [verweerster] betaalde bedrag van € 16.351,03;
II. te verklaren voor recht dat [verweerster] haar aandeel in de vorderingen van (de nalatenschappen van) van moeder en vader op [verweerster] geheel dan wel gedeeltelijk heeft verbeurd aan de overige deelgenoten in die nalatenschap;
subsidiair:
[verweerster] te veroordelen binnen 28 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan [eiser] te verstrekken een rekening en verantwoording van het door [verweerster] gevoerde beheer over het vermogen van vader en moeder over de periode 1 januari 2011 tot en met 5 september 2018 met de daaraan ten grondslag liggende verificatoire bescheiden waaronder de bankafschriften, facturen, bonnen en overeenkomsten, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom aan [eiser] van € 250,- per dag voor iedere dag dat [verweerster] na 28 dagen na betekening van dit arrest in gebreke blijft hieraan te voldoen, een en ander met een maximum van € 250.000,-;
en voor zover [verweerster] geen (volledige en afdoende) rekening en verantwoording over genoemde periode kan afleggen dan wel voor zover de gelden niet aantoonbaar ten goede zijn gekomen aan vader en/of moeder [verweerster] te veroordelen tot terugbetaling van het daarmee gemoeide geldbedrag aan de nalatenschap van vader en/of moeder en te verklaren voor recht dat [verweerster] haar aandeel in de vordering tot terugbetalingen van de nalatenschap(pen) geheel dan wel gedeeltelijk heeft verbeurd aan de overige deelgenoten in die nalatenschap;
meer subsidiair:
de schenkingen van vader en moeder aan [verweerster] ter waarde van € 125.112,77 / € 130.112,77 althans inzake beiden nalatenschappen een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag aan schenkingen te vernietigen en [verweerster] te veroordelen die bedragen aan de betreffende nalatenschap te betalen;
zowel wat betreft de primaire, de subsidiaire als de meer subsidiaire vordering:
de (wijze van de) verdeling van de nalatenschappen van vader en moeder vast te stellen dan wel de wijze van verdeling daarvan te gelasten, zulks door de vorderingen van de nalatenschappen (op [verweerster] en/of haar kinderen) aan [eiser] toe te delen en zulks onder vergoeding van de overwaarde aan ieder van de overige deelgenoten voor zover zij hun aandeel daarin niet hebben verbeurd;
meest subsidiair:
aanvullend op het eventuele erfdeel de legitieme portie van [eiser] in de nalatenschappen van vader en moeder vast te stellen op een door het hof te bepalen bedrag, een en ander afhankelijk van de (deel)beslissingen met betrekking tot de geldlening, de onrechtmatig onttrokken gelden, de rekening en verantwoording en de eventuele giften, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en [verweerster] te veroordelen dat bedrag aan [eiser] te betalen;
zowel wat betreft de primaire, de subsidiaire als de meer en meest subsidiaire vordering:
[verweerster] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen;
althans in alle gevallen zodanig te oordelen als dit hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
4.2.
Volgens [verweerster] moet het hof de vorderingen van [eiser] afwijzen en de bestreden vonnissen bekrachtigen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep.

5.Beoordeling

5.1.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank:
in conventie:
- [verweerster] veroordeeld om uit hoofde van onrechtmatige onttrekkingen een bedrag van € 29.112,05 te voldoen aan de nalatenschap;
- als wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande nalatenschap:
- aan [eiser] en [verweerster] ieder voor de helft toegedeeld de vordering op [verweerster] van
€ 12.277,25;
- aan [eiser] en [verweerster] ieder voor de helft toegedeeld de inboedelgoederen van ouders;
- de huurtermijnen van de opslagruimte van de inboedelgoederen (vanaf 12 mei 2023 tot
de inboedelgoederen feitelijk zijn verdeeld) in mindering gebracht op de vordering op
[verweerster] , voor zover zij de huurtermijnen heeft betaald.
in reconventie:
- voor recht verklaard dat [verweerster] een vordering heeft op de nalatenschap van € 16.834,80 en dat zij deze mag verrekenen met de vordering van de nalatenschap op haar.
in conventie en in reconventie:
- de kosten van de procedure tussen partijen gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
[eiser] heeft vijf grieven aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. Het hof zal deze grieven hierna beoordelen.
Grief 1: de omvang van geleende gelden en het ontbreken van een vordering in de verdeling
5.2.
[eiser] is van mening dat de rechtbank ten onrechte in r.o. 4.11 tot en met r.o. 4.16 van het vonnis van 24 januari 2024 heeft geoordeeld dat [verweerster] slechts een bedrag van € 18.600,- van ouders heeft geleend en dat zij van dat bedrag al € 10.000,- heeft terugbetaald. Ook heeft de rechtbank volgens [eiser] verzuimd om in het vonnis van 9 oktober 2024 een (vordering uit hoofde van een geleend) bedrag van € 14.000,- in de verdeling te betrekken.
5.3.
[eiser] voert hiertoe aan dat de ouders in de periode 26 oktober 2012 tot en met 29 mei 2014 voor een totaalbedrag van € 60.600,- overboekingen aan [verweerster] hebben gedaan. Daarvan is een bedrag van € 37.600,- overgemaakt onder vermelding van ‘lening’. Daarbij moet ook het op 31 maart 2013 aan [verweerster] overgemaakte bedrag van € 5.000,- als lening worden gezien. Bij de overschrijving van de spaarrekening van ouders naar hun betaalrekening stond immers als omschrijving “lening [verweerster] ”. Hetzelfde geldt ten aanzien van het bedrag van € 5.000,- met als omschrijving “ivm limiet creditcard” dat op 7 december 2012 aan [verweerster] is overgemaakt. Daarnaast kwalificeert het bedrag van € 14.000,- dat van de bankrekening van ouders op 4 december 2012 met als omschrijving “lening voorschot huur” aan [verweerster] is overgemaakt als een lening aan [verweerster] zelf. Uit hetgeen [verweerster] bij de rechtbank naar voren heeft gebracht, blijkt immers dat [verweerster] zelf deze lening ten behoeve van haar kinderen is aangegaan, aldus [eiser] . Naast het bedrag van € 37.600,- kwalificeren volgens [eiser] bovendien als lening de door de ouders aan [verweerster] op 21 januari 2013, 18 februari 2013 en 17 juni 2013 overgemaakte bedragen van in totaal € 18.000,- met als omschrijving “medicatie”.
5.4.
[eiser] ziet voor zijn stelling dat het totaal overgeboekte bedrag van € 60.600,- voor het geheel een lening betreft onderbouwing in hetgeen de advocaat van [verweerster] tijdens de procedure tussen partijen in het kader van een verzoek tot het vaststellen van een beheersregeling in 2020 ter zitting heeft verklaard. Mr. Van den Endt heeft toen naar voren gebracht “
Cliënte[hof: [verweerster] ]
is behandeld in Amerika wegens haar ziekte. Dat is terugbetaald.” Hij heeft vervolgens op vraag van de rechter of is gedocumenteerd dat is afgelost geantwoord “
dat blijkt uit de bankafschriften. 500 euro per maand wordt er afgelost.”. [eiser] betoogt dat uit het feit dat [verweerster] in 2020 nog doende was de lening af te lossen volgt dat het totaal door ouders aan [verweerster] overgemaakte bedrag een lening was, anders was het bedrag al lang afgelost ten tijde van de zitting bij de rechtbank. Ook volgt uit voornoemde verklaringen dat [verweerster] zelf het geld ten behoeve van medicatie als lening kwalificeert, aldus [eiser] . Daarnaast erkent [verweerster] door het overleggen van een overzicht van de door ouders aan haar overgemaakte bedragen in de periode van 1 september 2011 tot en met 23 mei 2015 (productie 10 rechtbank) indirect dat al deze bedragen zijn geleend omdat zij bij dat overzicht niet vermeld dat deze bedragen, althans een deel daarvan, schenkingen betreffen. Ten slotte betoogt [eiser] dat uit een app-bericht van [verweerster] van september 2017 blijkt dat al het aan [verweerster] overgemaakte geld een lening betreft, omdat [verweerster] in dat bericht niet schrijft dat het geld van ouders is opgegaan aan schenkingen, waar zij wel vermeldt dat het vermogen van ouders (onder andere) is verminderd door leningen.
5.5.
[eiser] stelt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [verweerster] € 10.000,- heeft afgelost op de geleende bedragen. Volgens [eiser] heeft [verweerster] slechts € 8.000,- afgelost. Uit de door hem als productie 72 overgelegde bankafschriften blijkt namelijk dat viermaal een bedrag van € 500,- is gestorneerd.
5.6.
Ten slotte vordert [eiser] dat het geleende bedrag van € 14.000,- minus de gedane afbetaling van € 4.975,- (derhalve € 9.025), te vermeerderen met de wettelijke rente, (alsnog) in de verdeling van de nalatenschap dient te worden betrokken. Het betreft immers hoe dan ook een vordering van de nalatenschap, hetzij op [verweerster] , hetzij op haar kinderen en hun huisgenoot. Deze vordering dient aan [verweerster] te worden toebedeeld, aangezien het een lening ten behoeve van c.q. aan haar kinderen is.
5.7.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer, waarbij zij uit proceseconomische overwegingen niet zelf grieft tegen de vaststelling van de rechtbank dat een bedrag van € 18.600,- betiteld kan worden als lening. Het betreft de overboekingen van 26 oktober 2012 (€ 6.000,-, lening), 8 november 2012 (€ 5.000,-, lening), 26 april 2013 (€ 7.000,-, lening [verweerster] ) en van 29 mei 2014 (€ 600,-, lenen hypotheek). Voor het meerdere betwist [verweerster] dat de bedragen ten titel van lening aan haar zijn overgemaakt. Verder legt [verweerster] zich uit proceseconomische overwegingen ook neer bij de vaststelling van de rechtbank dat zij in totaal voor een bedrag van € 10.000 heeft afgelost op de leningen van haar ouders, zodat op haar een nog een terugbetalingsverplichting rust van € 8.600,-.
5.8.
Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [verweerster] in de periode van 25 oktober 2012 tot en met 29 mei 2014 vanaf de bankrekening van haar ouders een bedrag van in totaal € 60.600,- op haar bankrekening heeft ontvangen. Omdat [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde (en door [verweerster] betwiste) titel van deze betalingen, te weten “lening”, rust op hem de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden ten aanzien van deze gestelde titel van betaling. Het hof zal de standpunten van partijen met inachtneming van dit uitgangspunt bespreken.
Bedrag van € 18.000,- met omschrijving ‘medicijnen’
5.9.
[eiser] heeft gesteld dat de door ouders aan [verweerster] op 21 januari 2013, 18 februari 2013 en 17 juni 2013 overgemaakte bedragen van in totaal € 18.000,- met als omschrijving “medicatie” ook leningen betreffen. [eiser] bestrijdt niet dat het geld is overgemaakt ten behoeve van [verweerster] medische behandeling in Amerika, maar volgens hem zijn deze bedragen als een lening aan haar overgemaakt.
5.10.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het enkele feit dat ouders voornoemde bedragen hebben overgeboekt naar de bankrekening van [verweerster] op zichzelf onvoldoende is om vast te stellen dat de bedragen aan haar zijn geleend. Ook in hetgeen [eiser] in zijn eerste grief naar voren heeft gebracht, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat deze bedragen aan [verweerster] zijn geleend. Dat [verweerster] in het door haar opgemaakte overzicht van de overboekingen van de bankrekening van ouders naar haar en haar kinderen (zie productie 10 eerste aanleg) en in de app-berichten waar [eiser] naar verwijst niet heeft vermeld dat ouders bedragen uit hoofde van schenking aan haar hebben overgemaakt en zij in één van die berichten zelf aangeeft dat de opbrengst van het huis van ouders mede is opgegaan aan ‘2 leningen’, maakt niet dat (ook) de bedragen die aan haar zijn overgemaakt met als omschrijving ‘medicatie’ moeten worden gekwalificeerd als een lening. Evenmin ziet het hof in het feit dat de advocaat van [verweerster] heeft verklaard dat [verweerster] is behandeld in Amerika wegens haar haar ziekte en dat zij in dat kader geld heeft geleend van haar ouders voldoende grond om aan te nemen dat deze overboekingen als een lening aan [verweerster] kwalificeren. Datzelfde geldt voor de uitlating van haar advocaat dat [verweerster] geld van haar ouders heeft geleend voor haar behandeling in Amerika en zijn daarop volgende uitlating “500 euro per maand wordt er afgelost”. [verweerster] heeft erop gewezen dat deze uitlatingen zijn gedaan in een eerdere procedure tussen [eiser] en [verweerster] en dat zij in die procedure (ook) heeft betwist dat de overboekingen die zijn gedaan voor haar verblijf en medicatie in de VS als lening zouden kwalificeren. Bovendien heeft [verweerster] er op gewezen dat haar advocaat toen heeft aangegeven dat het bedrag van € 10.000,- dat wel door haar is geleend, door haar is terugbetaald en dat de uitlating van haar advocaat dat er per maand met een bedrag van € 500,- per maand werd afgelost, op dat bedrag van € 10.000,- betrekking had. [eiser] heeft deze stellingen van [verweerster] onvoldoende gemotiveerd betwist. Tot slot is het hof van oordeel dat de erkenning van [verweerster] dat zij van haar ouders ‘ten tijde van Amerika’ een bedrag van € 10.000,- heeft geleend niet betekent dat daarmee de betalingen die zijn gedaan met als omschrijving ‘medicatie’ (ook) als lening kwalificeren. [verweerster] heeft immers gesteld dat geleende bedrag van € 10.000,- waarover zij in het door [eiser] genoemde appbericht spreekt ook kan zien op de overboekingen die haar ouders in de maanden oktober 2012 en november 2012 hebben gedaan, dus vóór haar feitelijke verblijf in Amerika. Uit de overboekingen die de ouders hebben gedaan volgt dat zij in die twee maanden daadwerkelijk bedragen aan [verweerster] ten titel van lening hebben overgemaakt (een bedrag van € 6.000,- op 26 oktober 2012 en een bedrag van € 5.000,- op 8 november 2012).
Dit alles leidt naar het oordeel van het hof ertoe dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te komen tot de conclusie dat (ook) het bedrag van € 18.000,- met als omschrijving “medicatie” aan [verweerster] geleend zou zijn. Nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te komen tot het standpunt dat de overboekingen met omschrijving “medicatie” een lening betreffen, komt het hof ook niet toe aan het bewijsaanbod van [eiser] om [verweerster] hierover te doen horen. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
Het op 31 maart 2013 aan [verweerster] overgemaakte bedrag van € 5.000,-
5.11.
Ouders hebben op 31 maart 2013 vanaf hun betaalrekening een bedrag van € 5.000,- aan [verweerster] overgemaakt met als omschrijving “medicatie”. Het verschil met de hiervoor besproken overboekingen met dezelfde omschrijving is dat voorafgaand aan deze overboeking ouders een bedrag van eveneens € 5.000,- van hun spaarrekening naar hun betaalrekening hebben overgemaakt met als omschrijving “Lening [verweerster] ”. [verweerster] heeft betwist dat dit bedrag een lening betrof. Volgens haar hebben ouders dit geld, net als de overige bedragen voor medicatie, overgemaakt omdat ouders haar financieel wilden ondersteunen vanwege haar ziekte. Anders dan [eiser] meent, leidt het feit dat ouders bij de overboeking van dit bedrag van hun spaarrekening naar hun betaalrekening als omschrijving “Lening [verweerster] ” hebben gezet, niet tot de conclusie dat in de relatie tussen ouders en [verweerster] dit als een betaling uit hoofde van een geldleningsovereenkomst moet worden gezien. De ouders hebben de vermelding “Lening [verweerster] ” immers niet gedaan bij de overboeking van hun betaalrekening naar de bankrekening van [verweerster] . Aldus moet het ervoor worden gehouden dat de ouders de betaling van € 5.000,- niet als lening hebben willen kwalificeren, althans dat [verweerster] niet heeft hoeven begrijpen dat dit bedrag krachtens lening aan haar werd overgemaakt. Nu, zoals hiervoor reeds overwogen, het hof in hetgeen [eiser] heeft aangevoerd ook anderszins geen aanknopingspunten ziet voor zijn stelling dat de betalingen met vermelding “medicatie” ten titel van lening aan [verweerster] zijn voldaan, gaat het hof aan het standpunt van [eiser] voorbij.
Het bedrag van € 14.000,-
5.12.
[verweerster] voert aan dat ouders een bedrag van € 14.000,- hebben geleend aan haar kinderen, zodat zij de huur/borg voor een te betrekken huurwoning konden betalen. De kinderen woonden destijds bij [verweerster] , maar zij wilden daar niet langer blijven wonen omdat [verweerster] [eiser] in huis had genomen en de woonsituatie door het alcoholgebruik van [eiser] volgens [verweerster] onhoudbaar werd. Door de lening van ouders konden zij op zichzelf gaan wonen. Het is dus geen lening aan haar geweest, maar aan haar kinderen.
5.13.
Anders dan [eiser] is het hof van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat ouders het bedrag van € 14.000,- aan [verweerster] hebben geleend. Niet in geschil is dat dit bedrag was bedoeld voor de huur dan wel de borg van de woning van [kind 1] en [kind 2] (de kinderen van [verweerster] ) en hun huisgenoot. De enkele omstandigheid dat ouders het bedrag hebben overgemaakt naar de bankrekening van [verweerster] leidt, gelet op de toelichting die [verweerster] heeft gegeven, niet tot de conclusie dat ouders het geld aan haar hebben geleend. Evenmin volgt, zoals [eiser] meent, uit de stellingen van [verweerster] in eerste aanleg dat de overboeking een lening aan [verweerster] is. In het door [eiser] aangehaalde - door [verweerster] opgemaakte - stuk wordt juist gesproken over een lening aan de kleinkinderen, dat het geld aan [verweerster] is overgemaakt en dat zij dit ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] en een derde huisgenoot aan de eigenaar/makelaar heeft overgemaakt. Dit alles betekent dat er ten aanzien van dit bedrag geen vordering van de nalatenschap bestaat op [verweerster] uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. Wel bestaat er een vordering op [kind 1] en [kind 2] en hun huisgenoot. Of deze vordering nog geldend kan worden gemaakt, ligt in deze procedure niet voor. De kinderen van [verweerster] en hun huisgenoot zijn immers geen partij in deze procedure. Het verzoek van [eiser] om de vordering te vermeerderen met de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten zal het hof dan ook afwijzen.
Het hof zal de vordering wel meenemen in de wijze van verdeling van de nalatenschap. Daarbij zal het hof de vordering ieder voor de helft aan [verweerster] en [eiser] toedelen. In het feit dat de lening is verstrekt aan de kinderen van [verweerster] ziet het hof onvoldoende reden om deze vordering uitsluitend aan [verweerster] toe te delen. Het is een keuze geweest van de ouders van partijen om deze lening aan [kind 1] , [kind 2] en hun huisgenoot te verstrekken. Om die reden is het redelijk en billijk om het risico van terugbetaling van dit bedrag gelijkelijk te verdelen over [eiser] en [verweerster] als rechtsopvolgers onder algemene titel van ouders. Bij die stand van zaken is ook niet relevant wat de omvang van het openstaande bedrag van de lening is, omdat door deze wijze van verdeling geen van partijen wordt overbedeeld.
Het bedrag van € 5.000,- met vermelding ‘limiet creditcard’
5.14.
Voor zover [eiser] met zijn stelling dat het gehele bedrag van € 60.600,-, ten titel van lening aan [verweerster] is overgemaakt ook heeft willen grieven tegen de beslissing dat de rechtbank de betaling van € 5.000,- onder vermelding “ivm limiet credit card” niet als een lening kwalificeert, overweegt het hof dat [eiser] deze stelling niet nader heeft onderbouwd anders dan met zijn algemene motivering waarom het gehele bedrag van € 60.600,-, een lening betreft. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat die algemene motivering onvoldoende is om tot die conclusie te kunnen komen.
(Tussen)conclusie
5.15.
Al het vorenstaande leidt tot de (tussen)conclusie dat het hof, evenals de rechtbank, uitgaat van een bedrag van € 18.600,- dat ouders aan [verweerster] hebben geleend. Aan het aanbod van [eiser] om te bewijzen dat [verweerster] een bedrag van in totaal € 60.600,- van ouders heeft geleend, komt het hof niet toe. Gelet op al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, is immers de conclusie dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om tot het leveren van bewijs te worden toegelaten.
Aflossingen
5.16.
Volgens [verweerster] heeft zij op het geleende bedrag van € 18.600,- in totaal 20 x € 500,- (dus in totaal € 10.000,-) afgelost. Ter onderbouwing van deze aflossingen heeft zij bankafschriften over de periode van 28 mei 2013 tot en met 28 december 2014 overgelegd waaruit blijkt dat [verweerster] dit geld naar de bankrekening van ouders heeft overgemaakt. Anders dan [eiser] meent, doet het feit dat vier van deze betalingen door moeder aan [verweerster] zijn terugbetaald er niet aan af dat [verweerster] ook deze aflossingen wel heeft gedaan. [verweerster] heeft betwist dat zij zelf de bedragen heeft gestorneerd. Dit volgt ook niet uit de bankafschriften waar [eiser] naar verwijst. Uit die bankafschriften kan enkel worden afgeleid dat ouders de aflossingen op de bankrekening van [verweerster] hebben teruggestort. De keuze om de bedragen na betaling terug te betalen, was aan ouders. Beide ouders waren in de periode nog in leven en het was aan hen om al dan niet betalingen van [verweerster] terug te storten. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat [verweerster] in ieder geval een bedrag van € 10.000,- op de aan haar geleende bedragen heeft afgelost en dat zij dus nog een bedrag van € 8.600,- dient terug te betalen aan de nalatenschap. In eerste aanleg heeft [verweerster] nog aangevoerd dat de resterende vordering ter zake van de geldlening(en) is (zijn) verjaard. In haar memorie van antwoord geeft zij onder randnummer 14 aan dat zij haar verjaringsverweer uitdrukkelijk niet prijsgeeft. [verweerster] heeft echter bewust geen incidenteel appel ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank dat zij een bedrag van € 8.600,- aan de nalatenschap dient terug te betalen (zie r.o. 5.7 hiervoor). Dat betekent dat aan het verjaringsverweer van [verweerster] voorbij gegaan kan worden. Hetzelfde geldt voor haar verweren in eerste aanleg dat zij de betalingen die zij heeft ontvangen van ouders niet hoeft terug te betalen omdat deze moeten worden gezien als voldoening aan een natuurlijke verbintenis en dat ouders de rest van het aan haar geleende geld hebben kwijtgescholden.
(Eind)conclusie leningen
5.17.
Uit het voorgaande volgt dat het hof het oordeel van de rechtbank dat de nalatenschap nog een vordering heeft op [verweerster] van € 8.600,- uit hoofde van geldleningsovereenkomsten, zal bekrachtigen.
Grief 2: het overige in de periode 1 januari 2011 tot 23 mei 2015 door [verweerster] ontvangen bedrag, periode 1
5.18.
[eiser] komt met grief 2 op tegen het oordeel van de rechtbank dat geen terugbetalingsverplichting voor [verweerster] bestaat voor het door haar in de periode vanaf 1 januari 2011 tot 23 mei 2015 van (de bankrekening van) ouders ontvangen bedrag c.q. ten behoeve van haar gedane betalingen van in totaal € 56.767,91. Volgens [eiser] betreft het onrechtmatige onttrekkingen, althans zijn de bedragen onverschuldigd aan [verweerster] betaald en/of is [verweerster] door deze betalingen ongerechtvaardigd verrijkt. Zij dient dan ook een bedrag van € 56.767,91 aan de nalatenschap van ouders te vergoeden.
5.19.
Ter onderbouwing van grief 2 voert [eiser] aan dat in de periode 1 januari 2011 tot 23 mei 2015 [verweerster] vermogen is toegenomen ten koste van het vermogen van ouders door:
- overboekingen van de rekening van ouders naar [verweerster] rekening € 42.642,50
- webshopaankopen voor [verweerster] (in totaal) € 3.958,94
- cash- en pinopnames (in totaal) € 6.810,-
- vliegtickets USA/huurvakantiebestemming Malta € 1.349,07
- Apple store uitgave € 1.299,-
- collegegeld [kind 2] € 708,40
-------------
€ 56.767,91
Onder randnummer 63 van zijn memorie van grieven geeft [eiser] aan dat het bewijs ontbreekt ten aanzien van het gepinde geld voor een bedrag van € 5.310,- en het collegegeld van € 708,40. Om die reden vermindert hij zijn eis in hoger beroep met een bedrag van € 6.018,40 tot een bedrag van € 50.749,51. Het hof constateert evenwel dat [eiser] in het petitum van zijn memorie van grieven nog een bedrag van € 56.767,91 vordert.
5.20.
[eiser] betwist dat ouders zelf de hiervoor genoemde betalingen c.q. overboekingen hebben verricht en/of dat zij daarvan wisten. Vader was in ieder geval niet in staat overboekingen en betalingen te doen, maar ook moeder kon niet zelfstandig internetbankieren. Alle vaste betalingen waren automatisch geregeld en ouders hoefden dus ook niet te kunnen (internet-)bankieren om hun financiën te regelen. Dat hebben zij dus ook niet gedaan en dat konden zij ook niet. [eiser] verwijst hiertoe mede naar een verklaring van [kind 1] , waarin [kind 1] heeft gezegd:
“Als ik naast haar achter de laptop zat om haar te ondersteunen met internetbankieren, pakte ze haar boekje erbij en schreef ze alle bij- en afschrijvingen op, zodat ze alles keurig en overzichtelijk had en mijn opa hierover kon informeren.”Bovendien verwijst [eiser] naar een transactie van de bankrekening van ouders waarbij is vermeld
“overboeking door [kind 1] ”.Ook hieruit blijkt dat moeder niet zelf bedragen kon overboeken. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat geen aanwijzing bestaat dat [verweerster] zonder medeweten van ouders geld heeft overgeboekt. Volgens [eiser] ontbreekt een rechtsgrond voor de overboekingen van de bankrekening van ouders naar [verweerster] bankrekening ter grootte van € 42.642,50. Hij vindt de uitleg van [verweerster] dat het de terugbetaling betreft van geld dat zij aan ouders heeft voorgeschoten voor de inrichting van hun nieuwe appartement ongeloofwaardig, onder meer omdat ouders zelf al € 15.026,47 aan woonwinkels hebben betaald. Dat is ruim voldoende voor de inrichting van het appartement, aldus [eiser] . Daarnaast werd het appartement met een complete keuken en badkamer opgeleverd.
Ten aanzien van de webshopaankopen stelt [eiser] dat ouders geen webshopaccounts hadden bij de betreffende webwinkels en dat alle aankopen zijn gedaan via de accounts van [verweerster] . De aankopen die zijn gedaan, zijn gedaan door én ten behoeve van [verweerster] . Dat blijkens de facturen van de Bijenkorf [verweerster] kleding kocht ten behoeve van haarzelf, maakt duidelijk hoe [verweerster] omging met het geld van haar ouders.
Ten aanzien van de uitgaven die zien op de Verenigde Staten of Malta merkt [eiser] op dat ouders daar nooit zijn geweest. Daarmee is volgens hem voldoende aangetoond dat [verweerster] de beschikking had over de creditcard van ouders en daar ook gebruik van maakte.
Ten slotte betoogt [eiser] dat ouders, anders dan [verweerster] , geen Appleapparatuur hadden, zodat ook die uitgaven wel door [verweerster] moeten zijn gedaan.
5.21.
[verweerster] betwist dat het gaat om onverschuldigd aan haar betaalde of door haar onrechtmatig onttrokken bedragen. Zij voert in de eerste plaats aan dat zij geen toegang had tot de bankrekeningen van ouders. Ouders hebben de overboekingen, (webshop-)aankopen en pinopnames zelf verricht waarbij in ieder geval moeder, die de financiën van ouders beheerde, volledig wilsbekwaam was en uitstekend wist wat zij deed. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [verweerster] naar verklaringen van [kind 2] (productie 9 rechtbank) en drie familieleden (productie 8, 19 en 35 rechtbank). [verweerster] betwist verder dat zij beschikte over een creditcard van ouders. Zij heeft één keer gebruik gemaakt van de creditcard van ouders en heeft dit bedrag aan ouders terugbetaald onder vermelding van “
gebruik van jullie creditcard in Amerika ivm weigering van mijn card heel erg bedankt.”Dat zij hiervoor toestemming had, blijkt wel uit de omschrijving. Van onrechtmatig gebruik van de creditcard is nooit sprake geweest. [verweerster] betwist bovendien dat zij voor zichzelf met gebruik van de creditcard van ouders kleding heeft gekocht bij de Bijenkorf. Ze was vanaf december 2012 tot maart 2014 opgenomen in een ziekenhuis en zorghotel in de Verenigde Staten in verband met een medische behandeling vanwege een levensbedreigende tumor. Zij kon op 26 mei 2013 dus helemaal geen aankopen bij de Bijenkorf doen, nog los van het feit dat het niet aannemelijk is dat ze die spullen vervolgens in Amerika zou laten bezorgen. De vliegtickets naar Amerika hebben ouders gekocht voor [kind 1] zodat hij zijn moeder tijdens haar behandeling in Amerika kon bezoeken.
[verweerster] erkent dat ouders een bedrag van € 42.642,50 van hun bankrekening hebben overgemaakt naar die van haar. Dit zag op terugbetaling van bedragen die [verweerster] voor ouders had voorgeschoten. Ouders waren verhuisd naar hun nieuwe appartement vóórdat hun oude woning geleverd was. Dit betekende dat ouders forse investeringen moesten doen voor de inrichting van hun nieuwe appartement nog voordat zij konden beschikken over de verkoopopbrengst van hun oude woning. Het appartement in [plaats B] betrof nieuwbouw en werd casco opgeleverd, dus met betonnen vloeren, een minimaal ingerichte badkamer, geen gordijnen, geen stellagekasten in de berging, etc. [verweerster] heeft bovendien de borg voor de nieuwe woning voorgeschoten, drie maanden huur vooruit betaald, de factuur van de makelaar voorgeschoten die de woning van ouders had verkocht, alsmede de verhuiskosten en de kosten van leeg opleveren van de woning voldaan. Bovendien heeft [verweerster] in die periode een vakantie voor haar ouders voorgeschoten, Het ging dus om méér dan alleen maar kosten van de inrichting/stoffering. Ouders beschikten over onvoldoende geld en daarom heeft [verweerster] geld voorgeschoten dat ouders aan haar hebben terugbetaald door geld van hun bankrekening op die van [verweerster] over te maken. Omdat [verweerster] deze kosten vóór 2011 heeft voldaan en [eiser] pas in 2019 heeft gesteld dat [verweerster] onrechtmatig bedragen heeft onttrokken, kan [verweerster] geen bankafschriften meer overleggen waaruit volgt welke kosten zij voor ouders heeft voorgeschoten.
5.22.
Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat moeder in de periode 1 januari 2011 tot haar overlijden [in] 2015 wilsbekwaam was. [eiser] heeft aangevoerd dat dit er niet aan in de weg staat dat de onttrekkingen onrechtmatig zijn of zonder rechtsgrond zijn geschied. Omdat [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat de onttrekkingen onrechtmatig dan wel zonder rechtsgrond zijn geschied, rust op hem de stelplicht en bewijslast hiervan. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking van [verweerster] . Voor zijn stelling dat niet ouders maar [verweerster] de onder 5.19 genoemde betalingen heeft verricht, heeft [eiser] naar het oordeel van het hof onvoldoende gesteld. [verweerster] heeft immers gemotiveerd betwist dat moeder haar financiën niet zelf regelde. Zij heeft bovendien betwist dat zij vóór januari 2015 toegang had tot de bankrekeningen van haar ouders. [eiser] heeft in dit verband verwezen naar een verklaring van [kind 1] , maar deze verklaring wordt genuanceerd door [verweerster] die er op heeft gewezen dat [kind 1] eveneens heeft verklaard
“Pincode intoetsen deed ze trouwens zelf, die deelde ze niet met me. Mijn oma was in alle opzichten een sterke vrouw”.Daarnaast staan tegenover deze verklaringen de drie door [verweerster] overgelegde verklaringen waaruit naar voren komt dat moeder zelf haar financiën regelde. Dat bij één overboeking staat vermeld dat deze door [kind 1] is gedaan, maakt niet dat hieruit de gerechtvaardigde conclusie is af te leiden dat moeder niet zelfstandig kon internetbankieren en dat (dus) deze betalingen door [verweerster] zijn gedaan. De stelling van [eiser] dat [verweerster] beschikte over de creditcard van ouders is, gelet op de betwisting door [verweerster] , onvoldoende onderbouwd, zodat ook dit niet is komen vast te staan. Nu er verder geen aanwijzingen zijn dat [verweerster] desondanks zonder medeweten van ouders geld heeft opgenomen van de bankrekening van ouders of geld heeft overgeboekt van hun bankrekening naar haar eigen rekening of met het geld van ouders aankopen heeft gedaan voor zichzelf, heeft [eiser] zijn stelling ten aanzien van onrechtmatige onttrekkingen over de periode 1 onvoldoende onderbouwd. Als er in deze eerste periode al betalingen ten gunste van [verweerster] zijn gedaan zonder dat het een terugbetaling betrof of daar een tegenprestatie tegenover stond, heeft bovendien te gelden dat deze betalingen daarmee nog niet onverschuldigd zijn gedaan of dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Vast staat immers dat moeder in deze periode volledig wilsbekwaam was, zodat het ervoor moet worden gehouden dat ouders in dat geval deze betalingen aan- of ten behoeve van [verweerster] hebben willen voldoen. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat deze betalingen alsdan zonder rechtsgrond/onrechtmatig zijn geschied of dat [verweerster] alsdan door deze betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook met de rechtbank van oordeel dat er geen terugbetalingsverplichting voor [verweerster] bestaat ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2011 tot 23 mei 2015. Grief 2 faalt mitsdien.
5.23.
[eiser] heeft aangeboden te bewijzen dat alle vaste lasten van ouders automatisch van hun bankrekening werden afgeschreven. Zelfs als dit komt vast te staan, wil dat echter nog niet zeggen dat betalingen ten behoeve van [verweerster] onrechtmatig zijn gedaan, onverschuldigd aan haar zijn betaald of dat zij door deze betalingen onrechtvaardig is verrijkt. Nu dit bewijsaanbod daarmee niet ter zake dienend is, gaat het hof hieraan voorbij.
Grief 3: het bedrag vanaf 23 mei 2015 tot 5 september 2018 (periode 2) én het bedrag na overlijden van vader (periode 3)
5.24.
[eiser] stelt dat in periode 2 een bedrag van € 43.552,28 onrechtmatig is uitgegeven vanaf de bankrekening van vader en verdeelt deze grief onder in de volgende drie sub-grieven.
De bedragen die [verweerster] na het overlijden van moeder ten laste van haar eigen vermogen heeft uitgegeven ten behoeve van vader althans de nalatenschap (grief 3.1)
5.25.
Volgens [eiser] heeft de rechtbank in r.o. 3.9 tot en met 3.13 van het vonnis van 9 oktober 2024 ten onrechte geoordeeld dat het door [verweerster] vanaf haar eigen bankrekening betaalde bedrag van € 34.917,85 volledig ten behoeve van vader althans diens nalatenschap is betaald. Volgens [eiser] heeft [verweerster] van dit bedrag tenminste voor een totaalbedrag van € 21.671,- uitgegeven ten behoeve van zichzelf. Het betreft de volgende uitgaven en bedragen:
- ICS/Bijenkorf € 2.534,41
- Bijenkorf € 1.100,57
- Bijenkorf € 1.166,49
- hotel Barcelona € 1.540,16
- vakantie Barcelona € 2.229,50
- bagagetoeslag € 200,-
- overboeking op rekening [verweerster] € 223,-
- kleding Sissy-Boy en CP 113 € 873,85
- Brakenhof
(periode 2)€ 4.750,-
- Brakenhof
(periode 3)€ 7.053,05
5.26.
[verweerster] heeft volgens [eiser] dus niet een bedrag van € 34.917,85 aan kosten voor vader gemaakt, maar maximaal een bedrag van € 13.246,72 (€ 34.917,85 -/- € 21.671,13). Zij had zichzelf dus ook niet mogen compenseren door in periode 2 ter terugbetaling van de door haar gemaakte kosten een bedrag van € 19.655,- van de bankrekening van vader over te boeken naar haarzelf, laat staan dat zij nog een vordering op de nalatenschap heeft (zie ook grief 3.2 van [eiser] ).
5.27.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer.
5.28.
Wat de (kleding)uitgaven betreft die door [verweerster] bij de Bijenkorf zijn gedaan (€ 2.534,41 +€ 1.100,57 + € 1.166,49 +) en bij Sissy-Boy CP 113 (€ 873,85) stelt [eiser] dat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat op [verweerster] de bewijslast rust dat deze uitgaven ten behoeve van vader zijn gedaan, temeer omdat [eiser] dit heeft betwist. Nu [verweerster] hierin niet is geslaagd, dienen deze kosten volgens [eiser] voor haar eigen rekening te komen.
5.29.
Naar het oordeel van het hof heeft [verweerster] voldoende onderbouwd dat het bedrag van € 2.534,41 dat zij aan ICS/Bijenkorf heeft voldaan een nog openstaand bedrag betrof van de Bijenkorfkaart van moeder, waarover [verweerster] niet kon beschikken. Het hof verwijst daartoe naar randnummer 60 van de akte van 17 april 2024 van [verweerster] in eerste aanleg. [eiser] heeft deze stellingen van [verweerster] onvoldoende gemotiveerd bestreden. Het hof is verder met de rechtbank van oordeel dat de uitgaven aan kleding voor vader van in totaal € 3.140,91 (€ 1.100,57 + € 1.166,49 + € 873,85) over een periode van ruim drie jaar tot het normale uitgavenpatroon kunnen worden gerekend waarover [verweerster] geen uitleg hoeft te geven. Dit geldt eens temeer nu [verweerster] onbetwist heeft gesteld dat vader de laatste jaren van zijn leven ernstig afviel, [eiser] ter zitting heeft verklaard tijdens het leven van vader niet aan [verweerster] te hebben gevraagd hoe de kleding van vader werd geregeld, sinds het overlijden van vader een geruim aantal jaren is verstreken en het onder die omstandigheden niet van [verweerster] kan worden verwacht meer duidelijkheid te verschaffen dan zij nu heeft gedaan. Daarbij heeft bovendien te gelden dat [verweerster] deze door haar gemaakte kosten heeft opgevoerd als verweer tegen de stelling van [eiser] dat [verweerster] in periode 2 zonder rechtsgrond dan wel onrechtmatig een bedrag van € 19.655,- aan de bankrekening van vader heeft onttrokken en dus als verweer tegen de door [eiser] gestelde onrechtmatigheid en/of het ontbreken van een rechtsgrond.
De bewijslast van die gestelde onrechtmatigheid en/of het ontbreken van een rechtsgrond rust daarmee niet op [verweerster] , maar op [eiser] . Dit betekent dat het voor [verweerster] voldoende is om aannemelijk te maken dat zij deze uitgaven ten behoeve van vader heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof is zij daarin geslaagd. Grief 3.1 slaagt op dit punt dan ook niet.
5.30.
Wat de uitgaven voor Barcelona betreft (€ 2.229,50 + € 1.540,16 + € 200,-) stelt [eiser] dat uit geen enkel bewijsstuk blijkt dat ouders, meer in het bijzonder vader, gezegd zou(den) hebben dat zij/hij de kosten voor Barcelona voor het hele gezelschap zouden betalen. Dat kon volgens [eiser] ook niet omdat ouders dit geld niet hadden. Uit de administratie blijkt dat ouders in 2014 nog maar € 85,- op hun bankrekening hadden staan. Als je er niet over kan beschikken, kan je ook niet schenken, aldus [eiser] .
5.31.
Het hof merkt allereerst op dat de reis naar Barcelona in 2016 heeft plaatsgevonden. Moeder was al overleden, niet is gesteld of gebleken dat zij voor haar overlijden zich al over deze reis heeft uitgelaten. Met [eiser] is het hof van oordeel dat [verweerster] inderdaad onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat vader de kosten van de reis naar Barcelona voor [verweerster] , [kind 1] en zijn vriendin volledig wilde betalen. Dat vader van deze reis heeft genoten en zich heel erg verheugde op deze reis, is daartoe onvoldoende. Bovendien heeft [verweerster] in eerste aanleg zelf aangegeven (zie randnummer 65 van haar conclusie van antwoord):
“ [verweerster] heeft toen, vervoer, hotelovernachtingen maar ook alle uitgaven ter plekke (zoals excursies, eten/drinken, entree musea, etc) voor haar rekening genomen. […] In dit verband betwist [verweerster] nadrukkelijk dat vader deze vakantie (indirect) zelf betaald zou hebben door bedragen aan [verweerster] over te boeken.” In haar akte van 17 april 2024 in eerste aanleg heeft [verweerster] dit standpunt onder randnummer 60 grotendeels herhaald. Tot slot staat tussen partijen niet ter discussie dat vader de vliegtickets voor deze vakantie heeft voldaan. Het is dus niet zo dat vader in het geheel niet heeft bijgedragen aan deze vakantie. Dit betekent dat op dit onderdeel grief 3.1 van [eiser] slaagt. De door [verweerster] opgevoerde kosten van deze vakantie van (€ 2.229.50 + € 1.540,16 + € 200,- =) € 3.969,55 kunnen daarmee niet aan (de nalatenschap van) vader worden toegerekend.
5.32.
Ten aanzien van de overboeking van € 223,- waarvan [eiser] heeft gesteld dat [verweerster] dit ten onrechte heeft geadministreerd als een ten behoeve van vader uitgegeven bedrag geldt dat [eiser] zijn grief op dit onderdeel in het geheel niet heeft onderbouwd. Het hof zal hieraan daarom voorbijgaan, temeer nu [eiser] in eerste aanleg dit bedrag zelf in de akte van 6 maart 2024 onder randnummer 125 voorwaardelijk heeft erkend als uitgegeven aan c.q. ten behoeve van vader.
5.33.
Wat de opslagkosten bij Brakenhof (€ 4.750,- in periode 2 en € 7.073,05 in periode 3) betreft stelt [eiser] dat [verweerster] deze kosten niet ten behoeve van vader heeft uitgegeven, omdat zij deze opslag al op haar eigen naam huurde voordat vader en zelfs voordat moeder overleed. Nergens blijkt uit dat de inboedelgoederen die op de door [verweerster] overgelegde lijsten staan zich ook daadwerkelijk in de opslag bevonden. Voor zover deze goederen zich wel in die opslag bevonden, is het [verweerster] die dat zelf, zonder overleg met [eiser] , heeft besloten. Daarom dienen volgens [eiser] de opslagkosten door [verweerster] te worden gedragen. Zij had hoogstens een klein percentage ten laste van de nalatenschap mogen brengen. [eiser] heeft bovendien gesteld dat [verweerster] zich niet als een goed vereffenaar heeft gedragen door goederen op te slaan die weinig financiële waarde vertegenwoordigen. Sowieso was [verweerster] niet bevoegd om namens de nalatenschap een opslag te huren. In alle gevallen mogen volgens [eiser] de kosten vanaf 30 april 2025 niet ten laste van de nalatenschap worden gebracht, omdat [eiser] de opslag tegen die datum heeft opgezegd.
5.34.
[verweerster] stelt hiertegenover dat de opslag is gehuurd om de goederen van ouders na het overlijden van moeder op te slaan. Het appartement van ouders moest toen worden ontruimd. [verweerster] heeft daar alleen, zonder de hulp van [eiser] , voor moeten zorgdragen. Na het overlijden van vader zijn ook de goederen die vader nog in gebruik had in de opslag gezet. Betrekkelijk kort na het overlijden van vader heeft [verweerster] aan [eiser] gevraagd welke goederen hij uit de opslag toebedeeld wenste te krijgen en of hij de opslag leeg wilde halen. Hierop heeft hij nooit gereageerd.
5.35.
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat [verweerster] de opslag kort na het overlijden van moeder is gaan huren. [verweerster] heeft als productie 34 een mailbericht van de verhuurder overgelegd waarin de verhuurder een overzicht van alle facturen heeft gegeven. Daaruit volgt dat de eerste factuur van 26 augustus 2015 dateert. Dat is drie maanden na het overlijden van moeder. Aan het bewijsaanbod van [eiser] dat [verweerster] de opslag heeft gehuurd voordat vader verhuisde kan om die reden voorbij worden gegaan. Dat deze stelling van [eiser] juist is, geeft [verweerster] zelf aan met het door haar als productie 34 overgelegde overzicht van de verhuurder.
5.36.
Naar het oordeel van het hof is verder voldoende vast komen te staan dat [verweerster] de opslag is gaan huren om de spullen uit het appartement van ouders op te slaan. [eiser] heeft dit eerder zelf ook erkend in de procedure die in 2019/2020 ten overstaan van de kantonrechter is gevoerd. In zijn verzoekschrift tot vaststelling van een beheersregeling heeft [eiser] onder punt 7 geschreven (zie productie 1 van de zijde van [verweerster] : “
Na overlijden van Moeder [naam] , [in] 2015, is Vader [naam] derhalve bij [verweerster] ingetrokken, Het merendeel van de inboedel van het appartement van de ouders van partijen is toen opgeslagen bij de firma Brakenhoff te Beverwijk […].” Uit het testament van moeder volgt dat vader na haar overlijden het vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap heeft verkregen. Daaronder viel dus ook de onverdeelde helft van moeder in de inboedelgoederen (de andere helft in die goederen behoorde vader reeds toe). Hiermee staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de opslag is gehuurd om inboedelgoederen op te slaan die aan vader toebehoorde, althans waarvan hij het vruchtgebruik had. Dat betekent dat de kosten van deze opslag ook door hem gedragen diende te worden. Daaraan doet niet af dat [verweerster] de opslag op haar eigen naam is gaan huren. In de verhouding tussen [verweerster] en vader diende vader de kosten te dragen, omdat de opslag is gehuurd voor de opslag van goederen die aan hem toebehoorden dan wel waarvan hij het vruchtgebruik had. Dat er op enig moment ook goederen van (de kinderen van) [verweerster] in de opslag zijn geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. Dit zou er hooguit toe kunnen leiden dat [verweerster] dan wel haar kinderen een vergoeding aan vader verschuldigd zouden zijn. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te concretiseren welke vergoeding in dat verband dan redelijk zou zijn, Dit heeft hij evenwel nagelaten. In het licht daarvan kan aan het bewijsaanbod van [eiser] dat de opslag is gehuurd voor het opslaan van goederen van [verweerster] of haar kinderen dan ook worden voorbijgegaan.
5.37.
De verplichting van vader tot betaling van de huur van de opslag is na zijn overlijden blijven doorlopen en overgegaan op [eiser] en [verweerster] als rechtsopvolgers onder algemene titel. Daarbij is naar het oordeel van het hof genoegzaam komen vast te staan dat het aan [eiser] zelf te wijten is dat de huur nog zo lang heeft voortgeduurd. Op 5 september 2018 is vader overleden. [verweerster] heeft onbetwist en met stukken onderbouwd gesteld dat [eiser] pas op 11 juli 2025 heeft verzocht of hij het pasje en de toegangssleutel kon krijgen om de opslag te bezoeken, hetgeen zij nog diezelfde maand heeft geregeld. Vervolgens heeft het nog tot september 2025 geduurd voordat [eiser] liet weten welke inboedelgoederen hij wenste mee te nemen. Niet is gesteld of gebleken dat [eiser] daarbij, althans in die periode, aan [verweerster] te kennen heeft gegeven dat hij van mening was dat de waarde van de opgeslagen goederen de kosten van opslag niet rechtvaardigde. [verweerster] heeft vervolgens met het voorstel van verdeling van de goederen ingestemd en heeft de huur bij brief van 10 oktober 2025 opgezegd. Daaruit trekt het hof de conclusie dat partijen het pas eind september 2025 eens zijn geworden over de verdeling van de inboedelgoederen die in de opslag stonden. In het licht van dit alles heeft [eiser] onvoldoende gesteld om tot de conclusie te komen dat [verweerster] in de vervulling van haar verplichtingen als vereffenaar in ernstige mate is tekort geschoten, haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt en dat dit ertoe zou moeten leiden dat [verweerster] de kosten van opslag ten laste van haar eigen vermogen zou moeten voldoen.
5.38.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat [verweerster] de huurtermijnen van de opslag zowel voor als na het overlijden van vader terecht ten laste van diens vermogen c.q. de nalatenschap heeft/wil laten komen. Dit betekent dat grief 3.1 ook op dit onderdeel niet kan slagen.
5.39.
Onder randnummer 67 van zijn memorie van grieven heeft [eiser] ook nog aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de uitgaven van [verweerster] voor een vouwfiets, elektrische piano, vliegtickets en een gebitsprothese als uitgaven ten behoeve van ouders heeft gekwalificeerd. Onder randnummers 72 en 73 van zijn memorie van grieven komen deze bedragen echter niet terug bij de totale optelsom van uitgaven die volgens [eiser] niet ten behoeve van vader c.q. ouders zijn besteed. [eiser] verbindt aan zijn stellingen ten aanzien van deze uitgaven dus geen conclusie. Het hof zal deze stellingen van [eiser] reeds om die reden passeren, nog daargelaten dat het enkele feit dat de piano en vouwfiets na het overlijden van vader niet tot diens nalatenschap behoorden nog niet betekent dat deze destijds (in 2013) niet voor ouders zijn aangeschaft. Ten aanzien van de gebitsprothese stelt [eiser] dat de kosten daarvan gedekt zouden zijn door de ziektekostenverzekering, maar enige onderbouwing van zijn stelling ontbreekt.
5.40.
Onder randnummer 70 heeft [eiser] verder aangevoerd dat de kosten die hij in het kader van de vereffening c.q. afwikkeling van de nalatenschap van vader heeft gemaakt ook in de verdeling worden betrokken. Het gaat dan om een bedrag van € 1.038,- voor het opvragen van bankafschriften een bedrag van € 931,70 voor het afgeven van de verklaring van erfrecht. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 1.969,70. [eiser] heeft hier evenwel geen concrete vordering aan gekoppeld. Tijdens de mondelinge behandeling is echter namens [verweerster] aangegeven dat zij ermee instemt dat deze bedragen in de verdeling worden betrokken. Het hof gaat er dan ook van uit dat partijen dit in de afwikkeling zelf tot uitgangspunt zullen nemen.
De bedragen die [verweerster] na het overlijden van moeder tot het overlijden van vader ten laste van het vermogen van vader heeft uitgegeven (grief 3.2)
5.41.
In zijn grief 3.2 komt [eiser] op tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot (een deel van) de uitgaven die in periode 2 ten laste van het vermogen van vader zijn gedaan. Volgens [eiser] heeft de rechtbank van een aantal van die uitgaven ten onrechte geoordeeld dat deze ten behoeve van vader zijn gedaan en dus niet ten gunste van [verweerster] zijn gekomen.
5.42.
Het betreft ten eerste de overboekingen van in totaal € 19.655,- die in deze tweede periode van de bankrekening van vader naar de bankrekening van [verweerster] zijn overgeboekt. [verweerster] heeft gesteld dat deze overboekingen zijn gedaan omdat zij tal van kosten voor vader heeft betaald. De overboekingen van in totaal € 19.655,- zijn een vergoeding voor deze kosten. Het totaal van die kosten bedroeg € 34.917,85, welk bedrag [eiser] in griefonderdeel 3.1 heeft bestreden. In griefonderdeel 3.1 heeft [eiser] betoogd dat deze kosten slechts € 13.246,72 bedroegen. Van het totaal door [verweerster] overgeboekte bedrag van € 19.655,- is daarmee een bedrag van € 6.408,28 onrechtmatig door haar aan het vermogen van vader onttrokken.
5.43.
Hiervoor heeft het hof reeds geoordeeld dat op de totale kosten van € 34.917,85 die [verweerster] heeft opgevoerd en die de rechtbank heeft overgenomen, een bedrag van € 3.969,55 in mindering moet worden gebracht omdat de kosten voor de reis naar Barcelona die [verweerster] heeft voldaan niet aan vader kunnen worden toegerekend. Dat betekent dat ervan uit moet gegaan dat [verweerster] niet een bedrag van € 34.917,85 heeft voldaan dat ten laste van (de nalatenschap van) vader diende te komen, maar een bedrag van € 30.948,30. Hieruit volgt dat, anders dan [eiser] in griefonderdeel 3.2 betoogt, er nog steeds een grondslag voor [verweerster] bestond om in periode 2 een bedrag van € 19.655,- ten laste van de bankrekeningen van vader aan zichzelf over te boeken. Dat geldt te meer nu een groot deel van de uitgaven die [verweerster] voor vader heeft gedaan ook in die tweede periode (dus vóór het overlijden van vader) door haar zijn gedaan. Dit onderdeel van grief 3.2 slaagt daarmee niet.
5.44.
[eiser] grieft voorts tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] de uitgaven die zij in periode 2 met de creditcard van vader (€ 2.250,-) en met diens pinpas ( € 1.673,16) heeft gedaan voldoende heeft verantwoord en dat deze derhalve buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Ook is [eiser] van mening dat [verweerster] het bedrag van € 600,- dat zij heeft overgeboekt naar haar dochter niet kan verantwoorden. Tot slot, zo begrijpt het hof het standpunt van [eiser] , heeft [verweerster] nog ten onrechte een doorlopende reisverzekering van € 118,15 ten behoeve van haarzelf ten laste van het vermogen van vader laten komen.
5.45.
Ten aanzien van de cashopnames met de creditcard van € 2.250,- en de pinopnames van € 1.673,16 is het hof van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd waarom de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerster] deze posten voldoende heeft verantwoord. Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat de rechtbank ten onrechte is meegegaan in het standpunt van [verweerster] dat het geld van deze cashopnames is gebruikt voor uitjes door en met en hobby’s van vader, volgt het hof [eiser] niet. [verweerster] heeft haar standpunt tegenover de blote betwisting door [eiser] voldoende onderbouwd met de in het geding gebrachte verklaringen van [kind 1] , [kind 2] en medewerkers van het verpleeghuis.
5.46.
Wat betreft de overboeking van € 600,- stelt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [verweerster] voor deze overboeking geen verantwoording is verschuldigd, omdat het een overboeking door vader aan de dochter van [verweerster] is. Volgens [eiser] dient [verweerster] wel rekening en verantwoording af te leggen. Vader was immers dement en [verweerster] voerde het beheer over zijn vermogen, zij maakte zomaar € 600,- over aan haar dochter. Het hof ziet dit anders en overweegt daartoe dat, nu reeds geruime tijd is verstreken sinds voornoemd bedrag is overgemaakt, niet meer valt na te gaan of vader wel of niet zijn kleindochter een bedrag wilde overmaken voor - de volgens [verweerster] - geleverde mantelzorg. Nu het bovendien om een relatief klein bedrag gaat en het niet aan [verweerster] zelf ten goede is gekomen, is het hof het met de rechtbank eens dat [verweerster] nu - (ten minste) zo’n acht jaar na de overboeking - over dit bedrag geen verantwoording meer hoeft af te leggen.
5.47.
Ten aanzien van de doorlopende reisverzekering van € 118,15 is het hof van oordeel dat deze inderdaad niet ten laste van het vermogen van vader gebracht had mogen worden. Het betrof een reisverzekering ten behoeve van [verweerster] en het hof heeft hiervoor reeds geoordeeld dat en waarom de kosten voor de reis naar Barcelona voor [verweerster] , haar zoon en zijn vriendin door haarzelf dienden te worden gedragen. Dit betekent dat [verweerster] dit bedrag ten onrechte ten laste van het vermogen van vader heeft voldaan.
5.48.
Voor zover [eiser] ten slotte heeft willen aanvoeren dat [verweerster] voor een totaalbedrag van € 21.605,- (zie randnummer 81 van zijn memorie van grieven) aan webshopaankopen voor zichzelf ten laste van het vermogen van vader heeft uitgegeven (in plaats van het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 19.168,97), overweegt het hof dat [eiser] zich in eerste instantie op het standpunt heeft gesteld dat [verweerster] voor een totaalbedrag van € 19.168,97 aan webshopaankopen heeft gedaan die zij niet kan verantwoorden en de rechtbank ook van dit bedrag is uitgegaan. In hoger beroep heeft [eiser] in zijn overzicht een bedrag van € 21.605,- vermeld, zonder het verschil van € 2.436,03 te onderbouwen. Het hof gaat hier dan ook aan voorbij.
5.49.
Concluderend komt het hof tot het oordeel dat grief 3.2 alleen slaagt ten aanzien van de post ‘reisverzekering’ van € 118,15. Voor het overige slaagt deze grief van [eiser] niet.
De bedragen die [verweerster] na het overlijden van vader heeft uitgegeven (grief 3.3)
5.50.
Deze grief betreft kosten die [verweerster] na het overlijden nog ten laste van de nalatenschap heeft gedaan. [eiser] stelt in griefonderdeel 3.3 dat hij het eens is met het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] in deze periode uitgaven heeft gedaan waarvan zij een bedrag van € 1.817,58 niet kan verantwoorden en dat zij dit bedrag daarom aan de nalatenschap moet vergoeden. [eiser] geeft aan dat het weliswaar geen grief betreft tegen een oordeel van de rechtbank, maar dat dit bedrag moet worden meegenomen in de optelsom van bedragen die [verweerster] aan de nalatenschap is verschuldigd.
5.51.
Nu [eiser] geen grief richt tegen het oordeel van de rechtbank op dit punt, hoeft het hof hierover ook niet te oordelen.
Conclusie grief 3
5.52.
Met zijn derde grief is [eiser] opgekomen tegen de beslissing van de rechtbank dat [verweerster] een bedrag van € 29.112,05 aan de nalatenschap dient te voldoen en dat zij nog een vordering op de nalatenschap heeft van € 16.834,80. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, volgt dat het hof de beslissingen van de rechtbank die hieraan ten grondslag liggen grotendeels in stand laat, behoudens voor wat betreft de kosten voor de reis naar Barcelona. Ten aanzien van die reis is het hof van oordeel dat de kosten van € 3.969,55 die [verweerster] heeft gemaakt niet ten laste van (de nalatenschap van) vader kunnen worden gebracht. De kosten voor de reisverzekering van [verweerster] van € 118,15 zijn ten onrechte door vader betaald. Dit betekent dat [verweerster] nog een vordering op de nalatenschap heeft van € 12.865,25 (€ 16.834,80 -/- € 3.969,55) en dat zij aan de nalatenschap nog een bedrag van € 29.230,20 (€ 29.112,05 + € 118,15) dient te betalen. Per saldo is [verweerster] aan de nalatenschap dus nog een bedrag van € 16.364,95 verschuldigd.
Grief 4: verbeurdverklaring op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro
5.53.
In zijn vierde grief komt [eiser] op tegen de beslissing die de rechtbank heeft genomen over zijn beroep op artikel 3:194 lid 2 BW Pro. De grief is onderverdeeld in drie subgrieven, waarop het hof in het hierna volgende afzonderlijk zal ingaan.
Verbeurdverklaring vordering op [verweerster] en/of haar kinderen met betrekking tot geldlening (grief 4 sub I)
5.54.
In subgrief 4.1 stelt [eiser] dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op artikel 3:194 lid 2 BW Pro ten aanzien van de leningen aan [verweerster] en haar kinderen heeft afgewezen. Volgens [eiser] heeft [verweerster] nagelaten te melden dat de nalatenschap nog een vordering op haar had uit hoofde van de tussen haar en ouders aangegane leenovereenkomsten. Datzelfde geldt voor de vordering uit hoofde van lening die ouders hadden op de kinderen van [verweerster] en hun huisgenoot. Dit terwijl er herhaaldelijk tussen [eiser] en [verweerster] is gesproken en geschreven over de omvang van de nalatenschap. [verweerster] heeft nota bene zelf meermalen te kennen gegeven dat er niets meer te verdelen was. Zij heeft daarmee willens en wetens zowel de leningen, als het feit dat deze nog niet waren afbetaald, voor [eiser] verborgen gehouden.
5.55.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer.
5.56.
Het hof overweegt dat de vordering op [verweerster] en die op haar kinderen en hun huisgenoot uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten bestanddelen zijn van de nalatenschap. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:194 lid 2 BW Pro verbeurt een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende bestanddelen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel hierin aan de andere deelgenoten. Tussen partijen is in geschil of [verweerster] de leningen aan haar en haar kinderen en hun huisgenoot heeft verzwegen of verborgen heeft gehouden.
5.57.
Het is aan [eiser] die zich beroept op de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW Pro om te stellen en - gezien het verweer van [verweerster] - gemotiveerd te onderbouwen dat [verweerster] opzettelijk de vorderingen van ouders uit hoofde van de leenovereenkomsten heeft verzwegen dan wel verborgen heeft gehouden. Daarvoor is, anders dan [eiser] naar voren heeft gebracht, vereist dat [verweerster] daadwerkelijk wist dat de vorderingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomsten tot de nalatenschap behoorden (zie HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:565). Hetgeen [eiser] naar voren heeft gebracht, legt naar het oordeel van het hof onvoldoende gewicht in de schaal om te oordelen dat dit het geval is. Het hof heeft in reactie op grief 1 van [eiser] reeds geoordeeld dat een groot deel van de door ouders aan [verweerster] overgemaakte bedragen geen leningen betreft. Ten aanzien van die bedragen bestond dus geen “meldingsplicht”. Ten aanzien van de overboekingen waarvan het hof (net als de rechtbank) heeft geoordeeld dat dit (wel) leningen betreffen, is duidelijk geworden dat [verweerster] van mening was dat zij alle bedragen die zij van haar ouders had geleend had afgelost dan wel dat ouders openstaande bedragen hadden kwijtgescholden. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat ouders in de periode 2012-2013 verschillende bedragen aan [verweerster] hebben overgemaakt, waarvan een deel wel, en een deel niet als lening kwalificeerde. Deze bedragen werden bovendien aan [verweerster] betaald in een periode waarin zij ernstig ziek was en voor behandeling in de Verenigde Staten verbleef. Vanwege het wisselende karakter van de betalingen die in die periode hebben plaatsgevonden en de persoonlijke omstandigheden van [verweerster] in die periode, is het niet vreemd dat [verweerster] jaren later (toen [eiser] naar de omvang van de nalatenschap informeerde) niet meer helder had welke bedragen er in die periode precies aan haar waren betaald, wat het karakter van de betalingen was geweest en welke aflossingen zij had verricht. Pas in deze procedure is daar helderheid over gekomen en is daarover een beslissing genomen. Van een opzettelijk verzwijgen van de vordering van ouders (en daarmee een bestanddeel van de nalatenschap) is onder deze omstandigheden naar het oordeel van het hof geen sprake. Dit geldt evenzo ten aanzien van de leenovereenkomst tussen ouders en de kinderen van [verweerster] en hun huisgenoot. Niet is gebleken dat [verweerster] wist dat dit een openstaande lening betrof, nog daargelaten of het aan [verweerster] is deze leenovereenkomst waarbij zij niet zelf bij betrokken is, te melden. Gelet op al het vorenstaande faalt de grief op dit onderdeel.
Verbeurdverklaring overige transacties vóór het overlijden van moeder (grief 4 sub 2)
5.58.
Volgens [eiser] heeft [verweerster] ook een bedrag van € 50.749,51 verbeurd. Dat bedrag heeft (ook) betrekking op periode 1. Dat is de periode dat ouders beiden nog leefden. [eiser] voert hiertoe aan dat [verweerster] in de periode 2011 tot het overlijden van moeder [in] 2015 dit bedrag zonder rechtsgrond of titel van de bankrekening van ouders naar haar eigen bankrekening heeft overgemaakt, hetgeen deze vermogensverschuiving onrechtmatig maakt. Als gevolg van deze onrechtmatige onttrekkingen is een vordering op [verweerster] ontstaan. Ook deze vordering valt in de nalatenschap en ook ten aanzien van deze vordering geldt dat [verweerster] deze heeft verzwegen dan wel verborgen gehouden, zodat zij haar aandeel in deze vordering heeft verbeurd, aldus [eiser] .
5.59.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer.
5.60.
Het hof heeft in r.o. 5.22 reeds geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van onrechtmatige onttrekkingen in de periode 2011 tot 23 mei 2015. Hiermee vervalt de feitelijke grondslag aan het beroep van [eiser] op artikel 3:194 lid 2 BW Pro van [eiser] . Griefonderdeel 4.2 faalt dan ook.
Verbeurdverklaring transacties na overlijden moeder en na overlijden vader (grief 4 sub 3)
5.61.
In griefonderdeel 4.3 voert [eiser] aan dat [verweerster] naar zijn mening over de periodes 2 en 3 vanwege onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen van vader per saldo een bedrag van € 32.035,14 aan de nalatenschap is verschuldigd. Volgens [eiser] heeft [verweerster] deze vordering verzwegen en vanwege haar handelen haar aandeel in deze vordering van de nalatenschap verbeurd aan [eiser] .
5.62.
Het hof volgt [eiser] niet in zijn betoog. Ten eerste volgt uit hetgeen het hof hiervoor onder grief 3 heeft overwogen dat [verweerster] aan de nalatenschap geen bedrag van € 32.035,14 is verschuldigd, maar een bedrag van per saldo € 16.364,95. [verweerster] kan dus hooguit haar aandeel in dit bedrag aan [eiser] zijn verbeurd. Het hof is evenwel van oordeel dat dit niet geval is. Vast staat dat gedurende een lange periode de financiën van ouders c.q. vader enerzijds en [verweerster] anderzijds volledig door elkaar hebben gelopen. In die periode zijn er tal van uitgaven voor [verweerster] ten laste van het vermogen van ouders c.q. vader gedaan, en zijn er omgekeerd tal van uitgaven ten laste van het vermogen van [verweerster] ten gunste van vader betaald. Omdat het om veel transacties ging gedurende een lange periode en [verweerster] in die periode niet heeft bijgehouden wat er door wie precies is betaald, is zij het overzicht kwijtgeraakt. Pas in deze procedure is duidelijk geworden welke betalingen er over en weer precies zijn gedaan en wie er per saldo nog van de ander een bedrag te vorderen heeft. Onder deze omstandigheden is het hof het met de rechtbank eens dat niet kan worden vastgesteld dat [verweerster] al eerder wist dat de nalatenschap per saldo een vordering op haar had. Daarmee kan dus evenmin worden vastgesteld dat zij de vordering opzettelijk heeft verzwegen. Het had weliswaar op de weg van [verweerster] gelegen een betere administratie van het beheer van het vermogen en van de nalatenschap bij te houden, maar het hof ziet in de onzakelijke manier waarop [verweerster] het vermogen van vader en de nalatenschap heeft beheerd geen aanleiding om de sanctie van verbeurdverklaring op te leggen. Ook grief 4 sub 3 slaagt daarom niet.
Grief 5 (voorwaardelijk): afgifte facturen en/of deskundigenbericht
5.63.
[eiser] vordert dat, voor het geval het hof oordeelt dat bepaalde uitgaven rechtmatig zijn, althans niet vast staat dat de genoemde bedragen onrechtmatig zijn uitgegeven, [verweerster] moet worden veroordeeld bescheiden over te leggen waaruit het bestaan van de rechtmatigheid blijkt dan wel dat het hof een deskundigenbericht beveelt, waarbij de deskundige kan rapporteren over waar de uitgaven betrekking op hebben. Deze voorwaardelijke vordering ziet blijkens randnummer 102 van de memorie van grieven op de hierna genoemde uitgaven/onttrekkingen:
- overboekingen van de rekening van ouders naar [verweerster] rekening € 42.642,50
- webshopaankopen voor [verweerster] (in totaal) € 3.958,94
- cash- en pinopnames (in totaal) € 6.810,-
- vliegtickets USA/huurvakantiebestemming Malta € 1.349,07
- Apple store uitgave € 1.299,-
- collegegeld [kind 2] € 708,40
- overboekingen van rekening ouders naar [verweerster] rekening € 19.655
- webshopaankopen voor [verweerster] (in totaal) € 21.605,-
- cashopnames met creditcard € 2.250,-
- cashopnames met pinpas € 1.673,16
- doorlopende reisverzekering [verweerster] € 118,15
- abonnement Marie Claire € 57,-
- overboeking [kind 2] € 600,-
- overboeking rekening [verweerster] € 1.000,-
- aankopen webshops Zalando en Showroom privé € 822,58
5.64.
Daarnaast vordert [eiser] ook voorwaardelijk dat [verweerster] wordt veroordeeld om bescheiden over te leggen, althans dat een deskundigenbericht wordt bevolen, met betrekking tot de uitgaven van € 34.917,85 die zij ten behoeve van vader stelt te hebben gedaan.
5.65.
[verweerster] voert gemotiveerd verweer.
5.66.
Het hof stelt voorop dat voor dat deel van de overboekingen/onttrekkingen ten laste van het vermogen van vader waarvan door de rechtbank of het hof is vastgesteld dat deze zonder rechtsgrond hebben plaatsgevonden, een bevel tot het overleggen van nadere bescheiden dan wel het gelasten van een deskundigbericht niet aan de orde is.
Ten aanzien van de overboekingen/onttrekkingen waarvan het hof bij behandeling van de hiervoor gaande grieven heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat deze onrechtmatig dan wel zonder rechtsgrond zijn geweest, ziet het hof in hetgeen [eiser] heeft gesteld onvoldoende aanleiding om te bepalen dat stukken moeten worden overgelegd dan wel dat een deskundige hierover een bericht opstelt. Op basis van de reeds in deze procedure naar voren gebrachte stellingen, het gemotiveerde verweer van [verweerster] , haar toelichting op de uitgaven, alsmede de door partijen overgelegde stukken heeft het hof reeds een oordeel kunnen vormen over de rechtmatigheid van de overboekingen en onttrekkingen. Het overleggen van stukken of gegevens is in die zin niet relevant voor de beoordeling van het geschil in deze zaak. Dit geldt evenzo ten aanzien van een deskundigenonderzoek. Het hof zal dan ook de voorwaardelijke vorderingen onder I bij gebrek aan belang afwijzen.
Hetzelfde geldt voor hetgeen [eiser] onder voorwaardelijk II heeft gevorderd, welke vordering betrekking heeft op het door [verweerster] ten behoeve van (de nalatenschap van) vader betaalde bedrag van in totaal € 34.917,85. Ook ten aanzien van dit bedrag heeft het hof op basis van de reeds in deze procedure naar voren gebrachte stellingen, de toelichting van [verweerster] op deze uitgaven, alsmede de door haar overgelegde stukken (zie met name productie 27, 28 en 29 van de zijde van [verweerster] ) reeds een oordeel kunnen vormen over de vraag of deze uitgaven door (de nalatenschap van) vader gedragen dien(d)en te worden.
Rekening en verantwoording, vernietiging schenking, aanvullende legitieme portie en verdeling (randnummer 108)
5.67.
[eiser] geeft in randnummer 108 van zijn memorie van grieven aan dat hij handhaaft al hetgeen hij in eerste aanleg heeft gesteld en gevorderd met betrekking tot de rekening en verantwoording, de vernietiging van schenkingen en zijn aanspraak op zijn legitieme portie aanvullend op het erfdeel. Daarbij heeft hij aangekondigd op de mondelinge behandeling een voorstel tot verdeling alsmede een berekening te presenteren wat betreft de omvang van zijn erfdeel en de aanvullende legitieme portie.
5.68.
[verweerster] heeft aangevoerd dat hetgeen [eiser] in randnummer 108 heeft gesteld niet als grief kwalificeert.
5.69.
Het hof overweegt dat de omvang van het hoger beroep mede wordt bepaald door het door de grieven ontsloten gebied. Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Die gronden moeten behoorlijk naar voren zijn gebracht in het geding, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren. Indien is volstaan met een verwijzing naar of herhaling van hetgeen in eerste aanleg is gesteld, hangt het af van de omstandigheden van het geval of aan deze eis is voldaan. Naar het oordeel van het hof is in dit geval de enkele verwijzing door [eiser] naar hetgeen in eerste aanleg is gesteld niet voldoende. De rechtbank heeft immers in zijn vonnissen uitvoerig gemotiveerd waarom de vorderingen van [eiser] niet toegewezen kunnen worden. Van [eiser] had verwacht mogen worden dat hij zou hebben aangegeven welke onderdelen van die motivering hij bestrijdt (en welke niet). Daarnaast zijn in deze procedure in eerste aanleg veel en omvangrijke stukken gewisseld. Het had daarom op de weg van [eiser] gelegen om op zijn minst aan te geven op welke stellingen hij doelde en waar deze in de processtukken in eerste aanleg zijn terug te vinden. Dit alles geldt te meer nu [verweerster] heeft aangegeven dat zij in hetgeen [eiser] in randnummer 108 naar voren heeft gebracht niet als een (voldoende kenbare) grief heeft begrepen. Het hof stelt verder vast dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling ook geen nadere inhoudelijke toelichting heeft gegeven op de onderwerpen die hij in randnummer 108 van zijn memorie van grieven heeft genoemd. Evenmin heeft hij het daar aangekondigde voorstel en/of een berekening gepresenteerd. Dit alles betekent dat naar het oordeel van het hof de beslissing van de rechtbank over de rekening en verantwoording, de vernietiging van de schenkingen en de legitieme portie geen onderdeel uitmaakt van de rechtsstrijd in hoger beroep. De vorderingen van [eiser] die daarop betrekking hebben, zullen om die reden dan ook afgewezen worden.
Proceskosten
5.70.
[eiser] vordert [verweerster] te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen. In het feit dat deze procedure ziet op een geschil tussen een broer en zus over de nalatenschap van hun ouders, ziet het hof echter aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
5.71.
[eiser] vordert het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Anders dan in eerste aanleg, heeft [verweerster] hier in hoger beroep geen verweer tegen gevoerd. Het hof kan niet vaststellen of de omstandigheden die [verweerster] in eerste aanleg heeft gevoerd, thans nog (in gelijke mate) aanwezig zijn. Om die reden zal het hof de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring toewijzen.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
vernietigt de vonnissen waarvan hoger beroep en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
6.2.
veroordeelt [verweerster] om een bedrag van € 29.230,20 te voldoen aan de nalatenschap;
6.3.
verklaart voor recht dat [verweerster] een vordering heeft op de nalatenschap van € 12.865,25 en dat zij deze mag verrekenen met de vordering van de nalatenschap op haar;
6.4.
deelt in het kader van verdeling van de nalatenschap aan [eiser] en [verweerster] ieder voor de helft toe de vordering van de nalatenschap op [kind 1] en [kind 2] en hun huisgenoot;
6.5.
bekrachtigt voor het overige het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
6.6.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
6.7.
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. T.M. Subelack, mr. R.M. Troost en mr. M. Overmars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.