Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
4.Vordering in hoger beroep
periode 2) heeft betaald aan allerlei uitgaven voor vader die [verweerster] voor haar rekening heeft genomen, die volgens verklaring van [verweerster] € 19.567,33 bedragen en volgens de bankafschriften € 19.655,- alsmede de bankafschriften van deze betalingen waaruit blijkt dat [verweerster] dit bedrag heeft voorgeschoten;
5.Beoordeling
Cliënte[hof: [verweerster] ]
is behandeld in Amerika wegens haar ziekte. Dat is terugbetaald.” Hij heeft vervolgens op vraag van de rechter of is gedocumenteerd dat is afgelost geantwoord “
dat blijkt uit de bankafschriften. 500 euro per maand wordt er afgelost.”. [eiser] betoogt dat uit het feit dat [verweerster] in 2020 nog doende was de lening af te lossen volgt dat het totaal door ouders aan [verweerster] overgemaakte bedrag een lening was, anders was het bedrag al lang afgelost ten tijde van de zitting bij de rechtbank. Ook volgt uit voornoemde verklaringen dat [verweerster] zelf het geld ten behoeve van medicatie als lening kwalificeert, aldus [eiser] . Daarnaast erkent [verweerster] door het overleggen van een overzicht van de door ouders aan haar overgemaakte bedragen in de periode van 1 september 2011 tot en met 23 mei 2015 (productie 10 rechtbank) indirect dat al deze bedragen zijn geleend omdat zij bij dat overzicht niet vermeld dat deze bedragen, althans een deel daarvan, schenkingen betreffen. Ten slotte betoogt [eiser] dat uit een app-bericht van [verweerster] van september 2017 blijkt dat al het aan [verweerster] overgemaakte geld een lening betreft, omdat [verweerster] in dat bericht niet schrijft dat het geld van ouders is opgegaan aan schenkingen, waar zij wel vermeldt dat het vermogen van ouders (onder andere) is verminderd door leningen.
“Als ik naast haar achter de laptop zat om haar te ondersteunen met internetbankieren, pakte ze haar boekje erbij en schreef ze alle bij- en afschrijvingen op, zodat ze alles keurig en overzichtelijk had en mijn opa hierover kon informeren.”Bovendien verwijst [eiser] naar een transactie van de bankrekening van ouders waarbij is vermeld
“overboeking door [kind 1] ”.Ook hieruit blijkt dat moeder niet zelf bedragen kon overboeken. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat geen aanwijzing bestaat dat [verweerster] zonder medeweten van ouders geld heeft overgeboekt. Volgens [eiser] ontbreekt een rechtsgrond voor de overboekingen van de bankrekening van ouders naar [verweerster] bankrekening ter grootte van € 42.642,50. Hij vindt de uitleg van [verweerster] dat het de terugbetaling betreft van geld dat zij aan ouders heeft voorgeschoten voor de inrichting van hun nieuwe appartement ongeloofwaardig, onder meer omdat ouders zelf al € 15.026,47 aan woonwinkels hebben betaald. Dat is ruim voldoende voor de inrichting van het appartement, aldus [eiser] . Daarnaast werd het appartement met een complete keuken en badkamer opgeleverd.
gebruik van jullie creditcard in Amerika ivm weigering van mijn card heel erg bedankt.”Dat zij hiervoor toestemming had, blijkt wel uit de omschrijving. Van onrechtmatig gebruik van de creditcard is nooit sprake geweest. [verweerster] betwist bovendien dat zij voor zichzelf met gebruik van de creditcard van ouders kleding heeft gekocht bij de Bijenkorf. Ze was vanaf december 2012 tot maart 2014 opgenomen in een ziekenhuis en zorghotel in de Verenigde Staten in verband met een medische behandeling vanwege een levensbedreigende tumor. Zij kon op 26 mei 2013 dus helemaal geen aankopen bij de Bijenkorf doen, nog los van het feit dat het niet aannemelijk is dat ze die spullen vervolgens in Amerika zou laten bezorgen. De vliegtickets naar Amerika hebben ouders gekocht voor [kind 1] zodat hij zijn moeder tijdens haar behandeling in Amerika kon bezoeken.
“Pincode intoetsen deed ze trouwens zelf, die deelde ze niet met me. Mijn oma was in alle opzichten een sterke vrouw”.Daarnaast staan tegenover deze verklaringen de drie door [verweerster] overgelegde verklaringen waaruit naar voren komt dat moeder zelf haar financiën regelde. Dat bij één overboeking staat vermeld dat deze door [kind 1] is gedaan, maakt niet dat hieruit de gerechtvaardigde conclusie is af te leiden dat moeder niet zelfstandig kon internetbankieren en dat (dus) deze betalingen door [verweerster] zijn gedaan. De stelling van [eiser] dat [verweerster] beschikte over de creditcard van ouders is, gelet op de betwisting door [verweerster] , onvoldoende onderbouwd, zodat ook dit niet is komen vast te staan. Nu er verder geen aanwijzingen zijn dat [verweerster] desondanks zonder medeweten van ouders geld heeft opgenomen van de bankrekening van ouders of geld heeft overgeboekt van hun bankrekening naar haar eigen rekening of met het geld van ouders aankopen heeft gedaan voor zichzelf, heeft [eiser] zijn stelling ten aanzien van onrechtmatige onttrekkingen over de periode 1 onvoldoende onderbouwd. Als er in deze eerste periode al betalingen ten gunste van [verweerster] zijn gedaan zonder dat het een terugbetaling betrof of daar een tegenprestatie tegenover stond, heeft bovendien te gelden dat deze betalingen daarmee nog niet onverschuldigd zijn gedaan of dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. Vast staat immers dat moeder in deze periode volledig wilsbekwaam was, zodat het ervoor moet worden gehouden dat ouders in dat geval deze betalingen aan- of ten behoeve van [verweerster] hebben willen voldoen. [eiser] heeft onvoldoende gesteld om ervan uit te kunnen gaan dat deze betalingen alsdan zonder rechtsgrond/onrechtmatig zijn geschied of dat [verweerster] alsdan door deze betalingen ongerechtvaardigd is verrijkt. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook met de rechtbank van oordeel dat er geen terugbetalingsverplichting voor [verweerster] bestaat ten aanzien van de periode vanaf 1 januari 2011 tot 23 mei 2015. Grief 2 faalt mitsdien.
(periode 2)€ 4.750,-
(periode 3)€ 7.053,05
“ [verweerster] heeft toen, vervoer, hotelovernachtingen maar ook alle uitgaven ter plekke (zoals excursies, eten/drinken, entree musea, etc) voor haar rekening genomen. […] In dit verband betwist [verweerster] nadrukkelijk dat vader deze vakantie (indirect) zelf betaald zou hebben door bedragen aan [verweerster] over te boeken.” In haar akte van 17 april 2024 in eerste aanleg heeft [verweerster] dit standpunt onder randnummer 60 grotendeels herhaald. Tot slot staat tussen partijen niet ter discussie dat vader de vliegtickets voor deze vakantie heeft voldaan. Het is dus niet zo dat vader in het geheel niet heeft bijgedragen aan deze vakantie. Dit betekent dat op dit onderdeel grief 3.1 van [eiser] slaagt. De door [verweerster] opgevoerde kosten van deze vakantie van (€ 2.229.50 + € 1.540,16 + € 200,- =) € 3.969,55 kunnen daarmee niet aan (de nalatenschap van) vader worden toegerekend.
Na overlijden van Moeder [naam] , [in] 2015, is Vader [naam] derhalve bij [verweerster] ingetrokken, Het merendeel van de inboedel van het appartement van de ouders van partijen is toen opgeslagen bij de firma Brakenhoff te Beverwijk […].” Uit het testament van moeder volgt dat vader na haar overlijden het vruchtgebruik van haar gehele nalatenschap heeft verkregen. Daaronder viel dus ook de onverdeelde helft van moeder in de inboedelgoederen (de andere helft in die goederen behoorde vader reeds toe). Hiermee staat naar het oordeel van het hof voldoende vast dat de opslag is gehuurd om inboedelgoederen op te slaan die aan vader toebehoorde, althans waarvan hij het vruchtgebruik had. Dat betekent dat de kosten van deze opslag ook door hem gedragen diende te worden. Daaraan doet niet af dat [verweerster] de opslag op haar eigen naam is gaan huren. In de verhouding tussen [verweerster] en vader diende vader de kosten te dragen, omdat de opslag is gehuurd voor de opslag van goederen die aan hem toebehoorden dan wel waarvan hij het vruchtgebruik had. Dat er op enig moment ook goederen van (de kinderen van) [verweerster] in de opslag zijn geplaatst, maakt het voorgaande niet anders. Dit zou er hooguit toe kunnen leiden dat [verweerster] dan wel haar kinderen een vergoeding aan vader verschuldigd zouden zijn. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te concretiseren welke vergoeding in dat verband dan redelijk zou zijn, Dit heeft hij evenwel nagelaten. In het licht daarvan kan aan het bewijsaanbod van [eiser] dat de opslag is gehuurd voor het opslaan van goederen van [verweerster] of haar kinderen dan ook worden voorbijgegaan.