Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] , Canada,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
31 maart 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over een Zwitserse bankrekening die behoorde tot de nalatenschap van een overleden erflaatster. [Eiser], zoon van de erflaatster, had met een volmacht het saldo van deze rekening overgeboekt naar rekeningen op zijn en zijn echtgenotes naam zonder dit aan [verweerder], een familielid en mede-erfgenaam, te melden. [Verweerder] stelde dat [eiser] het saldo zonder toestemming had toegeëigend en dit opzettelijk had verzwegen, waardoor hij zijn aandeel in de nalatenschap zou hebben verbeurd op grond van art. 3:194 lid 2 BW Pro.
De rechtbank en het hof oordeelden dat sprake was van opzettelijke verzwijging en verbeuring van het aandeel van [eiser]. De Hoge Raad corrigeerde het hof in zijn uitleg van het vereiste opzet, waarbij niet volstaat dat iemand behoorde te weten dat het goed tot de nalatenschap behoorde, maar dat hij dit daadwerkelijk wist. Dit deed echter niet af aan het oordeel dat [eiser] wist dat er geen schenking had plaatsgevonden en dat hij de vordering tot terugbetaling verzweeg.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat de sanctie van verbeuring niet vervalt door latere inkeer, omdat het doel is oneerlijk gedrag te ontmoedigen. Ook oordeelde de Hoge Raad dat het hof terecht de stelplicht en bewijslast heeft omgekeerd gezien de omstandigheden. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling, waarbij de kosten van het cassatiegeding tussen partijen worden gecompenseerd.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.