ECLI:NL:GHAMS:2026:1760

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
200.358.065/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 GerechtsdeurwaarderswetArt. 20 lid 3 onder e Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen tuchtmaatregel gerechtsdeurwaarder wegens onzorgvuldigheden in processen-verbaal

In deze tuchtprocedure klaagden twee ondernemingen over onjuistheden en onzorgvuldigheden in twee processen-verbaal van constatering die door een gerechtsdeurwaarder waren opgemaakt bij een horeca- en golfgelegenheid. De gerechtsdeurwaarder stelde dat hij onafhankelijk handelde en slechts feitelijke waarnemingen had gedaan.

De kamer voor gerechtsdeurwaarders had de klacht gegrond verklaard en een berisping opgelegd, maar het hof vernietigde deze maatregel en legde een lichtere maatregel van waarschuwing op. Het hof oordeelde dat de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig was geweest door onjuiste feiten en onvoldoende onderbouwde conclusies in de processen-verbaal op te nemen, zoals het onjuist citeren van vergunningvoorwaarden en het suggereren van overtredingen zonder voldoende bewijs.

Het hof vond echter geen aanwijzingen dat de gerechtsdeurwaarder bewust onwaarheden had genoteerd of zich te veel had laten leiden door zijn opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder had ook onvoldoende beschreven hoe hij tot zijn constateringen was gekomen, wat nadelig was voor de bewijsvoering. De klacht werd daarom gegrond verklaard, maar de opgelegde berisping werd vervangen door een waarschuwing. De overige kostenveroordelingen bleven in stand.

Uitkomst: De berisping wordt vernietigd en vervangen door een waarschuwing wegens onzorgvuldigheden in processen-verbaal.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.358.065/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/755064 DW RK 24/283
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 juni 2026
inzake
[appellant],
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
appellant,
tegen

1.CHI CHI THE GOLF VENUE B.V.,

2.
INSIGHT B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerden.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klagers (afzonderlijk klager sub 1 en klager sub 2) genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze tuchtprocedure verwijten klagers de gerechtsdeurwaarder dat hij onzorgvuldigheden en onjuistheden heeft opgenomen in twee processen-verbaal van constatering.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 14 augustus 2025 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 16 juli 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:61).
2.2.
Klagers hebben op 29 september 2025 een verweerschrift bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 1 april 2026. De gerechtsdeurwaarder en klagers, vertegenwoordigd door hun bestuurder [naam 1] , zijn verschenen en hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten, die tussen partijen niet in geschil zijn.
3.1.
Op 27 en 28 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder op verzoek van [naam 2] (hierna: de opdrachtgever) een proces-verbaal opgemaakt van zijn constateringen bij een horeca-/ golfgelegenheid te Groenekan die wordt geëxploiteerd door klager sub 1 (hierna: de golfclub).
3.2.
Klager sub 2 is eigenaar van klager sub 1.
3.3.
Bij e-mail van 29 juli 2024 heeft de vertegenwoordiger van klagers namens hen gemotiveerd bezwaar gemaakt tegen de inhoud van de processen-verbaal van 27 en 28 juni 2024.
3.4.
Bij e-mail van 5 augustus 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder zich op het standpunt gesteld dat hij onafhankelijk en onpartijdig optreedt en dat zijn constatering alleen bestond uit het tellen van hoofden (bezoekers) op de verschillende afdelingen.

4.De klacht

Klagers beklagen zich er, samengevat, over dat de gerechtsdeurwaarder op 27 en
28 juni 2024 een proces-verbaal van constatering heeft opgemaakt dat feitelijke onjuistheden bevat en/of informatie die onvoldoende is geverifieerd. De gerechtsdeurwaarder wekt met de processen-verbaal de indruk dat een overtreding zou zijn begaan, wat niet het geval is.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klagers gegrond verklaard en aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Daarnaast heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder veroordeeld in de kosten van klagers en tot betaling van € 1.500,- aan de kamer in verband met de kosten van de behandeling van de klacht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
5.2.
Bij de beoordeling van de klacht dient het volgende als uitgangspunt. Het opmaken van een proces-verbaal van constatering was ten tijde van het opmaken ervan geen ambtshandeling in de zin van artikel 2 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet, maar een nevenwerkzaamheid als vermeld in artikel 20 lid 3 onder Pro e van de Gerechtsdeurwaarderswet. In de memorie van toelichting op dit artikel is daarover onder meer opgenomen:

De voorgestelde bepaling strekt er uitsluitend toe dat het de gerechtsdeurwaarder als nevenactiviteit is toegestaan door hem zelf waargenomen materiele feiten in een proces-verbaal van constatering vast te leggen.”
5.3.
De wet schrijft ten aanzien van deze nevenwerkzaamheid voor dat de gerechtsdeurwaarder deze slechts verricht indien dit de goede en onafhankelijke vervulling van zijn ambt, dan wel het aanzien daarvan, niet schaadt of belemmert. Binnen deze grenzen staat het de gerechtsdeurwaarder vrij zijn eigen invulling aan de inhoud van die werkzaamheid te geven. Voor het opmaken van een dergelijke akte gelden geen bijzondere wettelijke vormvoorschriften.
Considerans processen-verbaal
5.4.
De gerechtsdeurwaarder heeft in de considerans van de processen-verbaal van 27 en 28 juni 2024 opgenomen dat zijn opdrachtgever aangrenzend woont aan de golfclub. De kamer heeft vastgesteld dat dit feitelijk niet het geval is. Klager sub 1 is in meerdere procedures verwikkeld met omwonenden waarbij het belanghebbende-begrip uitdrukkelijk onderdeel is van de discussie. Dat de opdrachtgever niet “aangrenzend” woont is volgens klagers een belangrijk criterium voor het vaststellen van belanghebbendheid in die procedures.
5.5.
Ook heeft de gerechtsdeurwaarder in de considerans van de processen-verbaal opgenomen dat zijn opdrachtgever (tevens vertegenwoordiger van andere omwonenden) veel geluidsoverlast ondervindt. De kamer heeft geoordeeld dat de term ‘geluidsoverlast’ als een juridische term kan worden aangemerkt en dat de gerechtsdeurwaarder deze term niet in een proces-verbaal moet opnemen tenzij noodzakelijk en in de juiste context.
5.6.
Voorts zijn in de considerans de voorwaarden opgesomd die zouden staan vermeld in de aan klager sub 1 verleende vergunning tot exploitatie van de golfclub. Naar het oordeel van de kamer kan daaruit de conclusie worden getrokken dat de gerechtsdeurwaarder met de latere constateringen een verband legt met deze opsommingen, terwijl het in een proces-verbaal van constatering slechts gaat om door de gerechtsdeurwaarder zelf waargenomen materiele feiten.
5.7.
De gerechtsdeurwaarder heeft in hoger beroep aangevoerd dat het op zich juist is dat de woning van zijn opdrachtgever niet direct met de achtertuin aan de golfbaan van klager sub 1 grenst, maar aan de overkant van die straat ligt. Zijn opdrachtgever ondervond als omwonende geluidsoverlast en daarom dient de term “aangrenzend” in dit geval ruimer te worden opgevat. Het ziet op elke locatie in de directe nabijheid die door het geluid wordt beïnvloed, ongeacht of er sprake is van een fysieke of kadastrale grens. Dat zijn opdrachtgever geluidsoverlast ondervond is volgens de gerechtsdeurwaarder geen juridische kwalificatie maar uitsluitend een feitelijke weergave van de persoonlijke ervaring van zijn opdrachtgever. De gerechtsdeurwaarder heeft verder aangevoerd dat hij in de considerans een samenvatting heeft opgenomen van de exploitatievergunning om context te schetsen voor de daaropvolgende constatering.
5.8.
Het hof overweegt als volgt. De gerechtsdeurwaarder heeft in de considerans opgenomen dat zijn opdrachtgever geluidsoverlast ondervindt. Dat is een weergave van de door de opdrachtgever ervaren geluidsoverlast en bevat om die reden een subjectief element. De passage kan niet worden aangemerkt als objectieve vaststelling door de gerechtsdeurwaarder dat er daadwerkelijk geluidsoverlast
is. Voor de duidelijkheid was het beter geweest als de gerechtsdeurwaarder had omschreven dat zijn opdrachtgever “hem heeft medegedeeld” dat hij geluidsoverlast ondervindt. Dat de gerechtsdeurwaarder dat niet op deze wijze heeft weergegeven is echter niet tuchtrechtelijk laakbaar, alleen al omdat er geen samenhang bestaat tussen de term geluidsoverlast en de daaropvolgende constatering. Dit geldt eveneens voor de term “aangrenzend”. De opmerking van de gerechtsdeurwaarder dat zijn opdrachtgever aangrenzend woont, is geen bouwsteen voor hetgeen hij vervolgens in het proces-verbaal constateert. De door de gerechtsdeurwaarder opgenomen opsomming van de vergunningvoorwaarden legt daarentegen wél een verbinding met de latere constateringen en is daarom tuchtrechtelijk relevant. Naar het oordeel van het hof zijn in de considerans de vergunnningvoorwaarden deels onjuist geciteerd en deels voorzien van een eigen interpretatie waarvan de juistheid niet evident is. De koppeling van de waarnemingen aan die onzorgvuldig weergegeven vergunningvoorwaarden leidt ertoe dat in de processen-verbaal wordt gesuggereerd dat overtredingen zijn begaan, zonder dat die suggestie voldoende is onderbouwd. Dit valt de gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk te verwijten.
De juistheid van de constateringen
5.9.
De gerechtsdeurwaarder heeft in de processen-verbaal van constatering opgenomen hoeveel bezoekers zich in de onderneming van klager sub 1
bevonden.Vaststaat dat het proces-verbaal van 27 juni 2024 een reeds bij lezing kenbare telfout bevat. Klagers hebben aangevoerd dat de gerechtsdeurwaarder het aantal bezoekers niet met zekerheid heeft kunnen vaststellen, mede gelet op het gegeven dat geen eenvoudig onderscheid kon worden gemaakt tussen bezoekers en personeel, omdat niet al het personeel bedrijfskleding draagt. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting in eerste aanleg en in hoger beroep desgevraagd een toelichting gegeven op de wijze waarop de telling heeft plaatsgevonden. In de processen-verbaal zelf heeft de gerechtsdeurwaarder deze werkwijze echter niet omschreven. Hierdoor rijst bij lezing van het proces-verbaal de vraag hoe de constatering tot stand is gekomen. De onduidelijkheid daarover is (potentieel) nadelig voor beide partijen die bij de bewijslevering belang hebben, de opdrachtgever en de onderzochte onderneming. Dit had de gerechtsdeurwaarder behoren te voorkomen.
5.10.
Tot slot heeft de gerechtsdeurwaarder in het proces-verbaal van 27 juni 2024 vermeld dat hij heeft geconstateerd dat op de begane grond een bedrijfsevenement plaatsvond waar hij een bedrijfsvlag met de naam van een bedrijf kon aflezen. Het hof is met de kamer van oordeel dat het in het kader van de werkzaamheden op grond van artikel 20 lid Pro 3, onderdeel e van de Gerechtsdeurwaarderswet niet aan de gerechtsdeurwaarder is om vast te stellen of dat wat hij zag aan te merken is als een bedrijfsevenement. De gerechtsdeurwaarder had moeten volstaan met de feitelijke vermelding van wat hij zag, waaronder de constatering dat er op de begane grond een vlag (met de vermelding van de tekst op die vlag) was geplaatst.
Conclusie en maatregel
5.11.
Uit het voorgaande volgt dat de gerechtsdeurwaarder in de processen-verbaal zijn werkwijze onvoldoende heeft beschreven, onjuistheden heeft opgenomen en onvoldoende onderbouwde conclusies heeft getrokken en/of gesuggereerd, terwijl hij zich erop had moeten concentreren om nauwkeurig te beschrijven wat hij feitelijk heeft waargenomen. Het hof acht, met de kamer, deze handelwijze van de gerechtsdeurwaarder onzorgvuldig en tuchtrechtelijk laakbaar en verklaart de klacht gegrond.
5.12.
Niet gebleken is dat de gerechtsdeurwaarder bewust onwaarheden in de processen-verbaal heeft opgeschreven of zich bij zijn handelen te veel heeft laten leiden door zijn opdrachtgever, zoals klagers stellen. Gelet op deze omstandigheden en op de toenmalige, beperkte, regelgeving rond het proces-verbaal van constatering, acht het hof hier de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het hof komt dus tot een lichtere maatregel dan de kamer heeft opgelegd.
5.13.
Omdat het hof een andere maatregel oplegt dan de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer vernietigen voor zover het betreft de aan de gerechtsdeurwaarder opgelegde maatregel. Voor het overige zal het hof de beslissing van de kamer bevestigen.
Geen kostenveroordeling in hoger beroep
5.14.
Het hoger beroep van de gerechtsdeurwaarder heeft gedeeltelijk succes. Omdat het hoger beroep leidt tot oplegging van een minder zware maatregel, ziet het hof – overeenkomstig de door het hof gehanteerde richtlijn ‘
Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof) – af van een kostenveroordeling voor de gerechtsdeurwaarder in hoger beroep. De door de kamer uitgesproken gegrondverklaring en de daarop gebaseerde proceskostenveroordeling voor de gerechtsdeurwaarder blijft wel in stand, te weten de proceskosten van klagers van € 350,-, het door klagers betaalde griffierecht van € 50,- en de kosten van de behandeling van de klacht door de kamer van € 1.500,-.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing, zover het betreft de aan de gerechtsdeurwaarder opgelegde maatregel,
en, opnieuw beslissende:
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en O.M. Jans en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door de rolraadsheer.