ECLI:NL:GHAMS:2026:181

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
200.346.651/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 onder b en c InsolventieverordeningArt. 7 lid 2 onder f InsolventieverordeningArt. 18 InsolventieverordeningArt. 27-29 FaillissementswetArt. 32 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen Kroatische pre-faillissementsprocedure voor lopende Nederlandse civiele procedure

Brodosplit is in Kroatië onderworpen aan een pre-faillissementsprocedure die op 19 mei 2025 is geopend. De kernvraag was welke gevolgen deze buitenlandse insolventieprocedure heeft voor de in Nederland aanhangige civiele procedure tussen Brodosplit en NautaDutilh.

Het hof concludeert dat het Nederlandse recht beslissend is voor de vraag of de Nederlandse procedure geschorst moet worden of door een buitenlandse insolventiefunctionaris moet worden overgenomen. De Kroatische procedure betreft een herstructureringsproces zonder liquidatie of vereffening, waarbij Brodosplit haar beschikkingsbevoegdheid behoudt.

De Nederlandse schorsingsregels bij faillissement en surseance zijn niet van toepassing omdat Brodosplit het beheer en de beschikking over de Nederlandse rechtsvorderingen niet heeft verloren. De insolventiefunctionaris heeft geen vertegenwoordigingsbevoegdheid in deze procedure.

Daarom leidt de Kroatische pre-faillissementsprocedure niet tot schorsing of overname van de procedure in Nederland. Het geding wordt voortgezet en verwezen naar de rol voor beraad over een mondelinge behandeling of arrest. Verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De Kroatische pre-faillissementsprocedure leidt niet tot schorsing van de Nederlandse procedure, die kan worden voortgezet.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.346.651/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/731205/HA ZA 23-305
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 januari 2026
in de zaak van
BRODOGRAĐEVNA INDUSTRIJA SPLIT, DIONIČKO DRUŠTVO,
gevestigd te Split (Kroatië),
appellante,
advocaat: mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,
tegen
NAUTADUTILH N.V.,
gevestigd te Rotterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. G.J.R. Kalsbeek te Amsterdam.
Partijen worden hierna Brodosplit en NautaDutilh genoemd.

1.De zaak in het kort

Bij vonnis van 19 mei 2025 van de rechtbank in Zagreb (Kroatië) is ten aanzien van Brodosplit een pre-faillissementsprocedure (
Predstečajni postupak) geopend. De vraag is wat daarvan de gevolgen zijn voor deze procedure die in Nederland bij het hof aanhangig is. Het hof komt tot de conclusie dat het openen van de Kroatische pre-faillissementsprocedure geen gevolgen heeft voor de voortgang van deze lopende procedure, zodat daarin dient te worden voortgeprocedeerd. Hierna wordt toegelicht hoe het hof tot die beslissing is gekomen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Brodosplit is bij dagvaarding van 10 september 2024 in hoger beroep gekomen van een incidenteel vonnis van 19 juli 2023 en het eindvonnis van 26 juni 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen NautaDutilh als eiseres in conventie, verweerster in de incidenten en verweerster in reconventie en Brodosplit als gedaagde in conventie, eiseres in de incidenten en eiseres in reconventie.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met een productie.
2.3.
Bij vonnis van 19 mei 2025 van de rechtbank in Zagreb (Kroatië) is ten aanzien van Brodosplit een zogenoemde
Predstečajni postupakgeopend. Dit betreft een pre-faillissementsprocedure die is vermeld op Bijlage A bij de Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (herschikking) (hierna: Insolventieverordening).
2.4.
Op 18 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden die zich heeft beperkt tot de vraag wat de gevolgen zijn van de geopende pre-faillissementsprocedure voor de onderhavige procedure. De geplande inhoudelijke mondelinge behandeling van de zaak is in verband daarmee niet doorgegaan. De hiervoor genoemde advocaten hebben hun zienswijze gegeven op de voorliggende kwestie, waarbij namens NautaDutilh mede het woord is gevoerd door mrs. I.J. Rozendal en K.J. Krzeminski, beiden advocaat te Amsterdam. Brodosplit heeft bij die gelegenheid nog twee producties in het geding gebracht.
2.5.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Gevolgen van de Kroatische insolventieprocedure

3.1.
Uit het overgelegde vonnis van de Kroatische rechtbank, waarvan de authenticiteit en ook de juistheid van de overgelegde informele Engelse vertaling niet is betwist, zodat ook het hof daarvan uitgaat, blijkt dat de pre-faillissementsprocedure van Brodosplit op 19 mei 2025 is geopend en dat [X] daarin als insolventiefunctionaris (
pre-bankruptcy trustee) is benoemd.
3.2.
Volgens Brodosplit dient de onderhavige procedure ten aanzien van de door NautaDutilh ingestelde vordering te worden geschorst tot de eindbeslissing in de pre-faillissementsprocedure is gegeven. Ten aanzien van de gevolgen van de pre-faillissementsprocedure voor de door Brodosplit tegen NautaDutilh ingestelde vorderingen heeft Brodosplit zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Volgens NautaDutilh is er geen grond voor schorsing van het geding en dient de procedure te worden voortgezet.
3.3.
Het hof zal beoordelen welke gevolgen de opening van de pre-faillissementsprocedure heeft voor de onderhavige procedure.
3.4.
Uit artikel 7, lid 2 onder b en c Insolventieverordening volgt onder andere dat de vraag welke goederen deel uitmaken van de boedel van Brodosplit en wat de bevoegdheden zijn van de insolventiefunctionaris, wordt beheerst door Kroatisch recht. Het Kroatisch recht beheerst ook de vraag wie na de opening van de pre-faillissementsprocedure bevoegd is tot het uitoefenen van de rechten en verplichtingen die tot de boedel van Brodosplit behoren, daaronder begrepen de vertegenwoordiging in rechte.
3.5.
Op basis van het vonnis van 19 mei 2025 en door partijen gegeven toelichting moet worden aangenomen dat de in Kroatië geopende procedure een aan een faillissement voorafgaande procedure is, die is gericht op het herstructureren van (het vermogen van) de schuldenaar. Het gaat niet om een procedure die leidt tot liquidatie van Brodosplit of tot vereffening van haar vermogen. Bepaalde vorderingen kunnen in de pre-faillissementsprocedure worden ingediend en er dient een herstructureringsplan tot stand te worden gebracht. Een door de schuldeisers aanvaard herstructureringsplan kan door de rechter worden goedgekeurd, zodat daarmee een gerechtelijk akkoord tot stand kan komen. Gedurende de pre-faillissementsprocedure blijft de schuldenaar in beginsel beschikkingsbevoegd ten aanzien van verplichtingen die voortvloeien uit de situatie voorafgaand aan de pre-faillissementsprocedure. Aan de
pre-bankruptcy trusteekomen bepaalde goedkeuringsrechten toe. Aangenomen moet worden dat naar Kroatisch recht Brodosplit niet is beperkt in haar mogelijkheden om in dit geding als partij in rechte op te treden.
3.6.
Het gaat in dit geding, kort gezegd, om de volgende aanhangige rechtsvorderingen. In eerste aanleg heeft NautaDutilh in conventie op grond van een overeenkomst een nakomingsvordering tot betaling tegen Brodosplit ingesteld. Deze vordering is in eerste aanleg toegewezen. Brodosplit heeft op haar beurt in eerste aanleg in reconventie rechtsvorderingen ingesteld die deels samenhangen met de vordering van NautaDutilh in conventie. Brodosplit vordert schadevergoeding op grond van gestelde beroepsfouten van NautaDutilh. In verband daarmee heeft Brodosplit tevens een vordering ingesteld tot overlegging van stukken. De in reconventie ingestelde vorderingen zijn in eerste aanleg afgewezen. De over en weer door partijen ingestelde vorderingen zijn onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep.
3.7.
Uit artikel 7, lid 2 onder f Insolventieverordening volgt als hoofdregel dat de gevolgen van de insolventieprocedure voor individuele vervolgingen worden beheerst door het Kroatisch recht. Een uitzondering geldt voor lopende rechtsvorderingen die een goed of recht betreffen dat deel uitmaakt van de insolvente boedel. Artikel 18 Insolventieverordening brengt mee dat de gevolgen die de in Kroatië geopende pre-faillissementsprocedure heeft voor de in Nederland lopende procedures waarin Brodosplit procespartij is, zoals in dit geding, uitsluitend worden beheerst door Nederlands recht (zie ook HvJEU 6 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:398). Dit betekent dat uitsluitend Nederlands recht beslissend is voor het antwoord op de vraag of de in dit geding aanhangige rechtsvorderingen al dan niet zijn geschorst of geschorst kunnen worden en of het geding geheel of gedeeltelijk door een buitenlandse insolventiefunctionaris dient te worden overgenomen.
3.8.
Het hof gaat ervan uit dat de bij het hof aanhangige rechtsvorderingen betrekking hebben op goederen en/of rechten die deel uitmaken van de geopende pre-insolventieboedel. Voor de gevolgen van een insolventieprocedure gedurende een aanhangige procedure bevat Nederlands recht alleen regelingen tijdens een faillissement en tijdens een surseance van betaling.
3.9.
De Nederlandse schorsingsregeling in faillissement van artikel 27 tot Pro en met 29 Fw is op grond van artikel 32 Fw Pro van overeenkomstige toepassing met betrekking tot rechtsvorderingen betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren door de opening van een op grond een van de Insolventieverordening te erkennen insolventieprocedure. De in Kroatië geopende pre-faillissementsprocedure heeft echter niet tot gevolg gehad dat Brodosplit het beheer en de beschikking heeft verloren met betrekking tot de in Nederland lopende rechtsvorderingen betreffende goederen en/of rechten die onderdeel zijn van de boedel. Verder heeft de Kroatische insolventiefunctionaris geen beheers- of vertegenwoordigingsbevoegdheid met betrekking tot deze lopende rechtsvorderingen. De pre-faillissementsprocedure heeft ook niet tot doel de liquidatie van Brodosplit of de vereffening van haar vermogen. Naar het oordeel van het hof kunnen de artikelen 27 tot en met 29 Fw daarmee in dit geval niet geheel of gedeeltelijk leiden tot schorsing van het geding. Evenmin dient het geding geheel of gedeeltelijk te worden overgenomen door de Kroatische
pre-bankruptcy trustee.
3.10.
Artikel 231 Fw Pro heeft betrekking op de surseance van betaling en is op grond van artikel 231a Fw van overeenkomstige toepassing met betrekking tot rechtsvorderingen betreffende een goed of recht waarover de schuldenaar het beheer en de beschikking heeft verloren door de opening van een op grond een van de Insolventieverordening te erkennen insolventieprocedure. Toepassing van artikel 231a Fw leidt niet tot een andere uitkomst dan hiervoor in 3.9 is overwogen. De in Kroatië geopende pre-faillissementsprocedure heeft niet tot gevolg gehad dat Brodosplit het beheer en de beschikking heeft verloren met betrekking tot de in Nederland bij het hof lopende rechtsvorderingen betreffende goederen en/of rechten die onderdeel zijn van de boedel en ook heeft de insolventiefunctionaris geen beheers- of vertegenwoordigingsbevoegdheid met betrekking tot deze rechtsvorderingen. Dit betekent dat artikel 231 Fw Pro geen gevolgen heeft voor de bij het hof aanhangige rechtsvorderingen.
3.11.
Het voorgaande betekent dat het geding niet is geschorst en kan worden voortgezet. De zaak zal naar de hierna te noemen roldatum worden verwezen voor beraad voor het vragen van een mondelinge behandeling of arrest (overeenkomstig artikel 2.25 van het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven).
3.12.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.Beslissing

Het hof:
verstaat dat het geding niet is geschorst door de bij vonnis van19 mei 2025 van de rechtbank in Zagreb geopende pre-faillissementsprocedure;
verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor partijberaad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, O.J. van Leeuwen en R.D. Vriesendorp en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.