ECLI:NL:GHAMS:2026:1823

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.359.319/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 7:682 lid 1 sub c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op billijke vergoeding na beëindiging arbeidsovereenkomst wegens ziekte na twee jaar

De zaak betreft het hoger beroep van een werknemer tegen de afwijzing van haar verzoek om een billijke vergoeding na beëindiging van haar arbeidsovereenkomst wegens langdurige ziekte. De werknemer stelde dat de werkgever ernstig verwijtbaar had gehandeld door een conflict met collega’s onvoldoende aan te pakken en door onjuiste re-integratieverplichtingen op te leggen.

Het hof stelde vast dat hoewel de werkgever de gespannen situatie met collega’s niet adequaat had aangepakt, dit niet heeft geleid tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De werknemer was in de laatste ziekteperiode zieker dan bekend was bij de bedrijfsarts en werkgever, waardoor de opgelegde re-integratieverplichtingen niet bevorderlijk waren, maar dit was niet verwijtbaar aan de werkgever.

De werkgever volgde steeds de adviezen van de bedrijfsarts en de werknemer had de mogelijkheid tot een second opinion of deskundigenoordeel, maar maakte hier geen gebruik van. De loonopschorting door de werkgever was gerechtvaardigd en werd beëindigd zodra de benodigde medische informatie beschikbaar was.

Het hof bekrachtigde de eerdere beschikking van de kantonrechter en wees het verzoek om een billijke vergoeding af. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: De beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte is niet het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waardoor geen recht bestaat op een billijke vergoeding.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.359.319/01
zaaknummer rechtbank : 11458848 EA VERZ 24-1286
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
inzake
[appellant],
wonende te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. M. Bruins te Amsterdam,
tegen
RAI AMSTERDAM B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J. Oster te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en RAI genoemd.

1.De zaak in het kort

Is de beëindiging van de arbeidsovereenkomst na twee jaar ziekte het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever en bestaat als gevolg daarvan recht op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro?
Het hof is van oordeel dat dat niet het geval is. Werkgever heeft een conflict tussen werknemer en haar collega’s niet goed aangepakt wat het herstel van werknemer in die periode weliswaar heeft belemmerd, maar voldoende causaal verband tussen deze gedraging van de werkgever en de beëindiging na twee jaar ziekte ontbreekt. Werknemer was in de laatste periode van arbeidsongeschiktheid zieker dan waar de bedrijfsarts en de werkgever vanuit gingen, waardoor de opgelegde re-integratie-verplichtingen achteraf bezien niet bevorderlijk waren voor het herstel. Dit is echter niet verwijtbaar aan werkgever omdat de bedrijfsarts en werkgever daarvan niet op de hoogte waren en ook niet hoefden te zijn. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij beroepschrift, ontvangen ter griffie van het hof op 18 september 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, (hierna: de kantonrechter) op 18 juni 2025 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).
Op 26 maart 2026 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van RAI binnengekomen.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 8 mei 2026 laten toelichten, [appellant] door mr. M. Bruins en RAI door mr. J. Oster, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. [appellant] heeft op de mondelinge behandeling de vooraf op 7 mei 2026 bij de griffie van het hof ontvangen productie 60 in het geding gebracht.
Uitspraak is bepaald op heden.

3.Feiten

De kantonrechter heeft in 2.1 tot en met 2.17 van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat waar nodig aangevuld met andere feiten.
3.1.
[appellant] , geboren op [datum] , is op 17 september 2004 in dienst getreden bij RAI, in eerste instantie voor 40 uur per week en vanaf 1 december 2021 voor 28 uur per week. De functie van [appellant] is [functie] B met een loon van laatstelijk € 2.776,90 bruto per maand op basis van een 28-urige werkweek.
3.2.
Op 24 juni 2019 heeft [appellant] zich ziekgemeld met klachten als gevolg van een longontsteking. [appellant] heeft vanaf 12 augustus 2019 geprobeerd haar werkzaamheden weer langzaamaan te hervatten maar het (volledige) herstel is lange tijd uitgebleven. Op advies van de bedrijfsarts heeft RAI voor [appellant] een coach ingeschakeld. Begin maart 2020 werd [appellant] weer volledig geschikt bevonden voor eigen werk en is de verzuimbegeleiding door de coach beëindigd.
3.3.
Op 15 mei 2020 heeft [appellant] zich weer ziekgemeld. De bedrijfsarts heeft in juni 2020 geadviseerd om twee wekelijks e-mail contact te onderhouden met HR. [appellant] heeft in die periode laten weten op advies van haar huisarts geen rechtstreeks contact met RAI te willen hebben en heeft vanaf dat moment een belangenbehartiger ingeschakeld. Naar aanleiding van de consulten met [appellant] in augustus en oktober 2020 heeft de bedrijfsarts RAI geadviseerd om regelmatig contact met [appellant] te onderhouden om de voortgang te bespreken, maar [appellant] heeft weer laten weten geen rechtstreeks contact met RAI te willen hebben.
3.4.
Op voorstel van de bedrijfsarts heeft in januari 2021 toch een gesprek met RAI en [appellant] plaatsgevonden in aanwezigheid van de bedrijfsarts. Uitkomst van dit gesprek was dat [appellant] zou beginnen met contact opnemen met de andere bij RAI werkende [functie] (hierna: [functie] ’s).
3.5.
In het arbeidskundig re-integratie onderzoek van 4 mei 2021 heeft de arbeidsdeskundige opgenomen:
“(…) Werknemer kan starten met re-integreren in aangepaste taken van het eigen werk voor 2 uur per dag.(...)Het verdient aanbeveling om vóór de start met de re-integratie met de collega’s in het team te bespreken welke werkzaamheden werknemer gaat verrichten en welke niet. (…) Niet alleen de werktijd dient uitgebreid te worden, maar ook de taken van het eigen werk.
3.6.
[appellant] is vervolgens gestart met het uitvoeren van administratieve werkzaamheden en het voeren van gesprekken met de andere [functie] ’s. Verspreid over een aantal maanden heeft [appellant] in het bijzijn van een HR-manager gesprekken met vier van de vijf (andere) [functie] ’s gevoerd. In deze gesprekken is door de verschillende [functie] ’s kritiek geuit over de wijze waarop [appellant] haar werk had achtergelaten en overgedragen tijdens haar ziekte. Voorts is [appellant] verweten dat zij tijdens haar ziekte geen contact met de [functie] ’s heeft onderhouden en niet meelevend genoeg is geweest in de coronatijd. [appellant] heeft uiteindelijk afgezien van het gesprek met de vijfde [functie] .
3.7.
Bij beslissing van 15 november 2021 is de door [appellant] aangevraagde WIA-uitkering door het UWV afgewezen. In de beslissing staat opgenomen dat zowel [appellant] als RAI voldoende hebben gedaan aan de re-integratie.
3.8.
Na eerst een door RAI in september 2021 aangeboden functie te hebben afgewezen, is [appellant] vanaf januari 2022 gestart in de functie van [functie] voor de manager Legal en de manager HR voor de overeengekomen arbeidsomvang van 28 uur per week, waarvoor zij volledig arbeidsgeschikt was.
3.9.
In gesprekken in maart en april 2022 is de aanhoudende verstoorde verhouding van [appellant] met de andere [functie] ’s weer aan de orde gekomen en is vanuit RAI aangestuurd op externe mediation met het gehele team.
3.10.
[appellant] is met ingang van 3 mei 2022 weer ziekgemeld. Per oktober 2022 kreeg RAI een nieuwe bedrijfsarts.
3.11.
Bij brief van 25 oktober 2022 heeft RAI een loonsanctie aangekondigd omdat [appellant] niet naar een voorgesteld consult van de bedrijfsarts wilde komen en meerdere malen telefonisch onbereikbaar zou zijn geweest.
3.12.
De bedrijfsarts heeft op 10 februari 2023 informatie opgevraagd bij de behandelend psycholoog van [appellant] , welke informatie op diezelfde dag is verstrekt. Naar aanleiding van het consult op 17 februari 2023, heeft de bedrijfsarts – met inachtneming van de medische informatie van de psycholoog – [appellant] op dat moment voldoende belastbaar geacht om in gesprek te gaan met RAI. RAI heeft [appellant] vervolgens opgeroepen voor een gesprek, maar [appellant] heeft via haar advocaat bericht dat zij volgens haar behandelend psycholoog daartoe niet in staat was. RAI heeft de afspraak vervolgens alsnog geannuleerd.
3.13
Op 6 april 2023 heeft de advocaat van RAI aan de advocaat van [appellant] onder meer gemaild:

Ik besprak met u dat RAI in een lastig parket zit omdat de bedrijfsarts in diens laatste rapportage duidelijk heeft aangegeven dat uw cliënte voldoende belastbaar is om in gesprek te gaan met de RAI en het aan de RAI is om te beoordelen of mediation nodig is.
Het bericht van de psychologe van uw cliënte gaat lijnrecht tegen dit advies in. Daarmee zitten wij dus met twee volstrekt tegenstrijdige adviezen, waarbij – zoals u weet – het uitgangspunt is dat alleen de bedrijfsarts kan beoordelen of iemand kan re-integreren. (…) indien de adviezen van de bedrijfsarts niet worden opgevolgd, kan dat zelfs tot gevolg hebben dat het UWV een loonsanctie aan de RAI oplegt. (…) Desalniettemin is de RAI bereid om vooralsnog [functie] op de plaats te maken en de uitkomst van de afspraak met de bedrijfsarts van 7 april a.s. af te wachten. (…)
3.14.
De bedrijfsarts heeft in de terugkoppeling over het consult van 7 april 2023 aan RAI bericht dat [appellant] op dat moment nog geen toestemming wilde geven voor het opvragen van aanvullende medische informatie omdat zij dat eerst met haar advocaat wilde bespreken. Voorts was de bedrijfsarts op basis van de wel beschikbare informatie, waaronder het hiervoor in 3.13 genoemde bericht van de psycholoog, van oordeel dat [appellant] in gesprek kon met RAI en dat dit zelfs zou bijdragen aan het herstel.
3.15.
RAI gaf [appellant] bij brief van 12 april 2023 een schriftelijke waarschuwing omdat ze onvoldoende meewerkte aan haar re-integratie en er werd een loonsanctie aangekondigd. RAI heeft vervolgens vanaf 21 april 2023 de loonbetaling opgeschort.
3.16.
Op 19 april 2023 gaf [appellant] alsnog toestemming om de medische gegevens te delen. De advocaat van RAI heeft aan de advocaat van [appellant] in een e-mail van 21 april 2023 onder meer gemeld dat het loon werd opgeschort tot het moment dat de bedrijfsarts de beschikking zou hebben gekregen over alle relevante medische informatie. Ook is [appellant] erop gewezen dat zij een second opinion kon aanvragen bij een andere bedrijfsarts.
Nadat de bedrijfsarts op 3 juli 2023 de benodigde contactgegevens en medische stukken had ontvangen, werd de loonopschorting door RAI beëindigd.
3.17.
Op 8 mei 2023 heeft RAI bij het UWV een deskundigenoordeel aangevraagd over de vraag of [appellant] voldoende had gedaan om weer aan het werk te kunnen gaan. Deze aanvraag is door drukte bij het UWV niet in behandeling genomen.
3.18.
Op 30 juni 2023 heeft een online consult plaatsgevonden met de nieuwe bedrijfsarts. [appellant] had eerst geprobeerd dat af te zeggen omdat haar behandelend psychiater haar had geadviseerd om zes maanden geen contact met RAI of de arbodienst te hebben. De bedrijfsarts heeft na dit consult geconcludeerd dat [appellant] op dat moment ongeschikt was voor eigen of aangepast werk en dat het waarschijnlijk het herstel ten goede kwam als slechts minimale re-integratie-inspanningen werden vereist.
3.19.
Op 8 juli 2024 heeft RAI na verkregen toestemming van het UWV de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 23 oktober 2024. RAI heeft aan [appellant] de transitievergoeding van € 20.997,64 voldaan.
3.20.
Op 16 januari 2025 is beslist dat [appellant] vanaf 30 april 2024 recht heeft op een WIA-uitkering.

4.Eerste Aanleg

4.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg onder meer verzocht om een billijke vergoeding toe te kennen van € 50.565,98 bruto (aan inkomensschade en overige) en een vergoeding van
€ 25.000,00 netto (voor immateriële schade), omdat de opzegging wegens ziekte volgens [appellant] het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van RAI, met veroordeling van RAI in de kosten van het geding.
4.2.
De kantonrechter heeft deze verzoeken afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten. Volgens de kantonrechter was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van RAI geen sprake. Daartoe overwoog de kantonrechter samengevat het volgende.
Dat RAI in juni 2019 op [appellant] een oneigenlijke druk heeft uitgeoefend zich niet ziek te melden, is door [appellant] niet onderbouwd, maar kan ook niet uit haar eigen stellingen worden afgeleid. Dat er vanuit RAI op [appellant] druk is uitgeoefend zich op enig moment weer beter te melden, is ook niet onderbouwd. Door [appellant] is niet concreet gemaakt door wie, op welk moment en op welke wijze die oneigenlijke druk zou zijn uitgeoefend.
Verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar, is dat RAI de gespannen situatie met de andere [functie] ’s te lang op z’n beloop heeft gelaten. Zo is niet gebleken dat RAI, voorafgaand aan de gesprekken met [appellant] , met de andere [functie] ’s gesprekken heeft gehad om te achterhalen waarom de onvrede over [appellant] bij de andere [functie] ’s zo groot was, noch dat zij vervolgens kritisch met de [functie] ’s heeft besproken of zij de oorzaak van die onvrede wel terecht bij [appellant] hebben gelegd. Ook had RAI de [functie] met wie [appellant] voorheen kennelijk altijd naar tevredenheid had gewerkt, maar die ineens de boot afhield om een gesprek met [appellant] te hebben in het kader van de re-integratie, hierop moeten aanspreken. [appellant] heeft overigens zelf ook bijgedragen aan het laten voortduren van de onprettige situatie door niet in te gaan op de voorgestelde mediation. Het enkele feit dat [appellant] zelf geen problemen had met de andere [functie] ’s, maakt niet dat anderen geen problemen ervaarden.
Dat [appellant] na de ziekmelding in mei 2022 verschillende bedrijfsartsen heeft gezien die allen kennelijke andere medische informatie wensten en dat zij meerdere keren opnieuw haar verhaal heeft moeten doen, is begrijpelijkerwijs belastend voor [appellant] geweest, maar kan niet aan RAI worden verweten, omdat RAI daarop geen invloed heeft gehad. RAI heeft steeds de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd. Volgens het wettelijke systeem is een werkgever afhankelijk van de adviezen die een arbo- of bedrijfsarts geeft. Voor zover [appellant] het niet eens was met de beoordelingen en adviezen van de bedrijfsartsen, had zij een deskundigenoordeel of second opinion kunnen aanvragen, maar dat heeft zij niet gedaan. Dit terwijl onweersproken is dat RAI haar meerdere malen op deze mogelijkheid heeft gewezen. [appellant] heeft de standpunten van haar behandelaars ook niet richting RAI of de bedrijfsarts onderbouwd en de bedrijfsartsen beschikten langere tijd niet over volledige medische informatie, zodat RAI niet verweten kan worden met die informatie geen rekening te hebben gehouden. RAI heeft in navolging van en in lijn met de betreffende wetgeving aan [appellant] een loonopschorting aangekondigd en uiteindelijk ook geëffectueerd. RAI heeft de loonopschorting direct beëindigd toen de benodigde stukken alsnog werden verstrekt, aldus nog steeds de kantonrechter.

5.Beoordeling

5.1.
[appellant] heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het vernietigen van de bestreden beschikking voor zover het verzoek om een billijke vergoeding is afgewezen en verzocht om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak:
- voor recht te verklaren dat de opzegging wegens langdurige arbeidsongeschiktheid het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen dan wel nalaten van RAI;
- RAI te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 75.565,98 bruto (inclusief immateriële component), te vermeerderen met rente en
RAI te veroordelen in de proceskosten van beide instanties.
5.2.
RAI heeft in hoger beroep geconcludeerd tot het bekrachtigen van de bestreden beschikking met uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
5.3.
[appellant] heeft in hoger beroep zes grieven aangevoerd. Daarmee betoogt [appellant] samengevat dat wel degelijk sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van RAI, waardoor re-integratie is gestagneerd en als gevolg waarvan uiteindelijk de arbeidsovereenkomst is opgezegd vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid.
Desgevraagd heeft [appellant] op de zitting in hoger beroep toegelicht dat een beroep wordt gedaan op artikel 7:658 BW Pro indien de feiten daartoe aanleiding geven.
Het hof zal de grieven hierna gezamenlijk behandelen.
Uitoefenen druk onvoldoende onderbouwd
5.4.
De kantonrechter had al overwogen dat [appellant] niet heeft onderbouwd en ook onvoldoende heeft toegelicht door wie, op welk moment en op welke wijze door RAI oneigenlijke druk is uitgeoefend om zich niet ziek te melden en/of zich (te) snel beter te melden. In hoger beroep heeft [appellant] dit evenmin nader onderbouwd. RAI heeft bovendien toegelicht dat als er al sprake zou zijn geweest van werkdruk of werkgerelateerde omstandigheden die tot de hiervoor bedoelde druk hebben geleid, hetgeen RAI betwist, [appellant] RAI daarvan indertijd niet op de hoogte heeft gesteld. RAI heeft erop gewezen dat uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts slechts bleek dat [appellant] in juni 2019 was uitgevallen vanwege een longontsteking als gevolg waarvan zij kampte met vermoeidheidsklachten. RAI heeft voorts toegelicht voor het eerst op de hoogte te zijn gesteld van overbelasting toen de advocaat van [appellant] dat schreef in november 2021. Dat, hoe en wanneer RAI hiervan eerder op de hoogte zou zijn gesteld heeft [appellant] onvoldoende toegelicht. Dat [appellant] langdurige stress en gezondheidsklachten kreeg vanwege plotseling ontslag van haar leidinggevende zonder uitleg of begeleiding vanuit RAI, heeft [appellant] niet voldoende onderbouwd en dat zij dit aan RAI zou hebben gemeld evenmin.
De kantonrechter heeft reeds overwogen dat [appellant] niet heeft toegelicht welk advies van de bedrijfsarts RAI niet zou hebben opgevolgd en ook in hoger beroep heeft [appellant] haar stelling niet voldoende onderbouwd. [appellant] heeft gewezen op een advies van de bedrijfsarts uit 2019 om in gesprek te gaan over het feit dat [appellant] dat jaar nog geen vakantie had genoten, waarna [appellant] twee weken vakantie heeft gehad. Dat dit onvoldoende was en dat [appellant] dit vervolgens heeft gemeld bij RAI, is echter niet onderbouwd. In het beroepschrift heeft [appellant] verwezen naar een verklaring van bedrijfsarts Zilch van 25 juni 2021, waaruit zou blijken dat er vanaf augustus 2019 al sprake zou zijn van werkgerelateerde overbelasting, maar het hof heeft die verklaring niet aangetroffen in het dossier en [appellant] kon de vindplaats van die verklaring, desgevraagd op de zitting in hoger beroep, ook niet aanwijzen.
Desgevraagd op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] toegelicht “alles” te hebben gemeld aan haar leidinggevende, hetgeen RAI heeft betwist. Los van het feit dat dit antwoord onvoldoende concreet is, heeft [appellant] ter zake ook geen voldoende specifiek bewijsaanbod gedaan.
5.5.
Begin maart 2020 was [appellant] weer volledig geschikt voor eigen werk. Dat het opnieuw ziek uitvallen in mei 2020 is veroorzaakt door hoge werkdruk is onvoldoende onderbouwd, laat staan dat is aangetoond dat RAI hiervan op de hoogte is gebracht. Dit blijkt nergens uit en RAI heeft bovendien toegelicht dat het vanwege de Coronapandemie qua werkzaamheden juist een relatief rustige periode betrof en dat [appellant] vanuit huis werkte.
De verwijten dat [appellant] structureel werd tegengewerkt door collega’s, leidinggevenden, geen toegang kreeg tot systemen en werd uitgesloten van haar eigen [functie] -werkzaamheden heeft RAI in eerste aanleg al gemotiveerd betwist, onder meer door te verwijzen naar het advies van de bedrijfsarts omtrent de re-integratiewerkzaamheden. Deze verwijten zijn in hoger beroep niet nader en daarmee onvoldoende onderbouwd.
De aanpak van RAI van de gesprekken van [appellant] met de overige [functie] ’s tijdens re-integratie valt RAI zeker aan te rekenen, maar heeft niet geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst.
5.6.
RAI heeft een oplossingsgericht gesprek tussen [appellant] en haar collega- [functie] ’s geïnitieerd, wat op verzoek van [appellant] vijf één-op-één gesprekken werden, vanuit het idee dat daarin de lucht zou kunnen worden geklaard. Hoewel RAI zelf aanvoert dat de overige [functie] ’s [appellant] zaken kwalijk namen die haar gezien haar ziekte niet hadden mogen worden tegengeworpen, blijkt nergens uit dat RAI dit aan de overige [functie] ’s heeft teruggekoppeld, dan wel dit voorafgaand aan de 1-op-1 gesprekken van de [functie] ’s met [appellant] aan de [functie] ’s duidelijk heeft gemaakt. Van RAI had vanuit haar werkgeversrol mogen worden verwacht aan de overige [functie] ’s duidelijk te maken dat zij [appellant] niet mochten tegenwerpen hoe zij na uitval wegens ziekte haar werk had overgedragen en dat zij tijdens haar ziekte het contact niet aankon. RAI heeft in plaats daarvan de overige [functie] ’s de onterechte verwijten laten uiten in de één-op-één-gesprekken, zonder het daarbij voor [appellant] op te nemen of de in de ogen van RAI onterecht aan [appellant] gemaakte verwijten te nuanceren.
[appellant] heeft toegelicht dat het hele nare gesprekken waren, om bij elk gesprek van de andere [functie] te horen te krijgen dat de hele groep [functie] ’s haar niet empathisch vond en dat het niet meer goed zou komen, althans dat de deur slechts op een kier stond. Zelfs een [functie] met wie zij nog nooit had samengewerkt zag haar bij voorbaat niet zitten. RAI heeft dit weliswaar bij gebrek aan wetenschap op de zitting in hoger beroep betwist, maar voor het hof staat - ook op basis van mededelingen in de stukken van RAI zelf - voldoende vast dat RAI de gesprekken onvoldoende heeft doordacht of voorbereid, dat de gesprekken de stroeve relatie tussen [appellant] en haar collega’s niet verbeterden en de belemmeringen die [appellant] ervaarde voor terugkeer op de werkvloer juist vergrootten en dat RAI dit liet gebeuren en niet ingreep. [appellant] heeft uiteindelijk zelf moeten besluiten om het laatste één-op-één gesprek af te zeggen. Het aan de zijde van RAI op deze wijze afstandelijk (blijven) omgaan met het conflict tussen haar werknemers, zonder daarbij haar eigen verantwoordelijkheid voldoende in te vullen, in een situatie waarin [appellant] moest re-integreren vanuit ziekte, valt RAI zeker aan te rekenen. Of hiermee sprake is van ernstig verwijtbaar handelen kan in het midden blijven omdat dit handelen/nalaten van RAI in het geheel van alle feiten en omstandigheden niet heeft geleid tot het einde van de arbeidsovereenkomst zoals het hof hierna zal toelichten.
5.7.
Voornoemde slechte aanpak van RAI tijdens de gesprekken vond plaats tijdens de re-integratie in de periode mei - november 2021. [appellant] heeft daarna, in december 2021, ingestemd met een arbeidsovereenkomst voor 28 uur per week en was voor dat urental toen volledig arbeidsgeschikt. [appellant] heeft betoogd dat RAI druk op haar zou hebben uitgeoefend om in december 2021 een arbeidsovereenkomst aan te gaan voor 28 uur per week. Desgevraagd heeft zij op de zitting in hoger beroep toegelicht dat zij liever zou zijn blijven re-integreren voor 40 uur per week. Feit is echter dat de wachttijd toen al was verstreken, die RAI reeds met drie maanden tot 24 september 2021 had verlengd, dat het UWV toen al had geoordeeld dat beide partijen aan de re-integratieverplichtingen hadden voldaan en dat er dus geen loondoorbetalingsverlichting meer bestond en een beëindiging door RAI te verwachten was. Indien en voor zover [appellant] het op dat moment met die wijziging niet eens was en daarom geen contract voor 28 uur wilde aangaan, had zij dat via de haar toen al bijstaande advocaat aan RAI kenbaar kunnen maken. Dat [appellant] indertijd heeft besloten de wijziging van de arbeidsovereenkomst naar 28 uur te accepteren en geen discussie aan te gaan in verband met haar gezondheid, zoals [appellant] op de zitting in hoger beroep heeft toegelicht, kan niet aan RAI worden verweten, te meer nu RAI expliciet had aangekondigd dat uitbouw naar meer uren mogelijk was zodra haar gezondheid dat weer toeliet.
[appellant] is dus volledig arbeidsgeschikt voor de overeengekomen arbeidsomvang weer aan het werk gegaan als [functie] voor de manager Legal en de manager HR en ervaarde daarvoor op dat moment kennelijk geen belemmeringen meer vanuit de andere [functie] ’s. In dit kader acht het hof verder van belang dat RAI [appellant] daaraan voorafgaand een andere functie had aangeboden, waarbij ze helemaal niet meer te maken zou hebben met de andere [functie] ’s, met behoud van arbeidsvoorwaarden en onder de toezegging dat zij kon terugkomen als [functie] indien de nieuwe functie niet zou bevallen, zodat zij een frisse start kon maken en het verleden achter zich kon laten. [appellant] heeft er op dat moment zelf voor gekozen om [functie] te willen blijven, ondanks de gestelde stress die zij eerder ondervond vanwege de relatie met de andere [functie] ’s.
[appellant] heeft in hoger beroep niet toegelicht dat en waarom haar nieuwe uitval in mei 2022 (in overwegende mate) te wijten is aan RAI. Dat [appellant] structureel werd tegengewerkt door collega’s, leidinggevenden, geen toegang kreeg tot systemen en werd uitgesloten van haar eigen [functie] -werkzaamheden, is onvoldoende onderbouwd en daarmee niet vast komen te staan (zie hiervoor onder 5.5). Dat RAI op een gegeven moment externe mediation heeft voorgesteld toen de samenwerking met de andere [functie] ’s stroef bleef verlopen, acht het hof, evenals de kantonrechter, een logische stap. [appellant] lijkt tegen dat oordeel overigens ook geen grief te hebben gericht. Voor zover [appellant] zich erop beroept dat zij mediation (psychisch) niet aankon, valt dit RAI niet te verwijten omdat [appellant] dit destijds niet kenbaar heeft gemaakt bij RAI.
Dat [appellant] na de uitval in mei 2022 niet meer is gere-integreerd, staat evenmin in verband met de aanpak van RAI tijdens de gesprekken in de periode mei - november 2021 en kan RAI ook niet worden verweten, zoals hierna zal worden toegelicht.
Geen verwijtbaar handelen RAI bij re-integratie na ziekmelding in mei 2022
5.8.
Voor deze periode heeft de kantonrechter overwogen dat RAI steeds de adviezen van de bedrijfsarts heeft opgevolgd. [appellant] heeft in hoger beroep opnieuw niet onderbouwd wanneer dat niet het geval zou zijn geweest.
[appellant] stelt meerdere keren medische verklaringen van haar behandelaars te hebben overgelegd die lijnrecht tegenover het advies van de bedrijfsarts stonden en die structureel ter zijde zouden zijn geschoven, zonder overlegging van stukken waaruit dit blijkt. De eerste keer dat medisch advies werd ontvangen door de bedrijfsarts was volgens RAI februari 2023. [appellant] is daarop niet ingegaan zodat het hof daarvan uitgaat. Dit betrof de informatie die de bedrijfsarts op 10 februari 2023 had opgevraagd bij en nadien ontvangen van de behandelend psycholoog van [appellant] . Rekening houdend met die informatie heeft de bedrijfsarts op 7 april 2023 geconcludeerd dat [appellant] op dat moment voldoende belastbaar was om in gesprek te gaan met RAI en dat dat zelfs bevorderlijk voor haar herstel zou zijn. De advocaat van RAI had de advocaat van [appellant] daarvoor al gewezen op het wettelijke systeem dat RAI als werkgever mag afgaan van de adviezen van de bedrijfsarts. [appellant] had een second opinion of deskundigenoordeel bij het UWV moeten aanvragen, indien zij het met het advies van de bedrijfsarts niet eens was, hetgeen zij ondanks de bijstand van haar advocaat toen niet heeft gedaan, ook niet na daarop nog eens expliciet te zijn gewezen op 21 april 2023 (zie bij de feiten onder 3.16).
Volgens het wettelijk systeem had RAI dus het recht het loon op te schorten toen [appellant] bleef weigeren om gevolg te geven aan het advies van de bedrijfsarts en in eerste instantie ook geen toestemming gaf om medische gegevens met de bedrijfsarts te delen. Dat [appellant] te maken had met meerdere elkaar opvolgende bedrijfsartsen, doet daaraan niet af.
Inmiddels staat op basis van nadien verkregen medische gegevens wel vast dat [appellant] niet in staat was om op dat moment in gesprek te gaan met RAI en dat de druk die op haar is uitgeoefend om dat wel te doen contraproductief voor haar herstel was. Dat kan de bedrijfsarts en RAI echter niet worden aangerekend omdat zij daarvan op dat moment nog niet op de hoogte waren en dat ook niet hoefden te zijn. De tijdelijke opschorting van de loonbetaling kan daarom niet worden gekwalificeerd als (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van RAI. Datzelfde geldt voor haar beslissing om [appellant] te verplichten conform de toenmalige adviezen van de bedrijfsarts te handelen.
Geen recht op een billijke vergoeding
5.9.
De slotsom is dat slechte aanpak van de gesprekken die plaatsvonden tijdens de re-integratie in de periode mei - november 2021, RAI zeker valt aan te rekenen, maar dat dit niet heeft geleid tot de opzegging van de arbeidsovereenkomst in 2024 na twee jaar ziekte. Ander (ernstig) verwijtbaar handelen van de werkgever is niet vast komen te staan. Daarmee bestaat er geen recht op een billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 sub c BW Pro.
[appellant] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat aan het bepaalde in artikel 7:658 BW Pro bij de beoordeling van het (al dan niet ernstig verwijtbaar) handelen van RAI bijzondere betekenis toekomt in relatie tot de redenen voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
[appellant] heeft geen bewijs aangeboden van feiten die, als ze zouden vaststaan, tot een ander oordeel leiden. Het bewijsaanbod is bovendien te algemeen en voor zover bewijs wordt aangeboden met schriftelijke stukken en tape-opnames, hadden die eerder in het geding kunnen en moeten worden gebracht.
Slotsom
5.10.
De slotsom is dat het hof de beslissingen van de kantonrechter om geen billijke vergoeding toe te kennen en [appellant] in de proceskosten te veroordelen, zal bekrachtigen en [appellant] als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep zal veroordelen.

6.Beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarin het verzoek van [appellant] om een billijke vergoeding toe te kennen is afgewezen en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten;
veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van RAI vastgesteld op € 851,00 aan verschotten, op € 2.580,00 voor salaris en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na deze beschikking dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde of verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.L. Bervoets, mr. H.T. van der Meer en mr. F.J. Bloem en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.