ECLI:NL:GHAMS:2026:1831

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.348.840/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 BWArt. 6:248 lid 2 BWArt. 6:119a BWArt. 353 lid 1 Rv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling matiging contractuele boetes bij niet tijdige ingebruikname hotel op erfpachtgrond

De Gemeente gaf een perceel in erfpacht aan CCWH voor de bouw en exploitatie van een hotel. CCWH nam het hotel niet tijdig in gebruik, waardoor contractuele boetes werden verbeurd. De rechtbank veroordeelde CCWH tot betaling van boetes en canon. In hoger beroep betwistte CCWH de boetes en vorderde matiging.

Het hof oordeelde dat CCWH boetes verschuldigd is tot 1 maart 2025, omdat zij toen het hotel inclusief inrichting in gebruik had genomen. De Gemeente kon onvoldoende aantonen dat de zesde verdieping en andere faciliteiten toen niet in gebruik waren. Verder stelde het hof vast dat de boetes vanaf juli 2024 gematigd moeten worden met €45.000 vanwege het afnemende belang van de Gemeente bij volledige ingebruikname.

De overige grieven van CCWH werden afgewezen. De boetes werden als passend en evenredig beoordeeld, mede omdat de Gemeente coulant was geweest met termijnen en CCWH zelf om uitstel had gevraagd. De vordering tot terugbetaling van reeds betaalde boetes werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde CCWH tot betaling van de gematigde boetes, canon en proceskosten.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en matigt de boetes vanaf juli 2024 met €45.000, veroordeelt CCWH tot betaling van canon, gematigde boetes en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.348.840/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : C/15/339400 / HA ZA 23-267
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
in de zaak van
CCWH HOLDING B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
appellante,
incidenteel geïntimeerde,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,
tegen
GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
zetelend te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
geïntimeerde,
incidenteel appellante,
advocaat: mr. P.F.P. Nabben te Haarlem.
Partijen worden hierna CCWH en de Gemeente genoemd.

1.De zaak in het kort

De Gemeente heeft een perceel grond in erfpacht uitgegeven ten behoeve van de bouw en exploitatie van een hotel. De erfpachter heeft het hotel niet op de afgesproken uiterste datum in gebruik genomen en heeft contractuele boetes verbeurd. Het hof oordeelt dat de erfpachter de boetes verschuldigd is tot 1 maart 2025 en dat er daarnaast grond bestaat voor een beperkte matiging van het bedrag aan boetes die vanaf juli 2024 door de erfpachter zijn verbeurd.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
CCWH is bij dagvaarding van 7 mei 2024, hersteld bij exploot van 8 oktober 2024, in hoger beroep gekomen van een vonnis van 10 april 2024 van de rechtbank Noord-Holland, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen de Gemeente als eiseres en CCWH als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven inclusief eiswijzigingen, met producties;
- memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens eisvermeerdering en memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;
- akte eisvermeerdering in hoger beroep aan de zijde van de Gemeente;
- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep tevens antwoordakte ter zake van de eisvermeerdering, met producties;
- akte wijziging/vermeerdering van eis in hoger beroep aan de zijde van de Gemeente, met producties.
2.3.
Op 23 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De zaak is namens CCWH toegelicht door mr. Roijers voornoemd en door mr. C.J.G.M. van Meggelen, advocaat te Rotterdam. Namens de Gemeente is de zaak toegelicht door mr. Nabben voornoemd en door mr. S.J. Sattler, advocaat te Haarlem. Mr. Nabben en mr. Van Meggelen hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij hebben overgelegd. CCWH heeft nog producties in het geding gebracht.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1. tot en met 3.17. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat en aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.
3.1.
Bij notariële akte van 4 december 2014 (hierna: de erfpachtakte) heeft de Gemeente, ter uitvoering van een in maart 2013 gesloten overeenkomst, aan CCWH in erfpacht uitgegeven het perceel grond aan de Zuidrand in Hoofddorp, kadastraal bekend gemeente Haarlemmer-meer, sectie AM, nummer 1745 (hierna: het perceel), bestemd om te gebruiken voor de bouw en exploitatie van een hotel en een casino.
3.2.
In de erfpachtakte staat onder meer:

5.Termijn bebouwing

De termijn als bedoeld in artikel 3.5.1. van de Algemene Bepalingen wordt gesteld op vierentwintig (24) maanden na vestiging van het erfpachtrecht.

3.3.
In de erfpachtakte staat verder dat de uitgifte van erfpacht geschiedt onder de Algemene bepalingen voor voortdurende erfpacht gemeente Haarlemmermeer 2011, hoofdstukken 1 en 3, waarvan een kopie aan de erfpachtakte is gehecht. In de algemene bepalingen staat, voor zover van belang:
Artikel 3.5 Inrichting en bebouwing
3.5.1
Het perceel dient te worden te bebouwd met de in de akte van vestiging aangegeven bebouwing, binnen de daarin gestelde termijnen en onder de navolgende voorwaarden:
a. het perceel te bebouwen overeenkomstig het door de gemeente goedgekeurde bouwplan (definitief ontwerp);
(…)
c. het onbebouwde gedeelte van het perceel op behoorlijke wijze overeenkomstig de in de akte van vestiging aangegeven bestemming in te richten en ingericht te houden;
het perceel en de opstallen overeenkomstig de in de akte van vestiging aangegeven bestemming te gebruiken of te doen gebruiken;
3.4.
Bij brief van 28 februari 2017 heeft CCWH de Gemeente verzocht om verlenging van de onder 3.2. bedoelde termijn. De Gemeente heeft dit verzoek ingewilligd. Partijen hebben op 27 mei 2017 een eerste allonge bij de erfpachtakte gesloten. In deze allonge is die termijn gesteld op 24 maanden vanaf 1 januari 2017, zodat de termijn eindigde op 31 december 2018.
3.5.
Nadat CCWH bij brief van 21 november 2018 opnieuw had verzocht om uitstel, hebben partijen een tweede allonge bij de erfpachtakte gesloten (hierna: Allonge 2). In Allonge 2 staat, voor zover van belang:
Artikel 1. Termijn bebouwing, inrichting en ingebruikname
(…) Partijen[komen]
bij deze overeen dat de oplevering van de bebouwing op het perceel, inclusief inrichting binnen en buiten en de ingebruikname van de gehele bebouwing als hotel c.a. (hierna aangeduid als: Verplichting), een en ander in overeenstemming met het vastgestelde ontwerp en de stukken waarop de bouwvergunning werd verleend, dient plaats te vinden op uiterlijk31 juli 2019. De Verplichting is ondeelbaar.
Artikel 2. Boetebepaling
In aanvulling op de Overeenkomst, de Akte en de Allonge 1, komen Partijen bij deze overeen dat indien CCWH op uiterlijk 31 juli 2019 niet aan de in artikel 1 van Pro deze Allonge 2 genoemde Verplichting heeft voldaan, zulks ter uitsluitende beoordeling van de Gemeente, CCWH aan de Gemeente een boete verbeurt voor iedere dag dat de niet-nakoming voortduurt. De boete per dag, ingaande op 1 augustus 2019, is gelijk aan de wettelijke rente voor handelstransacties geldend in de maand van het verzuim berekend over het bedrag van de initiële grondwaarde van het perceel (€ 315,00 x 8.530m2), waarbij een jaar op 365 dagen wordt gesteld. CCWH verbeurt de boete vanwege het enkele feit dat zij niet aan de Verplichting heeft voldaan en zonder dat enige ingebrekestelling van de zijde van de Gemeente is vereist. (…)
3.6.
Tijdens een inspectie op 1 augustus 2019 hebben medewerkers van de Gemeente geconstateerd dat de bebouwing op het perceel niet voltooid en niet gebruiksklaar was. Hiervan is bij brief van diezelfde dag mededeling gedaan aan CCWH. In de brief heeft de Gemeente ook aanspraak gemaakt op de dagboete als bedoeld in artikel 2 van Pro Allonge 2. De Gemeente heeft deze dagboete vanaf dat moment maandelijks bij CCWH in rekening gebracht.
3.7.
Medio juli 2020 is het in het hotel gevestigde casino in gebruik genomen.
3.8.
Volgens een opnamerapport van 3 januari 2024, opgemaakt door de Gemeente, waren op de datum van het rapport elf hotelkamers bij hotelgasten in gebruik, verdeeld over twee verdiepingen, en waren er nog negen andere kamers gereserveerd voor later op die dag arriverende hotelgasten.
3.9.
In een proces-verbaal van constatering van Groot & Evers Gerechtsdeurwaarders van 28 juni 2024 staat onder meer dat een deurwaarder op die datum heeft geconstateerd dat de eerste drie etages van het hotel, met ieder 27 kamers, ingericht en operationeel waren en dat de kamers op de vierde verdieping bijna geheel ingericht waren.
3.10.
In een opnamerapport van 1 mei 2025, opgemaakt door de Gemeente, staat onder meer dat op de datum van het rapport vijf van de zes verdiepingen van het hotel in gebruik waren genomen.
3.11.
Op 14 november 2025 heeft de Gemeente de canon over 2026 ten bedrage van
€ 177.580,67 bij CCWH in rekening gebracht. Nadien heeft CCWH een bedrag van
€ 20.000,00 aan de Gemeente betaald, zodat de hierna te bespreken resterende vordering van de Gemeente betreffende de canon in hoofdsom € 157.580,67 bedraagt.
3.12.
De tot en met juni 2024 door de Gemeente in rekening gebrachte dagboetes zijn inmiddels (onder protest en ter uitvoering van het bestreden vonnis) door CCWH betaald.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
De Gemeente heeft in eerste aanleg onder meer gevorderd dat de rechtbank, samengevat, CCWH veroordeelt tot betaling aan de Gemeente van een bedrag aan achterstallige canon tot en met 2024 en dagboetes over de periode 1 augustus 2019 tot en met juni 2024, met rente. De overige vorderingen van de Gemeente (en de daarmee corresponderende beslissingen in het bestreden vonnis) spelen in hoger beroep geen rol meer en zullen daarom niet verder worden besproken, tenzij dat voor de beslissing van het hof van belang is.
4.2.
De Gemeente heeft aan haar vorderingen - samengevat en voor zover in hoger beroep van belang - ten grondslag gelegd dat de verschuldigdheid van de canon en de boetes volgt uit de verplichtingen van CCWH als erfpachter, zoals vastgelegd in de erfpachtakte, de twee allonges bij de erfpachtakte en de toepasselijke algemene bepalingen. CCWH heeft verweer gevoerd. Zij heeft onder meer aangevoerd dat de Gemeente heeft gehandeld in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Verder heeft CCWH betoogd dat zij aan haar verplichting om het hotel af te bouwen heeft voldaan, omdat het casco van het gebouw medio 2019 gereed was. Zij heeft verder aangevoerd dat het onredelijk is om in de gegeven omstandigheden boetes aan haar op te leggen, althans dat die boetes gematigd zouden moeten worden. CCWH heeft in dit verband onder meer gewezen op de Covidpandemie, problemen bij het verkrijgen van financiering en het feit dat CCWH als enige erfpachter is overgegaan tot ontwikkeling en exploitatie van een perceel in het gebied Zuidrand.
4.3.
In het bestreden vonnis is CCWH veroordeeld tot betaling aan de Gemeente van een bedrag aan boetes en canon van € 1.431.462,16, te vermeerderen met rente en tot betaling van proceskosten en beslagkosten. De rechtbank heeft – samengevat en voor zover in hoger beroep van belang – geoordeeld dat CCWH niet aan haar verplichting tot het tijdig bebouwen, inrichten en in gebruik nemen van het gebouw heeft voldaan en dat zij op grond van artikel 2 van Pro Allonge 2 dagboetes verschuldigd is over de periode vanaf 1 augustus 2019 tot en met juni 2024. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat CCWH zelf om verlenging van de termijn voor oplevering van het hotel heeft verzocht. Dat de Gemeente daaraan heeft meegewerkt kan haar bezwaarlijk worden tegengeworpen. De Gemeente heeft de voorwaarden in Allonge 2 niet eenzijdig bedongen. CCWH is in alle vrijheid met deze voorwaarden akkoord gegaan. De Gemeente heeft daarom niet in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat in ieder geval door het sluiten van Allonge 2 op CCWH de verplichting kwam te rusten om het hotel met inrichting eind juli 2019 gereed te hebben en in gebruik te nemen. Dat het casco van het hotel medio 2019 gereed kwam, was daarom volgens de rechtbank niet voldoende.
4.4.
De rechtbank is evenmin meegegaan in het betoog van CCWH dat het onredelijk is dat aan haar boetes zijn opgelegd, althans dat die boetes gematigd zouden moeten worden. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Gemeente zich coulant heeft opgesteld door de termijn waarbinnen de bebouwing gereed moest zijn, op verzoek van CCWH diverse keren substantieel te verlengen. Pas nadien heeft de Gemeente aanspraak gemaakt op boetes. Verder was de uiterste datum waarop de bebouwing gereed had moeten zijn en CCWH die in gebruik had moeten nemen, ruimschoots verstreken voordat de Covidpandemie uitbrak. Het verkrijgen van financiering en het al dan niet uitblijven van verdere exploitatie van het gebied Zuidrand, liggen in de risicosfeer van CCWH, aldus de rechtbank.

5.Het hoger beroep

5.1.
CCWH concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover CCWH daarbij is veroordeeld tot het betalen van boetes, de daarover berekende btw en rente en voor zover zij is veroordeeld tot betaling van proceskosten. Zij vordert - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - in hoger beroep, samengevat:
1. dat de Gemeente wordt veroordeeld om aan CCWH terug te betalen:
a. al hetgeen CCWH vóór het bestreden vonnis aan boetes aan de Gemeente heeft betaald, te weten een bedrag van € 197.604,67, met rente;
b. al hetgeen CCWH ter uitvoering van het bestreden vonnis aan de Gemeente heeft betaald, behoudens voor zover die betalingen door CCWH zijn gedaan ten titel van canon en over die canon verschuldigde rente, zijnde een bedrag van in totaal € 1.007.749,99, met rente;
2. voor recht te verklaren dat CCWH aan de Gemeente (ook) per 1 juli 2024 geen boetes verschuldigd is, althans die boetes te matigen tot nihil, althans tot tien procent van de over die periode eventueel nog verschuldigde boete, althans tot een in goede justitie te bepalen bedrag;
3. te verklaren voor recht dat CCWH aan de Gemeente over eventueel verschuldigde boetes geen btw verschuldigd is;
een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure in beide instanties, met nakosten en rente.
In incidenteel hoger beroep heeft CCWH geconcludeerd, samengevat, tot afwijzing van de vorderingen van de Gemeente, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten, waaronder de nakosten en rente.
5.2.
De Gemeente heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van CCWH in de kosten van het geding in principaal hoger beroep. In incidenteel hoger beroep heeft de Gemeente, na meerdere eiswijzigingen, uiteindelijk geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, CCWH veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 384.505,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 157.580,67 (het bedrag van de openstaande canon over 2026) vanaf 5 december 2025 en de wettelijke handelsrente over de verschuldigde boetes (€ 226.924,35), vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop de boete betrekking heeft, zijnde de volgende boetebedragen:
boete juli 2024 € 27.309,98
boete augustus 2024 € 27.309,98
boete september 2024 € 26.429,02
boete oktober 2024 € 27.309,98
boete november 2024 € 26.429,02
boete december 2024 € 27.309,98
boete januari 2025 € 25.445,05
boete februari 2025 € 22.982,62
boete maart 2025 € 25.445,05
boete april 2025 € 24.624,24
een en ander met veroordeling van CCWH in de proceskosten in incidenteel hoger beroep.

6.Beoordeling

Vorderingen CCWH
6.1.
CCWH heeft eerst in hoger beroep reconventionele vorderingen ingesteld. Op grond van artikel 353 lid 1 Rv Pro kan de partij die in eerste aanleg gedaagde was en toen geen reconven-tionele vordering heeft ingesteld, in hoger beroep geen nieuwe vorderingen instellen, ongeacht of hij in hoger beroep appellant of geïntimeerde is. Dit verbod is absoluut en geldt ook in gevallen waarin de nieuwe reconventionele vordering nauw verband houdt met de vordering in conventie. De voor het eerst in hoger beroep ingestelde vorderingen van CCWH zijn daarom niet toewijsbaar, met uitzondering van de gevorderde proceskostenveroordeling (die ambtshalve kan worden uitgesproken) en de vordering tot terugbetaling van hetgeen ter uitvoering van het bestreden vonnis is betaald (omdat die verplichting een noodzakelijk en onafscheidelijk gevolg van de vernietiging van het bestreden vonnis zou zijn).
Eiswijzigingen Gemeente
6.2.
Het incidenteel hoger beroep van de Gemeente bestaat uit een wijziging/vermeerdering van eis, die zij in hoger beroep bij memorie van grieven heeft ingediend en daarna tweemaal bij akte heeft gewijzigd. Een appellant kan zijn eis in beginsel niet later wijzigen dan bij memorie van grieven. Een eiswijziging na dit moment is echter wel toelaatbaar als daarmee aanpassing wordt beoogd aan pas nadien voorgevallen feiten en de nieuwe eiswijziging ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van achterhaalde feiten zou moeten worden beslist, of dat een nieuwe procedure zou moeten worden gevoerd om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te doen beslissen. Met de Gemeente is het hof van oordeel – en door CCWH is ook niet betwist – dat de bedoelde uitzondering zich in dit geval voordoet. De eiswijzigingen van de Gemeente hebben immers de strekking om haar vordering aan te passen aan de (na de datum van haar memorie) veranderde omvang van haar gepretendeerde vordering op CCWH. CCWH heeft bovendien geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijzigingen van de Gemeente. De eiswijzigingen zijn dan ook toelaatbaar. Voor de duidelijkheid merkt het hof op dat de Gemeente haar aanvankelijke eis in hoger beroep tot vergoeding van (in hoger beroep gemaakte) beslagkosten in haar laatste akte van 14 april 2026 niet meer heeft gehandhaafd, waardoor deze vordering geen voorwerp meer vormt van het hoger beroep.
Grieven
6.3.
CCWH heeft twee grieven tegen het bestreden vonnis gericht. De eerste grief heeft betrekking op de door de rechtbank toegewezen dagboetes op grond van Allonge 2, met inbegrip van de daarover toegewezen rente. Omdat de in incidenteel hoger beroep gewijzigde eis van de Gemeente mede betrekking heeft op dagboetes en het verweer van CCWH tegen die eisvermeerdering materieel gelijkluidend is aan de onderbouwing van haar eerste grief, zal deze grief hierna gezamenlijk worden besproken met de vermeerderde eis van de Gemeente, voor zover die betrekking heeft op boetes en de daarover verschuldigde rente. De tweede grief van CCWH heeft betrekking op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en zal onder 6.29. worden besproken.
Boetes
6.4.
De Gemeente maakt wegens schending door CCWH van de in artikel 1 van Pro Allonge 2 overeengekomen termijn voor bebouwing, inrichting en ingebruikname aanspraak op betaling van de in artikel 2 van Pro Allonge 2 bedoelde dagboetes. Zij vordert dagboetes over de periode van 1 augustus 2019 tot en met 30 april 2025. Hiervan is een deel (van 1 augustus 2019 tot en met juni 2024) al toegewezen in eerste aanleg; het tweede deel (van 1 juli 2024 tot en met april 2025, te weten € 226.924,35) vormt voorwerp van de vermeerderde eis van de Gemeente in hoger beroep. De dagboetes zijn gelijk aan de van tijd tot tijd toepasselijke wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, berekend over de initiële grondwaarde van het perceel, zijnde € 2.686.950. De wettelijke handelsrente bedroeg per 1 augustus 2019 acht procent en is in het relevante tijdvak als volgt gewijzigd:
Per 01-01-2023
10,50 %
Per 01-07-2023
12,00 %
Per 01-01-2024
12,50 %
Per 01-07-2024
12,25 %
Per 01-01-2025
11,15 %
De dagboetes waarop de Gemeente aanspraak maakt, liggen dus tussen (2.686.950 x 0,08 / 365 = ) € 588,92 en (2.686.950 x 0,125 / 365 = ) € 920,19 per dag.
6.5.
CCWH betoogt dat zij geen boetes aan de Gemeente verschuldigd is, althans een lager bedrag. Zij voert daartoe het volgende aan:
I. CCWH is niet over de gehele door de Gemeente periode boetes verschuldigd omdat zij op enig moment geheel aan haar verplichtingen uit Allonge 2 voldeed;
II. er bestaat grond voor matiging van de door CCWH verschuldigde boetes;
III. het opleggen van boetes is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar;
IV. het opleggen van boetes aan CCWH is strijdig met het evenredigheidsbeginsel.
Ad I. CCWH had op 1 maart 2025 aan haar verplichting voldaan
6.6.
Op grond van Allonge 2 was CCWH boetes verschuldigd vanaf 1 augustus 2019 tot het moment waarop de bebouwing op het perceel inclusief inrichting was opgeleverd en als hotel in gebruik was genomen. CCWH heeft aangevoerd dat zij in ieder geval op 1 maart 2025 aan deze verplichting voldeed, zodat de Gemeente over maart en april 2025 geen boetes bij haar in rekening kon brengen. De Gemeente heeft haar stelling dat CCWH op 1 maart 2025 nog niet aan haar verplichtingen voldeed, onderbouwd met een rapport van een door haar op 2 mei 2025 uitgevoerde inspectie waarin staat dat de zesde verdieping van het hotel, de parkeerplaats en de keuken niet geheel waren voltooid, althans niet volledig in gebruik waren genomen.
6.7.
CCWH heeft het standpunt van de Gemeente gemotiveerd betwist. Zij heeft erop gewezen dat het rapport slechts twee foto’s van de zesde verdieping van het hotel bevat, te weten van een gang en van een dichte kamerdeur. Uit die foto’s blijkt niet dat de zesde verdieping niet in gebruik was genomen. CCWH heeft verder gewezen op schermafdrukken uit haar reserveringssysteem waaruit volgt dat er vanaf 1 maart 2025 kamers op de zesde verdieping aan gasten zijn verhuurd. Ook heeft zij verklaringen van een bestuurder/ aandeelhouder, een directeur en een aandeelhouder in het geding gebracht, die allen bevestigen dat de zesde verdieping van het hotel in ieder geval sinds 1 maart 2025 volledig in gebruik was. In het licht van deze betwisting heeft de Gemeente naar het oordeel van het hof onvoldoende toegelicht dat de zesde verdieping van het hotel op 1 maart 2025 toch niet in gebruik was genomen. In het bijzonder heeft zij niet toegelicht hoe de door haar ingeschakelde inspecteur op basis van foto’s van een gang en een gesloten deur de conclusie heeft kunnen trekken dat de zesde verdieping niet in gebruik was.
6.8.
Ook de stelling dat uit het rapport zou blijken dat het parkeerterrein niet gereed was of niet in gebruik was genomen, heeft de Gemeente onvoldoende onderbouwd. In het rapport staat immers dat het parkeerterrein in gebruik is genomen en dat er tijdens het onderzoek auto’s op het parkeerterrein stonden. Dit volgt ook uit de bij het rapport gevoegde foto’s waarop een bestraat parkeerterrein te zien is, waarop tourbussen en personenauto’s staan geparkeerd. Weliswaar staat bij die foto’s dat er sinds de laatste controle niks aan het parkeerterrein is veranderd, maar de Gemeente heeft niet toegelicht welke veranderingen er wat haar betreft nog vereist waren, terwijl dat ook niet duidelijk wordt uit de foto’s. Uit de toelichting van de Gemeente ter zitting leidt het hof af dat zij van mening is dat het parkeerterrein niet gereed was omdat het er slordig uitzag. Uit de foto’s van het parkeerterrein bij het inspectierapport wordt echter niet duidelijk op welke slordigheid de Gemeente doelt. Maar ook als juist is dat een deel van het parkeerterrein slordig was afgewerkt, dan rechtvaardigt dit naar het oordeel van het hof niet de conclusie dat het parkeerterrein niet was opgeleverd en in gebruik genomen. Voor het geval de Gemeente doelt op de foto bij het inspectierapport van een ander deel van het terrein dat kennelijk (nog) niet is bestraat, geldt dat niet is gebleken dat deze strook grond onderdeel uitmaakt van het parkeerterrein en dat het niet bestraten ervan ook overigens een dermate beperkte onvolkomenheid is dat deze niet kan leiden tot de conclusie dat CCWH haar verplichtingen uit artikel 1 van Pro Allonge 2 op 1 maart 2025 niet was nagekomen.
6.9.
De Gemeente heeft verder aangevoerd dat de keuken van het bij het hotel behorende restaurant op de datum van de inspectie dicht was. Met CCWH is het hof van oordeel dat deze omstandigheid niet de conclusie rechtvaardigt dat CCWH na 1 maart 2025 tekortschoot in de nakoming van haar uit artikel 1 van Pro Allonge 2 voortvloeiende verplichtingen. Die verplichtingen hielden mede in dat CCWH het gebouw als “hotel c.a.” in gebruik moest nemen. CCWH heeft terecht betoogd dat een hotel niet noodzakelijkerwijs restaurantfaciliteiten aan haar gasten hoeft aan te bieden. Dat dit inderdaad niet essentieel was voor ingebruikname als hotel blijkt ook wel uit het feit dat het hotel, ondanks het ontbreken van een operationeel restaurant, volgens het inspectierapport een bezettingsgraad van meer dan tachtig procent had. Het deel van het gebouw dat was bestemd voor het restaurant, was op de datum van de inspectie volgens het rapport ingericht als feestzaal en stond dus ook niet leeg. Onder deze omstandigheden levert ook het gesloten zijn van de keuken geen schending op van artikel 1 van Pro Allonge 2.
6.10.
Uit het voorgaande volgt dat CCWH over de maanden maart en april 2025 (waarop de vermeerderde eis in incidenteel hoger beroep ziet) geen boetes aan de Gemeente verschuldigd is. Over de periode tussen 1 augustus 2019 en 1 maart 2025 is CCWH in beginsel wel boetes verschuldigd.
Ad II. Matiging
6.11.
CCWH heeft zowel in principaal hoger beroep (voor de boetes over de periode tot en met juni 2024) als in incidenteel hoger beroep (voor de nadien verbeurde boetes) een beroep gedaan op matiging.
6.12.
Het hof stelt het volgende voorop. Op verlangen van de schuldenaar kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, een contractuele boete matigen, met dien verstande dat hij de schuldeiser ter zake van de tekortkoming niet minder kan toekennen dan de schadevergoeding op grond van de wet (artikel 6:94 BW Pro). Matiging is alleen aan de orde als toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.
6.13.
CCWH heeft ter onderbouwing van haar beroep op matiging ten eerste aangevoerd dat de boetes eenzijdig door de Gemeente zijn opgelegd, dat over die boetes door CCWH niet kon worden onderhandeld en dat CCWH bij de onderhandelingen over Allonge 2 geen juridische bijstand heeft gehad. Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat de Gemeente de tekst van Allonge 2 heeft opgesteld, maar CCWH heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat de Gemeente niet bereid was om over de tekst van Allonge 2 of over de hoogte van de boetes te onderhandelen. Ter zitting is gebleken dat CCWH ook geen pogingen heeft ondernomen om de tekst van Allonge 2 of de hoogte van de boetes te laten aanpassen. Ook heeft CCWH niet op enige uitlating of handeling van de Gemeente gewezen die bij CCWH de gerechtvaardigde indruk heeft kunnen wekken dat de Gemeente niet bereid was om over Allonge 2 te onderhandelen. Dat CCWH geen juridisch advies heeft ingewonnen bij de beoordeling van Allonge 2 komt voor haar eigen risico. Zij drijft een professionele onderneming die regelmatig grote commerciële overeenkomsten sluit en moet in staat worden geacht zelf te bepalen wanneer het raadzaam is om juridisch advies in te winnen. Daar komt bij dat de Gemeente er ook niet bedacht op hoefde te zijn dat CCWH mogelijk niet met de inhoud van Allonge 2 zou instemmen als zij wel juridisch advies zou inwinnen. Allonge 2 bevatte immers een verlenging van de uiterlijke datum van ingebruikneming van het hotelgebouw ten gunste van CCWH met een periode die door CCWH zelf was voorgesteld in haar brief van 21 november 2018. Daar komt bij dat CCWH bij overschrijding van deze termijn een boete verschuldigd raakte die bij aanvang slechts € 588,92 per dag bedroeg.
6.14.
Het hof gaat ook voorbij aan het betoog van CCWH dat zij zich niet (voldoende) zou hebben gerealiseerd dat de tekst van Allonge 2 haar verplichtte tot volledige ingebruikneming van het hotel, terwijl zij zich in de erfpachtakte slechts had verplicht tot de bouw van het hotel. Het hof stelt voorop dat de Gemeente gemotiveerd heeft betwist dat Allonge 2 materieel tot een uitbreiding van de verplichtingen van CCWH heeft geleid. Zelfs echter als dit onjuist is en CCWH zich in Allonge 2 tot meer heeft verbonden dan in de erfpachtakte, dan levert dat geen grond voor matiging van de verschuldigde boetes op. Allonge 2 is een goed leesbaar document dat slechts vier artikelen bevat. CCWH heeft onvoldoende onderbouwd dat en waarom de aard en omvang van de daarin vastgelegde verplichtingen voor haar toch onvoldoende duidelijk zijn geweest. Voor zover enige bepaling van Allonge 2 toch onduidelijk voor CCWH zou zijn geweest, behoort het bovendien tot haar ondernemersrisico dat zij Allonge 2 heeft ondertekend.
6.15.
Evenzeer tot het ondernemersrisico van CCWH behoort het dat zij op enig moment onvoldoende financiële middelen had om de boetes te voldoen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat zij bij de ontwikkeling van het hotel mogelijk hinder heeft ondervonden van de coronacrisis en problemen met financiers. Deze omstandigheden zijn geen reden voor matiging van de boetes die CCWH op grond van Allonge 2 aan de Gemeente verschuldigd raakte, te minder omdat Allonge 2 primair was bedoeld om CCWH - nogmaals - extra tijd te geven om het hotel af te bouwen, waarmee de Gemeente in ruime mate rekening heeft gehouden met de tegenslagen die CCWH ondervond. Ook het feit dat CCWH de enige partij is die zich in het gebied Zuidrand heeft gevestigd, behoort tot haar ondernemersrisico en levert geen grond voor matiging op. Dat had anders kunnen zijn als de Gemeente aan CCWH op juridische afdwingbare wijze zou hebben toegezegd dat zich in het gebied ook andere ondernemingen zouden vestigen. Dat de Gemeente dergelijke toezeggingen aan CCWH heeft gedaan is echter niet door CCWH onderbouwd. Het hof gaat ook voorbij aan de stelling van CCWH dat het totaalbedrag van de verschuldigde boetes op enig moment zo hoog is opgelopen dat de boetebepaling niet langer als prikkel voor nakoming fungeerde. Dit betoog is moeilijk te volgen. Het feit dat CCWH ondanks het verbeuren van de boetes niet aan haar verplichtingen voldeed, wijst er eerder op dat de boetes te laag waren dan dat zij zouden moeten worden gematigd.
6.16.
CCWH heeft verder aangevoerd dat de boetes moeten worden gematigd omdat het bedingen en incasseren van de boetes in strijd zou komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de tweewegenleer. CCWH werkt dit betoog uit door te stellen dat de Gemeente, in plaats van het opleggen van boetes, op grond van (destijds) artikel 2.33 lid 2 sub a van de Wabo de omgevingsvergunning van CCWH had kunnen intrekken. Ook dit betoog heeft geen succes. Het hof stelt voorop dat de tweewegenleer juist inhoudt dat een overheidsorgaan in beginsel de vrije keuze heeft om haar doelen te bereiken via het publiekrecht of via het privaatrecht. Voor zover CCWH heeft bedoeld een beroep te doen op de doorkruisingsleer (die zegt dat de overheid niet voor de privaatrechtelijke weg mag kiezen als dit leidt tot een onaanvaardbare doorkruising van een specifieke publiekrechtelijke regeling), slaagt dat beroep ook niet. De Gemeente beoogde met het bedingen van de boetes in Allonge 2 dat CCWH het hotel zo snel mogelijk zou afbouwen en in gebruik zou nemen. Met het intrekken van de omgevingsvergunning van CCWH zou de Gemeente het tegenovergestelde hebben bereikt. Daar komt nog bij dat de Gemeente door het sluiten van Allonge 2 meeging in de uitdrukkelijke wens van CCWH om uitstel van haar oplever- en exploitatieverplichting te verkrijgen. Dat CCWH beter geholpen zou zijn geweest met de intrekking van haar omgevingsvergunning is ook moeilijk voorstelbaar, omdat die intrekking ertoe zou hebben geleid dat zij het hotel niet zou kunnen gaan exploiteren en dus geen inkomsten zou hebben kunnen genereren.
6.17.
CCWH heeft verder betoogd dat de Gemeente als gevolg van de tekortkoming van CCWH geen schade heeft geleden, dat de boetes in geen enkele verhouding stonden met enig door de Gemeente geleden nadeel en dat de Gemeente de opgelegde boetes niet heeft bijgesteld toen zij vaststelde dat de bouw en ingebruikneming van het hotel aanzienlijk vorderde.
6.18.
Het hof stelt voorop dat de Gemeente met het bedingen van de bepalingen van Allonge 2 in de eerste plaats een publiek belang heeft nagestreefd, te weten het belang van een goede ruimtelijke ordening. Dit belang laat zich moeilijk geldelijk kwantificeren. De vraag of en in hoeverre de Gemeente in het onderhavige geval (eigen) schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van CCWH is daarom een weinig bruikbaar gezichtspunt. Wel is relevant welk belang de Gemeente in de loop van de tijd (nog) had bij nakoming van artikel 1 van Pro Allonge 2. Door de Gemeente is betoogd dat zij er belang bij had dat het perceel daadwerkelijk zou worden bebouwd, zodat het niet braak zou blijven liggen. Ook had de Gemeente belang bij de daadwerkelijke exploitatie van het hotel. Daarmee bevorderde de Gemeente dat CCWH voldoende inkomsten genereerde om de verschuldigde erfpachtcanon te voldoen en stimuleerde zij bedrijvigheid en toerisme. Het hof onderkent dus dat de Gemeente bij ondertekening van Allonge 2 - en ook geruime tijd nadien - een te respecteren belang had bij onverkorte handhaving van het boetebeding.
6.19.
CCWH heeft er echter naar het oordeel van het hof terecht op gewezen dat de Gemeente de dagboetes ook onverkort in rekening is blijven brengen toen de bouw van het hotel, zoals blijkt uit het proces-verbaal van de deurwaarder eind juni 2024, al (bijna) geheel was voltooid en de begane grond en de eerste drie verdiepingen van het hotel alsook het bij het hotel behorende casino al in gebruik waren genomen. De Gemeente heeft, ook desgevraagd ter zitting, niet kunnen uitleggen wat vanaf dat moment nog haar concrete belang was bij het ook door CCWH in gebruik nemen van de laatste verdieping(en) van het hotel. Gelet op de voortgang die CCWH gaandeweg boekte met de ingebruikneming van het hotel, had het voor de hand gelegen dat de Gemeente - mede in het licht van de financieel uitdagende situatie waarin CCWH zich bevond - op enig moment maar in ieder geval vanaf 1 juli 2024 het bedrag van de aan CCWH gefactureerde dagboetes zou hebben beperkt, om zo uitdrukking te geven aan de sterk afnemende ernst van de tekortkoming van CCWH. Doordat de Gemeente dat niet heeft gedaan, is naar het oordeel van het hof na 1 juli 2024 een situatie ontstaan waarin onverkorte toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidde, zodat grond bestaat voor enige matiging van de door CCWH verschuldigde dagboetes vanaf die datum. Voor zover CCWH heeft bepleit dat de matiging al zou moeten ingaan per najaar 2021 heeft zij dat onvoldoende onderbouwd.
6.20.
Gelet op alle hiervoor beschreven omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof een matiging passend ter grootte van € 45.000,00, in mindering te brengen op de boetes die betrekking hebben op de periode vanaf 1 juli 2024. In zoverre slaagt dus het verweer van CCWH tegen de in incidenteel hoger beroep vermeerderde eis van de Gemeente. Anders dan CCWH betoogt, ziet het hof voor een verdergaande matiging geen grond, mede gelet op de onder 6.12. beschreven (en tot terughoudendheid nopende) maatstaf voor matiging van contractuele boetes.
Ad III. Redelijkheid en billijkheid
6.21.
CCWH heeft nog aangevoerd dat het inroepen van het boetebeding door de Gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij heeft daarvoor dezelfde argumenten aangevoerd als voor haar beroep op matiging. Het beroep van CCWH op artikel 6:248 lid 2 BW Pro slaagt niet (althans niet voor zover het ziet op het deel van de verschuldigde boetes dat hiervoor niet al is gematigd), om de redenen genoemd onder 6.11. tot en met 6.16.
Ad IV. Evenredigheid
6.22.
CCWH heeft ten slotte betoogd dat het opleggen van de dagboetes door de Gemeente strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. Het hof volgt CCWH niet in dit betoog, met uitzondering van de dagboetes die de Gemeente vanaf 1 juli 2024 onverkort in rekening heeft gebracht (zie hiervoor, 6.20.). Het bedingen en factureren van de dagboetes (althans het bedrag van de dagboetes dat resteert na de matiging zoals hiervoor bepaald) was een geschikte, noodzakelijke en evenwichtige manier om CCWH te bewegen haar verplichtingen tot bouw en exploitatie van het hotel na te komen. Bij dat oordeel betrekt het hof mede hetgeen hiervoor al is overwogen over het beroep van CCWH op matiging, en in het bijzonder het feit dat:
1. de Gemeente met het bedingen van Allonge 2 een legitiem publiek doel diende;
2. de Gemeente met het afsluiten van Allonge 2 tegemoet kwam aan de uitdrukkelijke wens van CCWH zelf om uitstel te verkrijgen, waarbij de in Allonge 2 opgenomen uiterlijke termijn door CCWH zelf is voorgesteld;
3. het door CCWH voorgestelde bestuursrechtelijke alternatief van intrekking van de omgevingsvergunning van CCWH niet de doelstellingen van de Gemeente diende;
4. de Gemeente zich, door tweemaal in te stemmen met uitstel, onverplicht coulant jegens CCWH heeft opgesteld;
5. hiervoor is overwogen dat de Gemeente de voorwaarden van Allonge 2 niet eenzijdig heeft opgelegd en CCWH ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet in vrijheid heeft kunnen beslissen tot het aangaan van de in Allonge 2 neergelegde overeenkomst; en
6. het bedrag van de per dag verschuldigde boete (bij aanvang € 588,92) beperkt was.
Gelet op deze omstandigheden heeft de Gemeente naar het oordeel van het hof niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel gehandeld wat betreft de dagboetes die hiervoor niet al door het hof zijn gematigd.
6.23.
Het voorgaande betekent dat grief 1 van CCWH niet slaagt. Haar verweer tegen de vermeerderde eis in incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Dit brengt verder mee dat er geen grond is voor toewijzing van de vordering van CCWH tot terugbetaling van dagboetes (over de maanden augustus 2019 - juni 2024) die zij krachtens het bestreden vonnis aan de Gemeente heeft betaald (zie 5.1. onder 1.b.).
Canon
6.24.
In incidenteel hoger beroep vordert de Gemeente naast de dagboetes ook een bedrag aan canon over 2026 ten bedrage van € 157.580,67 (zie ook 3.11). De verschuldigdheid van dit bedrag is door CCWH erkend en zal daarom worden toegewezen.
btw
6.25.
De Gemeente heeft erkend dat zij enige tijd ten onrechte btw over de dagboetes bij CCWH in rekening heeft gebracht. Zij heeft haar vordering in incidenteel hoger beroep om die reden verminderd met een bedrag van € 33.670,57. Dit bedrag heeft betrekking op de periode januari 2024 tot en met juni 2024. Ter zitting heeft de Gemeente toegezegd dat zij ook de btw die zij in 2023 over de boetebedragen aan CCWH in rekening heeft gebracht en die CCWH heeft betaald, aan CCWH zal terugbetalen, vermeerderd met eventuele door CCWH over die btw betaalde rente. Conform afspraak tussen partijen zal het hof deze laatste verrekening niet in het dictum van dit arrest betrekken.
Rente
6.26.
De Gemeente heeft wettelijke handelsrente over de verschuldigde dagboetes gevorderd vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop de boete betrekking heeft, te berekenen over de in 5.2. genoemde factuurbedragen. Ter zitting heeft het hof echter aan de Gemeente voorgehouden dat de bedragen onder 5.2. (die in totaal € 260.594,92 bedragen) niet optellen tot het door de Gemeente gevorderde totaalbedrag aan dagboetes van € 226.924,35. Vervolgens is duidelijk geworden dat dit verschil wordt veroorzaakt doordat op het gevorderde totaalbedrag
welmaar op de genoemde factuurbedragen abusievelijk
niethet onterecht in rekening gebrachte bedrag van € 33.670,57 aan btw over januari – juni 2024 in mindering is gebracht. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat dit bedrag ten behoeve van de berekening van de verschuldigde rente eerst op de factuur over de maand juli 2024 (geheel) en vervolgens op de factuur over de maand augustus 2024 (gedeeltelijk) in mindering zal worden gebracht. Hierdoor worden die boetebedragen € 0,00 voor de maand juli 2024 en (€ 27.309,98 + € 27.309,8008 - € 33.670,57 = ) € 20.949,39 voor de maand augustus 2024.
6.27.
Hiervoor in 6.20. heeft het hof beslist dat het boetebedrag waarop de vermeerderde eis in incidenteel hoger beroep ziet, zal worden gematigd met € 45.000,00. Omdat deze matiging – kort samengevat – haar grondslag vindt in de na verloop van tijd steeds verder gevorderde exploitatie van het hotel, is het passend om het bedrag van deze matiging ten behoeve van de renteberekening in mindering te brengen op de boetebedragen over de maanden februari 2025 (geheel) en januari 2025 (gedeeltelijk). Hierdoor worden die boetebedragen (€ 25.445,05 +
€ 22.982,62 – € 45.000,00 =) € 3.427,67 voor de maand januari 2025 respectievelijk € 0,00 voor de maand februari 2025,
6.28.
Het voorgaande betekent dat wettelijke handelsrente zal worden toegewezen vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarop de dagboete betrekking heeft, te berekenen over de volgende bedragen:
boete augustus 2024 € 20.949,39
boete september 2024 € 26.429,02
boete oktober 2024 € 27.309,98
boete november 2024 € 26.429,02
boete december 2024 € 27.309,98
boete januari 2025 € 3.427,67
Proceskosten eerste aanleg
6.29.
Met haar tweede grief komt CCWH op tegen de beslissing van de rechtbank om haar te veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg. Zij voert aan dat de geldvordering van de Gemeente slechts deels is toegewezen en dat ook een aanzienlijk deel van de overige vorderingen van de Gemeente is afgewezen. De grief slaagt niet. In het bestreden vonnis is CCWH veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag, dat bovendien een aanmerkelijk deel van de totale geldvordering van de Gemeente in eerste aanleg behelsde. Daarnaast zijn in eerste aanleg onder meer een verklaring voor recht, een vordering tot opgave van een hypotheekschuld en een vordering tot doorhaling van een hypotheekrecht toegewezen. De Gemeente heeft CCWH dus terecht gedagvaard. Dat andere vorderingen van de Gemeente zijn afgewezen, doet daaraan onvoldoende af. Daar komt bij dat het bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling gehanteerde liquidatietarief correspondeert met de hoogte van de toegewezen geldvordering. CCWH is daarom in eerste aanleg terecht veroordeeld in de proceskosten zoals ze in het bestreden vonnis zijn vastgesteld.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.30.
Het principaal hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. De vorderingen van CCWH in hoger beroep (zie 5.1 onder 1 tot en met 3) zullen worden afgewezen.
6.31
Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre dat CCWH zal worden veroordeeld tot betaling aan de Gemeente van:
- canon over 2026 ter hoogte van een bedrag van € 157.580,67; en
- boetes ter hoogte van een bedrag van € 131.855,06 zijnde het verschil tussen € 176.855,06 (het gevorderde boetebedrag van € 226.924,35 minus de boetes over maart en april 2025) en
€ 45.000,00 (matiging);
te verhogen met rente zoals vermeld in het dictum.
6.32.
Het hof ziet geen aanleiding om CCWH of de Gemeente toe te laten tot bewijslevering, omdat zij beide geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. Ten aanzien van de stellingen waarvan CCWH specifiek bewijs heeft aangeboden overweegt het hof nog het volgende:
a. de stelling dat de voorwaarden van Allonge 2 (en overige door partijen gesloten overeenkomsten) door de Gemeente eenzijdig zijn bepaald en opgelegd, is gelet op hetgeen onder 6.13 is overwogen, onvoldoende door CCWH onderbouwd om tot bewijslevering te worden toegelaten;
b. bewijs van de stelling dat het casco van het hotel voor 1 augustus 2021 was gebouwd en/of de stelling dat het hotel vanaf die datum in enige mate werd geëxploiteerd, kan niet leiden tot een andere uitkomst omdat CCWH op grond van Allonge 2 was gehouden om het gehele gebouw als hotel in gebruik te nemen en CCWH niet (voldoende) heeft onderbouwd dat het hotel op enig moment voor 1 maart 2025 geheel in gebruik was genomen. Anderzijds heeft het hof het feit dat CCWH het gebouw al wel in enige (en toenemende) mate heeft geëxploiteerd al betrokken bij haar beoordeling;
c. bewijs van de stelling dat vanaf medio juli 2020 een speelautomatenhal werd geëxploiteerd kan evenmin leiden tot een andere uitkomst omdat het hof dit feit al in haar beoordeling heeft betrokken. Hetzelfde geldt voor de stelling dat de inrichting en ingebruikneming van het hotel op de datum van indiening van de memorie van grieven in een vergevorderd stadium verkeerde.
6.33.
CCWH is in principaal hoger beroep geheel en in incidenteel hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 13.124,00
- salaris advocaat principaal hoger beroep € 9.414,00 (tarief 4.707,00, twee punten)
- salaris advocaat incidenteel hoger beroep € 4.707,00 (tarief 2.353,50, twee punten)
Totaal € 27.245,00

7.Beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep,
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis voor zover dit aan het hof is voorgelegd;
7.2.
veroordeelt CCWH om, binnen veertien dagen na de datum van dit arrest, de volgende bedragen aan de Gemeente te betalen:
A. € 157.580,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 december 2025; en
B. € 131.855,06, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de eerste dag van de maand volgend op de hieronder te vermelden maand, te berekenen over het achter die maand genoemde bedrag:
boete augustus 2024 € 20.949,39
boete september 2024 € 26.429,02
boete oktober 2024 € 27.309,98
boete november 2024 € 26.429,02
boete december 2024 € 27.309,98
boete januari 2025 € 3.427,67
7.3.
veroordeelt CCWH in de proceskosten in principaal en incidenteel hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 27.245,00;
7.4.
verklaart de veroordelingen onder 7.2. en 7.3. uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.R. Brons, C.A.H.M. ten Dam en A.J.M. Lauvenberg en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.