ECLI:NL:GHAMS:2026:1832

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.351.820/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 Verordening Brussel I-bisArt. 60 Wet ROArt. 3 lid 1 Verordening Rome IArt. 4 borgtochtovereenkomstArt. 6:109 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitwinning zakelijke borgtocht na faillissement hoofdschuldenaar niet onrechtmatig

Appellant stond borg voor de verplichtingen van SCF-Solutions B.V., waarvan hij medebestuurder en aandeelhouder was. Na het faillissement van SCF sprak de bank appellant aan op de borgstelling van maximaal €250.000. Appellant weigerde te betalen, waarna de bank beslag legde in België en een procedure startte.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de beslaglegging onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat de bank een zorgplicht had verzaakt door geen pandrecht op intellectuele eigendomsrechten te vestigen, en dat de bank onrechtmatig had gehandeld. Het hof oordeelde dat de beslaglegging rechtmatig was, dat de bank niet gehouden was tot vestiging van een pandrecht op IE-rechten, en dat appellant geen schadevergoeding kon verrekenen met zijn borgstelling.

Het hof bevestigde dat de wettelijke rente vanaf 30 april 2015 verschuldigd is en wees het hoger beroep af. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 7 juli 2026 door het Gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en veroordeelt appellant tot betaling van €250.000 borgtocht met rente en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht team I (handel)
zaaknummer : 200.351.820/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/745050 / HA ZA 24-56
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026
in de zaak van
[appellant] ,
wonend in [plaats] (Spanje),
appellant,
advocaat: mr. J.G.M. Roijers te Rotterdam,
tegen
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en de bank genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellant] heeft zich jegens de bank borg gesteld voor de nakoming van de verplichtingen van hoofdschuldenaar SCF-Solutions B.V. (hierna: SCF), een onderneming waarvan hij medebestuurder en aandeelhouder was. De aansprakelijkheid van [appellant] voor de schulden van SCF is in de borgtochtovereenkomst beperkt tot € 250.000. Nadat SCF was gefailleerd, heeft de bank [appellant] op zijn borgstelling aangesproken, maar [appellant] heeft geweigerd te betalen. De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van € 250.000, met rente en kosten. Tegen die veroordeling komt [appellant] in dit hoger beroep met vijf grieven op.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
[appellant] is bij dagvaarding van 10 februari 2025 in hoger beroep gekomen van vonnissen die de rechtbank Amsterdam op 10 april 2024 en 20 november 2024, onder bovenvermeld zaaknummer, heeft gewezen tussen de bank als eiseres en [appellant] als gedaagde.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, met een productie.
In de memorie van grieven vordert [appellant] alleen nog vernietiging van het vonnis van 20 november 2024 (hierna ook: het bestreden vonnis).
2.3.
Op 29 mei 2026 is de zaak mondeling behandeld. Bij die gelegenheid hebben mr. D.R.D.A. Buren-Baks en mr. C.J.G.M. van Meggelen, beiden advocaat te Rotterdam, namens [appellant] en mr. J.P. Postma, advocaat te Amsterdam, namens de bank de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
2.4.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Op 20 december 2011 hebben SCF en de bank een kredietovereenkomst gesloten op grond waarvan de bank een rekening-courantfaciliteit aan SCF ter beschikking heeft gesteld en een lening heeft verstrekt.
3.2.
[appellant] was destijds medebestuurder en aandeelhouder van SCF.
3.3.
Op 30 december 2011 hebben [appellant] en de bank een borgtochtovereenkomst gesloten, waarbij [appellant] aansprakelijk werd voor – kort gezegd – al hetgeen SCF ingevolge de kredietfaciliteiten aan de bank verschuldigd zou zijn. De borgstelling is gemaximeerd op een bedrag van € 250.000, te vermeerderen met de rente, die wordt berekend op basis van het door SCF verschuldigde rentepercentage, en vermeerderd met alle kosten die op de invordering vallen. Op de borgtochtovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard.
3.4.
Op 31 maart 2014 heeft de bank de kredietovereenkomst met SCF met onmiddellijke ingang opgezegd. SCF is op 10 april 2014 failliet verklaard. De kredietschuld aan de bank was op dat moment niet (volledig) voldaan.
3.5.
Vanwege haar openstaande (rest)vordering op SCF heeft de bank [appellant] op 17 april 2015 per brief aangesproken onder de borgtochtovereenkomst. De vordering op SCF bedroeg op dat moment € 298.289 in hoofdsom. De bank heeft [appellant] gesommeerd om uiterlijk op 30 april 2015 het overeengekomen maximumbedrag van € 250.000 te voldoen.
3.6.
Ondanks een aantal betalingsaanzeggingen heeft [appellant] de vordering van de bank niet voldaan. Gesprekken over een minnelijke regeling hebben evenmin tot een oplossing geleid.
3.7.
De bank heeft op 18 januari 2016 de uitwinning van de borgstelling ter hand genomen. In dat kader is onder meer op grond van een beschikking van de Belgische beslagrechter op 14 april 2016 in België beslag gelegd op roerende goederen van [appellant] . Bij de beschikking van de beslagrechter is een sekwester (een gerechtelijk bewaarder) aangesteld. Op 27 april 2016 is de gerechtelijke bewaarneming geëindigd en zijn de inbeslaggenomen goederen geretourneerd.
3.8.
Tot verhaal van haar vordering heeft de bank bij dagvaarding van 23 februari 2023 [appellant] betrokken in een procedure voor de Vrederechter van het eerste kanton Turnhout (België). Partijen zijn vervolgens in een forumkeuzeovereenkomst op 23 oktober 2023 overeengekomen deze procedure te beëindigen en het geschil voor te leggen aan de rechtbank Amsterdam.
3.9.
Na betekening van het vonnis van de rechtbank heeft [appellant] € 341.782,66 aan de bank betaald.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
De bank heeft bij de rechtbank gevorderd – kort gezegd – dat [appellant] wordt veroordeeld om aan haar € 250.000 te betalen, met rente en kosten.
4.2.
Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de verweren van [appellant] verworpen en de vordering van de bank toegewezen.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellant] vordert dat het bestreden vonnis van 20 november 2024 wordt vernietigd en dat de vorderingen van de bank alsnog worden afgewezen, en dat de bank – uitvoerbaar bij voorraad – wordt veroordeeld (i) tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ingevolge het bestreden vonnis aan de bank heeft betaald, met rente, en (ii) in de kosten van het geding in beide instanties, met nakosten en rente.
5.2.
Volgens de bank moet het hof het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de volledige proceskosten van de bank in beide instanties, met nakosten.

6.Beoordeling

Rechtsmacht
6.1.
Er is sprake van een internationaal geschil, omdat [appellant] buiten Nederland zijn woonplaats heeft. Het hof moet daarom ambtshalve onderzoeken of het bevoegd is om over het geschil van partijen te oordelen.
6.2.
[appellant] en de bank hebben op 23 oktober 2023 in de schriftelijke forumkeuzeovereenkomst als bedoeld onder 3.8 afgesproken dat de rechtbank Amsterdam bij uitsluiting bevoegd is van hun geschil kennis te nemen. Op grond van artikel 25 van Pro de Verordening Brussel I-bis jo. art. 60 Wet Pro RO is het hof daarom bevoegd om in dit hoger beroep over het geschil van partijen te oordelen.
6.3.
Vanwege de rechtskeuze in de borgtochtovereenkomst is op grond van artikel 3 lid 1 Verordening Pro Rome I Nederlands recht van toepassing.
Verdere beoordeling
6.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de borgtochtovereenkomst geldig is. Ook staat tussen partijen vast dat SCF haar verplichtingen jegens de bank niet is nagekomen. Hieruit volgt dat de bank haar zekerheden, waaronder de borgtocht, mag uitwinnen. Volgens [appellant] is het echter naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat hij uit hoofde van de borgtocht door de bank wordt aangesproken (grief III). Hij voert als de daarbij in aanmerking te nemen omstandigheden aan dat de (wijze van) beslaglegging in België onzorgvuldig en onrechtmatig is geweest (grief I). Verder voert hij aan dat op de bank een zorgplicht rust om te voorkomen dat zij [appellant] moet aanspreken. Hij betoogt dat de bank dient te waarborgen dat zekerheden op toereikende wijze zijn geregeld. Volgens [appellant] heeft de bank die zorgplicht verzaakt door na te laten een pandrecht te vestigen op de IE-rechten van SCF (grief II). Ook meent [appellant] dat de bank onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld en dat hij de daaruit voortvloeiende schade mag verrekenen met de vordering van de bank uit hoofde van zijn borgstelling (grief IV).
De beslaglegging in België was niet onzorgvuldig of onrechtmatig
6.5.
[appellant] betoogt dat de bank de Belgische beslagrechter onjuist en onvolledig heeft voorgelicht over zijn vermogenspositie, waardoor het verlof ten onrechte is verleend en daarbij een sekwester is aangesteld. De weergave van de vermogenspositie van [appellant] in het beslagrekest was strijdig met de bij de bank bekende informatie over [appellant] , waaronder de reden van [appellant] ’ bezoeken aan Oekraïne vanwege zijn werkzaamheden daar. [appellant] verwijst naar een legal opinion van een Belgische advocaat ter ondersteuning van zijn stelling dat de Belgische beslagrechter het verzoek tot beslaglegging en aanstelling van een sekwester anders – namelijk afwijzend – zou hebben beoordeeld als deze juist was voorgelicht.
6.6.
Het verweer dat de bank in haar beslagrekest een misleidende voorstelling van zaken heeft gegeven, moet naar het oordeel van het hof worden beoordeeld tegen de achtergrond van wat zich voorafgaand aan dat rekest heeft afgespeeld. Vaststaat dat de bank [appellant] in 2014 en 2015 meermaals heeft aangesproken om onder de borgtochtovereenkomst te betalen, maar dat [appellant] dat niet deed en dat hij na mei 2015 ook langere tijd niet meer reageerde. Ter zitting in hoger beroep heeft de bank toegelicht dat [appellant] in die periode zijn toezegging om een datum voor te stellen voor een bespreking, ook niet nakwam. [appellant] heeft dat niet betwist. Daarna heeft de bank in januari 2016 getracht ten laste van [appellant] bewarende derdenbeslagen te laten leggen onder de vijf grootste banken in België, die echter geen doel troffen. Volgens [appellant] had de bank beslag onder zichzelf moeten leggen in Nederland. De bank heeft daartegen ingebracht dat [appellant] geen noemenswaardige tegoeden bij haar aanhield. [appellant] heeft dit niet weersproken en heeft ook niet onderbouwd dat die tegoeden er wel waren en dat een beslaglegging had geleid tot voldoende opbrengst voor de bank. Ook het verweer van de bank dat uitwinning van onroerend goed in Spanje ingewikkeld is en daarom niet voor de hand lag, is door [appellant] niet weersproken.
6.7.
In het Belgische beslagrekest heeft de bank opgenomen dat de financiële situatie van [appellant] precair is en de latere uitwinning van de borg onzeker vanwege onder meer de hiervoor genoemde omstandigheden. Het hof is van oordeel dat dit in het licht van het voorgaande niet misleidend is. Dat de bank in het beslagrekest niet heeft geschreven dat [appellant] medebestuurder en grootaandeelhouder van ControlPay B.V. (hierna: ControlPay) was, leidt niet tot een ander oordeel. Voor zover [appellant] daarmee bedoelt dat hij voldoende middelen had om te betalen, staat immers vast dat de bank daar geen profijt van heeft gehad, omdat [appellant] niet betaalde. De omstandigheid dat hij mogelijk over (ander) verhaalsvermogen beschikte, brengt bovendien niet mee dat de bank niet om een bewarende maatregel zou mogen vragen. Omdat de bank [appellant] kon aanspreken uit hoofde van de borgtocht, stond het haar als schuldeiser vrij om, nadat [appellant] niet vrijwillig betaalde en de bankbeslagen in januari 2016 geen doel hadden getroffen, zijn inboedel in gerechtelijke bewaring te laten nemen. Het verzoek tot aanstelling van een sekwester acht het hof dan ook niet onrechtmatig.
De beslaglegging is niet onzorgvuldig en onrechtmatig uitgevoerd
6.8.
[appellant] heeft ook aangevoerd dat hij schade heeft geleden doordat tijdens de beslaglegging diverse zaken van [appellant] onrechtmatig zijn beschadigd of verdwenen. Ook zou bij de beslaglegging een Apple laptop van ControlPay, die [appellant] ter beschikking was gesteld voor zijn werkzaamheden als (destijds) CEO van ControlPay, zijn meegenomen en niet teruggegeven, waarna ControlPay [appellant] voor de daaruit voortvloeiende schade aansprakelijk zou hebben gesteld. De onrechtmatige daden die aldus bij de beslaglegging zouden zijn gepleegd, zouden aan de bank zijn toe te rekenen. Door het handelen van de bank werd de integriteit van [appellant] onherstelbaar besmet, zodat hij genoodzaakt is geweest te verhuizen en ook dat is onderdeel van de door hem geleden schade, aldus [appellant] .
6.9.
Het hof begrijpt dat de beslaglegging op de inboedel voor [appellant] en zijn familie een impactvolle gebeurtenis is geweest. Maar het beslag werd na rechterlijk verlof gelegd tot verzekering van de betaling van een opeisbare vordering op [appellant] , zodat de beslaglegging als zodanig naar het hier toepasselijke Nederlandse recht niet als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt. Als de wijze waarop de beslaglegging door de Belgische deurwaarder is uitgevoerd al heeft geleid tot de door [appellant] gestelde schade, valt zonder nadere (maar ontbrekende) toelichting niet in te zien waarom hij de bank voor die schade zou kunnen aanspreken. In beginsel dient [appellant] zich daarvoor tot de deurwaarder te richten. Daarbij komt dat er voor de gestelde schade ook geen concrete aanknopingspunten zijn, omdat [appellant] deze niet met stukken heeft onderbouwd.
6.10.
Ten overvloede overweegt het hof tot slot dat de bank terecht heeft aangevoerd dat een eventuele vordering van [appellant] tot schadevergoeding niet voor verrekening in aanmerking komt op grond van artikel 4 van Pro de borgtochtovereenkomst. Omdat niet is komen vast te staan dat de bank onzorgvuldig of onrechtmatig heeft gehandeld, moet het betoog van [appellant] dat de bank zich om die reden niet kan beroepen op dit artikel worden verworpen. Zelfs als [appellant] dus aanspraak had kunnen maken op schadevergoeding van de bank, kan hij dit niet verrekenen met zijn verplichtingen uit de borgtochtovereenkomst en kan de bank aanspraak maken op betaling.
Geen pandrecht op de IE-rechten van SCF
6.11.
[appellant] heeft ook aangevoerd dat de bank in strijd heeft gehandeld met haar zorgplicht jegens hem als borg doordat zij geen pandrecht op de IE-rechten van SCF heeft bedongen. De IE-rechten waren juist een waardevol vermogensbestanddeel van SCF, en [appellant] mocht ervan uitgaan dat de bank daar een zekerheidsrecht op zou vestigen. De uitleg van de bank dat deze zekerheid niet onder het zekerhedenpakket vielen dat zij met SCF was overeengekomen, is te beperkt. Op het moment dat de bank wel vroeg om zekerheid op de IE-rechten, was dat niet meer mogelijk omdat de vestiging op dat moment – in het zicht van het faillissement van SCF – paulianeus zou zijn geweest, aldus [appellant] .
6.12.
Het hof volgt ook dit betoog van [appellant] niet. In het algemeen geldt niet de regel dat een bank op basis van haar zorgplicht jegens een borg gehouden is ook alle mogelijke andere zekerheden te vestigen. Uitgangspunt is dat een kredietgever en een kredietnemer vrij zijn in het bepalen van de zekerheden die in het kader van de kredietverlening verstrekt dienen te worden. Degene die bereid is borg te staan voor een kredietnemer, dient zichzelf ervan te vergewissen wat de kredietgever en kredietnemer ter zake van de zekerheden zijn overeengekomen en in dat kader een eigen afweging te maken. Dat is hier kennelijk ook gebeurd: door ondertekening van de borgtochtovereenkomst heeft [appellant] immers verklaard dat hij op de hoogte was van de door de bank bedongen zekerheden. Vast staat verder dat de bank bij de kredietverlening geen pandrecht op IE-rechten heeft verkregen. Uit niets blijkt ook dat daar in 2011 over is gesproken. Wel is dit mogelijk in het zicht van het faillissement aan de orde gekomen, maar niet gesteld of gebleken is dat dit pandrecht – wat volgens [appellant] paulianeus zou zijn en daarom toen niet meer kon worden gevestigd – dan ter vervanging van de borgtocht van [appellant] zou worden gevestigd. Kennelijk ging het toen om een extra zekerheid. Zelfs als dit pandrecht als extra zekerheid zou zijn verstrekt, behield de bank in beginsel de vrijheid [appellant] uit hoofde van diens persoonlijke borgtocht aan te spreken, zoals zij nu heeft gedaan. Ook in dit opzicht kan zijn stelling dat de betreffende IE-rechten bij een juist optreden van de curator in een faillissementssituatie ongeveer € 100.000 tot € 200.000 (10% van de ontwikkelkosten) hadden kunnen opbrengen, [appellant] niet baten. Uit het faillissementsverslag van de curator van SCF van 23 juli 2015 volgt bovendien dat de waarde van de IE-rechten zeer beperkt was en dat deze niet te gelde konden worden gemaakt.
6.13.
De slotsom is dat het hof de verweren van [appellant] tegen de uitwinning van de borgtocht niet volgt en dat de grieven I tot en met IV geen doel treffen. De reden voor het aangaan van de borgtochtovereenkomst, zo is door de bank onweersproken aangevoerd, was het bieden van zekerheid voor het nakomen van de verplichtingen uit hoofde van de lening die aan SCF werd verstrekt, juist voor het geval SCF niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Dat risico heeft zich verwezenlijkt en SCF is gefailleerd. De door [appellant] aangevoerde feiten en omstandigheden leiden er naar het oordeel van het hof niet toe dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de bank [appellant] aanspreekt op grond van diens borgtocht. Ook leidt die aanspraak in de gegeven feiten en omstandigheden niet tot het oordeel dat de bank heeft gehandeld in strijd met een (ongeschreven) maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm en daarmee onrechtmatig, zoals [appellant] nog betoogt.
Wettelijke rente vanaf 30 april 2015 is toewijsbaar
6.14.
Met grief V komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat de door de bank gevorderde wettelijke rente vanaf 30 april 2015 toewijsbaar is. Daartoe verwijst hij naar hetgeen hij hiervoor heeft aangevoerd ten aanzien van het vermeend onzorgvuldig en onrechtmatig handelen van de bank. Verder betoogt [appellant] dat de bank het geschil nodeloos heeft vertraagd doordat zij steeds niet of erg laat reageerde op vragen van [appellant] en bewust heeft stilgezeten in afwachting van het aanhangig maken van een procedure tegen [appellant] .
6.15.
De wettelijke rente is verschuldigd vanaf het intreden van verzuim. In haar brief van 17 april 2015 heeft de bank aanspraak gemaakt op betaling onder de borgtochtovereenkomst. De bank was daartoe gerechtigd en [appellant] diende uiterlijk 30 april 2015 te betalen. Omdat [appellant] aan de sommatie van de bank geen gevolg gaf, is hij in verzuim geraakt. Het betoog dat de bank daarna bewust heeft stilgezeten kan [appellant] niet baten omdat de bank in voornoemde brief duidelijk heeft gemaakt dat zij betaling verlangde. De wettelijke rente vormt de schadevergoeding voor het latere betalen door [appellant] . Het hof merkt hierbij op dat uit de stukken ook niet blijkt dat de bank heeft getalmd, zoals [appellant] stelt. De bank heeft meermaals geprobeerd tot een integrale regeling te komen met [appellant] en ControlPay en die kwestie heeft – onder meer vanwege de procedure tot aan de Hoge Raad van ControlPay tegen de bank [1] – geruime tijd geduurd, waarin de bank zich telkens haar rechten met betrekking tot de borgstelling heeft voorbehouden, zo blijkt uit de correspondentie tussen partijen in de periode 2016 tot 2023. De stelling dat de vordering van de bank om wettelijke rente toe te wijzen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, volgt het hof dan ook niet.
6.16.
Hoewel de wettelijke rente niet is uitgesloten van de algemene matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 BW Pro, brengt de aard van deze – door de wet gefixeerde schadevergoeding – mee dat hier eens te meer geldt dat de rechter van zijn matigingsbevoegdheid terughoudend gebruik dient te maken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de bank geen verwijt valt te maken voor het feit dat het lang heeft geduurd voordat [appellant] daadwerkelijk heeft betaald. Tegen die achtergrond ziet het hof geen aanleiding de wettelijke rente te matigen. Ook grief V slaagt niet.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.17.
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.
6.18.
De bank heeft ter zitting toegelicht dat de door haar bij memorie van antwoord gevorderde volledige proceskostenveroordeling moet worden gelezen als een proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief, zodat het hof niet hoeft te beoordelen of er in deze zaak aanleiding is voor een integrale proceskostenvergoeding.
6.19.
Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 6.803,00
- salaris advocaat € 9.414,00tarief VI, 2 punten)
Totaal € 16.217,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1.
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2.
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 16.217,00;
7.3.
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.4.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
7.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1110.