ECLI:NL:GHAMS:2026:1838

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.365.659/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BWArt. 827 lid 1 sub f RvArt. 7:266 lid 1 BWArt. 7:266 lid 5 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging echtscheiding en afwijzing verzoek huurrecht echtelijke woning vrouw

De zaak betreft het hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw werd toegekend. De man betwistte de duurzame ontwrichting van het huwelijk en het huurrechtbesluit. Het hof oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en bekrachtigt de echtscheiding.

Ten aanzien van het huurrecht stelt het hof vast dat de vrouw haar hoofdverblijf had in de echtelijke woning, waardoor zij van rechtswege medehuurder is. De man heeft echter niet tijdig een verzoek tot toekenning van het huurrecht ingediend. Na belangenafweging weegt het belang van de man bij het behoud van de woning, gelet op zijn kwetsbaarheid en re-integratietraject, zwaarder dan dat van de vrouw.

Het hof vernietigt daarom het deel van de beschikking dat het huurrecht aan de vrouw toekent en wijst haar verzoek af. De rest van de beschikking wordt bekrachtigd. De vrouw verblijft momenteel met het minderjarige kind bij haar moeder, maar het belang van de man bij een stabiele woonomgeving wordt als zwaarder beoordeeld.

Uitkomst: Echtscheiding bekrachtigd; verzoek vrouw tot huurrecht toewijzing afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.659/01
zaaknummer rechtbank: C/13/777791 / FA RK 25-8266
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de man],
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. Z. Taspinar te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de echtscheiding tussen de man en de vrouw (hierna gezamenlijk: partijen) en het huurrecht van de echtelijke woning.
1.2
De rechtbank heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend. De man is het niet eens met die beslissing. Hij wil dat het verzoek tot echtscheiding alsnog wordt afgewezen en dat het huurrecht van de echtelijke woning aan hem toekomt. De vrouw is het eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De man is op 26 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De vrouw heeft op 24 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de man van 16 maart 2026 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vrouw van 27 april 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de man van 28 april 2026 met bijlage,
- een bericht van de zijde van de man van 29 april met bijlage,
- een bericht van de zijde van de vrouw van 2 mei 2026 met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de man van 3 mei 2026 met bijlagen.
2.4
De zitting heeft op 8 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat,
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

3.De feiten

3.1
Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2020 te [plaats A] . De vrouw heeft in elk geval de Nederlandse nationaliteit. De man heeft de Marokkaanse nationaliteit.
3.2
Tijdens het huwelijk van de partijen is geboren:
- [minderjarige] , geboren [in] 2022 te [plaats A] .
[minderjarige] woont bij de vrouw. De ouders hebben gezamenlijk gezag.
3.3
De man is sinds 2004 herhaaldelijk met politie en justitie in aanraking gekomen. Sinds maart 2019 verbleef hij bij [X] waar hij een re-integratietraject heeft gevolgd. Via de gemeente [plaats A] is hij vervolgens in aanmerking gekomen voor een omslagwoning: de huurwoning aan de [A-straat] in [plaats A] (hierna: de echtelijke woning).

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het verzoek van de vrouw de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De man heeft in de procedure bij de rechtbank geen verweer gevoerd.
4.2
De man verzoekt het hof, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair te bepalen dat onvoldoende is aangetoond dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en subsidiair het verzoek ten aanzien van het huurrecht als ongegrond af te wijzen.
4.3
De vrouw verzoekt, kort gezegd, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en alle verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
Omdat de man de Marokkaanse nationaliteit heeft en de vrouw in elk geval de Nederlandse nationaliteit heeft, draagt de zaak een internationaal karakter. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is om over het geschil te oordelen omdat partijen ten tijde van het indienen van het verzoekschrift hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. De rechtbank heeft het verzoek tot echtscheiding beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof dat als uitgangspunt zal nemen.
5.2
Echtscheiding wordt op verzoek van een van de echtgenoten uitgesproken, indien het huwelijk duurzaam ontwricht is (artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een huwelijk duurzaam is ontwricht indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden, zonder dat er uitzicht bestaat op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen.
Standpunten
5.3
De man is van mening dat van duurzame ontwrichting van het huwelijk tussen partijen geen sprake is. De vrouw heeft, zonder dit vooraf te bespreken, het verzoek tot echtscheiding ingediend. Volgens de man zijn partijen het aan elkaar en aan hun huwelijk verplicht om te proberen de relatie te herstellen. De man wil, eventueel onder begeleiding van een therapeut, de kennelijke onvrede van de vrouw bespreken.
5.4
Volgens de vrouw is het huwelijk duurzaam ontwricht. De relatie van partijen is al heel lang slecht en deze relatie kan niet hersteld worden. De vrouw heeft er eerder al alles aangedaan om de relatie te laten werken. De vrouw staat niet open voor relatietherapie. De vrouw wenst van de man definitief te scheiden en dit is al lange tijd bij de man bekend.
De beoordeling van het hof
5.5
Het hof overweegt als volgt. In hoger beroep handhaaft de vrouw haar (onderbouwde) stelling dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht en volhardt zij in haar verzoek tot echtscheiding. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de vrouw aangegeven dat zij het huwelijk geen kans meer wil geven. Gelet op de toelichting van de vrouw en haar volharding bij het verzoek tot echtscheiding is er naar het oordeel van het hof geen uitzicht op herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen. Aan het vereiste van duurzame ontwrichting is voldaan en het hof zal de uitgesproken echtscheiding bekrachtigen.
Ouderschapsplan
5.6
De man heeft ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan bij het door de vrouw ingediende verzoekschrift tot echtscheiding niet is overgelegd. Dat is volgens de man een formeel punt waaraan moet worden voldaan voordat de echtscheiding kan worden uitgesproken.
Het hof gaat daaraan voorbij. Het betreft een nieuwe grief, die op grond van de zogeheten twee-conclusieregel bij beroepschrift had moeten worden aangevoerd. Van een in de rechtspraak ontwikkeld uitzonderingsgeval op deze in beginsel strakke regel is geen sprake.
Huurrecht van de echtelijke woning
Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.7
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om te oordelen over het huurrecht-verzoek. De rechtbank heeft op het verzoek Nederlands recht toegepast. Dat is in hoger beroep tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.
5.8
In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 BW Pro op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de echtelijke huurwoning zal zijn. Daarbij moeten de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar worden afgewogen. Uit artikel 7:266 lid 1 BW Pro volgt dat de echtgenoot van rechtswege medehuurder is zolang de woonruimte de echtgenoot tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten.
Standpunten
5.9
De man vindt dat de rechtbank ten onrechte het huurrecht van de echtelijke woning aan de vrouw heeft toegekend. De vrouw heeft nooit haar hoofdverblijfplaats gehad in de echtelijke woning en is dus nooit medehuurder geworden. Zij woonde bij haar ouders in en ook na de geboorte van [minderjarige] bleef zij daar wonen. Omdat de vrouw nooit in de woning heeft gewoond, heeft zij zich ook nooit ingeschreven op dat adres. De man en de vrouw konden overigens helemaal niet samenwonen, omdat de man veel rust nodig heeft. De rechtbank had dus niet aan een belangenweging kunnen en mogen toekomen.
Het belang van de man bij het verkrijgen van het huurrecht prevaleert boven dat van de vrouw. Het behoud van een stabiele woonomgeving is belangrijk voor hem. Hij heeft na een moeilijke periode de woning toegewezen gekregen en raakt door het dreigende verlies van zijn woning (psychisch) ontregeld. Als hij de woning verliest, kan hij nergens terecht en is hij bang opnieuw in de problemen te raken.
5.1
De vrouw vindt dat de rechtbank terecht het uitsluitend huurrecht van de echtelijke huurwoning aan haar heeft toegewezen. Partijen zijn na het huwelijk gaan samenwonen in de echtelijke woning. Door het huwelijk is de vrouw automatisch medehuurder geworden. De vrouw en [minderjarige] hebben wel degelijk in de echtelijke woning gewoond. De man weigerde de vrouw, hoewel zij daar wel op heeft aangedrongen, in te schrijven op het adres van de woning omdat hij vreesde dat dit gevolgen zou hebben voor zijn bijstandsuitkering.
De belangen van [minderjarige] en de vrouw wegen zwaarder dan de belangen van de man. Op dit moment verblijft de vrouw met [minderjarige] bij haar moeder, maar zij kunnen daar niet langer blijven. De vrouw is de hoofdverzorgster van [minderjarige] en het is belangrijk voor de vrouw en [minderjarige] om een stabiele leefomgeving te hebben, zeker gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] . De vrouw heeft op veel woningen gereageerd maar komt, door de lange wachttijd voor een sociale huurwoning, niet in aanmerking voor een woning. Van de man mag verwacht worden dat hij een nieuwe woonruimte zoekt. Hij kan, in tegenstelling tot de vrouw, terecht bij vrienden of familie. De vrouw betwist dat de man door het dreigend verlies van zijn woning psychisch ontregeld is geraakt. Zijn voorgeschiedenis is niet relevant. Hij is jong, gezond en heeft een groot netwerk.
De beoordeling van het hof
5.11
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de echtelijke woning de vrouw tot hoofdverblijf strekt als bedoeld in art. 7:266, lid 1 BW. Het hof overweegt hiertoe als volgt. De vrouw heeft gesteld dat partijen de echtelijke woning samen hebben ingericht, een gezamenlijke huishouding voerden en dat zij daar het grootste deel van de tijd verbleef. De man heeft dat betwist, maar zijn betwisting is onvoldoende gemotiveerd. De vrouw beschikte over een sleutel van de woning, voor [minderjarige] was een slaapplek ingericht en facturen op naam van de vrouw waren gericht aan het adres van de echtelijke woning. Ook heeft de vrouw verschillende foto’s en Whatsapp-gesprekken in het geding gebracht waaruit blijkt dat haar leven zich in hoofdzaak in en vanuit de echtelijke woning afspeelde. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt verwezen naar twee door hem overgelegde schriftelijke verklaringen. De verklaring van [naam 1] is echter te weinig feitelijk en de verklaring van [naam 2] mist overtuigingskracht, onder andere omdat daaruit niet blijkt wanneer, hoe vaak en hoe lang [naam 2] bij de man langs kwam. Een bewijsaanbod is door partijen verder niet gedaan. Al met al is voldoende komen vast te staan dat de vrouw haar hoofdverblijf had in de echtelijke woning. Dat de vrouw niet op het adres van de echtelijke woning stond ingeschreven, dat zij gedurende het huwelijk af en toe bij haar moeder verbleef, en dat zij thans, in de echtscheidingsprocedure, met [minderjarige] bij haar moeder verblijft, leidt niet tot een ander oordeel. Datzelfde geldt voor hetgeen de man heeft aangevoerd met betrekking tot de locatie van de opvang van [minderjarige] . De vrouw heeft daarvoor ter zitting een verklaring gegeven, en die is door de man niet voldoende gemotiveerd weersproken.
De conclusie is dat de vrouw als echtgenote van rechtswege huurder van de woning is.
5.12
De man heeft in de procedure bij de rechtbank niet om toekenning van het huurrecht verzocht. In zijn appelschrift is de man opgekomen tegen toekenning van het huurrecht aan de vrouw, maar heeft hij evenmin om toekenning van het huurrecht verzocht. Voor zover de man ter zitting in hoger beroep bedoeld heeft alsnog een verzoek tot toekenning van het huurrecht te doen, is dat verzoek – waartegen de vrouw bezwaar heeft gemaakt - te laat en in strijd met de goede procesorde. De navolgende belangenafweging zal dan ook gericht zijn op de vraag of in dit hoger beroep kan worden vastgesteld dat het belang van de vrouw bij het huurrecht zwaarder weegt dan dat van de man.
5.13
Zowel de man als de vrouw hebben belang bij het huurrecht van de echtelijke woning. De man heeft geen zicht op een andere woning en het moeten verlaten van de woning brengt een reëel risico van ernstige verslechtering van zijn welzijn met zich. Ook de vrouw heeft geen zicht op andere woonruimte. De vrouw is de hoofdverzorger van [minderjarige] en momenteel verblijven zij samen bij de moeder van de vrouw, waar zij geen eigen slaapkamer hebben en de vrouw op de bank slaapt. De moeder van de vrouw heeft aangegeven dat de vrouw en [minderjarige] niet langer bij haar kunnen blijven omdat de woning te klein is. De wachttijd voor een sociale huurwoning is lang en voor beide partijen geldt dat zij beschikken over beperkte financiële middelen waardoor het vinden van een woning in de particuliere sector geen optie is.
5.14
Het hof is na een afweging van de belangen van de partijen van oordeel dat in deze procedure niet kan worden gezegd dat het belang van de vrouw bij toekenning van het huurrecht zwaarder weegt dan het belang van de man daarbij. De man heeft een licht verstandelijke beperking en heeft te kampen gehad met verslavings- en schuldenproblematiek. Uit het psychodiagnostisch onderzoeksrapport van Calder Werkt van 11 februari 2026 blijkt dat bij de man sprake is van een reeds langer bestaande kwetsbaarheid in het cognitief functioneren, passend bij een beperkt leervermogen (LVB). In het verleden is de man meermalen in aanraking gekomen met politie en justitie. Nadat de man uit detentie was vrijgekomen, heeft hij met succes een intensief begeleidingstraject doorlopen en heeft hij uiteindelijk de echtelijke woning in het kader van dat hulpverleningstraject verkregen. Inmiddels lijkt het een stuk beter te gaan met de man. Het hof acht aannemelijk dat het verkrijgen van de woning daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld. Uit het voornoemde rapport volgt dat een stabiele woon- en leefsituatie voor de man belangrijk is om niet terug te vallen. Aannemelijk is dan ook dat wanneer de man zijn woning verliest, een reëel risico bestaat dat hij terugvalt in oude schadelijke gewoontes en patronen. Ook is aannemelijk dat het niet mogelijk is voor de man om bij zijn moeder te gaan wonen. De kans dat dit tot teveel spanningen zal leiden, waardoor de man opnieuw in de problemen raakt, is aannemelijk.
Daartegenover wegen het belang van de vrouw om als de verzorgende ouder met [minderjarige] in de vertrouwde woonruimte te kunnen blijven en haar behoefte aan geschikte woonruimte om [minderjarige] te kunnen huisvesten zwaar. Hoewel het hof oog heeft voor het belang van [minderjarige] en voor de lastige situatie waarin de vrouw zich bevindt, kan op basis van de thans beschikbare informatie niet worden gezegd dat die belangen zwaarwegender zijn dan het belang van de man bij het behoud van de woning. Hierbij overweegt het hof nog dat de vrouw zelfredzaam lijkt en dat zij en [minderjarige] steun uit haar netwerk ontvangen.
Gelet op voorgaande zal het hof de beschikking van de rechtbank ten aanzien van het huurrecht vernietigen en het verzoek van de vrouw tot toewijzing van het huurrecht aan haar afwijzen.

6.De beslissing

Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking van 4 februari 2026 voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de register huurster zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] [plaats A] , en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst af het verzoek van de vrouw tot toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan haar;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. A.N. van de Beek en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.