ECLI:NL:GHAMS:2026:1840

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.365.252/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 9 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag moeder en vader over minderjarige kinderen bevestigd

De zaak betreft het gezag over twee minderjarige kinderen, waarbij de rechtbank het verzoek van de vader om het gezamenlijk gezag te beëindigen en het gezag aan hem alleen toe te wijzen, heeft toegewezen. De moeder is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan, maar het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

De ouders hebben een moeizame en conflictueuze communicatie, waarbij de moeder door psychische problematiek al bijna anderhalf jaar niet betrokken is bij het leven van de kinderen. Pogingen tot contactherstel en hulpverlening zijn niet succesvol gebleken. De moeder heeft zelfs een afscheidsbrief aan de kinderen geschreven, wat veel impact op hen had.

Het hof overweegt dat gezamenlijk gezag alleen mogelijk is als ouders in staat zijn tot behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Gezien de langdurige verstoorde communicatie en het gebrek aan betrokkenheid van de moeder acht het hof het onwaarschijnlijk dat dit binnen afzienbare tijd zal verbeteren. Daarom is beëindiging van het gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk.

De moeder heeft haar verzoek om een onbegeleide omgangsregeling ingetrokken, en het hof benadrukt dat beëindiging van het gezag niet betekent dat contact met de moeder onmogelijk is; een borgingsplan is opgesteld om contactherstel te faciliteren zodra de moeder stabieler is.

De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd, waarbij de vader voortaan het gezag alleen uitoefent.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezamenlijk gezag en wijst het hoger beroep van de moeder af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.252/01
zaaknummer rechtbank: C/15/351586/ FA RK 24-1981
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. H.I. Park te Heerhugowaard.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
De gecertificeerde instelling de Jeugd- en Gezinsbeschermers Noord-Holland, hierna: de GI., is aanvankelijk ten onrechte aangemerkt als belanghebbende. Zij heeft echter geen verweerschrift ingediend en is niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats B] ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (13 jaar) en [minderjarige 2] (9 jaar) (hierna: de kinderen).
De rechtbank heeft het verzoek van de vader om alleen het gezag uit te oefenen, toegewezen. De moeder is het daarmee niet eens. Het hof laat de beslissing van de rechtbank in stand en legt hierna uit waarom.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 19 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2
De vader heeft op 31 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vinden. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
2.4.
De zitting heeft op 13 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter zitting.

3.De feiten

3.1
Uit de affectieve relatie van de vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) zijn geboren:
- [minderjarige 1] , [in] 2012, te [plaats B] ;
- [minderjarige 2] , [in] 2016, te [plaats B] .
De vader heeft de kinderen erkend. De ouders oefenden tot aan de bestreden beschikking het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. De kinderen wonen bij de vader.
3.2
Bij beschikking van 16 december 2022 van de kinderrechter van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is steeds verlengd, laatstelijk tot 16 mei 2026.
3.3
Bij beschikking van 16 december 2022 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader verleend. Deze machtiging tot uithuisplaatsing is daarna verlengd tot 16 december 2024.
3.4
Bij beschikking van 17 december 2025 is de omgangsregeling zoals vastgelegd in de beschikking van 29 november 2024 gewijzigd. De wijziging houdt in, zover hier van belang:
[minderjarige 1] heeft vier keer per jaar, iedere drie maanden, omgang met de moeder voor de duur van één uur, begeleid hij de moeder thuis of in overleg met [minderjarige 1] . [minderjarige 1] kan zelf bepalen of hij wil aansluiten bij de omgang van [minderjarige 2] en de moeder. [minderjarige 2] heeft één keer per zes weken begeleide omgang met de moeder voor de duur van twee uur bij de moeder thuis.
3.5
Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 19 november 2025 is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader is.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het verzoek van de vader, het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en bepaald dat de vader voortaan het gezag over de kinderen alleen uitoefent.
4.2
De moeder verzoekt naar het hof begrijpt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidend verzoek van de vader alsnog af te wijzen zodat de ouders gezamenlijk belast blijven met het gezag. Daarnaast verzoekt de moeder een onbegeleide omgangsregeling vast te stellen tussen haar en de kinderen waarbij zij elkaar zien op woensdag in de woning van de moeder.
4.3
De vader verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

5.1
Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de moeder het verzoek om een onbegeleide omgangsregeling vast te stellen, ingetrokken, zodat het hof hierop niet meer hoeft te beslissen.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
5.3
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte het gezamenlijk gezag over de kinderen heeft beëindigd en de vader met het eenhoofdig gezag heeft belast. De moeder is van mening dat de kinderen niet klem of verloren zullen raken wanneer de ouders het gezamenlijk gezag uitoefenen. Zij is bereid om samen te werken met de vader en met hem te overleggen over de kinderen. Zij stelt dat de kinderen, in het licht van artikel 9 IVRK Pro, het fundamentele recht op betrokkenheid hebben van beide ouders, waardoor het in het belang is van de kinderen dat de ouders gezamenlijk met het gezag zijn belast. De beëindiging van het gezag leidt ertoe dat de moeder nog verder verwijderd raakt van de kinderen. Dit is niet in hun belang. De moeder mist de kinderen en zij wil graag dat het contact tussen haar en de kinderen hersteld wordt.
5.4
De vader is van mening dat de rechtbank terecht het gezamenlijk gezag over de kinderen heeft beëindigd. Hij stelt dat de communicatie tussen de ouders ernstig verstoord is waardoor er onvoldoende basis is voor een gezamenlijke uitoefening van het gezag. Het lukt de ouders niet om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. Op dit moment is al enige tijd geen contact meer tussen de ouders. De vader verwacht niet dat de communicatie tussen de ouders op de korte termijn zal verbeteren. Er is veel hulpverlening geweest maar ondanks de ingezette hulpverlening lukt het de moeder op dit moment niet om in contact te komen met de vader en de kinderen. Aangezien de moeder op dit moment niet betrokken is in het leven van de kinderen dient de vader, als hoofdopvoeder, zonder vertraging gezagsbeslissingen te kunnen nemen, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd om de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft in eerste aanleg geadviseerd om het gezamenlijk gezag in stand te laten, zodat in het kader van gezamenlijk gezag toegewerkt kon worden naar contactherstel tussen de moeder en de kinderen. Dit heeft echter nog niet plaatsgevonden. De moeder is niet betrokken in het leven van de kinderen en zij is onbereikbaar voor hen, de vader en de hulpverlenende instanties. De raad acht het op dit moment dan ook van belang dat de vader in staat is om gezagsbeslissingen te nemen. De raad hoopt dat de moeder, zodra zij weer voldoende ruimte ervaart, het contact met de kinderen kan herstellen, zoals ook is vastgelegd in het borgingsplan.
De beoordeling door het hof
5.6
Aan de orde is de vraag of het gezamenlijk gezag van de ouders moet worden beëindigd en de vader voortaan alleen met het gezag over de kinderen moet worden belast. Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is, in die zin dat de vader voortaan alleen met het gezag over de kinderen wordt belast. Daartoe overweegt het hof als volgt.
Het hof stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening, waarbij zij (belangrijke) beslissingen over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Ook dienen ouders samen in staat te zijn om vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kinderen kunnen voordoen.
5.7
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de communicatie tussen de ouders jarenlang moeizaam en conflictueus is verlopen. In het verleden hebben de ouders aan verschillende hulpverleningstrajecten deelgenomen om hun onderlinge communicatie te verbeteren. Deze trajecten zijn iedere keer voortijdig gestopt.
De vader heeft de afgelopen jaren verschillende keren getracht de moeder te bereiken om gezamenlijk beslissingen te nemen over de kinderen. Het lukt de moeder echter niet om bereikbaar te zijn vanwege haar psychische problematiek. De onbereikbaarheid van de moeder heeft ertoe geleid dat de ouders de afgelopen jaren onvoldoende in staat zijn geweest om in gezamenlijk overleg te treden om gezagsbeslissingen te nemen over de kinderen.
Daarbij komt dat de moeder al bijna anderhalf jaar niet betrokken is in het leven van de kinderen. In april 2025 heeft de moeder een afscheidsbrief geschreven aan de kinderen waarin zij heeft aangegeven dat het haar niet lukt om contact te hebben met hen. Dit heeft veel impact op hen gehad. Een aantal maanden later liet de moeder weten dat zij deze brief niet als afscheidsbrief bedoeld had. De moeder gaf aan weer contact te willen met de kinderen, waarna in november 2025 is gestart met contactherstel tussen haar en de kinderen. Om rust en duidelijkheid te creëren voor de kinderen heeft de rechtbank bij beschikking van 17 december 2025 een zorgregeling vastgesteld. Deze zorgregeling is één keer uitgevoerd, maar is daarna gestagneerd omdat de moeder onverwachts uit het contact trad. Het lukt de moeder vanwege haar persoonlijke problematiek niet om voorspelbaar te zijn. Ter zitting in hoger beroep is bij monde van de advocaat van de moeder toegelicht dat het op dit moment nog niet goed gaat met de moeder. Het was voor haar te belastend om de zitting bij te wonen. Voor het geval de moeder weer in staat is om een rol te spelen in het leven van de kinderen, is een borgingsplan opgesteld. De afwezigheid van de moeder op dit moment brengt met zich mee dat zij niet weet wat er in de levens van de kinderen speelt en dat zij te weinig zicht heeft op de behoeftes van de kinderen. Hierdoor bestaat de verwachting dat de moeder onvoldoende in staat zal zijn om passende gezagsbeslissingen over de kinderen te kunnen nemen. De vader dient als verzorgende ouder van de kinderen in staat te zijn om zonder (onnodige) vertraging gezagsbeslissingen te nemen. Gelet op de verstoorde communicatie tussen de ouders, het gebrek aan informatie over de kinderen aan de zijde van de moeder en gezien de psychische problematiek van de moeder, acht het hof het onwaarschijnlijk dat de ouders binnen afzienbare tijd voldoende in staat zullen zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat aan de wettelijke gronden voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan. Hetgeen door de moeder is aangevoerd met betrekking tot artikel 9 IVRK Pro maakt dit oordeel niet anders. Het hof wijst het verzoek van de moeder af en bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag.
5.8
Het hof kan zich voorstellen dat de beëindiging van haar gezag voor de moeder voelt alsof zij (een deel van) haar moederrol kwijtraakt. Het hof benadrukt echter dat de beëindiging van haar gezag los staat van de mogelijkheid voor de moeder om, als het weer beter gaat met haar en zij weer stabiel is, de omgang met de kinderen weer op te starten, zoals eveneens is neergelegd in het borgingsplan. De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij akkoord is met het borgingsplan. De raad heeft van de moeder vernomen dat zij ook instemt met het borgingsplan.
5.9
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.M. van Baardewijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van L.C Evers als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.