ECLI:NL:GHAMS:2026:1842

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.364.210/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253c BWArt. 1:253a lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging gezamenlijk gezag ondanks verstoorde verstandhouding ouders

De zaak betreft het gezag over een minderjarig kind van negen jaar, waarbij de rechtbank had bepaald dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. De moeder was het hier niet mee eens en wilde het gezag alleen behouden, terwijl de vader instemde met gezamenlijk gezag.

In hoger beroep heeft het hof de feiten en standpunten van partijen zorgvuldig gewogen. De ouders hebben een ernstig verstoorde verstandhouding en meerdere juridische procedures lopen, wat spanningen veroorzaakt die het kind emotioneel belasten. Desondanks is onvoldoende gebleken dat het kind onaanvaardbaar klem of verloren raakt tussen de ouders bij gezamenlijk gezag.

Het hof benadrukt dat het gezamenlijk gezag aansluit bij de feitelijke zorgsituatie, waarbij de vader de primaire verzorger is. De betrokkenheid van de gecertificeerde instelling en de ondertoezichtstelling bieden een beschermend kader en waarborgen adequate communicatie en besluitvorming.

Daarom wordt het verzoek van de moeder afgewezen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarmee het gezamenlijk gezag blijft gehandhaafd. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de vader behoeft geen verdere bespreking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag over het kind ondanks de verstoorde verstandhouding tussen de ouders.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.364.210/01
zaaknummer rechtbank: C/15/362821 / FA RK 25-1187
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B.E.C. de Jong te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. I.M. Thieme te Zaandam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [kind 1] , hierna te noemen [kind 1] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [kind 1] (9 jaar). De rechtbank heeft bepaald dat de ouders gezamenlijk met het gezag over [kind 1] worden belast.
De moeder is het daarmee niet eens. Zij wil alleen belast blijven met het gezag over [kind 1] . De vader is het wel eens met de beslissing.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 26 januari 2026 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 29 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover daarin een beslissing is genomen over het gezag over [kind 1] .
2.2
De vader heeft op 6 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3
De moeder heeft op 30 maart 2026 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 18 februari 2026, met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 1 mei 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 mei 2026, met bijlagen,
- een bericht van de zijde van de vader van 4 mei 2026, met bijlagen.
2.5
De voorzitter heeft op 12 mei 2026 met [kind 1] gesproken in het bijzijn van de griffier.
De inhoud van dit gesprek heeft de voorzitter kort samengevat meegedeeld op de zitting.
2.6
De zitting heeft op 13 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk te noemen: de ouders) hebben een affectieve relatie gehad die is beëindigd. In die relatie is geboren:
- [kind 1] , geboren [in] augustus 2016 te [gemeente] .
De vader heeft [kind 1] erkend.
3.2
De vader en de moeder zijn ook de ouders van de meerderjarige:
- [kind 2] , geboren [in] 2004 te [plaats B] .
3.3
Bij vonnis van 25 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar) bepaald dat [kind 1] wordt toevertrouwd aan de vader en dat het voorlopig gebruiksrecht van de bij de ouders in gebruik zijnde woning en de zich in de woning bevindende inboedel, gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) aan de vader wordt toegewezen met ingang van 28 februari 2025, met bepaling dat de moeder de woning met ingang van 28 februari 2025 niet langer mag betreden anders dan met toestemming van de vader. Dit vonnis is op 24 maart 2026 door dit hof bekrachtigd.
3.4
Bij vonnis van 18 december 2025 heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar) bepaald dat het huurrecht van de woning met ingang van 1 januari 2026 wordt toegewezen aan de vader, met uitsluiting van de moeder.
3.5
Bij beschikking van 2 april 2026 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland [kind 1] voorlopig onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats] (hierna: de GI) met ingang van 2 april 2026 tot 2 juli 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] bij de vader verleend van 2 april 2026 tot 30 april 2026.
3.6
Bij beschikking van 9 april 2026 heeft de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland [kind 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 april 2026 tot 9 april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] bij de vader verlengd tot 2 juli 2026.
3.7
Bij beschikking van 28 april 2026 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader zal zijn en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind 1] aldus vastgesteld dat de omgang tussen [kind 1] en de moeder onder regie van de GI wordt vormgegeven, waarbij de moeder minimaal twee keer per week een omgangsmoment met [kind 1] heeft.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, op het (subsidiaire) verzoek van de vader, bepaald dat de ouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast over [kind 1] . De rechtbank heeft het primaire verzoek van de vader, om voor recht te verklaren dat hij reeds is belast met het gezamenlijk gezag, afgewezen.
4.2
De moeder verzoekt in het principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidend verzoek hem mede met het gezag te belasten, dan wel dit verzoek af te wijzen.
4.3
het verweer van de vader in het principaal hoger beroep strekt ertoe de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, dan wel het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen.
4.4
De vader heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoek in het incidenteel hoger beroep - om te verklaren voor recht dat hij reeds belast was met het gezag over [kind 1] - gewijzigd in een voorwaardelijk verzoek, inhoudende dat als het hof de bestreden beschikking niet bekrachtigt ten aanzien van het gezag en dus het verzoek van de moeder in het principaal hoger beroep toewijst, de vader dan verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, zijn verzoek om te verklaren voor recht dat hij reeds belast was met het gezag over [kind 1] , alsnog toe te wijzen.
4.5
Het verweer van de moeder in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep strekt ertoe de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen.

5.De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1
De moeder en [kind 1] hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Franse nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter. Omdat [kind 1] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe. De rechtbank heeft Nederlands recht toegepast bij de beoordeling van het verzoek. Dat is in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
Het wettelijk kader
5.2
Uit artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
In het principaal hoger beroep
De standpunten
5.3
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank om de vader mede met het gezag over [kind 1] te belasten. Zij stelt zich op het standpunt dat de afwijzingsgrond van artikel 1:253a lid 2 sub a BW van toepassing is. De ouders zijn niet in staat tot behoorlijke communicatie en samenwerking met betrekking tot de verzorging en opvoeding van [kind 1] . Volgens de moeder is de verstandhouding tussen de ouders ernstig en duurzaam verstoord. Van constructief overleg is geen sprake, terwijl de ouders elkaar over en weer diskwalificeren in hun rol als ouder. Daarnaast bestaat een diepgeworteld wederzijds wantrouwen. De moeder voert verder aan dat tussen de ouders meerdere juridische procedures aanhangig zijn, hetgeen een voortdurende bron van spanningen vormt. [kind 1] wordt belast met deze ouderlijke conflicten en geconfronteerd met problematiek die haar leeftijd en ontwikkelingsniveau overstijgt. [kind 1] raakt hierdoor frequent ontregeld en krijgt hulpverlening voor hetgeen zij heeft meegemaakt. Tegen die achtergrond acht de moeder het noodzakelijk dat beslissingen betreffende [kind 1] voortvarend en zonder belemmeringen kunnen worden genomen. De ouders zijn daartoe gezamenlijk niet in staat. Daarnaast heeft de moeder zorgen over een blauwe plek bij [kind 1] en heeft zij onlangs aangifte gedaan tegen de vader. De moeder betwist het oordeel van de rechtbank dat de onderlinge communicatie tussen de ouders door middel van hulpverlening op termijn kan verbeteren. In dat verband wijst zij erop dat reeds eerder hulpverlening in vrijwillig kader heeft plaatsgevonden, zonder dat dit tot verbetering van de verstandhouding heeft geleid. Bovendien bevindt de huidige hulpverlening zich nog in een beginstadium, zodat onzeker is op welke wijze daaraan concreet uitvoering zal worden gegeven. Volgens de moeder weegt het belang van de vader bij een gelijkwaardige juridische positie in het kader van de ondertoezichtstelling niet op tegen het belang van [kind 1] bij rust, duidelijkheid en stabiliteit. De moeder stelt dat zij gedurende het leven van [kind 1] steeds de primair verzorgende ouder is geweest en dat het daarom in het belang van [kind 1] is dat uitsluitend zij met het gezag wordt belast. Het risico dat [kind 1] klem of verloren raakt tussen de ouders heeft zich reeds verwezenlijkt, aldus de moeder.
5.4
De vader is het niet eens met de stellingen van de moeder en voert verweer. Hij stelt dat de feitelijke situatie reeds gedurende lange tijd ongewijzigd is en dat de ouders in de praktijk steeds hebben gehandeld alsof sprake was van gezamenlijk gezag. De vader is nu, mede gelet op de huidige woonsituatie van de moeder, belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind 1] . In dat kader dient hij regelmatig beslissingen te nemen die direct verband houden met het welzijn, de ontwikkeling en de continuïteit van de zorg voor [kind 1] . Het is daarnaast in haar belang dat de juridische gezagsverhouding aansluit bij de feitelijke verzorgingssituatie. Het ontbreken van gezag aan de zijde van de ouder die de dagelijkse zorg draagt, kan volgens de vader leiden tot praktische belemmeringen bij onder meer medische aangelegenheden, schoolzaken en overige beslissingen die voortvloeien uit de verzorgingssituatie van [kind 1] . De vader betwist dat noodzakelijke beslissingen ten aanzien van [kind 1] structureel worden geblokkeerd of onmogelijk worden gemaakt. Evenmin is gebleken dat noodzakelijke hulpverlening voor [kind 1] geen doorgang heeft kunnen vinden wegens het ontbreken van toestemming van de vader. Voor zover de moeder voorbeelden noemt van situaties waarin de vader geen toestemming zou hebben verleend, voert de vader aan dat de contactregeling tussen de moeder en [kind 1] wordt vormgegeven door de GI en niet door hem. Hij kan daarin dus niet zelfstandig wijzigingen aanbrengen. Verder stelt de vader dat juist de door de moeder ingestelde rechtsmiddelen tegen gerechtelijke beslissingen bijdragen aan de spanningen tussen de ouders. De vader ontkent het door de moeder gestelde incident en meent dat de moeder daarover met hem contact had moeten opnemen. In het belang van [kind 1] dient duidelijkheid te bestaan over de gezagssituatie. Het ontbreken van constructieve communicatie tussen de ouders vormt op zichzelf onvoldoende grond om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag. Voor zover de moeder stelt dat de communicatie tussen de ouders zodanig problematisch is dat gezamenlijk gezag niet werkbaar zou zijn, geldt dat deze stelling onvoldoende is om te concluderen dat [kind 1] klem of verloren zal raken. Er is nu een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken, die een brugfunctie tussen de ouders vervult en toeziet op adequate communicatie en besluitvorming. Daarmee bestaat een voldoende waarborg die voorkomt dat [kind 1] nadeel ondervindt van de spanningen tussen de ouders. Anders dan de moeder stelt, bestaat wel degelijk perspectief op verbetering van de verstandhouding, mede nu de vader zich bereid toont hulpverlening te aanvaarden, zowel ten behoeve van [kind 1] als op ouderniveau. Het is ook aan de moeder om zich daarvoor in te zetten. Gezamenlijk gezag vormt het passende juridische kader waarbinnen de ouders, al dan niet op afstand, uitvoering kunnen geven aan hun gezamenlijke verantwoordelijkheid als ouders, aldus de vader.
Het advies van de raad
5.5
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad heeft daarbij naar voren gebracht dat [kind 1] opgroeit in een situatie waarin sprake is van voortdurende spanningen tussen de ouders, waardoor zij zich in een loyaliteitsconflict bevindt. [kind 1] reageert zichtbaar gespannen zodra het gesprek betrekking heeft op haar ouders. Haar ontregelde gedrag en zorgwekkende uitlatingen lijken ook voort te vloeien uit die loyaliteitsproblematiek, maar de veiligheidssituatie bij beide ouders wordt de komende tijd nog nader onderzocht. Niettemin acht de raad het in het belang van [kind 1] dat beide ouders gezamenlijk de belangrijke beslissingen voor haar nemen. Daarnaast acht de raad het van belang dat beide ouders een gelijkwaardige juridische positie behouden in het kader van de lopende hulpverlening en ondertoezichtstelling. Gezamenlijk gezag stelt de GI beter in staat uitvoering te geven aan haar wettelijke taak en, indien noodzakelijk, voortvarend te handelen. Indien de moeder opnieuw uitsluitend met het gezag over [kind 1] wordt belast, ontstaat naar de mening van de raad een voor [kind 1] onwenselijke en onduidelijke situatie, hetgeen verdere onrust met zich kan brengen. De raad acht het daarom in haar belang dat zo spoedig mogelijk duidelijkheid bestaat over de gezagssituatie.
De beoordeling door het hof
5.6
Het hof oordeelt als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun minderjarige kinderen uitoefenen, tenzij één van de uitzonderingsgronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW zich voordoet. Volgens vaste jurisprudentie brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer mee dat gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind wordt geacht. Voor gezamenlijke gezagsuitoefening is evenwel vereist dat de ouders in staat zijn beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg te nemen, dan wel ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rondom het kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
Het hof betrekt in de eerste plaats in zijn oordeel dat de hoofdverblijfplaats van [kind 1] bij de vader is bepaald, dat hij sinds februari 2025 haar primaire verzorger is en daarmee een substantiële rol vervult in de dagelijkse verzorging en opvoeding van [kind 1] . Tegen die achtergrond acht het hof het in het belang van [kind 1] dat de juridische gezagsverhouding aansluit bij de feitelijke zorgsituatie. Het gezamenlijk gezag waarborgt dat beide ouders verantwoordelijkheid blijven dragen voor wezenlijke beslissingen betreffende [kind 1] en voorkomt dat één ouder buiten spel komt te staan bij aangelegenheden die haar ontwikkeling raken.
Het hof stelt vast dat tussen de ouders al geruime tijd sprake is van een ernstig verstoorde verstandhouding. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken op de zitting in hoger beroep is gebleken dat de ouders verwikkeld zijn in meerdere juridische procedures, dat het wederzijds vertrouwen ontbreekt en dat de communicatie moeizaam en conflictueus verloopt. Daarnaast is voldoende aannemelijk geworden dat [kind 1] spanningen tussen de ouders ervaart en dat sprake is van loyaliteitsproblematiek, hetgeen zich uit in ontregeld gedrag en een verhoogde emotionele belasting bij [kind 1] . Het hof acht deze omstandigheden zorgelijk en onderkent dat [kind 1] hinder ondervindt van de voortdurende strijd tussen de ouders.
Het hof is echter van oordeel dat onvoldoende blijkt dat sprake is van een zodanige ernstige situatie dat [kind 1] bij gezamenlijk gezag onaanvaardbaar klem of verloren zal raken tussen de ouders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gebleken dat sinds de bestreden beschikking noodzakelijke beslissingen ten aanzien van [kind 1] zijn geblokkeerd dan wel dat essentiële hulpverlening geen doorgang heeft kunnen vinden wegens het ontbreken van overeenstemming tussen de ouders. Evenmin is gebleken dat één van ouders beslissingen omtrent [kind 1] op structurele wijze frustreert of misbruikt ten nadele van [kind 1] .
Voorts acht het hof het van belang dat inmiddels sprake is van een ondertoezichtstelling en dat hulpverlening in het gedwongen kader recentelijk is aangevangen. Anders dan in het eerder vrijwillig kader bestaat nu een meer gestructureerd en verplichtend hulpverleningskader, waarin professionele begeleiding beschikbaar is ter ondersteuning van de communicatie tussen de ouders en de besluitvorming omtrent [kind 1] . De aanwezigheid van de GI vormt naar het oordeel van het hof een belangrijke beschermende factor, nu deze toezicht houdt op de ontwikkeling van [kind 1] , de samenwerking tussen de ouders kan begeleiden en zo nodig interveniërend kan optreden indien besluitvorming stagneert. Een ondertoezichtstelling richt zich echter alleen op de ouder met gezag. Voor een effectieve inzet van de ondertoezichtstelling is het daarom van belang dat ook de vader met gezag is bekleed en uit dien hoofde aanwijzingen van de GI dient op te volgen.
Hoewel het hof onderkent dat substantiële verbetering van de onderlinge verhouding tussen de ouders niet op korte termijn te verwachten is, acht het hof voldoende aannemelijk dat de ouders, mede onder begeleiding van de GI en de betrokken hulpverlening, in staat moeten worden geacht om binnen afzienbare tijd uitvoering te geven aan een minimale vorm van gezamenlijke gezagsuitoefening. Daarbij acht het hof het mede van belang dat beide ouders zich bereid hebben verklaard in het belang van [kind 1] medewerking te verlenen aan hulpverlening en begeleiding. Het hof is daarom van oordeel dat de huidige spanningen en communicatieproblemen, hoe zorgelijk ook, onvoldoende grond vormen om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van gezamenlijk gezag.
5.7
Alles afwegende komt het hof tot de conclusie dat niet is voldaan aan de uitzonderingsgronden van artikel 1:253c lid 2 BW. Hoewel sprake is van een belastende conflictsituatie tussen de ouders en [kind 1] daarvan hinder ondervindt, is onvoldoende gebleken van een onaanvaardbaar risico dat zij klem of verloren raakt tussen haar ouders indien het door de rechtbank bepaalde gezamenlijk gezag in stand blijft. Evenmin is gebleken dat afwijzing van het inleidende verzoek van de vader tot het gezamenlijk gezag anderszins noodzakelijk is in het belang van [kind 1] . Het hof zal het verzoek van de moeder in hoger beroep dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
In het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
5.8
Nu het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het gezag zal bekrachtigen en dus het verzoek van de moeder in het principaal hoger beroep zal afwijzen, behoeft het door de vader voorwaardelijk ingestelde incidenteel hoger beroep geen bespreking meer.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland van 29 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen (de gezagsbeslissing);
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. J.M. van Baardewijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.