ECLI:NL:GHAMS:2026:1844

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.363.659/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:151 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep echtscheiding en toewijzing huurrecht echtelijke woning

De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toegewezen. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht om vernietiging van de beschikking en toewijzing van het huurrecht aan haar.

Het hof bevestigt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, mede omdat partijen gescheiden van elkaar leven in de woning. De vrouw accepteert dat de man het huwelijk niet wil voortzetten, waardoor de echtscheiding terecht is uitgesproken.

Ten aanzien van het huurrecht oordeelt het hof dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat er afspraken waren dat hij het huurrecht zou krijgen. De vrouw heeft een emotionele en praktische binding met de woning, maar het hof weegt mee dat de man langer in de regio woont, fulltime werkt als schoonmaker in de regio en een netwerk heeft, terwijl de vrouw geen netwerk in Nederland heeft en haar oriëntatie meer Europees is. Daarom wijst het hof het huurrecht toe aan de man en bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de echtscheiding en wijst het huurrecht van de echtelijke woning toe aan de man.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.659/01
zaaknummer rechtbank: C/13/774130 / FA RK 25-6168
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. T.T. Robijn te Amsterdam,
en
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.F. Achekar te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

De rechtbank heeft tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en het huurrecht van de echtelijke woning aan de man toegewezen.
De vrouw is het daarmee niet eens en wil niet scheiden. Als de echtscheiding toch in stand blijft, wil de vrouw dat het huurrecht van de woning aan haar wordt toegewezen.
De man is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vrouw is op 14 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 5 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
2.2
De man heeft op 12 maart 2026 een verweerschrift ingediend.
2.3
Het hof heeft daarnaast op 5 juni 2026 van de zijde van de man een bericht met bijlage ontvangen.
2.4
De zitting heeft op 8 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door A. Belkassem, een tolk in de Marokkaans-Arabische taal,
- de man, bijgestaan door mr. M. Amrani, advocaat te Amsterdam.
De advocaat van de man heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2
Partijen zijn [in] 2014 gehuwd in Marokko. Beiden hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
Bij de bestreden beschikking is, overeenkomstig het verzoek van de man, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] [plaats A] (hierna: de echtelijke woning) met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
4.2
De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken dan wel de verzoeken van de man af te wijzen. Indien de bestreden beschikking met betrekking tot de echtscheiding wordt bekrachtigd, verzoekt de vrouw het huurrecht van de echtelijke woning aan haar toe te wijzen.
4.3
De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Echtscheiding
5.1
De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft het verzoek tot echtscheiding beoordeeld naar Nederlands recht. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
5.2
In haar eerste grief weerspreekt de vrouw dat haar huwelijk met de man duurzaam is ontwricht. Zij was niet op de hoogte van het echtscheidingsverzoek omdat zij toen enkele maanden bij haar zus en zoon in België verbleef. De vrouw werd volkomen verrast door de bij de bestreden beschikking uitgesproken echtscheiding. Zij wenst geen echtscheiding.
5.3
Het hof overweegt als volgt. Op grond van het bepaalde in artikel 1:151 van Pro het Burgerlijk Wetboek wordt echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten uitgesproken indien het huwelijk duurzaam is ontwricht. Een huwelijk is duurzaam ontwricht, indien de voortzetting van de samenleving ondraaglijk is geworden en geen uitzicht bestaat op herstel van enigszins behoorlijke echtelijke verhoudingen.
Gebleken is dat partijen weliswaar nog samen in de echtelijke woning wonen, maar dat zij gescheiden van elkaar leven. Ieder verblijft in een eigen kamer. De man volhardt in zijn stelling dat het huwelijk (in feite al jaren) duurzaam is ontwricht. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw te kennen gegeven te accepteren dat de man hun huwelijk niet wil voortzetten. Nu de duurzame ontwrichting van het huwelijk van partijen daarmee als vaststaand kan worden aangenomen, heeft de rechtbank terecht de echtscheiding uitgesproken. De bestreden beschikking zal in zoverre worden bekrachtigd.
Huurrecht echtelijke woning
5.4
De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt om te oordelen over het huurrecht-verzoek. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld naar Nederlands recht. Dat staat in hoger beroep niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat.
5.5
Vervolgens doet zich de vraag voor wie van partijen huurder zal zijn van de echtelijke woning.
De man stelt dat partijen voorafgaand aan het indienen van het verzoek tot echtscheiding afspraken hebben gemaakt, met bemiddeling van de familie van de vrouw. Onderdeel van die afspraken was dat de man in de echtelijke woning zou blijven wonen. De vrouw heeft daarmee ingestemd en kan daarop nu niet terugkomen; dat is volgens de man in strijd met het gerechtvaardigd vertrouwen in de nakoming van gemaakte afspraken.
5.6
Het hof volgt de man niet in zijn betoog dat de bestreden beschikking op het punt van het huurrecht reeds moet worden bekrachtigd omdat partijen zouden hebben afgesproken dat het huurrecht aan hem toekomt. De man heeft – tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw – niet aan de hand van stukken onderbouwd dat sprake is geweest van overleg en/of afspraken. Het hof kan het bestaan van een dergelijke afspraak dus niet aannemen.
5.7
Gebleken is dat de man de woning via een woningbouwvereniging huurt sinds 2015 (na veertien jaar op de wachtlijst te hebben gestaan). Partijen waren destijds al gehuwd, maar de vrouw heeft zich later (in 2016) vanuit Marokko bij de man in de echtelijke woning gevoegd.
De vrouw voert aan dat zij voor de man naar Nederland is verhuisd en dat zij hier geen netwerk of sociale basis heeft opgebouwd, omdat de man haar isoleerde. Bovendien spreekt zij de Nederlandse taal niet en heeft zij geen inkomsten. Zij heeft de echtelijke woning nodig terwijl de man alternatieven heeft: hij heeft niet alleen inkomsten, maar ook vrienden en familie bij wie hij terecht kan.
De man betoogt op zijn beurt dat hij meer belang heeft bij het huurrecht, omdat hij de hoofdhuurder is en omdat hij naar zijn werk moet reizen. De vrouw kan zich weer bij haar zus en zoon in België voegen, bij wie zij toch al regelmatig langere tijd verblijft.
5.8
Het hof stelt vast dat beide partijen belang hebben bij het verkrijgen van het huurrecht van de echtelijke woning. Het betreft een woning waarmee beiden zeggen een emotionele verbinding te hebben en die is gelegen in een buurt waarin zij zich thuis voelen. Voor beiden is het bovendien niet eenvoudig om andere woonruimte te vinden.
Bij de weging van de belangen van partijen is voor het hof doorslaggevend dat de man meer verbondenheid met de regio [plaats A] heeft dan de vrouw. Hij woont net wat langer in de woning (en voordien woonde hij ook al in [plaats A] ), maar belangrijker nog is dat hij fulltime werkzaam is als schoonmaker, naar het hof aanneemt in de regio [plaats A] . Ter zitting in hoger beroep heeft de man verklaard dat hij elke doordeweekse dag om 5.00 uur opstaat om naar zijn werk te gaan. De vrouw heeft dit laatste niet weersproken.
De vrouw heeft geen binding met de woning in [plaats A] , anders dan dat die haar onderdak bood in de afgelopen tien jaar en dat zij nog steeds een dak boven haar hoofd nodig heeft. Haar oriëntatie is meer Europees gericht: de vrouw heeft zelf verklaard dat zij alleen voor het huwelijk met de man naar Nederland is gekomen en dat zij hier - door toedoen van de man - geen netwerk heeft opgebouwd. Haar meerderjarige zoon, die is geboren in Spanje, woont bij haar zus in België. Een andere zus woont in Frankrijk en de ouders van de vrouw wonen in Marokko.
5.9
Op grond van het vorenstaande en na afweging van de wederzijdse belangen van partijen is het hof van oordeel dat het huurrecht van de woning aan de man dient te worden toegewezen.
Het hof zal de bestreden beschikking ook op dit punt bekrachtigen.
5.1
Dit leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.M. Mons, mr. A.N. van de Beek en mr. J.W. van Zaane, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar.