ECLI:NL:GHAMS:2026:1849

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.360.926/01 en 200.360.926/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:179 BWArt. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep ontbinding huwelijk en zorgregeling met wijziging hoofdverblijfplaats en kinderalimentatie

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de ontbinding van het huwelijk met de moeder, de zorgregeling, hoofdverblijfplaats van de kinderen en kinderalimentatie. De rechtbank had de ontbinding uitgesproken, de hoofdverblijfplaats bij de moeder vastgesteld, een zorgregeling conform het ouderschapsplan bepaald en kinderalimentatie opgelegd.

De vader betwistte de ontbinding aanvankelijk, maar erkende later dat het huwelijk duurzaam ontwricht is. Hij stelde dat hij de primaire verzorgende ouder is en verzocht om wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling, evenals afwijzing van de alimentatieplicht. De moeder handhaafde de bestaande afspraken en betwistte de opvoedvaardigheden van de vader.

Het hof oordeelde dat de zorgregeling moest worden aangepast vanwege de feitelijke situatie waarin de vader substantieel bij de verzorging betrokken is. De hoofdverblijfplaats werd verdeeld: de oudste bij de vader, de jongste bij de moeder. De kinderalimentatie werd vastgesteld op €50 per maand vanaf 6 augustus 2025, maar met ingang van 7 juli 2026 op nihil vanwege een zorgkorting van 35% bij een co-ouderschapsregeling. Het verzoek tot schorsing van de beschikking werd afgewezen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van het huwelijk, wijzigt de zorgregeling en hoofdverblijfplaats en stelt de kinderalimentatie vast op nihil met ingang van 7 juli 2026.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.360.926/01 (hoofdzaak) en 200.360.926/02 (schorsingsverzoek)
zaaknummer rechtbank: C/13/760425 / FA RK 24-8269
beschikking van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep en in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C.J. Forder te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep en in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. Amrani te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de ontbinding van het huwelijk van partijen, tussen wie in 2022 de scheiding van tafel en bed is uitgesproken. De rechtbank heeft de ontbinding uitgesproken en beslissingen genomen over de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (9 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) (hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen), de zorgregeling tussen de kinderen en de vader en de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie.
De vader is het niet eens met de ontbinding van het huwelijk en wenst andere beslissingen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, zorgregeling en kinderalimentatie.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De vader is op 31 oktober 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).
Hij heeft daarnaast op 12 november 2025 een verzoek ingediend tot schorsing van de uitvoerbaarheid van een gedeelte van de bestreden beschikking.
2.2
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van moeder van 2 april 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vader van 8 mei 2026, met bijlagen.
2.3
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
2.4
De mondelinge behandeling is op 19 januari 2026 aangehouden. Vervolgens is de zitting voortgezet op 22 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een schrijftolk, D.J.A. Drommond,
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.
Beide advocaten hebben op de zitting een pleitnotitie overgelegd.

3.De feiten

3.1
De ouders zijn gehuwd [in] 2013 te [plaats B] (Marokko).
Zij zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2017 te [plaats A] en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 te [plaats A] .
De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.
3.2
Bij beschikking van 28 juli 2022 van de rechtbank Midden-Nederland is tussen de ouders de scheiding van tafel en bed uitgesproken. De rechtbank heeft bepaald dat het aangehechte convenant met ouderschapsplan, zoals ondertekend op 10 juni 2022, deel uitmaakt van de beschikking. Deze beschikking is op 24 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Het ouderschapsplan van 10 juni 2022 bevat onder andere de volgende afspraken:
Artikel 2 – Hoofdverblijfplaats/verhuizing/paspoort
Artikel 2.1
De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij partij B (hof: de moeder) en zullen op haar adres in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente ingeschreven staan. Aan haar komt het recht toe om de kinderbijslag te innen. De ouder bij wie het kind staat ingeschreven, houdt de volledige kinderbijslag.
Artikel 3 – Verzorging en opvoeding
Artikel 3.1 – Zorg – en contactregeling
De ouders zijn een zorgregeling overeengekomen zoals omschreven in de aan dit ouderschapsplan aangehechte bijlage 1 Zorg-contactregeling voor de kinderen.
Indien zwaarwegende omstandigheden dit vereisen kan de zorgregeling in de toekomst worden aangepast.
Artikel 7 – Kinderalimentatie
Artikel 7.1 – Kosten van de kinderen
De behoefte van de kinderen ten tijde van de echtscheiding wordt door partijen in onderling overleg vastgesteld op € 400,- per maand per kind, dus € 800,- per maand in totaal.
Artikel 7.2 - Kinderalimentatie
De ouders zijn overeengekomen dat, gezien hun beider inkomensposities, er als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen betaling over en weer zal plaatsvinden.
De kosten voor de dagelijkse zorg voor de kinderen worden betaald door de ouder waar het kind verblijft. Alle kosten die de kosten voor de dagelijkse zorg overstijgen, zullen door partijen in goed onderling overleg worden betaald met als uitgangspunt dat deze kosten verdeeld worden, ieder voor de helft.
De zorg- en contactregeling in de bijlage komt erop neer dat de kinderen om de week een weekend bij de vader verblijven, van vrijdagavond tot zondagmiddag. Daarnaast worden vakanties en feestdagen bij helfte verdeeld.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de moeder, de ontbinding van het huwelijk uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank, op verzoek van de moeder, bepaald dat het ouderschapsplan, zoals ondertekend op 10 juni 2022 en dat deel uitmaakt van de beschikking scheiding van tafel en bed van 28 juli 2022, ook deel uitmaakt van de bestreden beschikking. In de beschikking is verder bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij de moeder zullen hebben en dat de vader de kinderen bij zich heeft conform de zorgregeling zoals opgenomen in voornoemd ouderschapsplan. Daarnaast is op verzoek van de moeder, met wijziging van het ouderschapsplan in zoverre, bepaald dat de kinderen wekelijks van woensdag na school tot donderdag naar school bij de vader verblijven en is een door de vader met ingang van 18 november 2024 te betalen kinderalimentatie bepaald van € 100,- per kind per maand.
4.2
De vader verzoekt in de hoofdzaak, met vernietiging van de bestreden beschikking, primair het inleidend verzoek van de moeder ten aanzien van de ontbinding van het huwelijk alsnog af te wijzen of de moeder daarin niet-ontvankelijk te verklaren.
Subsidiair verzoekt de vader te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem hebben (en op zijn adres worden ingeschreven), dat zij in het kader van een zorgregeling bij hem zijn van dinsdag na school tot zaterdag 18.00 uur en dat het verzoek van de moeder om kinderalimentatie te bepalen wordt afgewezen.
4.3
De vader verzoekt in het incident tot schorsing de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie te schorsen.

5.De motivering van de beslissing

In de hoofdzaak (200.360.926/01)
Ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed
Wettelijk kader
5.1
Op grond van artikel 1:179 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de ontbinding van het huwelijk van echtgenoten die van tafel en bed zijn gescheiden, op verzoek van een van hen worden uitgesproken, indien de scheiding tenminste drie jaren heeft geduurd. Op grond van lid 2 van voornoemd artikel kan de termijn van drie jaren op verzoek van een echtgenoot worden bekort tot tenminste een jaar, indien de andere echtgenoot zich gedurig schuldig maakt aan wangedrag in zodanige mate dat van de echtgenoot, die het verzoek heeft gedaan, niet kan worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan.
5.2
De vader stelt dat de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk had moeten verklaren ten aanzien van haar verzoek tot ontbinding van het huwelijk in verband met het niet voldoen aan de termijn van artikel 1:179 lid 1 BW Pro. Tevens heeft de vader het door de moeder gestelde wangedrag in de zin van artikel 1:179 lid 2 BW Pro betwist.
Ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 heeft de vader evenwel erkend dat het huwelijk tussen de ouders duurzaam is ontwricht en feitelijk als beëindigd dient te worden beschouwd. Bovendien is de vader op de hoogte van de inmiddels ruimschoots verstreken termijn van drie jaren. Hij verzet zich dan ook niet langer tegen de ontbinding van het huwelijk en een bekrachtiging van de bestreden beschikking op dit onderdeel.
5.3
De moeder is van mening dat de rechtbank terecht de ontbinding van het huwelijk heeft uitgesproken. Hoewel de in artikel 1:179 lid 1 BW Pro genoemde termijn van drie jaren ten tijde van de indiening van haar inleidend verzoek nog niet was verstreken, was volgens de moeder sprake van de in lid 2 van dat artikel bedoelde uitzonderingsgrond. Daartoe voert zij aan dat de vader zich gedurende de scheiding schuldig heeft gemaakt aan zodanig wangedrag, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd het huwelijk te doen voortbestaan. Inmiddels is de voornoemde termijn van drie jaren al ruimschoots verstreken, zodat de bestreden beschikking op dit onderdeel zonder meer bekrachtigd kan worden, aldus de moeder.
Beoordeling door het hof
5.4
Het hof overweegt als volgt. De beschikking tot scheiding van tafel en bed is op 24 augustus 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De moeder heeft op 25 november 2024 een verzoek tot ontbinding van het huwelijk gedaan. Hoewel ten tijde van het indienen van dit verzoek de in artikel 1:179 lid 1 BW Pro bedoelde termijn van drie jaren nog niet was verstreken, is deze termijn inmiddels gedurende de procedure in hoger beroep verstreken. Nu de vader zich bovendien niet langer tegen de ontbinding van het huwelijk verzet en de ouders ter zitting hebben bevestigd dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, is een ontbinding van het huwelijk mogelijk. Het hof zal de bestreden beschikking op dit onderdeel bekrachtigen. Gelet hierop behoeft het beroep van de moeder op artikel 1:179 lid 2 BW Pro geen nadere bespreking.
Zorgregeling en hoofdverblijfplaats
Wettelijk kader
5.5
Uit artikel 1:253a lid 1, 2 en 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
Standpunten
5.6
De vader kan zich niet verenigen met de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling. Hij voert daartoe aan dat aan het door de ouders op 10 juni 2022 ondertekende ouderschapsplan nimmer uitvoering is gegeven. De vader heeft sinds de geboorte van de kinderen steeds de primaire verzorgende rol vervuld. De tijdens het huwelijk bestaande taakverdeling, waarbij de vader het merendeel van de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen op zich nam, heeft volgens hem ook na de feitelijke scheiding voortgeduurd. Hij acht een co-ouderschapsregeling het meest in het belang van de kinderen.
De vader voert aan dat de moeder vanwege haar werkzaamheden beperkt beschikbaar was voor de kinderen, terwijl hij sinds 2022 niet meer werkzaam is en daardoor de dagelijkse zorg grotendeels op zich heeft genomen. Hij bracht de kinderen naar school, haalde hen op en verzorgde regelmatig de maaltijden. Daarnaast begeleidde hij de kinderen naar onder meer huisarts-, tandarts- en logopedieafspraken, alsmede naar sportactiviteiten. Ook was de vader aanwezig bij schoolgesprekken.
Volgens de vader heeft de moeder in januari 2023 de echtelijke woning verlaten, terwijl de kinderen aldaar samen met hem ingeschreven bleven staan. Wel verbleef de moeder tot juni 2025 met regelmaat in de echtelijke woning in het kader van een poging tot verzoening tussen de ouders. De vader betwist nadrukkelijk dat hij onvoldoende opvoedvaardig zou zijn of onvoldoende betrokken bij de kinderen. Volgens hem volgt uit de feitelijke situatie juist dat hij een substantieel aandeel heeft gehad in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Bovendien is de moeder degene die de tanden van de kinderen niet goed poetst, waardoor zij beiden gebitsproblemen hadden. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats voert de vader aan dat de moeder na de bestreden beschikking de hoofdverblijfplaats van de kinderen heeft gewijzigd naar haar adres, terwijl in de twee door haar aan de vader overgelegde (concept)ouderschapsplannen van 30 mei 2025 respectievelijk 2 juni 2026, was opgenomen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zou zijn. Dit sloot aan bij de feitelijke situatie. De vader weerspreekt de stelling van de moeder dat zijn verzoek ten aanzien van de hoofverblijfplaats van de kinderen uitsluitend financieel gemotiveerd zou zijn.
5.7
De moeder voert verweer. Zij stelt dat de ouders ten tijde van de scheiding van tafel en bed in het ouderschapsplan van 10 juni 2022 zijn overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de moeder zal zijn. Volgens de moeder is geen sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de gemaakte afspraken rechtvaardigt. Volgens de moeder is het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de kinderen op zijn adres te bepalen, voornamelijk ingegeven door financiële motieven, waaronder het verkrijgen van toeslagen. Zij acht dit onvoldoende om een wijziging van de hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen. Daarnaast zijn de financiële tegemoetkomingen voor de moeder, als verzorgende ouder, eveneens noodzakelijk. Voorts betoogt de moeder dat de kinderen bij haar voldoende rust, stabiliteit en veiligheid krijgen. Zij heeft haar werktijden en haar functie veranderd in het belang van de kinderen en werkt nu 24 uur per week, waarbij zij haar werkzaamheden grotendeels flexibel en vanuit huis kan verrichten. Zij kan zelf, zonder aanvullende opvang, voor de kinderen zorgen.
De moeder kan zich niet verenigen met een zorgregeling bij helfte. Volgens haar is de vader niet in staat de dagelijkse verzorging van de kinderen zelfstandig op adequate wijze te dragen. Hij beschikt over onvoldoende opvoedvaardigheden en is niet in staat om gevarieerd en gezond te koken en onvoldoende in staat om de specifieke haarverzorging van [minderjarige 2] op zich te nemen. Daarnaast voert de moeder aan dat [minderjarige 2] sterk op haar is gericht en behoefte heeft aan de nabijheid van de moeder. Zij begrijpt wel dat de vader de wens heeft om tot uitbreiding van de zorgregeling te komen. De moeder staat open voor één extra overnachting in de twee weken, aansluitend aan het weekend waarin de kinderen bij de vader verblijven, dus van zondag op maandag. Dan kan de vader de kinderen naar school brengen. Daarnaast faciliteert en stimuleert de moeder contacten tussen de vader en de kinderen. De vader is welkom bij sportactiviteiten van de kinderen en in de speeltuin dichtbij de woning van de vader waar zij regelmatig met de kinderen verblijft, aldus de moeder.
Advies van de raad
5.8
De raad heeft ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 naar voren gebracht dat beide ouders in hoge mate betrokken zijn bij de kinderen en dat zij het welzijn van de kinderen vooropstellen. De raad acht het positief dat de moeder haar werkzaamheden heeft aangepast in het belang van de kinderen en constateert tevens dat het leven van de vader in belangrijke mate in het teken staat van de verzorging en opvoeding van de kinderen. Volgens de raad ontwikkelen de kinderen zich goed binnen de huidige situatie en treffen zij het met twee betrokken ouders. De raad merkt daarbij op dat opvoedvaardigheden zich in de praktijk ontwikkelen en dat praktische aspecten van verzorging, zoals koken en uiterlijke verzorging, leerbaar zijn, ook voor de vader. De raad ziet geen aanleiding om de bestaande zorgregeling ingrijpend te wijzigen, maar acht het wel in het belang van de kinderen dat zij meer tijd met de vader kunnen doorbrengen. De raad adviseert daarom de huidige zorgregeling uit te breiden met een extra overnachting van donderdag op vrijdag. Op die wijze kan het dagelijks ritme van de kinderen worden gecontinueerd, terwijl tegelijkertijd meer ruimte ontstaat voor de rol van de vader in hun leven. De raad spreekt de verwachting uit dat de ouders in onderling overleg afspraken kunnen maken over de praktische invulling van deze extra overnachting. Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats onthoudt de raad zich van advies, nu de raad onvoldoende informatie heeft om te concluderen welke situatie het meest in het belang van de kinderen wordt geacht.
De beoordeling van het hof
5.9
Het hof ziet aanleiding om eerst de zorgregeling te behandelen, nu deze (mede) van invloed kan zijn op de vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Uit de stukken en uit hetgeen besproken is op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn in de zomer van 2022 gescheiden van tafel en bed, waarna de vader met de kinderen in de echtelijke woning is blijven wonen. Nadien hebben de ouders nog meerdere verzoeningspogingen ondernomen en verbleef de moeder tot in ieder geval november 2024 met regelmaat in de echtelijke woning. Hoewel de ouders in 2022 een ouderschapsplan hebben opgesteld waarin afspraken zijn gemaakt over de zorgregeling, staat vast dat aan deze regeling nimmer feitelijk uitvoering is gegeven. Ook nadat de moeder definitief uit de echtelijke woning was vertrokken, is geen sprake geweest van een strikt volgens het ouderschapsplan uitgevoerde zorgverdeling.
5.1
Naar het oordeel van het hof is daarmee sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat de tussen de ouders overeengekomen regeling opnieuw dient te worden beoordeeld. Het hof acht daarbij van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat de vader gedurende langere tijd uitgebreidere zorgtaken voor zijn rekening heeft genomen dan uit het ouderschapsplan voortvloeit. Vaststaat dat de vader altijd een substantieel aandeel heeft gehad in de dagelijkse verzorging van de kinderen, waaronder het brengen en halen van school, het begeleiden naar medische afspraken, sportactiviteiten en schoolgesprekken, alsmede de dagelijkse verzorging in de thuissituatie. Het hof is net als de raad van oordeel dat beide ouders betrokken zijn bij de kinderen en in staat zijn invulling te geven aan de verzorging en opvoeding van de kinderen. De door de moeder geuite zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader zijn onvoldoende concreet onderbouwd en leiden het hof bovendien niet tot het oordeel dat uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van de kinderen zou zijn. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat niet is gebleken van contra-indicaties aan de zijde van de vader. Met de raad is het hof met de raad van oordeel dat opvoedvaardigheden zich in de praktijk kunnen ontwikkelen en dat praktische aspecten van verzorging, zoals koken en uiterlijke verzorging, (voor de vader) leerbaar zijn. Bovendien heeft de vader ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 verklaard een goede band te hebben met zijn familieleden die dichtbij wonen, zodat zij hem waar nodig kunnen helpen met gezond koken voor de kinderen en de verzorging van de haren van [minderjarige 2] . Daarnaast heeft de vader juist zorgen geuit over de gebits- en mondverzorging van de kinderen als zij bij de moeder zijn. Het is dan ook aan de moeder om hier extra aandacht aan te besteden.
Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij substantieel en gelijkwaardig contact onderhouden met beide ouders. Uit het advies van de raad volgt dat de kinderen baat hebben bij een grotere aanwezigheid van de vader in hun dagelijks leven. Naar het oordeel van het hof zijn onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat een regeling in de vorm van co-ouderschap, zoals door de vader is verzocht, niet uitvoerbaar of niet in het belang van de kinderen zou zijn.
Gelet op het voorgaande acht het hof het in het belang van de kinderen dat de ouders de zorg- en opvoedingstaken in het kader van een co-ouderschapsregeling meer gelijkwaardig verdelen. Het hof zal de huidige zorgregeling daarom uitbreiden, in die zin dat de kinderen wekelijks van dinsdag uit school tot donderdag naar school bij de vader zullen verblijven. Daarnaast zal het weekend waarin de kinderen bij de vader verblijven, worden verlengd tot maandagochtend, waarbij de vader de kinderen naar school brengt. Het hof acht deze regeling in overeenstemming met de belangen van de kinderen, nu zij daardoor frequent en gelijkwaardig contact met beide ouders behouden en de perioden zonder contact met één van de ouders, gelet op hun jonge leeftijd, beperkt blijven. Het hof gaat ervan uit dat de ouders in onderling overleg uitvoering geven aan de praktische invulling van de co-ouderschapsregeling, met inachtneming van hetgeen in het belang van de kinderen wenselijk is.
5.11
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt het hof als volgt. Hoewel de formele hoofdverblijfplaats in een co-ouderschapsregeling in belangrijke mate een administratief karakter heeft, acht het hof het in het belang van de kinderen dat ieder van de kinderen zijn hoofdverblijfplaats bij een andere ouder zal hebben. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat beide ouders in staat zijn de dagelijkse zorg voor de kinderen te dragen en dat hiermee recht wordt gedaan aan de feitelijke zorgverdeling en de gelijkwaardige positie van de ouders. Het hof zal daarom bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader zal zijn en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder.
Kinderalimentatie
5.12
In geschil is voorts nog de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor de kinderen.
5.13
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
5.14
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW Pro kan een overeenkomst betreffende de kinderbijdrage worden gewijzigd wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Tussen de ouders is niet in geschil dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de door de vader te betalen kinderalimentatie rechtvaardigt.
Ingangsdatum
5.15
Het hof zal eerst beoordelen welke datum als ingangsdatum van de alimentatieverplichting geldt. Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. Daarbij heeft te gelden dat de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik zal moeten maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een vóór zijn uitspraak gelegen datum.
5.16
De rechtbank heeft bepaald dat de vader met ingang van 18 november 2024 kinderalimentatie aan de moeder moet betalen. Dit is de datum waarop de vader een brief zou hebben ontvangen van de advocaat van de moeder, waarin hij is verzocht om zijn financiële gegevens te verstrekken ten behoeve van het bepalen van de hoogte van de kinderalimentatie.
De vader is het niet eens met deze ingangsdatum. Hij stelt deze brief niet te hebben ontvangen. De brief is vermoedelijk naar een onjuist adres verzonden. Daarnaast hebben de ouders nadien nog meerdere verzoeningspogingen gedaan, waarbij zij ook weer hebben samengewoond. Gelet hierop mocht de vader ervan uitgaan dat de procedure niet werd voortgezet. Onder deze omstandigheden acht hij een eerdere ingangsdatum dan de datum van de bestreden beschikking dan ook niet gerechtvaardigd. De moeder is het eens met de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum.
Beoordeling door het hof
5.17
Het hof overweegt als volgt. Vaststaat dat de ouders na het verzenden van de betreffende brief nog meermalen contact hebben gehad over een mogelijke verzoening en hiertoe ook pogingen hebben ondernomen. Uit de overgelegde stukken blijkt onvoldoende dat voor de vader duidelijk moest zijn dat de procedure desondanks werd voortgezet. Nu het hof niet kan vaststellen wanneer de vader bekend is geworden met het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie, ziet het hof aanleiding de ingangsdatum te bepalen op de datum van de bestreden beschikking, te weten 6 augustus 2025. De vader kon in ieder geval vanaf die datum rekening ermee houden dat hij kinderalimentatie zou moeten gaan betalen. Een eerdere ingangsdatum acht het hof niet aangewezen.
Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen (de behoefte)
5.18
De behoefte van de kinderen is door de ouders in het ouderschapsplan in het kader van de procedure van scheiding van tafel en bed reeds vastgesteld, te weten € 400,- per kind per maand in 2022. Deze behoefte is in hoger beroep tussen de ouders niet in geschil, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan. De geïndexeerde behoefte bedraagt per 1 januari 2025 € 468,- per kind per maand en per 1 januari 2026 € 489,- per kind per maand.
Draagkracht van de vader
5.19
De rechtbank heeft de draagkracht van de vader niet vastgesteld. Hij is niet in de procedure in eerste aanleg verschenen en er waren ook geen financiële gegevens van hem bekend. De rechtbank is daardoor ervan uitgegaan dat de vader in staat is de door de moeder verzochte kinderalimentatie te voldoen. De vader is het hier niet mee eens en heeft het volgende gesteld. De vader ontvangt een uitkering op basis van de Ziektewet. In september 2026 heeft hij een medische keuring en zal dan hoogstwaarschijnlijk in aanmerking komen voor een WIA-uitkering. Gezien zijn minimale inkomen kan hij dan ook niet meer dan het minimale bedrag van € 50,- per maand aan kinderalimentatie voldoen. Daarnaast lost de vader sinds de bestreden beschikking ook nog af op een hoge belastingschuld die is ontstaan door onterecht ontvangen toeslagen. Sindsdien is de vader dus niet in staat om € 50,- per maand aan kinderalimentatie te voldoen. Ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 heeft de vader echter verklaard een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand aan de moeder te kunnen voldoen.
5.2
De moeder heeft gesteld dat de vader geen inzicht heeft gegeven in de duur van zijn uitkering op basis van de Ziektewet en evenmin is duidelijk wat er uit de medische keuring gaat komen. De hoogte van zijn eventuele WIA-uitkering is nog niet vastgesteld. Daarnaast schijnt de vader een handeltje te hebben in het repareren van mobiele telefoons en daar ook geld mee te verdienen. Hij is dus wel in staat om de door de moeder verzochte kinderalimentatie van € 100,- per kind per maand te voldoen. Ten aanzien van de belastingschuld van de vader stelt de moeder dat hij deze bedragen onterecht heeft ontvangen en deze moet hij terug betalen. De schuld is dus verwijtbaar en vermijdbaar. Ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 heeft de moeder verklaard te kunnen instemmen met een kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand.
5.21
Het hof oordeelt als volgt. In de procedure in hoger beroep heeft de vader alsnog financiële gegevens overgelegd, te weten een verklaring geregistreerd inkomen 2024 en uitkeringsspecificaties van het UWV voor augustus, september en oktober 2025. Op grond van deze gegevens en met inachtneming van het rapport Alimentatienormen 2026, is het hof van oordeel dat aan de zijde van de vader dient te worden uitgegaan van een minimumdraagkracht van € 50,- per maand voor de kinderen gezamenlijk. Dit bedrag sluit bovendien aan bij hetgeen de ouders ter zitting in hoger beroep van 22 mei 2026 zijn overeengekomen. Het hof zal dus voor de vader uitgaan van een draagkracht van €50,- per maand voor beide kinderen. Voor zover door de vader een beroep is gedaan op de aanvaardbaarheidstoets, behoeft dit, gelet op het voorgaande, geen nadere bespreking meer. Dit geldt eveneens voor de stellingen van de moeder met betrekking tot de uitkering van de vader, zijn neveninkomsten en belastingschuld.
Draagkracht van de moeder
5.22
Door de rechtbank is de draagkracht van de moeder niet vastgesteld. Haar draagkracht is ook niet in geschil. Door de moeder zijn in hoger beroep geen financiële stukken met betrekking op haar inkomen overgelegd, waardoor haar draagkracht ook door het hof niet kan worden vastgesteld.
Zorgkorting
5.23
In geschil tussen de ouders is vervolgens de zorgkorting. Volgens de vader dient hiermee rekening te worden gehouden als de zorgregeling verandert. De moeder is van mening dat een andere zorgregeling, ook al zou deze worden uitgebreid, geen invloed heeft op de overeengekomen door de vader te betalen kinderalimentatie.
5.24
Het hof overweegt als volgt. De kosten van de verdeling van de zorg worden in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. De hoogte van de zorgkorting is afhankelijk van de omvang van de zorg. Met ingang van de datum van deze beschikking zal het hof bepalen dat de zorg gelijkelijk over de ouders wordt verdeeld. Bij een zorgregeling van 3 dagen per week of een 50/50 verdeling, is de zorgkorting 35 % van de behoefte van de kinderen.
Indien de gezamenlijke draagkracht van de ouders onvoldoende is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het daaruit vloeiende tekort in beginsel gelijkelijk over de ouders verdeeld. Voor zover de helft van dit tekort lager is dan de zorgkorting, wordt deze helft in mindering gebracht op de zorgkorting. Indien de helft van het tekort hoger is dan de zorgkorting, wordt geen zorgkorting toegepast.
Het hof beschikt niet over de inkomensgegevens van de moeder. Daardoor kan haar draagkracht niet worden vastgesteld en kan evenmin worden beoordeeld of de gezamenlijke draagkracht van de ouders toereikend is om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien. Nu de moeder heeft nagelaten de voor de beoordeling van haar draagkracht noodzakelijke gegevens over te leggen, komen de gevolgen daarvan voor haar rekening en risico. Het hof ziet daarom geen aanleiding uit te gaan van een draagkrachttekort dat aan toepassing van de zorgkorting in de weg staat. Nu het hof met ingang van de datum van deze beschikking een co-ouderschapsregeling vaststelt, waarbij de kinderen hun hoofdverblijf elk bij een andere ouder hebben en de zorg- en opvoedingstaken in substantiële mate gelijkelijk zijn verdeeld, heeft de vader aanspraak op een zorgkorting van 35 %. Gelet op de hoogte van deze zorgkorting wordt het door de vader te betalen bedrag van € 50,- per maand aan kinderalimentatie volledig geneutraliseerd. Het hof acht het daarom redelijk en billijk de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van de datum van onderhavige beschikking op nihil te bepalen.
Conclusie
5.25
Het hof zal, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie vaststellen op € 50,- per maand met ingang van 6 augustus 2025 en met ingang van 7 juli 2026, de datum van onderhavige beschikking, op nihil.
Hieruit volgt in beginsel een terugbetalingsverplichting voor de moeder. Gebleken is echter dat de vader een betalingsachterstand heeft. Naar verwachting zal er daarom geen sprake zijn van de omstandigheid dat de moeder te veel ontvangen alimentatie moet terug betalen. Mocht dit toch het geval zijn, dan is het hof van oordeel dat terugbetaling niet van de moeder kan worden gevergd. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de ontvangen alimentatie naar verwachting zal zijn verbruikt ten behoeve van de kinderen. Het hof zal daarom beslissen dat voor zover de vader meer kinderalimentatie heeft betaald dan waartoe hij gelet op onderhavige beschikking gehouden was, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald of op hem is verhaald.
In het schorsingsverzoek (200.360.926/02)
5.26
De vader verzoekt schorsing van de werking van de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling en de kinderalimentatie.
5.27
Aangezien het hof in deze beschikking tot een eindbeslissing komt met betrekking tot de zorgregeling en de kinderalimentatie, heeft de vader geen belang meer bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.
5.28
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In de hoofdzaak (200.360.926/01)
bekrachtigt de bestreden beschikking ten aanzien van de ontbinding van het huwelijk van de ouders;
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling, de hoofdverblijfplaats en de kinderalimentatie, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt, met wijziging van de beschikkingen van 28 juli 2022 en 6 augustus 2025, waarvan het door beide ouders ondertekende ouderschapsplan van 10 juni 2022 deel uitmaakt, in zoverre, dat de kinderen met ingang van heden bij de vader verblijven:
- wekelijks van dinsdag uit school tot donderdag naar school;
- om de week een weekend van vrijdagavond tot maandagochtend naar school;
bepaalt dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft en [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader;
bepaalt dat de vader een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de moeder dient te betalen van € 50,- (VIJFTIG EURO) per maand met ingang van 6 augustus 2025 en stelt de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van heden op nihil, met dien verstande dat voor zover de vader meer heeft betaald dan waartoe hij op grond van deze beschikking gehouden was, de bijdrage wordt bepaald op hetgeen door de vader is betaald of op hem is verhaald;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in het hoger beroep meer of anders verzochte.
In het schorsingsverzoek (200.360.926/02)
wijst af het verzoek van de vader tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.F. Miedema, mr. M.C. Schenkeveld en mr. J. Schoemaker, in tegenwoordigheid van mr. M.S. de Boer als griffier en is op 7 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.