ECLI:NL:GHAMS:2026:1850

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
200.355.087/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:10 BWArt. 6:109 BWArt. 6:119 BWArt. 6:127 BWArt. 6:228 BW
Verwijzingen
16 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep over verdeling meegroeiverzekering en gebruiksvergoeding na verkoop echtelijke woning

Twee ex-echtgenoten zijn sinds 2007 gescheiden, maar de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap, met name de woning, werd pas in 2023 afgerond. De vrouw ontving de helft van de uitkering van een aan de hypotheek gekoppelde meegroeiverzekering en weigerde dit bedrag aan de man over te maken, die aanspraak maakte op het volledige bedrag.

De vrouw stelde dat de betalingsregeling uit 2014 niet langer bindend was en vorderde een gebruiksvergoeding voor de jaren dat de man de woning exclusief gebruikte. Het hof oordeelde dat de meegroeiverzekering sinds 2011 aan de man toebehoorde en dat de vrouw onverschuldigd de helft had ontvangen, die zij aan de man moet terugbetalen. Het beroep op ontbinding of wijziging van de betalingsregeling wegens onvoorziene omstandigheden, misbruik van omstandigheden of dwaling faalde.

Ook de vordering tot gebruiksvergoeding werd afgewezen omdat de man alle lasten van de woning droeg. De proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hoger beroep van de vrouw werd verder afgewezen.

Uitkomst: Het hof wijst het hoger beroep van de vrouw af, bekrachtigt de toedeling van de meegroeiverzekering aan de man en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.355.087/01
zaaknummer rechtbank : 11164589 \ CV EXPL 24-7554
arrest van de meervoudige familiekamer van 14 juli 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
appellante in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Karami te Amsterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats B] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R.H. Bouwman te Amsterdam.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over twee ex-echtgenoten die al sinds 2007 gescheiden zijn, maar de verdeling van de huwelijksgemeenschap, en dan met name de verdeling van de voormalig echtelijke woning, nog niet volledig hebben afgehandeld. De gemeenschappelijke woning is uiteindelijk in 2023 verkocht. Aan de hypotheek op de woning zat een (levens-)verzekering gekoppeld. De vrouw heeft van de notaris de helft van de uitkering van die verzekering ontvangen. De man wil dat de vrouw dit bedrag aan hem overmaakt omdat hij aanspraak maakt op het hele bedrag van de uitkering. De vrouw maakt op haar beurt aanspraak op directe betaling van het totale restbedrag dat de man op basis van de verdeling uit in 2011 aan haar verschuldigd is. De vrouw vindt dat zij niet langer gehouden kan worden aan de betalingsafspraken die partijen hierover in 2014 hebben gemaakt. De vrouw wil bovendien een gebruiksvergoeding voor de jaren dat de man in de woning heeft gewoond en zij daarvan geen gebruik heeft kunnen kon maken.

2.De procedure in hoger beroep

De vrouw is bij dagvaarding van 12 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 21 maart 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter). Dat vonnis is onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en de vrouw als gedaagde in conventie tevens eiseres in reconventie. De appeldagvaarding bevat een incidentele vordering strekkende tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis op de voet van artikel 351 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) totdat in hoger beroep is beslist.
Tegen de man is verstek verleend.
Bij arrest van 8 juli 2025 heeft dit hof de vordering in het incident afgewezen, en in de hoofdzaak de zaak verwezen naar de rol van 19 augustus 2025 voor het nemen van een memorie van grieven door de vrouw.
Vervolgens heeft de vrouw een memorie van grieven ingediend, met producties.
Op 16 september 2025 is het verstek gezuiverd.
De man heeft daarna op 28 oktober 2025 een memorie van antwoord ingediend, met producties.
Partijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 28 mei 2026 laten toelichten door hun advocaten.
Ten slotte is arrest gevraagd.
De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van de man zal afwijzen en zal bepalen dat de vrouw het ontvangen bedrag uit de meegroeiverzekering van € 12.701,62 niet aan de man hoeft te restitueren en voor recht zal verklaren dat de vrouw een regresvordering heeft op de man ter hoogte van € 16.621,47 (meegroeiverzekering, wettelijke rente en deurwaarderskosten), met bevel aan de man om dit bedrag binnen drie dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door de vrouw tot aan de dag van algehele terugbetaling.
De vrouw vordert verder de vaststellingsovereenkomst uit 2014 te ontbinden, hetzij te vernietigen, althans te wijzigen, in die zin dat de man gehouden is het restant van de schuld van € 27.531,89 ineens, dan wel binnen een door het hof te bepalen redelijke termijn volledig aan de vrouw te voldoen.
Daarnaast vordert de vrouw te bepalen dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding dient te voldoen over de periode van 2007 tot de verkoop in 2023, gelijk aan 4% van de verkoopwaarde van de woning.
Ook vordert de vrouw primair om te bepalen dat zij ten onrechte in de proceskosten is veroordeeld en dat de proceskosten tussen partijen alsnog worden gecompenseerd en subsidiair dat zij ten onrechte in reconventie afzonderlijk in de proceskosten is veroordeeld en te bepalen dat de man het bedrag ter hoogte van de proceskostenveroordeling binnen drie dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw dient te restitueren.
De vrouw vordert tot slot de man te veroordelen in de kosten van beide instanties, vermeerderd met de nakosten en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten, indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen arrest zijn voldaan.
De man heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en afwijzing van alle vorderingen van de vrouw.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

3.Feiten

3.1
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Ook het hof zal daarvan uitgaan, voor zover in hoger beroep nog van belang. Die feiten zijn, aangevuld met andere relevante feiten die in dit geding zijn komen vast te staan, de volgende.
3.2
Partijen zijn in 1995 met elkaar gehuwd. Hun huwelijk is op 22 mei 2007 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 31 januari 2007 in de registers van de burgerlijke stand.
3.3
Partijen waren gehuwd in (de wettelijke) gemeenschap van goederen. Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde een woning aan de [A-straat] te [plaats B] (hierna: de (echtelijke) woning). Op deze woning rustte een hypothecaire geldlening waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. Partijen waren bovendien rechthebbenden op (de rechten uit) een meegroeiverzekering met polisnummer 4.389.591.19 (hierna ook: de meegroeiverzekering). De rechten uit deze polis waren verpand aan de hypotheekbank. Na de scheiding is de man in de woning blijven wonen en heeft hij de naast de gebruikerslasten ook eigenaarslasten van de woning voldaan, waaronder de lasten van de hypothecaire geldlening en de premie voor de meegroeiverzekering.
3.4
Bij beschikking van 20 april 2011 van de rechtbank is in het kader van de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap onder andere bepaald dat:
- de (waarde van) de meegroeiverzekering met polisnummer 4.389.591.1 aan de man wordt toegedeeld en dat de man € 2.958,89 is verschuldigd aan de vrouw;
- de woning en grond in Tunesië met een waarde van € 85.000,- aan de man worden toegedeeld en dat de man € 42.500,- is verschuldigd aan de vrouw;
- de echtelijke woning dient te worden verkocht met inachtneming van het voorgaande.
Deze beschikking is op 24 april 2012 door dit hof bekrachtigd. Partijen zijn echter niet overgegaan tot verkoop van de woning.
3.5
Bij overeenkomst van 28 oktober 2014 zijn partijen overeengekomen dat de man het uit hoofde van (i) overbedeling wegens de toedeling van het land en de woning in Tunesië van € 42.500,-, (ii) de veroordeling van de man in de proceskosten door het hof op 24 april 2022 van € 284,- en € 1.788,- en (iii) de toedeling van de meegroeiverzekering van € 2.959,89, het aan de vrouw verschuldigde bedrag van in totaal € 47.531,89 vanaf 1 juli 2014 zal aflossen door middel van een jaarlijkse betaling van € 2.000,-.
3.6
Bij vonnis van 5 april 2023 is – kort gezegd – beslist dat de woning aan de man wordt toebedeeld onder voorwaarde dat de vrouw zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die aan de woning is verbonden. Daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw dient te vergoeden de helft van de overwaarde (rekening houdende met aan de woning verbonden hypothecaire verplichtingen), waarbij de taxatiekosten voor rekening van de man komen. Indien de vrouw niet binnen drie maanden zal zijn ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid, zal de woning dienen te worden verkocht. Bepaald is dat in dat geval de netto-verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld.
3.7
De woning is in 2023 verkocht. Partijen hebben van de notaris ieder de helft van de overwaarde ontvangen, zijnde een bedrag van € 91.481,65. Blijkens de nota van afrekening is in dat bedrag begrepen (de helft van de) waarde van de meegroeiverzekering. Dat betekent dat de vrouw via deze afrekening de helft van de waarde van de meegroeiverzekering uitbetaald heeft gekregen.

4.De procedure bij de kantonrechter

4.1
De man heeft in eerste aanleg gevorderd de vrouw te veroordelen tot het terugbetalen van een bedrag van € 12.710,62, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 20 november 2023 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.
4.2
De vrouw heeft in eerste aanleg gevorderd dat alle vorderingen van de man worden afgewezen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure. In reconventie heeft zij gevorderd te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 58.548,16 bij wijze van gebruiksvergoeding, althans een bedrag dat de kantonrechter redelijk acht en dat de vaststellingsovereenkomst tussen partijen wordt ontbonden en de man aan de vrouw een bedrag van € 24.572,- binnen drie dagen na het vonnis dient te voldoen, met veroordeling van de man in de kosten van de procedure.
4.3
De kantonrechter heeft de vrouw veroordeeld om aan de man te betalen een bedrag van € 12.710,62, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag vanaf 3 mei 2024 tot de dag van volledige betaling, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van de man.
De kantonrechter heeft de vordering van de vrouw in reconventie afgewezen en de vrouw veroordeeld in de proceskosten van de man.

5.Beoordeling

Meegroeiverzekering (grief 1)
5.1
Allereerst ligt de vraag voor wie van partijen recht heeft op (de opbrengst van) de meegroeiverzekering van in totaal € 25.403,24, die gekoppeld was aan de hypotheek van partijen. De notaris heeft aan de vrouw de helft van de waarde van deze verzekering uitgekeerd.
De vrouw heeft in haar eerste grief aangevoerd dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling. De meegroeiverzekering stond tot het moment van verkoop van de woning in 2023 op naam van beide partijen en was onlosmakelijk verbonden aan de door partijen afgesloten hypotheek. Indien de man de verzekering uitsluitend op zijn naam had willen zetten, had hij daar volgens de vrouw tijdig maatregelen voor moeten nemen. De vrouw heeft in de tussenliggende periode een aantal jaren premies voor de aan de woning verbonden lijfrente betaald. De rechtbank heeft bovendien in het vonnis van 5 april 2023 bepaald dat de man aan de vrouw de helft van de overwaarde dient te vergoeden, rekening houdende met de aan de woning verbonden hypothecaire geldlening. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat de netto verkoopopbrengst tussen partijen bij helfte gedeeld moet worden. Uit deze beslissingen volgt volgens de vrouw dat zij recht heeft op de helft van de overwaarde van de woning én de daaraan verbonden meegroeiverzekering. De vrouw wijst er verder op dat de woning op grond van de uitspraak van de rechtbank van 20 april 2011 toen al verkocht had moeten worden. Dat is niet gebeurd omdat de man zich consequent aan deze verkoop heeft onttrokken. De woning is uiteindelijk pas in 2023 verkocht. De vrouw heeft al die tijd hoge huurlasten gehad, terwijl de woonlasten van de man altijd laag zijn geweest. Tevens heeft de vrouw in deze periode de premies voor de aan de woning verbonden lijfrente betaald. Ook gelet op deze feiten en omstandigheden is het volgens de vrouw onhoudbaar dat de man zich nu op het standpunt stelt dat de vrouw geen aanspraak zou hebben op de waardevermeerdering van de meegroeiverzekering,
5.2
De man heeft betoogd dat de rechtbank bij beschikking van 20 april 2011 de meegroeiverzekering aan hem heeft toebedeeld en dat hij de helft van de toenmalige waarde aan de vrouw moet voldoen. Dit impliceert dat de verdere opbouw van de verzekering ten gunste van hem moet komen, aldus de man. De man heeft verder gesteld dat de woning niet eerder is verkocht, omdat er een aanzienlijke onderwaarde op de woning rustte. Door de woning te behouden, heeft de man ervoor gezorgd dat partijen niet met een enorme restschuld zijn opgezadeld. De vrouw heeft volgens de man ook nooit aangedrongen op verkoop van de woning. Daarbij heeft de man ook na 2011 altijd de volledige rente van de hypothecaire geldlening en de volledige premie voor de meegroeiverzekering betaald. Ook alle andere lasten van de woning zijn altijd door hem betaald.
5.3
Het hof stelt, evenals de kantonrechter, vast dat bij beschikking van 20 april 2011 de meegroeiverzekering met polisnummer 4.389.591.1 aan de man is toegedeeld tegen een waarde van € 5.919,77. Daarbij is bepaald dat de man uit hoofde van die verdeling een bedrag van € 2.958,89 aan de vrouw is verschuldigd. Deze beschikking heeft gezag van gewijsde en dus bindende kracht tussen partijen in deze procedure. Dat betekent dat er in beginsel van uit moet worden gegaan dat de polis per 20 april 2011 aan de man is toegedeeld en dat hij vanaf dat moment in de verhouding jegens de vrouw als enig rechthebbende op de rechten uit deze meegroeiverzekering kwalificeert. Dat betekent ook dat de man vanaf dat moment met uitsluiting van de vrouw recht heeft op de waarde van deze polis. Dat geldt te meer nu partijen in 2014 de toedeling van de meegroeiverzekering aan de man nog eens hebben ‘bekrachtigd’. In de overeenkomst die partijen in 2014 met elkaar hebben gesloten, zijn partijen immers met elkaar overeengekomen dat de man het totale bedrag van € 47.531,89 uit hoofde van overbedeling, waarin is begrepen het bedrag van € 2.959,89 in het kader van toedeling van de meegroeiverzekering, vanaf 1 juli 2014 zal aflossen door middel van een jaarlijkse betaling van € 2.000,- aan de vrouw. Partijen hebben vervolgens ook uitvoering gegeven aan deze betalingsregeling. Daarnaast staat tussen partijen vast dat de man sinds 2011 altijd de premie voor de meegroeiverzekering volledig heeft gedragen.
5.4
Uit het voorgaande volgt dat de man in de verhouding jegens de vrouw vanaf 20 april 2011 volledig gerechtigd was tot (de rechten uit) de meegroeiverzekering. Daaraan doet niet af dat in dezelfde uitspraak van de rechtbank is bepaald dat de woning verkocht moest worden maar dat aan die beslissing tot 2023 geen uitvoering is gegeven. Ten eerste volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 20 april 2011 dat de verdeling van de meegroeiverzekering is losgekoppeld van de (wijze van) verdeling van de woning. Dat geen uitvoering is gegeven aan de wijze van verdeling van de woning, wil dus niet zeggen dat daarmee ook de toedeling van de meegroeiverzekering aan de man ter discussie kan worden gesteld. Daar komt bij dat de man onbetwist heeft gesteld dat de woning in 2011 een forse onderwaarde had. Het hof is daarom met de man van oordeel dat het mede in het belang van de vrouw is geweest dat de woning destijds niet is verkocht. Daaraan heeft de vrouw dus niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat ook de verdeling van de meegroeiverzekering opnieuw ter discussie kon worden gesteld. Onder deze omstandigheden is het evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw aan deze toedeling wordt gehouden.
5.5
De vrouw betoogt tot slot nog dat de man bij de notaris heeft ingestemd met de nota van afrekening en dus de wijze van afwikkeling die daarin besloten lag. Op grond van die nota van afrekening werd de helft van de waarde van de meegroeiverzekering per 2023 aan de vrouw toegekend. Door daarmee in te stemmen, heeft de man volgens de vrouw definitief afstand gedaan van enig beroep op onverschuldigde betaling.
De man betwist de door de vrouw geschetste gang van zaken en stelt dat hij direct bij de notaris heeft aangegeven dat het bedrag van € 12.701,62 niet aan de vrouw diende te worden uitgekeerd. De man kreeg de keuze dat het bedrag werd uitbetaald aan de vrouw, of anders zou het gehele bedrag in depot bij de notaris blijven. Aangezien de man het geld nodig had in verband met de aankoop van de woning waar hij en zijn huidige gezin moesten gaan wonen, was dat laatste geen optie, aldus de man.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw tegenover deze gemotiveerde betwisting onvoldoende gesteld. Aan het enkele feit dat op de nota van afrekening en bij de afwikkeling door de notaris de helft van de waarde van meegroeiverzekering aan de vrouw is toegerekend, mocht de vrouw, mede gegeven de gemotiveerde betwisting door de man, niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de man er mee instemde dat de vrouw alsnog recht had op de helft van de waarde van de meegroeiverzekering per 2023.
5.6
Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de man in de verhouding jegens de vrouw volledig gerechtigd was tot de waarde van de meegroeiverzekering per datum uitkering/afkoop in 2023. Bij de levering van de woning in 2023 is dan ook zonder rechtsgrond de helft van het uit deze verzekering uitgekeerde bedrag door de vrouw ontvangen. Dat betekent dat zij dit bedrag aan de man dient te vergoeden. Het hof zal daarom het bestreden vonnis op dit punt bekrachtigen. Daarbij is nog wel van belang dat de kantonrechter in het vonnis de vrouw heeft veroordeeld om in hoofdsom een bedrag van € 12.7
10,62 te betalen. Het hof gaat ervan uit dat dit een typefout is en dat dit een bedrag van € 12.7
1,62 moet zijn. Omdat de vrouw inmiddels ook het bedrag van € 12.701,62 vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente aan de man heeft voldaan en noch de vrouw noch de man in hoger beroep heeft gesteld dat het reeds betaalde een te hoog c.q te laag bedrag is geweest, gaat het hof ervan uit dat beide partijen het vonnis van de kantonrechter aldus hebben begrepen dat de vrouw aan de man een bedrag van in hoofdsom € 12.701,62 verschuldigd is. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter dan ook in die zin bekrachtigen.
Wettelijke rente (grief 2)
5.7
De vrouw stelt dat er geen sprake is van een (opeisbare) terugbetalingsverplichting, waardoor er ook geen sprake kan zijn van verzuim en er geen wettelijke rente is verschuldigd. Bovendien kan de brief van de man van 22 april 2024 volgens de vrouw niet als rechtsgeldige ingebrekestelling worden aangemerkt. Bij een betwiste vordering kan verzuim niet intreden zolang de verplichting niet vaststaat, zo voert de vrouw aan. Daar komt volgens haar bij dat niet is aangetoond dat zij de ingebrekestelling daadwerkelijk heeft ontvangen. De vrouw heeft in dat kader ter zitting betwist dat de handtekening op het door de man als productie 2 overgelegde Track&Trace formulier van haar is. De vrouw heeft verder aangevoerd dat zelfs indien het hof van oordeel zou zijn dat enige terugbetalingsverplichting bestaat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat geen wettelijke rente kan worden toegewezen. De vrouw is jarenlang financieel benadeeld geweest, terwijl de man achttien jaar lang het exclusieve gebruiksvoordeel van de woning heeft gehad. Onder die omstandigheden zou toewijzing van de wettelijke rente leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking van de man, hetgeen volgens de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit geldt temeer daar de vrouw in de overeenkomst die zij in 2014 met de man heeft gesloten heeft afgezien van rente omdat de man stelde dat het vragen van rente in strijd zou zijn met het geloof van partijen. Het is ook om die reden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man nu wel de wettelijke rente van de vrouw vordert.
5.8
De man heeft aangevoerd dat de vrouw wel degelijk een opeisbare terugbetalingsverplichting had omdat de helft van de waarde van de meegroeiverzekering ten onrechte aan haar is uitbetaald. Als de vrouw direct aan die terugbetalingsverplichting had voldaan, was zij geen wettelijke rente verschuldigd geweest. De man heeft verder aangevoerd dat de vrouw de ingebrekestelling van 22 april 2024 wel degelijk heeft ontvangen. Hij heeft productie 2 een Track&Trace ontvangstbewijs van Post NL overgelegd, waaruit volgens hem volgt dat de vrouw voor de ontvangst van de ingebrekestelling heeft getekend. De man bestrijdt verder dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de vrouw de wettelijke rente aan hem is verschuldigd.
5.9
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van onverschuldigde betaling aan de vrouw omdat zij de helft van de waarde van de meegroeiverzekering per 2023 uitgekeerd heeft gekregen. Dat betekent dat de man een vordering op de vrouw tot vergoeding c.q. terugbetaling heeft verkregen, welke is ontstaan op het moment dat de helft van de waarde van de meegroeiverzekering aan de vrouw werd uitbetaald.
Zoals de kantonrechter reeds heeft vastgesteld, is de vrouw vervolgens tekortgeschoten in de verplichting tot voldoening aan deze terugbetalingsverplichting en is zij in verzuim geraakt. De vrouw is immers bij brief van 22 april 2024 door de man in gebreke gesteld. Daarbij heeft zij een termijn van tien dagen gekregen om het verschuldigde bedrag alsnog aan hem te betalen. Uit het door de man als productie 2 overgelegde Track&Trace formulier volgt dat de ingebrekestelling op het adres van de vrouw is bezorgd. Daarmee staat naar het oordeel van het hof vast dat de ingebrekestelling door de vrouw is ontvangen, ook als de handtekening op het Track&Trace formulier niet van haar is. Betaling is echter binnen de daartoe gestelde termijn uitgebleven. Dat betekent dat de wettelijke rente 10 dagen na 22 april 2024, dus op 3 mei 2024, is gaan lopen. Daaraan doet niet af dat de vordering van de man op dat moment nog niet in rechte was vastgesteld.
De vrouw heeft verder nog gesteld dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat zij geen wettelijke rente aan de man is verschuldigd. Het hof begrijpt dit beroep van de vrouw op de redelijkheid en billijkheid aldus, dat zij een beroep doet op de matigingsbevoegdheid van artikel 6:109 BW Pro. Deze bepaling dient immers te worden gezien als een bijzondere toepassing van de regeling van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de artikelen 6:2 en 6:248 BW. Bij deze matigingsbevoegdheid heeft echter als uitgangspunt te gelden dat de aard van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente - een door de wet gefixeerde schadevergoeding - met zich meebrengt dat de rechter terughoudend van die bevoegdheid gebruik dient te maken. De omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd, zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om in dit geval tot matiging van de wettelijke rente over te gaan. Dit alles betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter ook ten aanzien van de wettelijke rente zal bekrachtigen.
Vaststellingsovereenkomst (grief 3)
5.1
De derde grief van de vrouw richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de (rechtsgevolgen van de) in 2014 tussen partijen gesloten overeenkomst in stand te laten. In die overeenkomst hebben partijen vastgelegd dat de man aan de vrouw een bedrag van € 47.531,89 is verschuldigd en dat dit bedrag in jaarlijkse termijn van € 2.000,- aan haar dient te worden afgelost (zie r.o. 3.5 hiervoor). De vrouw heeft daarbij afgezien van rente over de hoofdsom. Primair vordert de vrouw de overeenkomst te ontbinden dan wel te wijzigen vanwege onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW Pro. Daartoe voert de vrouw aan dat voormalig echtelijke woning uiteindelijk pas in 2023 is verkocht en een aanzienlijke overwaarde heeft opgeleverd. Bovendien heeft de man geprofiteerd van de waardeontwikkeling van de meegroeiverzekering. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de man zich in deze omstandigheden nog steeds op de voor hem gunstige betalingsafspraken uit 2014 kan beroepen.
5.11
De man betwist dat sprake zou zijn van onvoorziene omstandigheden. Hij is het eens met de beslissing van de rechtbank dat er onvoldoende reden is om de overeenkomst uit 2014 te ontbinden dan wel te wijzigen.
5.12
Het hof stelt bij de beoordeling van de primaire vordering van de vrouw voorop dat de rechter op grond van artikel 6:258 lid 1 BW Pro de gevolgen van een overeenkomst kan wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk kan ontbinden wanneer sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Aan dit vereiste wordt niet spoedig voldaan, omdat de redelijkheid en billijkheid in de eerste plaats goede trouw aan het gegeven woord verlangen en afwijkingen daarvan slechts bij hoge uitzondering toelaten (HR 20 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2587). Een rechter moet dan ook terughoudendheid betrachten ten aanzien van de aanvaarding van een beroep op onvoorziene omstandigheden. De lat voor een geslaagd beroep op artikel 6:258 BW Pro ligt derhalve hoog, als uitgangspunt geldt dat partijen hun gemaakte afspraken moeten nakomen.
5.13
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de omstandigheden die de vrouw heeft aangevoerd onvoldoende zijn om haar beroep op onvoorziene omstandigheden te rechtvaardigen. Evenals de kantonrechter is het hof van oordeel dat voorzienbaar was dat de man er in de looptijd van de betalingsregeling op enig moment financieel gunstiger voor zou komen te staan dan ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst in 2014. Dit geldt te meer nu de woning in 2014 nog niet was verkocht en partijen ook geen aanstalten maakten met de verkoop daarvan. Aldus was voorzienbaar dat wanneer de woning op enig moment wel zou worden verkocht, de woning een overwaarde zou kunnen hebben en de man de beschikking zou kunnen krijgen over vermogen waarmee hij (een deel van) de schuld aan de vrouw zou kunnen afbetalen. Dat de vrouw destijds geen (andere) afspraken heeft gemaakt voor die situatie komt voor haar rekening en risico. Dit geldt te meer nu beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst bijstand van een advocaat hebben gehad. Het hof ziet dan ook, evenals de rechtbank, geen aanleiding de overeenkomst te ontbinden vanwege onvoorziene omstandigheden of de gevolgen daarvan (gedeeltelijk) te wijzigen.
5.14
Indien en voor zover het hof van oordeel is dat er onvoldoende reden is om de overeenkomst te ontbinden dan wel de gevolgen daarvan geheel of gedeeltelijk te wijzigen, vordert de vrouw subsidiair om de overeenkomst te vernietigen. Zij voert daartoe aan dat de overeenkomst tot stand is gekomen onder invloed van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW Pro) dan wel dwaling (6:228 BW).
5.15
Ten aanzien van het misbruik van omstandigheden stelt de vrouw dat de man wist dat de zij zich in een zwakke financiële positie bevond, ernstig ziek was, alleen voor de kinderen zorgde en zich ook emotioneel in een uiterst zwakke positie bevond. De man heeft daar misbruik van gemaakt door voorwaarden af te dwingen die uitsluitend in zijn voordeel waren.
De man betwist dat sprake was van misbruik van omstandigheden.
5.16
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw verklaard dat zij destijds ‘uit goedheid’ de overeenkomst heeft gesloten. De man had op dat moment geen geld om de vordering van de vrouw aan haar te voldoen. Om de man tegemoet te komen heeft zij ingestemd met een betalingsregeling. Op die manier had zij zelf ook de zekerheid dat de man in ieder geval de jaarlijkse termijnen aan haar zou voldoen. Deze verklaring van de vrouw komt overeen met hetgeen zij in eerste aanleg over de reden van totstandkoming van de overeenkomst uit 2014 heeft verklaard. Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van haar eigen verklaring en stellingen, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden door de man. Dit geldt te meer nu tussen partijen als onbetwist vaststaat dat zij bij het sluiten van de overeenkomst ieder bijstand van een advocaat hebben gehad.
5.17
Ter onderbouwing van haar beroep op dwaling heeft de vrouw gesteld dat zij bij het sluiten van de overeenkomst in de veronderstelling verkeerde dat de woning binnen afzienbare tijd zou worden verkocht, waardoor zij eerder over haar rechtmatige deel zou kunnen beschikken. Als zij had geweten dat de verkoop nog eens tien jaar zou worden uitgesteld, zou zij de overeenkomst in deze vorm nooit zijn aangegaan, aldus de vrouw.
De man heeft betwist dat sprake is van dwaling.
5.18
Het hof overweegt als volgt. Ter zitting in hoger beroep is met partijen besproken of de overeenkomst uit 2014 moet worden beschouwd als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro e.v. Als de overeenkomst die partijen hebben gesloten als een vaststellingsovereenkomst kwalificeert, is een beroep op dwaling omtrent hetgeen waarover werd getwist of waarover onzekerheid bestond in beginsel uitgesloten. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overeenkomst uit 2014 niet als een vaststellingsovereenkomst kwalificeert. Volgens haar is slechts sprake van een betalingsregeling. Volgens de man kwalificeert de overeenkomst uit 2014 wel als vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro. De overeenkomst diende ter voorkoming van verdere geschillen, waaronder beslaglegging door de vrouw.
Het hof is met de vrouw van oordeel dat de overeenkomst uit 2014 niet als een vaststellingsovereenkomst kwalificeert. Het doel van een vaststellingsovereenkomst is het beëindigen of voorkomen langs contractuele weg van een onzekerheid of een geschil over een rechtsverhouding tussen partijen. Het moet het doel van de overeenkomst zijn om het verschil van inzicht te beëindigen, of te voorkomen dat het tot wasdom komt. Alleen dan is sprake van een overeenkomst in de zin van art. 7:900 lid 1 BW Pro. Naar het oordeel van het hof strekt(e) de overeenkomst uit 2014 niet ter beëindiging of voorkoming van een geschil of onzekerheid over een rechtsverhouding tussen partijen. In eerdere uitspraken van de rechtbank en het hof was reeds beslist welk bedrag de man aan de vrouw diende te betalen uit hoofde van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De rechtsverhouding tussen partijen was dus al vastgesteld. De overeenkomst uit 2014 had slechts tot doel een regeling vast te leggen voor de betaling van het bedrag dat de man uit dien hoofde aan de vrouw verschuldigd was. Daarmee diende de overeenkomst dus niet ter beëindiging of voorkoming van een bestaand of sluimerend verschil van inzicht over een rechtsverhouding tussen partijen.
5.19
Op grond van het voorgaande heeft als uitgangspunt te gelden dat de overeenkomst uit 2014 niet als vaststellingsovereenkomst kwalificeert. Dat betekent dat de vrouw in beginsel een beroep op dwaling in de zin van artikel 6:228 BW Pro toekomt. Het hof is evenwel van oordeel dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om aan te kunnen nemen dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Zo heeft de vrouw niet gesteld welke inlichtingen de man zou hebben gegeven, die bij de vrouw een onjuiste voorstelling van zaken zou hebben gegeven. Evenmin heeft zij gesteld dat de man iets zou hebben verzwegen, of dat beide partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben gedwaald. De vrouw heeft bovendien niet gesteld waarom de veronderstelling dat de woning binnen afzienbare tijd zou worden verkocht haar tot het sluiten van de overeenkomst heeft bewogen en waarom zij de overeenkomst niet, of in andere vorm, zou zijn aangegaan als zij zou hebben geweten dat de woning niet snel zou worden verkocht. Het hof zal het beroep op dwaling door de vrouw dan ook verwerpen.
5.2
De vrouw heeft tot slot nog aangevoerd dat de gebondenheid aan de overeenkomst ook op grond van artikel 7:904 BW Pro jo 6:248 lid 2 BW onaanvaardbaar is. Hiervoor heeft het hof reeds geoordeeld dat de overeenkomst uit 2014 niet als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro kwalificeert. Dat betekent dat reeds om die reden aan de vrouw geen beroep op artikel 7:904 BW Pro toekomt. Het hof acht het evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw gebonden blijft aan de rechtsgevolgen van de overeenkomst uit 2014. Dat de man door verkoop van de woning inmiddels over vermogen beschikt, hetgeen door de man overigens gemotiveerd is betwist, maakt niet dat het onaanvaardbaar is dat de vrouw aan de betalingsafspraken met de man wordt gehouden. Toen partijen in 2014 de overeenkomst sloten, was immers voorzienbaar dat de woning op enig moment zou worden verkocht en dat de man dan mogelijk over vermogen zou gaan beschikken. Bovendien zijn partijen ten tijde van het opmaken van de overeenkomst allebei bijgestaan door een eigen advocaat. Het hof verwijst naar hetgeen daarover in rechtsoverweging 5.13 reeds is geoordeeld. Dat de man jarenlang het gebruik van de woning heeft gehad en de vrouw niet, maakt evenmin dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw is gehouden aan de rechtsgevolgen van de overeenkomst uit 2014. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof in het geheel niet duidelijk gemaakt waarom deze omstandigheid het onaanvaardbaar maakt dat zij aan de rechtsgevolgen van de overeenkomst uit 2014 wordt gehouden. Bovendien heeft de man al die jaren met uitsluiting van de vrouw de lasten van de woning voldaan en staat tussen partijen vast dat als de woning eerder zou zijn verkocht, zij beiden met een grote restschuld zouden zijn achtergebleven.
De conclusie van al het voorgaande is dat ook de derde grief van de vrouw faalt.
Redelijkheid en billijkheid (grief 4)
5.21
In de vierde grief stelt de vrouw dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij aan de rechtsgevolgen van de overeenkomst uit 2014 wordt gehouden. Daarnaast stelt zij dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij geen recht zou hebben op de helft van de waarde van de meegroeiverzekering. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de man gedurende achttien jaar na de echtscheiding onafgebroken in de woning heeft kunnen wonen tegen lage maandlasten en doelbewust heeft nagelaten uitvoering te geven aan de beschikking van 2011, waarin reeds is bepaald dat de woning moet worden verkocht. Het zou in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn als de man niet alleen jarenlang het gebruiksvoordeel heeft genoten van de woning, maar bovendien ook nog eens de volledige waardestijging van de aan de woning gekoppelde meegroeiverzekering zou mogen behouden. Zij stelt daarom dat de waardestijging van de meegroeiverzekering aan beide partijen toekomt en gelijkelijk dient te worden verdeeld.
5.22.
Wat betreft het beroep van de vrouw op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van de overeenkomst uit 2014, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 5.20 reeds is geoordeeld. Daaruit volgt dat het naar het oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat de vrouw aan de rechtsgevolgen van de overeenkomst uit 2014 is gehouden.
5.23.
Wat betreft de meegroeiverzekering, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 5.3 en 5.4 reeds is overwogen. Daaraan voegt het hof nog toe dat de man weliswaar tot het moment van verkoop van de woning in 2023 het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad, maar dat hij ook bij uitsluiting van de vrouw alle lasten van de woning en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening heeft voldaan. Bovendien staat tussen partijen vast dat de woning gedurende lange tijd een forse onderwaarde had, zodat beide partijen met een forse restschuld zouden zijn opgezadeld als de woning veel eerder zou zijn verkocht. Dat de rechtbank in 2023 heeft geoordeeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als de woning direct zou moeten worden verkocht, maakt evenmin dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (ook) onaanvaardbaar zou zijn dat vrouw wel is gehouden aan de verdelingsbeslissing ten aanzien van de meegroeiverzekering. Partijen hebben immers jarenlang geen uitvoering gegeven aan de verdelingsbeslissing ten aanzien van de woning (verkoop aan een derde), terwijl zij de uitspraak ten aanzien van de verdeling van de meegroeiverzekering in hun overeenkomst van 2014 juist hebben bekrachtigd en via de overeengekomen betalingsregeling ook uitvoering hebben gegeven aan dit onderdeel van de verdelingsuitspraak. Dit alles betekent dat ook de vierde grief van de vrouw niet slaagt.
Gebruiksvergoeding (grief 5)
5.24
In haar vijfde grief voert de vrouw aan dat de rechtbank ten onrechte haar vordering tot betaling door de man van een gebruiksvergoeding heeft afgewezen. De vrouw vordert alsnog te bepalen dat de man gehouden is om aan haar een gebruiksvergoeding voor het alleengebruik van de echtelijke woning te voldoen over de periode van 2007 tot de verkoop van de woning in 2023, gelijk aan 4% van de verkoopwaarde van de woning. Volgens de vrouw heeft de rechtbank miskend dat de aanspraak op een gebruiksvergoeding niet afhankelijk is van het tijdstip van vorderen, maar rechtstreeks voortvloeit uit artikel 3:169 BW Pro, De man heeft verder 15 jaar lang de voordelen van de woning genoten, waaronder waardevermeerdering en lage woonlasten, terwijl de vrouw genoodzaakt was een huurwoning te betrekken met aanzienlijk hogere lasten en minder woongenot. Daaraan doet volgens de vrouw niet af dat de woning gedurende een bepaalde periode een onderwaarde had en partijen de woning om die reden niet verkochten.
5.25
De man is van mening dat de rechtbank de vordering van de vrouw ten aanzien van de gebruiksvergoeding terecht heeft afgewezen. Hij stelt dat de vrouw niets heeft bijgedragen aan de kosten van de woning, terwijl zij bij de verkoop in 2023 wel heeft gedeeld in de opbrengst daarvan. Als de vrouw recht zou hebben op een gebruiksvergoeding, heeft de man recht op (vergoeding van) de helft van alle kosten die hij heeft gemaakt om de woning in stand te houden gedurende al die jaren. De man stelt voor deze bedragen tegen elkaar weg te strepen. De woning heeft bovendien vijf tot zeven jaar onder water gestaan. In plaats van een schuld heeft de vrouw nu een aardig bedrag ontvangen voor haar - niet betaalde - aandeel in de woning.
5.26
Het hof oordeelt als volgt. Vast staat dat partijen hoofdelijk aansprakelijk waren voor de hypothecaire geldlening die op de woning rustte. Naar het oordeel van het hof dienden partijen de uit deze lening voortvloeiende lasten in beginsel ieder bij helfte diende te dragen omdat zij ieder voor de onverdeelde helft eigenaar waren van de woning (vgl. artikel 6:10 lid 1 BW Pro) Datzelfde geldt voor de eigenaarslasten van de woning. Ook deze dienden partijen als gezamenlijk eigenaar van de woning in beginsel ieder bij helfte te dragen. Tussen partijen staat evenwel niet ter discussie dat de man voornoemde lasten tot het moment van verkoop van de woning bij uitsluiting van de vrouw heeft gedragen. Dat betekent dat hij in beginsel jegens de vrouw aanspraak zou kunnen maken op vergoeding van de helft van de door hem betaalde lasten. Daar staat tegenover dat de man vanaf 2011 het uitsluitend gebruik van de woning heeft gehad. Als mede-eigenaar van de woning had de vrouw in beginsel recht op het (mede-)gebruik van de woning. Nu zij daarvan verstoken is gebleven, heeft zij op grond van artikel 3:169 BW Pro in beginsel recht op een vergoeding ter zake dat gederfde genot. De verschuldigdheid van die vergoeding en de omvang daarvan dient naar redelijkheid bepaald te worden. Uit het voorstel van de man om de door hem betaalde lasten weg te strepen tegen een door hem verschuldigde vergoeding voor het gebruik van de woning, begrijpt het hof dat de man geen aanspraak maakt op vergoeding van de door hem voor de vrouw betaalde lasten als hij geen gebruiksvergoeding aan de vrouw verschuldigd is. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat de man aan de vrouw geen gebruiksvergoeding is verschuldigd. Weliswaar heeft hij het exclusieve gebruik van de woning gehad, maar daartegenover staat dat hij ook alle lasten van de woning bij uitsluiting van de vrouw voor zijn rekening heeft genomen en hij uit dien hoofde geen vergoeding van de vrouw verlangt. Uit dit alles volgt dat het hof ook de beslissing van de kantonrechter ten aanzien van de gebruiksvergoeding zal bekrachtigen.
Verrekening (grief 6)
5.27
De vrouw stelt zich in grief 6 op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten rekening te houden met de opeisbare tegenvordering van de vrouw op de man en daardoor heeft verzuimd verrekening toe te passen ex artikel 6:127 BW Pro. Op grond van de overeenkomst uit 2014 heeft de vrouw van de man nog een bedrag van € 27.531,89 tegoed. Als het hof van oordeel zou zijn dat de man een vordering heeft op de vrouw uit hoofde van de meegroeiverzekering, dient deze vordering te worden verrekend met de vordering die de vrouw nog op de man heeft. In dat geval dient de man aan de vrouw nog een aanzienlijk bedrag te voldoen.
5.28
De man voert aan dat de kantonrechter terecht de verrekening niet heeft laten plaatsvinden. De overeenkomst uit 2014 is op juiste wijze tot stand gekomen en wordt nog immer op de juiste wijze uitgevoerd. Bovendien heeft de man niet de financiële middelen om te kunnen verrekenen. Hij heeft een andere koopwoning moeten zoeken en heeft het bedrag dat de vrouw aan hem moet terugbetalen hard nodig om de woning te kunnen bekostigen.
5.29
Het hof overweegt als volgt. Voor een beroep op verrekening is conform artikel 6:127 lid 2 BW Pro vereist dat de vrouw een vordering heeft op de man waarvan zij betaling kan afdwingen. Dat betekent dat de vordering die de vrouw op de man heeft opeisbaar moet zijn. Hiervoor heeft het hof reeds geoordeeld dat de vrouw aan de in 2014 overeengekomen betalingsregeling is gehouden. Op grond van die betalingsregeling is de vordering die de vrouw op de man heeft niet in hoofdsom opeisbaar. Dat betekent dat de vrouw haar vordering niet kan verrekenen met de vordering die de man op haar heeft. Ook grief 6 van de vrouw faalt derhalve.
De proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep (grief 7)
5.3
De vrouw is van mening dat de kantonrechter de proceskosten tussen partijen had dienen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Zij voert daartoe aan dat partijen gewezen echtelieden zijn en het gaat om een vermogensrechtelijke afwikkeling van het voormalige huwelijk. Subsidiair is de vrouw van mening dat de kantonrechter had kunnen volstaan met één proceskostenbeslissing gelet op de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie. Zij vordert te bepalen dat de man het bedrag ter hoogte van de proceskostenveroordeling binnen drie dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw dient te restitueren. Het hof begrijpt dit deel van de vordering van de vrouw aldus, dat deze vordering tot terugbetaling zowel betrekking heeft op haar primaire als haar subsidiaire vordering ten aanzien van de proceskosten.
De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep haar eerdere vordering tot veroordeling van de man in de kosten van beide instanties gewijzigd, in die zin dat zij op dit moment vordert te bepalen dat beide partijen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep hun eigen proceskosten betalen.
5.31
De man is van mening dat de vrouw terecht is veroordeeld in de proceskosten. Zij heeft op geen enkele wijze tegemoet willen komen aan een meer dan redelijk verzoek van de man. Zij had vrijwillig het bedrag kunnen terugbetalen. Daarnaast procedeert zij op toevoeging, terwijl de man en zijn vrouw het hogere bedrag aan griffierecht moeten betalen, aldus de man.
5.32
Anders dan de kantonrechter ziet het hof aanleiding om, gezien de familierechtelijke aard van de procedure, de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep te compenseren. Het bestreden vonnis wordt daarom in zoverre vernietigd en de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Daarbij zal het hof bepalen dat de man het bedrag ter hoogte van de proceskostenveroordeling binnen drie dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw dient te restitueren.
5.33
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis voor zover het ziet op de daarin uitgesproken proceskostenveroordeling en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
compenseert de proceskosten in eerste aanleg aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bepaalt dat de man het bedrag ter hoogte van de proceskostenveroordeling binnen drie dagen na betekening van dit arrest aan de vrouw dient te restitueren;
verklaart deze uitspraak tot zover uitvoer bij voorraad;
wijst het hoger beroep van de vrouw voor het overige af;
compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. M. Overmars, T.M. Subelack en P.F.E. Geerlings en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.