Uitspraak
Onderzoek ter terechtzitting
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
BESLISSING
niet-ontvankelijkin het hoger beroep.
Gerechtshof Amsterdam
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter te Amsterdam van 13 mei 2025. Tijdens de zitting van 10 juni 2026 gaf de raadsvrouw van verdachte aan dat verdachte zijn eerdere bezwaren tegen het vonnis niet langer wenst te handhaven. Hierdoor verzocht zij het hof om niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in het hoger beroep.
Het hof nam kennis van de vordering van de advocaat-generaal tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Gezien het ontbreken van enig rechtens te respecteren belang bij verder onderzoek van de zaak, besloot het hof de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren.
De zaak was eerder aan de orde geweest op de rolzitting van 16 december 2025 en de enkelvoudige kamer zitting van 10 april 2026. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 10 juni 2026. Mr. Greven was niet in staat het arrest mede te ondertekenen.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens ontbreken van belang.