ECLI:NL:GHAMS:2026:1875

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23-003184-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 26 WWMArt. 27 SrArt. 55 WWMArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis met vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn

De verdachte stelde hoger beroep in tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam, waarin hij werd veroordeeld voor het gebruik van pepperspray en het beledigen van een beveiliger door te spugen. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk voor het feit waarvoor de verdachte was vrijgesproken in eerste aanleg, omdat hoger beroep tegen vrijspraak niet mogelijk is.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, maar vernietigde de opgelegde straf en legde een nieuwe straf op. De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, stellende dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval, maar het hof oordeelde dat de verdachte zelf de aanval was begonnen en dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Verder oordeelde het hof dat het bewijs voor het spugen voldoende betrouwbaar was, ondanks dat getuigen zich later niet meer konden herinneren of het spugen had plaatsgevonden. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 27 dagen, verminderd met de tijd die hij in voorarrest had doorgebracht, vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven maanden sinds het instellen van het hoger beroep.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 27 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, het beroep op noodweer is verworpen en het hoger beroep tegen de vrijspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003184-23
datum uitspraak: 9 juli 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 november 2023 in de strafzaak onder parketnummer 13-206782-23 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1984,
adres: zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank vrijgesproken van wat hem onder feit 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep van de verdachte is niet bij akte beperkt en is daarom formeel ook gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Gelet op artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering is hoger beroep tegen een vrijspraak niet mogelijk. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen dit feit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof nader zal in gaan op de door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 2
De raadsman heeft een beroep op noodweer gedaan. De raadsman heeft hierbij verwezen naar de foto’s van het letsel van de verdachte en gesteld dat de verdachte niet anders kon dan het busje pepperspray te gebruiken om zichzelf te verdedigen. De raadsman heeft primair verzocht om de verdachte vrij te spreken en subsidiair hem te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het hof stelt vast dat om een beroep op noodweer te doen slagen sprake moet zijn van een gedraging die was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede kan zijn begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.
Het hof is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat de verdachte degene is geweest die de aanval heeft ingezet nadat de winkelmedewerkers gerechtigd waren in te grijpen en hem hadden aangesproken op winkeldiefstal. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding jegens de verdachte. Ook is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Er was dan ook geen sprake van een situatie waarin de verdachte zich met deze aanval moest of mocht verdedigen. Het beroep op noodweer wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van feit 3
De raadsman heeft aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij in zijn gezicht is gespuugd. [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat de beveiliger – [slachtoffer 1] – in zijn gezicht is gespuugd, maar niet duidelijk is of hij dit heeft gehoord of dat hij dit zelf heeft gezien. Alle betrokkenen zijn door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord en hebben allen verklaard zich niet te kunnen herinneren of er is gespuugd. Mocht het hof al uitgaan van de verklaring van [slachtoffer 1] , dan is dit het enige bewijsmiddel in het dossier. De raadsman heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de belediging.
Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de tegenover de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] als aangever en van [slachtoffer 2] als getuige van het spugen. De omstandigheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich jaren later, tijdens het verhoor bij de raadsheer-commissaris, niet meer kunnen herinneren of er is gespuugd, maakt niet dat de verklaringen die zij hebben afgelegd bij de politie onbetrouwbaar zijn.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot 1 maand gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan nare, overlastgevende feiten, door met pepperspray te spuiten in de richting van een beveiliger en een supermarktmedewerker die hem aanspraken over een verdenking van winkeldiefstal. De verdachte heeft tevens de beveiliger in zijn gezicht gespuugd. Dit is aan te merken als onacceptabel gedrag. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een busje met pepperspray.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 12 juni 2026 is hij eerder vanwege mishandeling onherroepelijk veroordeeld.
Het hof acht, alles afwegende, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen in beginsel passend.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 1 december 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 9 juli 2026 arrest. Gelet hierop is de redelijke termijn met ruim 7 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de gevangenisstraf te verminderen met 3 dagen.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Met een andere of lichtere straf dan een straf die deze – in voorarrest al ondergane – vrijheidsbeneming met zich brengt kan niet worden volstaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 63, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
27 (zevenentwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.A.A. Postma, mr. A.P.M. van Rijn en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.
=========================================================================
[…]