ECLI:NL:GHAMS:2026:1877

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
23-001165-23
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis politierechter en tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf ondanks redelijke termijnoverschrijding

In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam het hoger beroep behandeld van een verdachte die zich niet heeft laten zien bij de terechtzitting, waardoor verstek is verleend. De verdachte was veroordeeld door de politierechter tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken wegens openbare schennispleging.

Het hof constateert dat de redelijke termijn voor de behandeling van het hoger beroep met 1 jaar en 1 maand is overschreden, mede doordat de zaak op verzoek van het hof werd aangehouden om de verblijfplaats en het leven van de verdachte te achterhalen. Deze vertraging is echter toe te rekenen aan de verdachte zelf, zodat het hof geen aanleiding ziet om de straf te matigen.

Daarnaast heeft het openbaar ministerie de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. Hoewel de advocaat-generaal dit wilde afwijzen vanwege het ontbreken van recente justitiële contacten van de verdachte, oordeelt het hof dat de verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom wordt de tenuitvoerlegging gelast.

Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter en wijst de vordering van de advocaat-generaal af, waarmee de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken wordt ten uitvoer gelegd.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis van de politierechter en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken ondanks overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001165-23
datum uitspraak: 9 juli 2026
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 april 2023 in de strafzaak onder de parketnummers 13-060176-23 en 13-282971-22 ( TUL ) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met dien verstande dat het hof:
- een aanvulling opneemt over de overschrijding van de redelijke termijn;
- een motivering opneemt over de vordering tenuitvoerlegging;
- artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht toevoegt aan de toegepaste wetsartikelen.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 13 april 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 9 juli 2026 arrest. Gelet hierop is de redelijke termijn
met 1 jaar en 1 maand overschreden. De behandeling van de zaak van de verdachte was gepland op de terechtzitting van 19 november 2024 maar is toen aangehouden om na te gaan of de verdachte nog in leven is en om de verblijfplaats van de verdachte te achterhalen zodat hij ter terechtzitting aanwezig kon zijn. De lange duur van de procedure is veroorzaakt door een omstandigheid die voor rekening komt van de verdachte. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de overschrijding van de redelijke termijn te compenseren door de door politierechter opgelegde straf te verlagen.

Vordering tenuitvoerlegging

Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 11 november 2022 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van drie weken. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd de vordering af te wijzen, omdat de verdachte recent niet meer in Nederland en Duitsland in aanraking met justitie is geweest.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. De verdachte is op 11 november 2022 voor hetzelfde strafbaar feit veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 weken. Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die aan de tenuitvoerlegging van de straf in de weg staan. Daarom zal het vonnis ook in zoverre worden bevestigd en geldt dus dat de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf wordt gelast.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. B.A.A. Postma en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 juli 2026.
=========================================================================
[…]
.