ECLI:NL:GHAMS:2026:1886

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
200.337.382/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 BWArt. 6:89 BWArt. 6:162 BWArt. 6:248 BWArt. 1.7 lid 1 onderdeel k Arbeidstijdenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep loonvordering over verplichte aanwezigheid kwartier voor dienst bij uitzendkracht Schiphol

De zaak betreft een hoger beroep van AFS Uitzendbureau tegen een vonnis van de kantonrechter waarin loonvorderingen van een uitzendkracht, [geïntimeerde], werden toegewezen voor het verplichte kwartier voorafgaand aan zijn dienst op Schiphol. De uitzendkracht moest zich vijftien minuten voor aanvang melden in de BOS-coördinatieruimte, waar hij werkinstructies ontving en zich voorbereidde op zijn werkzaamheden.

AFS betwistte de loonvordering en stelde dat het kwartier geen arbeidstijd was, dat er geen verplichting tot melden bestond, en dat de klachtplicht was geschonden. Het hof oordeelde dat het memo van BOS een bindende werkinstructie was, waardoor de uitzendkracht verplicht was zich tijdig te melden. Het kwartier werd als arbeidstijd aangemerkt omdat de uitzendkracht beschikbaar en bereid moest zijn om instructies op te volgen en zich naar de werkplek te begeven.

De klachtplicht werd niet geschonden omdat de uitzendkracht pas in 2022 op de hoogte was van zijn recht op loon over dat kwartier. De loonvordering over 2017 werd deels toegewezen na een eigen berekening van het hof. De wettelijke verhoging werd toegewezen conform het wettelijke percentage van 50%. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, vernietigde het voor zover de loonvordering over 2017 was afgewezen en de wettelijke verhoging was gematigd, en veroordeelde AFS tot betaling van het achterstallige loon, wettelijke verhoging en rente.

Uitkomst: Het hof wijst de loonvordering van de uitzendkracht toe inclusief wettelijke verhoging en rente en veroordeelt AFS tot betaling van achterstallig loon en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.337.382/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 10523154 CV EXPL 23-3161
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
inzake
AFS UITZENDBUREAU B.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
appellante in principaal appel,
tevens geïntimeerde in incidenteel appel,
advocaat: mr. J.W. Ebbink te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats] ,
geïntimeerde in principaal appel,
tevens appellant in incidenteel appel,
advocaat: mr. M.H. Horst te Amsterdam.

1.Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna AFS en [geïntimeerde] genoemd.
AFS is bij dagvaarding van 30 januari 2024 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 13 december 2023, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en AFS als gedaagde.
Bij tussenarrest d.d. 19 maart 2024 heeft het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen bevolen, welke is gehouden op 1 juli 2024. AFS heeft daarbij pleitaantekeningen in het geding gebracht. Een minnelijke regeling is niet getroffen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met een productie;
- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel;
- memorie van antwoord in incidenteel appel.
In de zaak heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden op 8 april 2026, waarop partijen hun standpunten hebben toegelicht, AFS door mrs. J.W. Ebbink en S.A.J. van Riel, advocaten te Haarlem, en [geïntimeerde] door mr. S. Ruijs-van der Linden, advocaat te Amsterdam. Mrs. Ebbink en Van Riel aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
AFS heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot terugbetaling van hetgeen hem op basis van het bestreden vonnis is betaald, alsmede tot veroordeling van Eleiwassy in de kosten van het geding in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, behoudens ten aanzien van de daarin afgewezen vorderingen van [geïntimeerde] , het vonnis op die punten te vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog integraal toe te wijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van AFS in de kosten van het geding in hoger beroep.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2.Feiten

2.1
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.2
[geïntimeerde] heeft van 6 maart 2017 tot en met 19 mei 2020 en van 5 april 2021 tot en met 30 mei 2022 als uitzendkracht voor AFS gewerkt. In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de cao voor Uitzendkrachten (cao ABU) van toepassing verklaard. Het salaris bedroeg bij aanvang € 12,30 per uur en is nadien een aantal maal verhoogd.
2.3
[geïntimeerde] is in de functie van bagagemedewerker door AFS ter beschikking gesteld aan Schiphol Nederland B.V. (hierna: Schiphol BV), afdeling Bagage Operational Support (hierna: BOS). [geïntimeerde] werd door AFS ingeroosterd op door AFS van BOS ontvangen roosterblokken. Hij werkte achter de douane op Schiphol en moest zich vijftien minuten vóór de start van zijn ingeroosterde dienst fysiek melden in de - achter de douane gelegen - BOS-coördinatieruimte op Schiphol. Daar kreeg hij te horen in welke (bagage-)hal hij die dag zijn werkzaamheden diende te verrichten, ontving hij van Schiphol een scanner en een portofoon en vanuit die BOS-ruimte diende hij tijdig te vertrekken (te voet of met een door Schiphol ter beschikking gesteld karretje, dat soms opgehaald moest worden en soms ook gedeeld werd door meerdere collega’s) naar de hem aangewezen hal teneinde daar op het aanvangstijdstip van het roosterblok aanwezig te zijn om zijn daar werkzame collega aan het eind van diens dienst af te lossen.
2.4
De tijdspanne van vijftien minuten gelegen tussen het uiterste tijdstip waarop [geïntimeerde] verplicht was zich in de BOS-ruimte te melden en het aanvangstijdstip van het roosterblok waarop hij was ingedeeld, is door AFS niet aan [geïntimeerde] verloond.
2.5
Bij de afdeling BOS golden afspraken over de aanvangstijd en de eindtijd van de werkzaamheden, die zijn neergelegd in een ‘Memo Werktijden’, waarvan de inhoud, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
Aanvangstijd Aanvangstijd bij de BOS-Coördinatie is altijd minimaal 15 minuten (een kwartier) voor de aanvang van de geplande dienst: heb je een dienst van 6:00-13.30 uur, dien je dus jezelf uiterlijk om 5:45 uur fysiek bij de BOS-Coördinatie gemeld te hebben.
Eindtijd Bij het voorbeeld van een dienst van 0600-13.30 uur is de eindtijd ook daadwerkelijk 13.30 uur. Dus een ieder blijft op zijn positie totdat hij daar is afgelost of uitdrukkelijke toestemming heeft vanuit de BOS-Coördinatie.
Waarom deze memo? Gebleken is dat een aantal collega’s binnen de BOS van mening is dat zij zelf kunnen bepalen wanneer zij naar huis kunnen gaan, ofwel verwijzen naar het kwartier dat zij voorafgaand aan de geplande dienst eerder aanwezig moeten zijn. Deze aanname is ONJUIST !
Het kwartier eerder aanwezig is een huisregel, die is ingesteld omdat in het verleden medewerkers bij een genoemde dienst pas om 06.00 uur precies aan kwamen lopen en pas rond 06:15 uur of later op hun positie aanwezig waren.
Consequenties Wanneer een ieder zelf gaat bepalen wanneer zijn dienst erop zit, dan wordt het een chaos en op een gegeven moment bestaat dan de kans dat de collega’s zich al een uur voor einde dienst komen uittekenen., waardoor de operatie “in het geding kan komen”.
Afspraak Binnen de BOS-Coördinatie is afgesproken dat een ieder die toch van mening is dat hij zelf kan bepalen dat zijn dienst erop zit, direct een aantekening krijgt in de “onregelmatighedenlijst” en dat er tevens (afgerond op het kwartier) tijd zal worden ingehouden als “niet gewerkt”, hetgeen dus uiteindelijk zal leiden tot een mindere salarisbetaling en (bij een aantal onregelmatigheden) de beslissing dat je niet meer welkom zal zijn binnen de BOS.
2.6
[geïntimeerde] heeft zich bij e-mail aan AFS van 13 september 2022 op het standpunt
gesteld dat over het hiervoor onder 2.4 opgenomen kwartier door AFS loon moet worden betaald en daar aanspraak op gemaakt. AFS heeft dat standpunt en die aanspraak gemotiveerd betwist.

3.De eerste aanleg

3.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (onder meer) salaris over de betreffende kwartieren in de periode 13 september 2017 tot en met 30 mei 2022 gevorderd op basis van een uurloon van € 12.30 bruto, verhoogd met 8% vakantiebijslag en 50% wettelijke verhoging en wettelijke rente. Het salaris over de periode vóór 13 september 2017 heeft hij na een daartoe strekkend verjaringsverweer van AFS in de loop van de eerste aanleg laten vallen.
3.2
AFS heeft de loonvordering betwist en als verweren gevoerd dat [geïntimeerde] de klachtplicht van artikel 6:89 BW Pro heeft geschonden, dat het bewuste kwartier niet is aan te merken als arbeid noch als arbeidstijd, dat over het kwartier geen loon verschuldigd is en ten slotte dat toewijzing in strijd is met redelijkheid en billijkheid.
3.3
De kantonrechter heeft het beroep op de klachtplicht afgewezen, omdat zij aannemelijk achtte dat [geïntimeerde] (als juridisch ongeschoolde) geen benul had van een mogelijk recht op uitbetaling van het kwartier. Gelet op de ongelijke positie van werknemer en werkgever weegt zij het belang van AFS minder zwaar dan het belang van [geïntimeerde] om na het einde van de arbeidsovereenkomst alsnog een beroep te mogen doen op het gebrek in de loonbetaling.
3.4.
De kantonrechter beoordeelt het bewuste kwartier als arbeid en als arbeidstijd: [geïntimeerde] was tijdens dat kwartier in opdracht van BOS op de werkvloer aanwezig en beschikbaar voor arbeid, aangezien hij zich vóór aanvang van dat kwartier verplicht moest melden bij de BOS-coördinator, achter de douane op Schiphol en hij binnen dat kwartier van BOS een werkinstructie kreeg en verplichte activiteiten moest verrichten, hetgeen past binnen de definitie van arbeid in artikel 1.7 lid 1 onderdeel k van de Arbeidstijdenwet. De hoogte van het loon over het bedoelde kwartier heeft de kantonrechter vastgesteld conform het overeengekomen uurloon. Met uitzondering van de gevorderde uren over 2017 (die de kantonrechter onvoldoende inzichtelijk vond) heeft zij de gevorderde uren vanaf 1 januari 2018 toegewezen en de overige verweren van AFS verworpen. De kantonrechter heeft voorts de wettelijke verhoging over het toegewezen salaris gematigd tot nihil, de wettelijke rente en de gevorderde buitengerechtelijke kosten conform het standaardtarief toegewezen en AFS veroordeeld in de proceskosten.

4.Beoordeling

4.1
Tegen de beoordeling door de kantonrechter en de daarop gebaseerde beslissingen komt AFS met elf grieven op, strekkende tot afwijzing van alle vorderingen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] komt met twee grieven op tegen de afwijzing van de uren gevorderd over 2017, respectievelijk tegen de matiging van de wettelijke verhoging tot nihil. Het hof zal alle grieven achtereenvolgens beoordelen.
In principaal appel
4.2
De eerste grief van AFS is gebaseerd op de stelling dat er geen verplichting bestond voor [geïntimeerde] om zich vijftien minuten vóór de aanvang van de ingeroosterde dienst te melden in de BOS-ruimte, dit zou slechts een ‘huisregel’ van BOS zijn. De grief faalt, omdat deze miskent dat BOS in het onder 2.5 geciteerde memo in directieve zin de voor haar openstaande mogelijkheid invult om aan bij haar werkzame uitzendkrachten werkinstructies te geven, die deze gehouden zijn op te volgen (zoals bedoeld in artikel 6.2 van de ABU-cao). De tekst van het memo maakt duidelijk dat het hier om een bedoelde werkinstructie gaat op de niet-nakoming waarvan sancties kunnen volgen. Onder die omstandigheden was [geïntimeerde] verplicht opvolging te geven aan de inhoud van het memo en dus ook verplicht om minimaal vijftien minuten vóór de aanvangstijd van het ingeroosterde blok in de BOS-ruimte aanwezig te zijn.
4.3
Ook de tweede grief faalt op de hiervoor onder 4.2 vermelde gronden. Anders dan AFS meent is het in casu niet relevant dat het memo niet van haar afkomstig is. Wel relevant is dat [geïntimeerde] op grond van onder meer genoemd cao-artikel verplicht was de werkinstructie van BOS na te komen. De stelling van AFS dat het memo ongedateerd is en dat daarmee niet vaststaat dat het de hele periode waarover loon gevorderd wordt geldend is geweest, leidt niet tot een andere beoordeling, omdat AFS zelfs geen indicatie heeft gegeven over welke periode het memo dan wel zou gelden. Het had op de weg van AFS gelegen haar verweer op dit punt feitelijk te onderbouwen.
4.4
De eerste als grief 3 voorgestelde klacht van AFS ziet onder meer op het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de klachtplicht niet geschonden heeft. Dat oordeel is gegrond op de verklaring van [geïntimeerde] ter zitting in eerste aanleg dat hij voor de e-mail van 13 maart 2022 geen ‘benul’ had dat hij mogelijk recht had op betaling van het kwartier. De kantonrechter heeft goed voorstelbaar geacht dat [geïntimeerde] (als niet juridisch geschoold medewerker) daar eerder geen weet van had. Om die reden, en gelet op de ongelijke posities van partijen, heeft de kantonrechter het belang van [geïntimeerde] bij betaling van het kwartier zwaarder laten wegen dan dat van AFS om tijdig haar rechtspositie te kunnen bepalen en eventueel voorzieningen te treffen.
4.4.1
Het hof neemt bij de beoordeling tot uitgangspunt genomen dat [geïntimeerde] bij e-mail van 13 maart 2022 voor het eerst heeft geklaagd. Voor de beantwoording van de vraag of toen de klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro was verstreken, is van belang wanneer die termijn is gaan lopen. Volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro [1] rusten stelplicht en bewijslast daarvan op AFS. AFS heeft zich erop beroepen dat [geïntimeerde] van begin af aan uit zijn loonstroken heeft kunnen opmaken dat het kwartier niet werd betaald. Het gaat er echter niet om vanaf wanneer [geïntimeerde] wist dat het kwartier niet werd betaald, maar vanaf wanneer hij wist of uit redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek kon weten dat hij daar mogelijk recht op had. AFS stelt niet dat [geïntimeerde] dat eerder dan 13 maart 2022 wist en stelt evenmin dat hij dat uit redelijkerwijs van hem te vergen onderzoek eerder had kunnen weten. De klachttermijn van artikel 6:89 BW Pro is dus niet of nauwelijks gaan lopen. Het beroep op schending van die termijn stuit daarop af. Het beroep op rechtsverwerking slaagt evenmin. Zolang [geïntimeerde] niet wist of behoorde te weten dat hij mogelijk recht had op betaling van het kwartier, kan hij met zijn handtekening/paraaf op zijn urenstaten niet hebben ingestemd met de niet-betaling van het kwartier.
4.4.2
Aan het voorgaande doet niet af dat AFS door het tijdsverloop in een nadelige positie is komen te verkeren. Dat zij de verschuldigdheid van het kwartier niet kan doorbelasten aan Schiphol en moet vrezen voor de precedentwerking zijn omstandigheden die in relatie tot [geïntimeerde] voor haar risico zijn.
4.4.3
De kantonrechter heeft terecht geoordeeld op basis van alle omstandigheden van het geval. Dat, zoals AFS aanvoert, [geïntimeerde] bij gelegenheid wel bij AFS geklaagd heeft over – beweerdelijk – niet uitbetaalde roosteruren ondersteunt het oordeel van de kantonrechter dat hij kennelijk geen benul ervan had dat ook het kwartier voorafgaand aan de roosteruren verloond diende te worden. Het hof is het eens met de conclusie van de kantonrechter dat [geïntimeerde] geacht mag worden ‘geen benul’ te hebben gehad en dat zijn belangen om door de kantonrechter genoemde redenen zwaarder dienen te wegen dan die van AFS en neemt deze beoordeling over.
4.4.4
Het hof overweegt aanvullend dat AFS onvoldoende heeft gesteld op welke wijze zij door het niet tijdig klagen benadeeld zou zijn. AFS heeft immers de mogelijkheid opengelaten dat zij bij een toewijzend arrest over de daaruit voor haar voortkomende schade nog een daaruit voortvloeiende claim gaat indienen bij haar voormalige contractspartij Schiphol Nederland B.V. Ook heeft AFS nagelaten voldoende concreet te stellen welke alternatieve handelwijzen zij door het tijdsverloop heeft gemist, als die er al waren. De ‘huisregels’ uit het BOS-memo golden immers voor alle uitzendkrachten die bij BOS werden ingezet, niet slechts voor diegenen die via AFS kwamen. Dus veel ‘onderhandelingsruimte’ lijkt er niet te zijn geweest. De gehoudenheid aan die huisregels (die ook logischerwijs voortvloeien uit de wens van BOS om een permanente bezetting in de bagagehal te hebben enerzijds en de reistijd vanuit de BOS-ruimte naar de respectieve hallen anderzijds) stond dan ook redelijkerwijs niet ter discussie en bood AFS geen alternatieven, althans zij heeft dienaangaande onvoldoende concrete alternatieven voorgehouden.
4.4.5
Voor zover de kantonrechter het beroep van AFS op rechtsverwerking heeft gepasseerd heeft zij dat terecht gedaan. Enkel stilzitten rechtvaardigt dat beroep niet in voldoende mate. De kantonrechter heeft tot uitgangspunt genomen dat [geïntimeerde] ‘geen benul’ had van het mogelijke recht op loon over het bewuste kwartier. AFS is er zelf ook altijd vanuit gegaan dat er geen recht op loon over dat kwartier bestond, zij is daarin niet beïnvloed door het stilzitten van Eleisawwy, noch daardoor in een slechtere positie gekomen. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerde] bij AFS de indruk heeft gewekt dat hij zou afzien van de (hem toentertijd nog niet bekende) aanspraak op loon over het bewuste kwartier. Aan de vereisten voor rechtsverwerking is daarmee niet voldaan. De grief faalt.
4.5
De tweede als grief 3 voorgestelde klacht ziet op het oordeel van de kantonrechter dat het bewuste kwartier arbeid en arbeidstijd was. Ook deze grief faalt, omdat zij miskent dat gedurende het bewuste kwartier de navolgende werkzaamheden verplicht waren: melden, in ontvangst nemen van scanner en portofoon, bestuderen van het pas ter plekke beschikbare overzicht welke bagagemedewerker in welke hal de bagagewerkzaamheden die dag moesten plaatsvinden en (vooral) de reistijd vanuit de BOS-ruimte naar de aangewezen hal, waarbij (soms) ook nog een karretje moest worden opgehaald om daarmee naar de bewuste hal te rijden. Dat de bagagewerkzaamheden soms in een nabij gelegen hal (op korte loopafstand) moesten worden verricht mag zo zijn, maar wijzigt het karakter van het kwartier niet, omdat de aanwezigheid vijftien minuten voordien niet alleen verplicht was, maar in voorkomende gevallen ook noodzakelijk was om (na afhalen van het karretje en het rijden naar een verderaf gelegen hal) op tijd in de betreffende bagagehal aanwezig te zijn en je als bagagemedewerker van tevoren niet wist in welke hal je die dag was ingedeeld. De werkinstructie van BOS over verplichte aanwezigheid vijftien minuten vóór de aanvang van de roostertijd was dus een noodzakelijke werkinstructie die BOS ook mocht geven om de continuïteit van de bagageafhandeling te garanderen. Dat die vijftien minuten soms wel, soms niet ten volle opgingen aan noodzakelijke activiteiten doet er geen afbreuk aan dat de uitzendkrachten gedurende die vijftien minuten aanwezig, beschikbaar en bereid moesten zijn om conform die (dagelijks wisselende) instructies te handelen. Daarmee staat voldoende vast dat die vijftien minuten geen ‘eigen tijd’ waren, noch ‘rusttijd’ zoals door AFS is bepleit. Het was alleen al geen ‘eigen tijd’ omdat de uitzendkrachten verplicht waren beschikbaar te zijn om gedurende dat kwartier de werkinstructies van BOS op te volgen en het was geen ‘rusttijd’ omdat het de eerste minuten van de verplichte werktijd waren en er van ‘rusten’ (nog) geen sprake kon zijn.
4.6
Met grief 4 betoogt AFS dat als het al ‘arbeidstijd’ is, daarmee het recht op loon over die tijd niet vaststaat. Deze stelling miskent dat een redelijke uitleg van de tussen partijen gesloten uitzendovereenkomst bij deze laagbetaalde arbeid meebrengt dat de ‘vaste’ arbeidstijd volledig uitbetaald dient te worden. Die uitleg sluit ook aan bij hetgeen in het algemeen geldt bij op uurbasis betaalde uitzendkrachten die het type werk als in casu verrichten. Het is een feit van algemene bekendheid dat als uitgangspunt heeft te gelden dat in dergelijke situaties alle vast gewerkte uren worden uitbetaald. In dit geval behoort het bewuste kwartier tot de vaste arbeidstijd van de betreffende uitzendkracht(en) en is er geen grond om dat ten onrechte onbetaald gelaten ‘vaste’ kwartier op andere wijze te verlonen dan de wel uitbetaalde vaste uren. Door AFS is niet gesteld dat partijen hierover een andersluidende afspraak hebben gemaakt. In de jaren waarin deze praktijk gold (na 2022 is de contractovernemende partij het bewuste kwartier wél gaan uitbetalen) was er aanvankelijk geen vergelijkbaar vast personeel van Schiphol zelf belast met dezelfde bagagewerkzaamheden: alleen uitzendkrachten deden dit werk. Het beroep van AFS op ‘gelijke inlenersbeloning’ mist daarom feitelijke grondslag. De grief faalt.
4.7
Grief 5 borduurt voort op de stellingen onder grief 4 en deelt haar lot. Voor zover AFS zich op de optie ‘tijd-voor-tijd’ heeft beroepen miskent zij dat het daarbij gaat om verschoven uren, waarbij alle feitelijk gewerkte tijd wel betaald wordt, terwijl AFS in dit geval telkens een kwartier gewerkte tijd geheel onbetaald heeft gelaten. De vergelijking gaat dus ernstig mank en mist de plank. Voor zover AFS heeft gesteld dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] telkens een kwartier tevoren aanwezig was miskent zij dat [geïntimeerde] onvoldoende weersproken heeft gesteld dat hij door BOS nimmer is aangesproken op de in het memo bedoelde ‘onregelmatigheden’, noch ooit geplaatst is op genoemde onregelmatighedenlijst. Daaruit vloeit voort dat hij zich aan de voor hem geldende werkinstructie heeft gehouden en dus het bewuste kwartier telkens beschikbaar was. Enige feitelijke indicatie dat dat niet het geval is geweest is niet gesteld of gebleken, terwijl aangenomen mag worden dat BOS AFS zou hebben ingelicht als [geïntimeerde] zich niet aan de volgens BOS voor hem geldende werkinstructies zou hebben gehouden. De ‘blote’ stelling van AFS dat de aanwezigheid van [geïntimeerde] gedurende het bewuste kwartier niet is komen vast te staan miskent de aard van de BOS-instructies en het belang van BOS bij stipte nakoming daarvan. De grief faalt.
4.8
Grief 6 ziet op de bewijslast ten aanzien van de zogenaamde ‘interne uren’. AFS stelt dat die bewijslast niet bij haar ligt, maar miskent daarbij dat het argument rond ‘interne uren’ onderdeel is van haar verweer, waarvan zij zelf de bewijslast draagt. De grief faalt reeds om die reden. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van het aantal door hem gewerkte diensten immers beroepen op de opgave daarvan door AFS zelf op de aan hem verstrekte loonstroken. Als van die diensten een onbekend gebleven aantal interne diensten zou moeten worden afgetrokken (omdat daarbij het kwartier niet speelde), dan is het aan AFS om dat aantal interne diensten te stellen en bij voldoende concrete betwisting te bewijzen. Dat aantal heeft zij niet gesteld, zodat het verweer onvoldoende concreet is en de grief op dit punt faalt.
4.9
Hetzelfde geldt voor grief 7, die ziet op afwezigheid wegens ziekte. Ook dat is een verweer van AFS en ook daarbij had zij concrete feiten dienen te stellen, ook al omdat aangenomen mag worden dat zij over enige registratie van ziektedagen beschikt. Bovendien heeft bij ziekte in beginsel te gelden dat het volledige loon wordt doorbetaald, dus inclusief het loon over het kwartier dat AFS ten onrechte niet heeft uitbetaald. Dat er sprake is van één of meer gevallen waarin een wachtdag van toepassing zou zijn (en ook daadwerkelijk is toegepast) is door AFS op geen enkele wijze concreet onderbouwd. De grief faalt.
4.1
Grief 8 ziet op het buiten toepassing gebleven zijn van de voorschriften met betrekking tot de inlenersbeloning. Dit beroep faalt reeds wegens het ontbreken van een concrete feitelijke onderbouwing. Niet voldoende concreet is gesteld of gebleken dat bij aanvang van de arbeidsovereenkomst in casu binnen Schiphol andere bagagemedewerkers (in dezelfde functie) werkzaam waren in dienst van Schiphol Nederland B.V., waarvan het salaris maatgevend was voor de hoogte van de beloning van [geïntimeerde] . Niet is voldoende gesteld of gebleken dat er bagagemedewerkers in dienst van Schiphol Nederland B.V. waren die, rekening houdende met de doorbetaling van het kwartier, minder verdienden dan het salaris dat AFS aan [geïntimeerde] betaalde. Ook is niet gesteld of gebleken dat er bagagemedewerkers (vergelijkbaar met [geïntimeerde] ) in dienst van Schiphol Nederland B.V. waren die het bewuste kwartier ook bij BOS verplicht aanwezig waren én dat kwartier niet uitbetaald hebben gekregen. De enkele stelling dat Schiphol aan AFS heeft medegedeeld dat het kwartier geen betaalde arbeidstijd betrof is daartoe onvoldoende. De grief faalt.
4.11
Grief 9 ziet op de afwijzing door de kantonrechter van het beroep van AFS op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. AFS licht in hoger beroep nauwelijks toe waarom dat beroep ten onrechte is afgewezen. Zij verwijst naar hiervoor reeds meegewogen feiten en omstandigheden en in algemene termen naar de ‘reflexwerking’ die zou uitgaan van de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] . Dit beroep op reflexwerking miskent dat een toewijsbaar beoordeelde loonvordering van een werknemer niet tot een andere beoordeling van de verschuldigdheid kan leiden alleen omdat andere werknemers dan ook recht op het hen ten onrechte niet betaald loon zouden kunnen claimen. Datzelfde geldt ook voor het door AFS gestelde ontbreken van opzet of kennelijk misbruik. Voor een toepassing van artikel 6:2 en Pro 6:248 BW is meer dan dat nodig, maar dat meerdere is door AFS niet gesteld, noch zijn er feiten en omstandigheden gebleken die meebrengen dat de in beginsel toewijsbare loonvordering behoort te stranden op basis van genoemde bepalingen. Dat de kantonrechter de wettelijke verhoging tot nihil heeft gematigd kan niet tot een andere beoordeling leiden, al was het maar omdat het hof de kantonrechter daarin niet zal volgen. De grief faalt.
4.12
Grief 10 is een ‘veeggrief’ zonder aparte betekenis, want slechts gebaseerd op de hiervoor verworpen (veronder-)stelling dat de kantonrechter de vorderingen van [geïntimeerde] alle had moeten verwerpen. In de toelichting op de grief merkt AFS aanvullend nog op dat er geen sprake is geweest van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden anders dan die ter voorbereiding op de procedure. AFS gaat daarbij niet specifiek in op de door de kantonrechter in dit verband in rov. 2.6 genoemde buitengerechtelijke werkzaamheden, noch op de door [geïntimeerde] in de dagvaarding in eerste aanleg gespecificeerde buitengerechtelijke werkzaamheden. Daarmee is haar verweer feitelijk onvoldoende concreet onderbouwd en zal het om die reden worden verworpen. De grief faalt.
4.13
Aangezien de grieven van AFS falen zal hetgeen zij heeft gevorderd worden afgewezen, onder bekrachtiging van het bestreden vonnis, behoudens de beslissingen in incidenteel appel. AFS zal als de in principaal appel in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld.
4.14
Door AFS is in principaal appel geen bewijs aangeboden van feiten die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andere beoordeling kunnen leiden.
In incidenteel appel
4.15
De eerste grief van [geïntimeerde] ziet op de afwijzing door de kantonrechter van de loonvordering over 2017. [geïntimeerde] erkent dat in zijn opgave in eerste aanleg een kennelijke verschrijving had plaatsgevonden, die redengevend is geweest voor de afwijzing. Hij heeft onder randnummer 49 in de memorie van 3 juni 2025 berekend hoe het resterende deel van de vordering uitkomt op een totaalbedrag van € 239,85 bruto (exclusief rente en verhoging). AFS stelt in haar memorie van antwoord in incidenteel appel dat zij deze berekening niet kan volgen en dat deze anders luidt dan in eerste aanleg (waar ook verschillende berekeningen zijn gemaakt). Dat de berekening in hoger beroep anders is dan in eerste aanleg is op zichzelf geen gegrond bezwaar, omdat het hoger beroep nu eenmaal de herkansingsfunctie in zich heeft. Dit deel van het verweer van AFS wordt daarom verworpen.
4.16
De berekening in genoemd randnummer is als zodanig goed te volgen, om welke reden het ‘onbegrijpelijkheidsverweer’ wordt gepasseerd. De berekening is op enkele onderdelen echter onjuist, maar het hof zal op basis van de vaststaande feiten zelf een correcte berekening uitvoeren. Deze luidt als volgt.
De resterende loonvordering over 2017 heeft betrekking op de periode 13 september tot en met 31 december 2017. Dat is 3,63 maanden (anders dan de 3,43 die [geïntimeerde] rekent).
4.16.1
Tussen partijen staat vast dat conform de loonstroken [geïntimeerde] in de periode 6 maart 2017 tot en met 31 december 2017 (9,84 maanden) in totaal 174 diensten heeft gedraaid, dus een gemiddelde van 17,68 per maand (en niet 17,4 zoals [geïntimeerde] heeft berekend). Niet valt in te zien waarom hier achteraf niet met een gemiddelde mag worden gewerkt. Het was aan AFS om concreet en specifiek te stellen dat deze periode van ruim 3,5 maand afwijkt van het gemiddelde over de periode van bijna 10 maanden. Dat heeft zij nagelaten, om welke reden dit verweer wordt gepasseerd.
4.16.2
Over 3,63 maanden à gemiddeld 17,68 diensten per maand komt de juiste berekening uit op 64 diensten (en niet de 60 waar [geïntimeerde] op uitkomt). 64 Diensten met telkens een kwartier onbetaalde arbeid leidt tot een betalingsachterstand over 16 uur.
4.16.3
Partijen verschillen ook van mening over het daarbij toe te passen uurloon.
Tussen partijen staat vast dat het aanvangsuurloon in 2017 € 12,30 bruto per uur bedroeg. [geïntimeerde] heeft in zijn berekening dat uurloon met 30% verhoogd wegens weekendtoeslag/nachttoeslag, zonder daarbij expliciet te stellen dat álle diensten in het weekend of in de nacht plaatsvonden, zodat hij onvoldoende feiten heeft gesteld die toepassing van deze toeslag over álle diensten rechtvaardigt. Het hof zal daarom deze (door AFS bestreden) toeslag niet toepassen.
4.16.4
Door [geïntimeerde] is in de berekening in randnummer 49 niet opgenomen de verhoging wegens vakantietoeslag van 8%. Elders in zijn processtukken is die verhoging wegens vakantietoeslag wel opgenomen, op welke grondslag de kantonrechter de verschuldigdheid van die 8% vakantietoeslag over genoemd uurloon wel onder de feiten heeft vastgesteld, welk feit door het hof is overgenomen (ook omdat partijen het hier in hoger beroep niet over hebben gehad). Ambtshalve de rechtsgronden aanvullend zal het hof de 8% toeslag wel toepassen in zijn berekening.
4.16.5
De volgens het hof op basis van het vorenstaande wel juiste berekening luidt dan als volgt: 16 uur x € 12,30 x 1,08 = € 212,54 bruto. Dit totaal is lager dan het gevorderde, zodat de loonvordering over 2017 voor dit bedrag kan worden toegewezen. De grief slaagt.
4.17
De tweede grief van [geïntimeerde] ziet op de matiging van de wettelijke verhoging tot nihil. Daarvoor ziet hij geen, althans onvoldoende gronden. AFS stemt in met de matiging tot nihil. Het hof oordeelt als volgt. Uitgangspunt is dat de wetgever met de wettelijke verhoging beoogd heeft de werkgever van een prikkel te voorzien om het verschuldigde salaris tijdig te betalen.
4.17.1
Weliswaar kan de wettelijke verhoging oplopen tot 50% en daarmee tot een forse verhoging van de loonvordering (hetgeen op zichzelf onder omstandigheden als onbillijk kan aanvoelen), maar daar staat in dit geval tegenover dat het om een relatief beperkt bedrag gaat, waarvoor de werknemer zich veel moeite heeft moeten getroosten om hetgeen waarop hij aanspraak kon maken te verkrijgen. Het oordeel van de kantonrechter over de loonvordering over het bewuste kwartier was helder, goed gemotiveerd en liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Het is het goed recht van ASF om daartegen in hoger beroep te komen, maar ook in hoger beroep vangt zij bot. Onder die omstandigheden voortprocederen over achterstallig salaris over een periode van 4 tot 9 jaar geleden op een in twee instanties te dun beoordeelde grondslag, terwijl het om een - ook in relatie tot de daarmee te maken kosten - relatief beperkt bedrag gaat mag (met het oog op de door AFS aangehaalde ‘reflexwerking’) voor AFS een verdedigbaar standpunt zijn, maar als AFS dan verliest ziet het hof in de omstandigheden van dit geval geen grond voor matiging. De grief slaagt. Het hof zal de wettelijke verhoging over de totale loonvordering toewijzen conform het wettelijk percentage van 50%.
4.18
In incidenteel appel zijn geen gestelde feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere beoordeling kunnen leiden.
4.19
Het incidenteel appel slaagt grotendeels, op welke grondslag AFS in de kosten van het incidenteel appel zal worden veroordeeld.
4.2
Als gevorderd zal ook de wettelijke rente over alle toegewezen bedragen worden toegewezen.

5.Beslissing

Het hof:
rechtdoende in principaal en incidenteel appel:
wijst af het gevorderde in principaal appel;
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, behoudens het navolgende;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de loonvordering over 2017 is afgewezen en de wettelijke verhoging tot nihil is gematigd;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt AFS tot betaling aan [geïntimeerde] van:
een bedrag van € 212,54 bruto wegens achterstallig loon over 2017;
een bedrag van € 1.381,53 bruto wegens wettelijke verhoging,
beide bedragen te verhogen met de wettelijke rente vanaf heden;
veroordeelt AFS in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 349,- aan verschotten en € 2.280,- voor salaris en op € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, [
indien gevorderd] te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.T. van der Meer, A.S. Arnold en A. van Zanten-Baris en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026

Voetnoten

1.Het bewijs wanneer is geklaagd rust bij de schuldeiser; het bewijs van wanneer die termijn is gaan lopen rust bij de schuldenaar; zie ook citaat uit de groene kluwer onder het concept