ECLI:NL:GHAMS:2026:1914

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.369.136/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 FaillissementswetArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging faillietverklaring Stichting Safe & Secure na betwisting in hoger beroep

Stichting Safe & Secure (S&S) is door de rechtbank Amsterdam failliet verklaard op verzoek van DHL c.s. wegens onbetaalde vorderingen, waaronder proceskosten en transportkosten. S&S ging in hoger beroep tegen deze faillietverklaring en voerde onder meer aan dat sommige vorderingen betwist werden, dat er sprake was van een tegenvordering en dat DHL c.s. misbruik van bevoegdheid maakte.

Het hof stelde vast dat de vorderingen van DHL c.s. voldoende waren onderbouwd en opeisbaar waren, ook al was tegen een deel hoger beroep ingesteld. De pluraliteit van schuldeisers werd bevestigd, ondanks het gezamenlijke optreden van DHL c.s. in de procedure. De stelling van S&S dat zij niet in staat van faillissement verkeert, werd verworpen op grond van onbetaalde proceskosten en de verklaring van de bestuurder dat S&S geen inkomsten genereert.

Het hof verwierp het betoog van misbruik van bevoegdheid door DHL c.s., omdat het faillissementsverzoek niet louter bedoeld was om de procedure te frustreren en de curator de procedure kan voortzetten. Ook het verzoek van S&S om aanhouding voor een minnelijke regeling werd afgewezen. Het hof bekrachtigde het vonnis en veroordeelde S&S in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de faillietverklaring van Stichting Safe & Secure en veroordeelt haar in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I (handel)
zaaknummer : 200.369.136/01
faillissementsnummer rechtbank Amsterdam : C/13/26/136 F
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 23 juni 2026
inzake
STICHTING SAFE & SECURE,
gevestigd te Amsterdam,
appellante,
advocaat: mr. T.P. Schut te Amsterdam,
tegen

1.DHL EXPRESS (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
2.
DHL GLOBAL FORWARDING (NETHERLANDS) B.V.,
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,
3.
AIG EUROPE S.A.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
4.
AMERICAN INTERNATIONAL GROUP (UK) LTD,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),
geïntimeerden,
advocaat: mr. R. de Haan te Rotterdam.
Partijen worden hierna achtereenvolgens S&S, DHL Express, DHL Global Forwarding, AIG en AIG UK genoemd. Voor zover nodig worden geïntimeerden gezamenlijk DHL c.s. genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

S&S is bij op 19 mei 2026 ter griffie van het hof ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2026 (hierna: het bestreden vonnis), waarbij S&S op verzoek van DHL c.s. in staat van faillissement is verklaard met benoeming van mr. [naam 1] , lid van voornoemde rechtbank, tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. D.P. Schildknecht, advocaat te Amsterdam, als curator (hierna: de curator).
Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 16 juni 2026. Bij die gelegenheid is namens S&S verschenen [naam 2] , bestuurder, vergezeld van mr. Schut voornoemd, die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Namens DHL c.s. is mr. B.E. Struijk, advocaat te Rotterdam, verschenen. Zij heeft het verweerschrift van DHL c.s. eveneens toegelicht aan de hand van aan het hof overgelegde spreekaantekeningen. Voorts is de curator verschenen die zijn standpunt onder verwijzing naar het hierna te noemen verslag heeft toegelicht.
Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingekomen:
  • het beroepschrift van S&S, met bijlagen 16 en 17;
  • het verweerschrift in hoger beroep van DHL c.s.;
  • het dossier van de rechtbank, waaronder het proces-verbaal van de zitting in
eerste aanleg van 21 april 2026;
- de namens S&S op 12 juni 2026 nader ingediende stukken (bijlagen 19 tot en
met 22);
- het verslag van de curator genaamd “akte zienswijze in hoger beroep ex artikel 8
FW” van 12 juni 2026, met bijlagen;
- de namens S&S op 15 juni 2026 nader ingediende bijlage 23.
Partijen hebben desgevraagd verklaard eveneens over de genoemde stukken te beschikken.
Ten slotte is arrest bepaald.

2.Beoordeling

2.1.
DHL c.s. hebben op 17 maart 2026 bij de rechtbank een verzoekschrift strekkende tot faillietverklaring van S&S ingediend. DHL c.s. hebben aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat zij onder meer de volgende vorderingen hebben op S&S die door haar onbetaald worden gelaten:
1. een totale vordering van DHL Global Forwarding en AIG UK van € 871,- ter zake van proceskosten, voortvloeiend uit een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2022;
2. een totale vordering van DHL Express en AIG UK van € 6.901,- ter zake van proceskosten, voortvloeiend uit een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 6 juni 2023;
3. een totale vordering van DHL Express, AIG UK en AIG van € 18.809,- ter zake van proceskosten, voortvloeiend uit een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 augustus 2025;
4. een vordering van € 43.816,32 van DHL Global Forwarding ter zake van onder meer opslag- en transportkosten.
Volgens DHL c.s. verkeert S&S in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen.
2.2.
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis - samengevat - geoordeeld dat summierlijk is gebleken van een vorderingsrecht van DHL c.s.. Volgens de rechtbank gaat het bij DHL c.s. om vier verschillende rechtspersonen en het feit dat zij gezamenlijk procederen maakt niet dat zij één partij zijn in deze procedure. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van feiten en omstandigheden die aantonen dat S&S verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen aangezien S&S zelf heeft verklaard geen middelen te hebben. Daarbij komt dat de gevorderde proceskosten door verschillende instanties in 2022, 2023 en 2025 zijn toegekend aan DHL c.s. en ondanks verzoeken daartoe onbetaald zijn gelaten, aldus de rechtbank. Dat S&S een tegenvordering heeft op DHL c.s. of één of meer van hen, die zij kan verrekenen, is naar het oordeel van de rechtbank niet summierlijk komen vast te staan. Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van S&S op misbruik van recht verworpen.
2.3.
S&S betoogt in hoger beroep dat de rechtbank haar ten onrechte in staat van faillissement heeft verklaard en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De vordering van DHL Express, AIG UK en AIG van € 18.809,- wordt betwist, omdat het vonnis waaruit deze vordering voortvloeit niet onherroepelijk is. Tegen dat vonnis is immers hoger beroep ingesteld. Met betrekking tot de vordering van DHL Global Forwarding van € 43.816,32 stelt S&S dat zij een (hogere) tegenvordering heeft die zij kan verrekenen met deze vordering. S&S bestrijdt verder dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Zij voert in dit kader aan dat DHL c.s. gezamenlijk gerechtigd zijn tot de proceskosten waartoe S&S is veroordeeld en dat zij daarom geen zelfstandige vorderingsrechten hebben. Ten slotte bestrijdt S&S dat zij verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Zij stelt dat een depot is opgebouwd om in ieder geval de vorderingen 1 t/m 3 als genoemd onder 2.1 en de door de curator gemaakte kosten te voldoen.
2.4.
DHL c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis. Volgens hen is ook in hoger beroep voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.
2.5.
De curator heeft in zijn verslag - kort gezegd - geconcludeerd dat S&S waarschijnlijk verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen en dat hij geen grond ziet voor vernietiging van het faillissementsvonnis.
2.6.
Het hof stelt voorop dat ingevolge artikel 6 lid 3 van Pro de Faillissementswet (Fw) de faillietverklaring wordt uitgesproken indien summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen, en, zo een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, dient de rechter in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissingen daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen. Het hiervoor overwogene brengt mee dat sprake moet zijn van pluraliteit van schuldeisers met dien verstande dat in ieder geval één van de vorderingen opeisbaar is.
2.7.
Het hof stelt vast dat S&S het bestaan van de hiervoor onder 2.1 sub 1 en 2 genoemde vorderingen ter zake van kostenveroordelingen niet heeft betwist. Deze kostenveroordelingen zijn uitgesproken ten gunste van DHL Global Forwarding en AIG UK respectievelijk DHL Express en AIG UK. Daarmee is summierlijk gebleken van vorderingen van voornoemde schuldeisers. Uit de omstandigheid dat de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard volgt dat de genoemde vorderingen tevens opeisbaar zijn. Anders dan S&S heeft betoogd is hiervoor niet vereist dat duidelijk is welk concreet bedrag van de toegewezen proceskosten aan welke schuldeiser toekomt. Voldoende is dat blijkens de hiervoor onder 2.1 sub 1 en 2 genoemde uitspraken verschillende bedragen zijn toegewezen ten gunste van de in de procedure - om praktische redenen - gezamenlijk opgetreden partijen. Dit maakt hen immers vorderingsgerechtigd. Eveneens is summierlijk gebleken van de hiervoor onder 2.1 sub 3 genoemde vordering van DHL Express, AIG UK en AIG gezamenlijk. De omstandigheid dat van het vonnis van 27 augustus 2025 hoger beroep is ingesteld en de kostenveroordeling daarom nog niet onherroepelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Ook deze vordering is opeisbaar aangezien de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en de genoemde rechtspersonen - hangende het hoger beroep - aanspraak kunnen maken op betaling door S&S.
2.8.
Het betoog van S&S dat DHL c.s. als één partij moeten worden beschouwd, faalt. Het gaat om vier verschillende rechtspersonen waarvan S&S niet heeft betwist dat zij afzonderlijke entiteiten zijn met een eigen vermogen en eigen verplichtingen. Het enkele feit dat zij door S&S in rechte zijn aangesproken ter zake van schadevergoeding en zij - uit praktisch oogpunt - gezamenlijk zijn opgetrokken in die procedures, verandert daar niets aan.
2.9.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat sprake is van pluraliteit van schuldeisers. De vraag of S&S gerechtigd is de door DHL Global Forwarding gestelde vordering van € 43.816,32 te verrekenen met een tegenvordering die - naar zeggen van S&S - beduidend hoger is, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer. Dit geldt ook voor de vraag of de door DHL c.s. aangevoerde vordering van de in Iran woonachtige E. Shabbak van 2.856.000 USD op S&S als steunvordering kan dienen.
2.10.
Met betrekking tot de vraag of S&S verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen overweegt het hof als volgt. Vast staat dat S&S al geruime tijd niet voldoet aan haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de in 2022, 2023 en 2025 uitgesproken proceskostenveroordelingen. Deze omstandigheid vormt reeds een aanwijzing dat zij verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Dat vindt bevestiging in de verklaring van de bestuurder ter zitting in hoger beroep dat S&S op dit moment geen inkomsten genereert en voor de betaling van openstaande bedragen en de financiering van de nog aanhangige appelprocedure bij dit hof afhankelijk is van betalingen door hem in privé en door zijn familie. De omstandigheid dat S&S op 20 april 2026 een bedrag van € 747,- heeft voldaan waarmee zij (gedeeltelijk) heeft voldaan aan een andere kostenveroordeling, uitgesproken bij mondeling vonnis van 29 juli 2022 van de rechtbank Noord-Holland ten gunste van DHL Express en AIG UK, leidt niet tot een ander oordeel. Het voorgaande betekent dat het hof met DHL c.s. en de curator van oordeel is dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat S&S verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Daarmee is ook in hoger beroep voldaan aan de vereisten voor faillietverklaring.
2.11.
Ten aanzien van het betoog van S&S dat DHL c.s. misbruik van bevoegdheid maken door haar faillissement aan te vragen, overweegt het hof als volgt. Artikel 3:13 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, die niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Van misbruik is bijvoorbeeld sprake indien het faillissement zou worden aangevraagd met een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend of indien DHL c.s. in redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid hadden kunnen komen, gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij uitoefening en het belang dat daarmee wordt geschaad. S&S legt aan haar beroep op misbruik van bevoegdheid ten grondslag dat bij DHL c.s. reeds bekend is dat S&S geen vermogen heeft en dat het faillissementsverzoek wordt gebruikt om de hiervoor onder 2.3 bedoelde in hoger beroep aanhangige procedure te frustreren. Het hof verwerpt het betoog van S&S. Daartoe is allereerst redengevend dat het S&S is die verschillende procedures tegen DHL c.s. is gestart, in welke procedures zij in het ongelijk is gesteld en telkens is veroordeeld in de proceskosten van DHL c.s. Dat DHL c.s. vervolgens aanspraak maken op betaling van die proceskosten, is alleszins begrijpelijk gelet op de omstandigheid dat zij daadwerkelijk juridische kosten hebben gemaakt ter zake van die procedures. Het staat hen vervolgens vrij het faillissement van S&S te verzoeken nadat S&S hun vorderingen ter zake geruime tijd onbetaald laat. Niet aannemelijk is dat de faillissementsaanvraag louter is bedoeld om de hiervoor bedoelde in hoger beroep aanhangige procedure te frustreren, aangezien die procedure door de curator kan worden voortgezet indien dat in het belang van de boedel is. Anders dan S&S heeft betoogd, kan evenmin worden gezegd dat S&S geen enkel verhaal biedt en dat DHL c.s. met die wetenschap het faillissementsverzoek heeft ingediend teneinde de aanhangige appelprocedure te frustreren. Dat er in het geheel geen baten zijn, zal eerst na onderzoek van de curator, mede aan de hand van de administratie - die nog maar voor een deel is overgelegd door de bestuurder, zo heeft de bestuurder ter zitting verklaard - moeten blijken. Bovendien strookt dit betoog niet met de eigen stellingen van S&S dat zij een tegenvordering heeft op DHL Forwarding van € 72.943,- en een vordering van ruim € 2,5 miljoen op DHL c.s., waarover een procedure in hoger beroep aanhangig is. Van misbruik van bevoegdheid is mitsdien niet gebleken.
2.12.
Ter zitting in hoger beroep heeft S&S nog verzocht de zaak aan te houden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen. DHL c.s. hebben zich hiertegen verzet. Zij zijn niet bereid tot het treffen van een regeling, mede omdat onduidelijk is wat de herkomst is van het geld dat S&S kennelijk wil inzetten voor het treffen van een regeling. Anders dan S&S heeft betoogd, levert ook deze opstelling van DHL c.s. geen misbruik van bevoegdheid op. Het staat DHL c.s. vrij om aanspraak te maken op integrale betaling van hun hiervoor genoemde vorderingen en zij zijn niet gehouden genoegen te nemen met een lager bedrag dan waarop zij menen recht te hebben.
2.13.
De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat S&S als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld die overeenkomstig het toepasselijke liquidatietarief worden begroot op een bedrag van € 2.580,- (2 punten à € 1.290,-).

3.Beslissing

Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt S&S in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van
DHL c.s. tot op heden begroot op € 2.580,- aan salaris advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.L.D. Akkaya, A.M. van Amsterdam en D.L.M.T. Dankers-Hagenaars en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na de dag van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.