ECLI:NL:GHAMS:2026:1916

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
200.356.809/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:248 lid 2 BWArt. 35 ABVArt. 2 ABVArt. 5 lid 3 WwftAlgemene Bankvoorwaarden 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging klantrelaties door bank wegens hennepkwekerij en onvoldoende informatieverstrekking niet onaanvaardbaar

Appellanten, bestaande uit een onderneming en haar bestuurders, hadden sinds 2008 bankrelaties met Rabobank. In 2024 beëindigde Rabobank deze relaties vanwege onvoldoende beantwoording van vragen in een klantonderzoek en de ontdekking van een hennepkwekerij in een pand dat door Rabobank was gefinancierd.

De rechtbank oordeelde dat de opzegging niet onaanvaardbaar was en wees de vorderingen van appellanten af. In hoger beroep bevestigde het hof dit oordeel. Het hof stelde dat Rabobank op grond van de Algemene Bankvoorwaarden bevoegd was de relatie te beëindigen en dat de opzegging niet in strijd was met de redelijkheid en billijkheid.

Het hof overwoog dat appellanten als eigenaren en hypotheekgevers verplicht waren de aanwezigheid van de hennepkwekerij te melden, ook al waren zij niet betrokken bij de strafbare feiten. Daarnaast was het verdienmodel van de onderneming onvoldoende inzichtelijk gemaakt, en bestond er een mogelijk witwasrisico door huurbetalingen van partijen die mogelijk betrokken waren bij criminele activiteiten.

De constructie rond de verkoop van een woning met uitgestelde levering was onvoldoende onderbouwd en bracht extra risico's met zich mee. Gezien het geheel van omstandigheden was de beëindiging van de klantrelaties gerechtvaardigd. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten en het bestreden vonnis werd bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat Rabobank de klantrelaties terecht heeft beëindigd wegens de hennepkwekerij en onvoldoende informatieverstrekking.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.356.809/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/759614/ HA ZA 24-1256
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
in de zaak van

1.[appellant 1] B.V.,

gevestigd te [plaats 1] ,
2.
[appellant 2],
3.
[appellant 3],
beiden wonend in [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. M.P.M. Riep te 's-Hertogenbosch,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.R.B. De Greve te Amsterdam.
Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd en afzonderlijk [appellant 1] , [appellant 2] en [appellant 3] . Geïntimeerde wordt hierna Rabobank genoemd.

1.De zaak in het kort

[appellanten] waren klant bij Rabobank. In 2024 heeft Rabobank de klantrelaties opgezegd vanwege onvoldoende beantwoording van vragen in het kader van een klantonderzoek en het feit dat een hennepkwekerij was aangetroffen in een pand van [appellant 2] en [appellant 3] . Net als de rechtbank oordeelt het hof dat de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat Rabobank de klantrelaties mocht beëindigen.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 16 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 14 mei 2025 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Rabobank als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord met producties.
Tijdens de mondelinge behandeling op 10 april 2026 hebben de advocaten de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. [appellanten] hebben nog een akte genomen met productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg, omdat deze productie per abuis nog niet was overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2.
[appellant 1] is een onderneming die zich volgens de Kamer van Koophandel bezig houdt met goederenvervoer over de weg en koeriersdiensten, alsmede het houden van restaurants en cafés. Dat laatste doet [appellant 1] onder de handelsnaam [handelsnaam] . [appellant 2] is de enig aandeelhouder en bestuurder van [appellant 1] en [appellant 3] is zijn echtgenote. [appellant 2] en [appellant 3] hebben drie minderjarige kinderen.
3.3.
[appellanten] bankieren sinds 2008 bij Rabobank. [appellant 1] heeft een bankrekening bij Rabobank en ook [appellant 2] , [appellant 3] en hun drie kinderen houden bankrekeningen aan bij Rabobank. [appellanten] hebben daarnaast ook meerdere (privé en zakelijke) bankrekeningen bij ABN AMRO Bank en een privérekening bij Bunq ten behoeve van een creditcard.
3.4.
Rabobank heeft aan [appellant 1] een lening verstrekt tot een bedrag van € 150.000,00. Aan [appellant 2] en [appellant 3] heeft Rabobank ook een lening verstrekt voor een bedrag van
€ 300.000,00. Deze laatste lening betrof een hypothecaire geldlening ten behoeve van de
aankoop van de woning met bedrijfspand aan de [straat 1] te [plaats 1] (hierna ook:
[straat 1] ) in 2014. Op de hypotheekakte van 12 augustus 2014 zijn de Algemene voorwaarden voor Hypotheken 2009 van toepassing verklaard. Daarin staat onder meer dat de woning door [appellant 2] en [appellant 3] zelf moet worden bewoond. In artikel 2 staat Pro, voor zover van belang:

2. Verplichtingen van de hypotheekgever
U bent verplicht:
(…)
g de bank onmiddellijk in kennis te stellen van:
(…)
-
Iedere andere omstandigheid van feitelijke of juridische aard die tot uitwinning van het onderpand kan leiden, waardoor de zekerheidswaarde van het onderpand kan verminderen of die voor de bank in verband met haar hypotheekrecht van belang kan zijn.”
3.5.
Op de (overeenkomsten die ten grondslag liggen aan de) klantrelaties tussen [appellanten] en de Rabobank zijn de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna: ABV) van toepassing. Hierin staat onder meer het volgende:

(…)
Artikel 2 - Zorgplicht
(…)
1. Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk
rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de
dienstverlening. Deze belangrijke regel geldt altijd. (…)
2. U bent zorgvuldig tegenover ons en houdt zo goed mogelijk rekening met onze
belangen. U werkt eraan mee dat wij onze dienstverlening correct kunnen uitvoeren en
aan onze verplichtingen kunnen voldoen. Hiermee bedoelen wij niet alleen onze
verplichtingen tegenover u, maar bijvoorbeeld ook verplichtingen die wij in verband
met onze dienstverlening aan u hebben tegenover toezichthouders of fiscale of andere
(nationale, internationale of supranationale) autoriteiten.
U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor
nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig
hebben, geeft u die uit uzelf.
U mag onze diensten of producten alleen gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld en hiervan geen misbruik (laten) maken. Denkt u bij misbruik bijvoorbeeld aan strafbare feiten of
activiteiten die schadelijk zijn voor ons of onze reputatie of die de werking en
betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.
(…)
Artikel 35 – Opzegging van de relatie
(…)
1. U kunt de relatie tussen u en ons opzeggen. Wij kunnen dit ook. Het is daarvoor niet nodig dat u in verzuim bent met de nakoming van een verplichting. Wij houden ons bij de opzegging aan onze zorgplicht als genoemd in artikel 2 lid 1 ABV Pro. (…)
3.6.
Sinds 2021 hebben [appellant 2] en [appellant 3] de [straat 1] verhuurd. Zij hebben voor eigen bewoning een woning gekocht aan [straat 2] te [plaats 1] (hierna ook: [straat 2] ), met behulp van een financiering bij ABN AMRO.
3.7.
Omdat voor de lening aan [appellant 2] en [appellant 3] in privé (voor de [straat 1] , zie 3.4) niet meer werd voldaan aan de oorspronkelijke verstrekkingsvoorwaarden (eigen bewoning/gebruik), hebben partijen op 9 juli 2021 de lening met bijbehorende voorwaarden aangepast naar een zogenoemde beleggingsfinanciering ten behoeve van zakelijk vastgoed (waarbij verhuur wel was toegestaan). Op de leningovereenkomst zijn, onder meer, de Algemene voorwaarden voor bedrijfsfinancieringen van de Rabobank 2018 van toepassing verklaard. Artikel 6.15 onder 1 en 2 van die voorwaarden vermeldt:

15. Welke informatie moet u ons geven?
1. Is er iets veranderd in uw situatie of die van uw zekerheidgevers? Of verwacht u dat er iets gaat veranderen? Dan moet u ons dat meteen laten weten als dit belangrijk voor ons kan zijn. Bijvoorbeeld in verband met de financiering en de zekerheden.
2. Doet zich een gebeurtenis voor waardoor een beëindigingsgrond ontstaat of zou kunnen ontstaan? Dan moet u ons dat meteen laten weten. Ook moet u ons laten weten wat de mogelijke gevolgen van de gebeurtenis zijn. (…)
3.8.
Naar aanleiding van onderzoek naar een zakenrelatie van [appellant 1] heeft Rabobank vanaf juni 2023 ook klantonderzoek gedaan naar [appellanten] In het kader van dat onderzoek heeft Rabobank vragen gesteld over de bedrijfsactiviteiten en het verdienmodel van [appellant 1] . Ook heeft Rabobank vragen gesteld over specifieke transacties via de rekening van [appellant 1] bij Rabobank, in het bijzonder over meerdere door [appellant 1] (een koeriersbedrijf) verstrekte leningen voor substantiële bedragen. Op 4 juli 2023 heeft Rabobank ook aan [appellant 2] en [appellant 3] informatie gevraagd over bepaalde transacties, waaronder betalingen van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), Hoogveld Logistiek B.V. (hierna: Hoogveld BV) en Topdranken Nuenen B.V. (hierna: Topdranken BV).
Na beantwoording van de vragen door [appellanten] heeft Rabobank aanvullende vragen gesteld, onder meer over het ontvangen van huurpenningen voor de [straat 1] op de gezamenlijke rekening van [appellant 2] en [appellant 3] en de verkoop van de woning aan het [straat 2] . Via hun advocaat hebben [appellanten] ook die vragen beantwoord.
3.9.
In oktober 2023 heeft Rabobank uit een artikel in het Brabants Dagblad vernomen dat er in mei 2023 een hennepkwekerij is aangetroffen in het pand aan de [straat 1] . Op 7 november 2023 heeft Rabobank hierover vragen gesteld aan [appellanten] :

Uit openbare bronnen (oa Brabants Dagblad) blijkt er begin 2023 een hennepkwekerij te zijn aangetroffen in een pand aan de [straat 1] te [plaats 1] . Wij zien dat er vanaf mei 2023 door u geen huur inkomsten meer worden ontvangen voor het pand aan de [straat 1] en u geeft aan dat het pand leegstaat. Ons is daarbij opgevallen dat er in dezelfde maand, op 15 mei 2023, vanaf de rekening van [appellant 1] BV een betaling van EUR 2.418 heeft plaatsgevonden aan netbeheerder Enexis. Een dergelijke betaling aan een netbeheerder is vaak een indicatie dat zich schade aan de meterkast heeft voorgedaan, de energie van buitenaf door de netbeheerder is afgesloten of dat de netbeheerder energie in rekening heeft moeten brengen buiten de energieleverancier om. Naast deze betaling nemen wij een voorschotbetaling van EUR 1.500 vanuit privé waar aan een strafrechtadvocaat, die volgens openbare bronnen gespecialiseerd is in opgerolde hennepkwekerijen.
Kunt u toelichten hoe bovenstaande feiten zich tot elkaar verhouden? Is er sprake van betrokkenheid van uw pand, gefinancierd door Rabobank, aan de [straat 1] bij de negatieve berichtgeving?
Indien er volgens u geen betrokkenheid is bij de negatieve berichtgeving, kunt u dan toelichten waar de gemaakte kosten op zien en waarom het pand vanaf deze periode leeg is blijven staan?
Kunt u daarnaast toelichten waarom er rond deze periode eenmalig huur wordt ontvangen (d.d. 4 april 2023) van [naam 2] (fact. 187)? Wie is deze partij?
(…)
3.10.
[appellanten] hebben op 9 november 2023 per brief (via hun advocaat) bevestigd dat een hennepkwekerij is aangetroffen in het pand aan de [straat 1] . Zij benadrukken dat zij niets te maken hebben met de vermeende strafbare feiten maar zekerheidshalve wel een advocaat in de arm hebben genomen. In de brief staat verder dat [appellant 2] niet als verdachte is aangemerkt en dat hij de intentie heeft om het pand binnen afzienbare tijd te verkopen.
3.11.
Op 27 november 2023 heeft Rabobank aan de advocaat van [appellanten] bericht dat zij voornemens is de klantrelaties te beëindigen. Rabobank schrijft onder meer:

U zult begrijpen dat de betrokkenheid van het door Rabobank gefinancierde pand bij de geconstateerde strafbare feiten onacceptabele integriteits- en veiligheidsrisico’s voor Rabobank heeft opgeleverd. Het door Rabobank gefinancierde object is immers gebruikt voor strafbare handelingen, daargelaten dat zo u zult begrijpen doel en aard van de financiering niet is bedoeld voor die activiteiten. Daarnaast heeft cliënt nagelaten de bank tijdig in te lichten over de ontstane situatie zoals van hem wordt verlangd op basis van de financieringsovereenkomst en op basis van de algemene bankvoorwaarden. Aanvullend zijn door het ontvangen van de huurgelden op de betaalrekening van Rabobank, inzake de verhuur van desbetreffend pand ten tijde van de uitvoering van de strafbare handelingen, onacceptabele witwasrisico’s ontstaan. Het vertrouwen in cliënt is ons inziens dan ook onherstelbaar geschaad.
Verder moet worden opgemerkt dat gedurende het klantonderzoek, ondanks toelichting en onderbouwing van door uw cliënt, meerdere onduidelijkheden zijn blijven bestaan waardoor wij het klantonderzoek tot op heden onvoldoende hebben kunnen afronden. (…)
Gezien de ontstane situatie zijn wij voornemens de klantrelatie met uw cliënt te beëindigen. (…)
3.12.
Bij brieven van 19 maart 2024 heeft Rabobank de bancaire relaties met [appellanten] per 30 mei 2024 opgezegd met gebruikmaking van artikel 35 ABV Pro. In de drie (vrijwel gelijkluidende) opzeggingsbrieven staat het volgende vermeld als reden voor de opzegging:

(…) Afgelopen periode heeft u meerdere keren contact met Rabobank gehad. Daarbij heeft Rabobank vragen gesteld over de transacties op uw rekening, de marges van [appellant 1] , de onlogische combinatie van de activiteiten van [handelsnaam] en koeriersdiensten in één B.V., maar ook over de politie inval in het pand gelegen aan de [straat 1] te [plaats 1] .
Wij hebben diverse verklaringen van u per e-mail ontvangen. Wij vinden uw verklaringen onvoldoende om de passendheid en plausibiliteit van het rekening gebruik te kunnen beoordelen.
In onze eerdere correspondentie hebben wij aangegeven dat de politie inval voor Rabobank aanleiding is om de klantrelatie te heroverwegen. Dit gezien de bancaire betrokkenheid bij het vastgoed. (…)
Doordat Rabobank niet bij dergelijke strafbare feiten betrokken wil zijn, hebben wij besloten de klantrelatie (…) op grond van artikel 5 lid 3 Wet Pro ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) te beëindigen en u op te nemen in het Intern Verwijzingsregister (IVR) (…)
Gelet op het bovenstaande zien wij ons genoodzaakt gebruik te maken van onze opzeggingsbevoegdheid zoals omschreven in artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden. Dat betekent dat wij alle overeenkomsten die wij met u hebben opzeggen. (…)
3.13.
[appellanten] hebben bij monde van hun advocaat bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de klantrelaties door Rabobank. Op 16 mei 2024 heeft Rabobank het bezwaar gemotiveerd verworpen.
3.14.
De [straat 1] is door [appellant 2] en [appellant 3] in het tweede kwartaal van 2024 verkocht. De vraagprijs was € 945.000,- en de woning is verkocht voor € 900.000,-.

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
Samengevat hebben [appellanten] bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. voor recht te verklaren dat Rabobank onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld dan wel heeft gewanpresteerd door de klantrelaties te beëindigen en aansprakelijk is voor de door [appellanten] geleden schade; en
Rabobank te veroordelen tot:
ongedaanmaking van alle meldingen in het Intern Verwijzingsregister (IVR) en bij Bureau Krediet Registratie (BKR) als gevolg van de beëindiging van de klantrelaties;
betaling van € 5.595,05 aan advocaatkosten en € 2.462,35 aan administratiekosten, met rente;
betaling van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, met rente;
betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat;
instandhouding dan wel herstel van de klantrelaties met [appellanten] ;
betaling van de proceskosten en de nakosten.
4.2.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de opzegging van de klantrelaties met [appellanten] niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Rabobank heeft ook niet anderszins onrechtmatig tegenover [appellanten] gehandeld. Daarmee zijn ook de registraties in het IVR niet onrechtmatig. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.

5.Vordering in hoger beroep

5.1.
[appellanten] vorderen – uitvoerbaar bij voorraad – vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog toewijzing van hun vorderingen, met veroordeling van Rabobank tot terugbetaling van al hetgeen [appellanten] ter uitvoering van het bestreden arrest aan Rabobank hebben voldaan met rente, en met veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in beide instanties met rente.
5.2.
Volgens Rabobank moet het hof de vorderingen van [appellanten] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep met nakosten.

6.Beoordeling

6.1
[appellanten] komen met negen grieven op tegen het bestreden vonnis. Deze
lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In de kern ligt de vraag voor of de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof oordeelt net als de rechtbank dat dat niet het geval is en licht dat hieronder toe.
6.2
Het hof stelt voorop dat Rabobank op grond van artikel 35 ABV Pro in beginsel bevoegd was de klantrelaties met [appellanten] op te zeggen. Desgevraagd heeft Rabobank tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij het cliëntonderzoek op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) niet kon afronden en daarom in haar opzeggingsbrief van 19 maart 2024 (3.12) mede heeft geschreven dat de relatie werd opgezegd op grond van artikel 5 lid 3 Wwft Pro. Volgens [appellanten] kan de relatie alleen met een beroep op dat artikel worden beëindigd als het cliëntonderzoek niet kon worden afgerond en is dat hier niet aan de orde. Of het cliëntonderzoek al dan niet kon worden afgerond kan in het midden blijven. Gegeven de bevoegdheid van Rabobank om de relaties te beëindigen op grond van artikel 35 ABV Pro en het feit dat zij die grond heeft ingeroepen, behoeft uitsluitend te worden beoordeeld of zij dat terecht heeft gedaan.
6.3.
Als een bank gebruikmaakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de relatie, moet de rechtsgeldigheid daarvan worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Een opzegging is niet rechtsgeldig indien het gebruikmaken van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In dat kader is mede van belang dat artikel 2 ABV Pro voorschrijft dat de bank naar beste vermogen met de belangen van de cliënt rekening zal houden (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929). De toets aan artikel 6:248 lid 2 BW Pro noopt tot terughoudendheid en vindt plaats op basis van de situatie ten tijde van de opzegging op 19 maart 2024.
6.4.
Het hof bespreekt achtereenvolgens de verschillende omstandigheden die Rabobank aan haar opzegging ten grondslag heeft gelegd, te weten (i) de hennepkwekerij die is aangetroffen in de [straat 1] , (ii) het bedrijfsmodel van [appellant 1] en (iii) de constructie rond de verkoop van [straat 2] . Daarbij stelt het hof voorop dat op [appellanten] de stelplicht – en bij voldoende betwisting – de bewijslast rust dat die omstandigheden de opzegging door Rabobank niet rechtvaardigen. Zij stellen zich immers op het standpunt dat de opzegging niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Hennepkwekerij
6.5.
Volgens [appellanten] mag de gang van zaken rond de hennepkwekerij in het pand aan de [straat 1] hen niet worden verweten en hoefden zij de aanwezigheid daarvan niet uit zichzelf bij Rabobank te melden. Het pand was verhuurd en [appellanten] waren niet op de hoogte van en ook niet betrokken bij de hennepkwekerij.
6.6.
Het hof volgt hen daarin niet. Ook als er vanuit wordt gegaan dat [appellant 2] en [appellant 3] , de eigenaren van de [straat 1] , voorafgaand aan de politie-inval niet op de hoogte waren van de hennepkwekerij, hadden zij daar bij Rabobank melding van moeten maken zodra zij daarmee bekend werden. Zo verplicht artikel 2 van Pro de hypotheekvoorwaarden (3.4) [appellant 2] en [appellant 3] om Rabobank op de hoogte te stellen van “
iedere omstandigheid van feitelijke of juridische aard (…) waardoor de zekerheidswaarde van het onderpand kan verminderen of die voor de bank in verband met haar hypotheekrecht van belang kan zijn”. Verder moet op basis van artikel 15 van Pro de Algemene Voorwaarden Bedrijfsfinanciering 2018 in elk geval melding worden gemaakt van veranderingen in een situatie die belangrijk kan zijn voor Rabobank in verband met zekerheden. Tot slot vloeit ook uit de zorgplicht in artikel 2 ABV Pro voort dat de hennepkwekerij moest worden gemeld. Op basis daarvan moet een klant immers zo goed mogelijk rekening houden met de belangen van Rabobank en informatie verschaffen als duidelijk is dat Rabobank die nodig heeft.
Voor zover [appellant 2] en [appellant 3] aanvoeren dat niet van hen kon worden verwacht dat zij van die bepalingen op de hoogte waren omdat er zoveel voorwaarden zijn en dat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig zijn, verwerpt het hof die stelling. Bij het aangaan van de leningen zijn zij immers telkens akkoord gegaan met de toepasselijkheid van deze voorwaarden, zodat zij daaraan gebonden zijn en van hen mocht worden verwacht dat zij deze kenden.
Anders dan [appellant 2] en [appellant 3] betogen, hadden zij moeten begrijpen dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij in het pand aan de [straat 1] een omstandigheid is waardoor de zekerheidswaarde kon verminderen en waarvan zij melding hadden moeten maken bij Rabobank als financier en zekerheidsnemer van dat pand. Een hennepkwekerij leidt immers tot ernstige financiële risico’s en integriteitsrisico’s die Rabobank raken. De financiering is niet bedoeld voor het (indirect) faciliteren van strafbare feiten en het is een feit van algemene bekendheid dat de aanwezigheid van een hennepkwekerij leidt tot brandgevaar en risico op waardedaling van een pand. Verder heeft Rabobank onbetwist aangevoerd dat aannemelijk is dat het onderpand door illegaal gebruik niet meer of onvoldoende is verzekerd en dat bij het tenietgaan van het onderpand geen aanspraak kan worden gemaakt op de verzekeringspenningen.
6.7.
Niet in geschil is dat [appellant 2] en [appellant 3] kort na de politie-inval op de hoogte zijn gekomen van de aanwezigheid van de hennepkwekerij en dat zij dat aanvankelijk niet zelf bij Rabobank hebben gemeld, maar pas nadat Rabobank daarover vragen had gesteld (3.9). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, verwijt Rabobank hen terecht dat zij niet zelf contact hebben opgenomen met Rabobank om over de gevolgen daarvan te overleggen. Dat [appellant 2] en [appellant 3] er vanuit gingen dat Rabobank al op de hoogte zou zijn van de hennepkwekerij, omdat zij daarover werden bevraagd door de politie kan hen niet baten. Die stelling is niet onderbouwd en doet niet af aan hun eigen verplichting.
6.8.
[appellant 2] en [appellant 3] voeren verder aan dat i) zij niet strafrechtelijk zijn vervolgd voor de hennepkwekerij, ii) in een stressvolle en onverwachte situatie hun focus elders lag, iii) zij alle vragen over de hennepkwekerij hebben beantwoord en iv) de hennepkwekerij geen verband houdt met de huurder die de huur aan [appellant 2] en [appellant 3] betaalde, maar met de onderhuurder waar [appellant 2] en [appellant 3] niets van wisten.
Ook deze omstandigheden, wat daar verder ook van zij, leiden er niet toe dat Rabobank de aanwezigheid van de hennepkwekerij niet aan [appellant 2] en [appellant 3] mocht tegenwerpen. Als eigenaren van het pand en hypotheekgevers zijn zij er jegens Rabobank als financier en hypotheekhouder verantwoordelijk voor dat het gebruik daarvan overeenstemt met de voorwaarden, ook door (onder)huurders. De aanwezigheid van de hennepkwekerij in de [straat 1] valt daarom onder hun verantwoordelijkheid, ook als zij daar niet van op de hoogte zouden zijn. Dat [appellant 2] en [appellant 3] alle vragen van Rabobank hebben beantwoord leidt er niet toe dat Rabobank hen geen verwijt mocht maken van de aanwezigheid van de hennepkwekerij.
In algemene zin geldt tot slot niet de eis dat een bank moet bewijzen dat een klant betrokken is (geweest) bij criminele activiteiten. Voldoende is dat een bank op een gerechtvaardigde grond opzegt.
6.9.
In dat verband is verder van belang dat Hoogveld BV in de periode december 2022 tot april 2023 huurder was van [straat 1] en dat zij de huur (deels) betaalde op de gezamenlijke Rabobankrekening van [appellant 2] en [appellant 3] . Niet in geschil is dat deze betalingen zijn gedaan in de periode dat de hennepkwekerij zich in het pand bevond. Gelet daarop kan niet worden uitgesloten dat deze gelden afkomstig waren uit de criminele activiteiten rondom de hennepteelt en dat daardoor een witwasrisico bestond. Uit een door [appellant 2] en [appellant 3] overgelegde brief van het Openbaar Ministerie van 3 december 2024 (productie 22 in eerste aanleg) blijkt, anders dan zij stellen, niet dat Hoogveld BV geen blaam treft ten aanzien van de hennepkwekerij en de huurpenningen daarom geen verband zouden houden met illegaal verkregen gelden. De brief is niet gericht aan Hoogveld BV en ziet ook niet op een niet-vervolgen vanwege de hennepkwekerij. Dat de betalingen afkomstig zijn uit de reguliere bedrijfsactiviteiten van Hoogveld BV zoals zij stellen, hebben [appellanten] niet (met stukken) onderbouwd. Anders dan zij aanvoeren betekent het feit dat de betalingen giraal zijn gedaan, niet dat de herkomst van deze gelden is beoordeeld door de betreffende banken en dat daaruit volgt dat deze gelden geen illegale herkomst hebben.
Vanwege de verplichting van Rabobank op grond van de Wwft om te voorkomen dat gelden worden witgewassen via haar rekeningen, heeft zij de mogelijk illegale herkomst van de huurpenningen mogen meewegen bij haar beslissing om de relatie met [appellanten] te beëindigen. Het hof passeert de stelling van [appellanten] dat een illegale herkomst van gelden nooit volledig kan worden uitgesloten en daarom niet zelfstandig een beëindiging van de klantrelatie kan rechtvaardigen. In dit geval is de beëindiging van de klantrelatie immers gebaseerd op het geheel van feiten en omstandigheden zoals besproken in dit arrest en niet enkel op de mogelijkheid dat de huurbetalingen voor het pand aan de [straat 1] een illegale herkomst hebben.
Bedrijfsmodel [appellant 1]
6.10.
Op grond van artikel 3 lid 2 aanhef Pro en onder c, d en f van de Wwft is Rabobank verplicht om onderzoek in te stellen naar het doel en de beoogde aard van de zakelijke relatie, zo nodig een onderzoek te doen naar de bron van de middelen die bij een zakelijke relatie of transactie gebruikt worden en redelijke maatregelen te nemen om te verifiëren of de cliënt ten behoeve van zichzelf optreedt of ten behoeve van een derde. In dat verband heeft Rabobank meermaals vragen aan [appellant 1] gesteld over het verdienmodel van [handelsnaam] .
6.11.
[appellanten] betwisten niet dat Rabobank dergelijk onderzoek moet uitvoeren, maar betogen dat zij ruimschoots voldoende hebben meegewerkt en dat Rabobank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het verdienmodel van [appellant 1] niet inzichtelijk is. Volgens [appellanten] mocht Rabobank dit niet (mede) aan de beëindiging ten grondslag leggen en was sprake van een ‘fishing expedition’.
6.12.
Rabobank heeft op basis van bedrijfsgegevens van [appellant 1] een overzicht gemaakt van de omzet en de resultaten over de periode 2016 tot 2021 (productie 14 bij de conclusie van antwoord). [appellanten] hebben dat overzicht niet (voldoende) betwist. Daaruit blijkt dat [appellant 1] in 2020 een omzet had van € 3.556.768 en een bruto resultaat van 15,10%, en in 2021 een bruto resultaat van 19,19% bij een omzet van € 3.813.634. Volgens Rabobank passen deze zeer hoge marges niet bij de transportactiviteiten en koeriersdiensten die [appellant 1] stelt te leveren en is onduidelijk hoe de keten van onderaannemers kan verdienen aan de steeds verder uitbestede koeriersopdrachten. [appellanten] brengen daartegen in dat de uitbesteding van de koeriersopdrachten profijtelijk was en de marges op het overzicht juist zijn en ook passen bij haar werkzaamheden. Het hof volgt hen daarin niet. Met name gegeven de verklaring van [appellanten] zelf dat 80% van de koeriersritten werd uitbesteed waarbij de marge op de betaling aan de onderaannemers lag tussen de 5 en 10%, valt niet zonder meer in te zien dat [appellant 1] uiteindelijk zelf marges behaalde van tussen de 15% en 19%. Temeer niet omdat ook de verlieslatende activiteiten van [handelsnaam] waren ondergebracht in [appellant 1] en een verklaring voor het desondanks schrijven van groene cijfers ontbreekt. Het had op de weg van [appellanten] gelegen om op basis van stukken gemotiveerd toe te lichten dat de inkomsten en behaalde marges van [appellant 1] te verklaren en legitiem zijn, maar dat hebben zij niet gedaan. Weliswaar hebben [appellanten] uitleg gegeven over de werkzaamheden en partners van [appellant 1] en de manier waarop [appellant 1] met opdrachtgevers als PostNL overeenkomsten sluit, maar zij hebben geen stukken overgelegd die onderbouwen dat die werkwijze leidde tot de gunstige cijfers zoals hiervoor genoemd.
6.13.
Bij gebreke van concrete en voldoende onderbouwing van het verdienmodel van [appellant 1] heeft Rabobank mogen concluderen dat zij het verdienmodel van [appellant 1] niet heeft kunnen doorgronden en dat zij daarom onvoldoende heeft kunnen vaststellen of de activiteiten van [appellant 1] een legitiem karakter dragen. Niet gebleken is dat het onderzoek door Rabobank een ‘fishing expedition’ was in die zin dat Rabobank actief naar redenen heeft gezocht om de relaties met [appellanten] te beëindigen. Dat verzoeken vanuit Rabobank afkomstig waren van de afdeling
Offboardingen dat Rabobank de beoordeling van de beoordelingsspecialist niet met [appellanten] zou hebben gedeeld, is daarvoor onvoldoende.
Constructie verkoop [straat 2]
6.14.
Op 3 november 2022 hebben [appellant 2] en [appellant 3] hun woning aan [straat 2] verkocht aan [naam 1] , 100% aandeelhouder van Hoogveld BV, waarbij de levering werd uitgesteld tot 30 april 2024. In de tussentijd bestond tussen hen een constructie waarbij [naam 1] en haar echtgenoot in de woning verbleven tegen betaling van een maandbedrag van € 4.000 dat in aftrek zou worden gebracht op de koopsom. [appellanten] stellen dat deze constructie met uitgestelde levering niet ongebruikelijk is, om de koper de gelegenheid te geven zijn eigen huis te verkopen en financiering te verkrijgen. Dat dat ook in dit geval de reden was voor deze constructie hebben zij echter niet gesteld. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom een verkoper zou instemmen met een vermindering van de koopsom met de verschuldigde maandbedragen. Anders dan [appellanten] aanvoeren, beperkt dit niet de risico's van de verkoper, maar vergroot deze risico's juist. Daarbij komt dat inzicht in de (herkomst van de) betalingen ontbreekt. Volgens [appellanten] werd de huur ook deels betaald door vennootschappen gelieerd aan [naam 1] en haar echtgenoot, te weten Topdranken BV en Hoogveld BV, maar zij hebben nagelaten met stukken onderbouwd toe te lichten welk bedrag door welke partij wanneer is betaald. Ook daarvoor geldt bovendien dat een witwasrisico niet kan worden uitgesloten, omdat huurbetalingen door Hoogveld BV mogelijk een illegale herkomst hebben, zoals hiervoor is overwogen. Concluderend is de legitimiteit van de constructie niet controleerbaar, waardoor deze niet kan worden vastgesteld en Rabobank dit aan [appellanten] mocht tegenwerpen.
Conclusie
6.15.
Uit het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, vloeit voort dat Rabobank de klantrelatie met [appellanten] heeft mogen opzeggen en dat [appellanten] onvoldoende hebben gesteld voor de conclusie dat de opzegging van de klantrelatie door Rabobank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Ook ontbreekt grond voor het oordeel dat Rabobank in strijd met haar zorgplicht onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat Rabobank de beëindiging van de zakelijke klantrelatie met [appellant 1] en de klantrelaties met [appellant 2] en [appellant 3] in onderling verband mocht bezien. [appellant 2] en [appellant 3] hebben immers op hun privé-rekeningen de huurpenningen ontvangen die mogelijk een illegale herkomst hebben en [appellant 2] is als directeur-grootaandeelhouder verweven met [appellant 1] . Het wegvallen van het vertrouwen van Rabobank raakt daarmee alle partijen en uit de beëindigingsbrieven blijkt dat Rabobank dat heeft meegewogen. Het betoog van [appellanten] daartegen is dan ook vergeefs.
6.16.
In de gegeven omstandigheden weegt het belang van Rabobank bij de beëindiging van de relatie met [appellanten] zwaarder dan het belang van [appellanten] dat deze relatie wordt voortgezet. Daarbij heeft het hof betrokken dat [appellanten] beschikken over rekeningen bij verschillende andere banken en dus nog steeds (kunnen) deelnemen aan het betalingsverkeer, dat zij sinds februari 2024 nauwelijks gebruik maken van de rekeningen bij Rabobank en dat zij niet hebben onderbouwd dat en waarom beëindiging van de relaties verstrekkende gevolgen heeft voor hun reputatie, kredietwaardigheid, lopende financieringen en bedrijfsvoering. Verder hebben [appellanten] niet concreet gemaakt dat de verkoop van de [straat 1] het gevolg was van de houding van Rabobank en dat zij daardoor schade hebben geleden.
6.17.
Gelet op het voorgaande is de vordering onder a zoals weergegeven in 4.1 niet toewijsbaar. Dat geldt ook voor de vorderingen onder c tot en met f die daarop voortborduren. De beëindiging van de bancaire relaties is terecht en de vermelding daarvan in het IVR is niet onrechtmatig. De vordering tot verwijdering van een vermelding bij het BKR is niet toewijsbaar, reeds omdat Rabobank onbetwist heeft aangevoerd dat daarin geen registratie staat van de beëindiging van de klantrelaties. Ook de vordering onder b is dus niet toewijsbaar.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
6.18.
Het hoger beroep heeft geen succes. [appellanten] hebben geen belang bij afzonderlijke bespreking van hun grieven. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellanten] toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 2.580,00tarief II, 2 punten)
Totaal € 3.407,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.407,00;
7.3.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.4
verklaart de veroordelingen in 7.2 en 7.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, Y. Steeg-Tijms en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.