ECLI:NL:GHAMS:2026:1924

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
23-002800-21
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen diefstal met geweld en toewijzing schadevergoeding

Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de rechtbank Amsterdam vernietigd en in hoger beroep de verdachte veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld gepleegd op 15 januari 2019 in Amsterdam. De verdachte en een medeverdachte hebben samen met het slachtoffer geld opgenomen en goederen weggenomen onder gebruik van geweld. Het hof acht de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar en stelt vast dat de verdachte intensief heeft samengewerkt met de medeverdachte en opzet had op medeplegen.

De verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, waarbij rekening is gehouden met de ernst van het feit, het misbruik van vertrouwen en de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank had een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, maar het hof vond dit gezien de omstandigheden niet opportuun.

De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding is deels toegewezen: materiële schade tot € 2.054,59 en immateriële schade volledig tot € 2.250,00. De overige materiële schadeposten zijn afgewezen of niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing of omdat deze bij de civiele rechter moeten worden ingediend. Het hof legt tevens een schadevergoedingsmaatregel op en bepaalt de wettelijke rente vanaf verschillende data.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 240 uur taakstraf voor medeplegen diefstal met geweld en gedeeltelijke toewijzing van schadevergoeding.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002800-21
datum uitspraak: 14 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 oktober 2021 in de strafzaak onder parketnummer 13-252627-19 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 30 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw en de gemachtigde van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep ten aanzien van feit 2

De officier van justitie is in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte voor hetgeen hem onder feit 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen deze beslissing. De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van 11 januari 2024 meegedeeld dat de verdachte geen belang heeft bij een beoordeling van deze beslissing door het hof. De advocaat-generaal en de raadsvrouw hebben verzocht de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van feit 2. Het hof zal – zoals min of meer is toegezegd ter terechtzitting van 11 januari 2024 – dienovereenkomstig beslissen, omdat ook overigens niet is gebleken van een belang dat is gediend met een nieuwe beoordeling van dit feit in hoger beroep. Daarom zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep ten aanzien van feit 2.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen is – voor zover in hoger beroep nog aan de orde – aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, een iPhone X oordoppen en/of oorbellen en/of een iPhone oplader en/of sigaretten en/of een aansteker en/of twee lippenstiften en/of een [paspoort] paspoort en/of een ov-chipkaart en/of een pinpas en/of een telefoon en/of EUR 360,00, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen “kom we gaan pinnen” en/of die [benadeelde partij] (meermalen) met de platte hand en/of de vuist op de rechter schouder en/of arm te slaan en/of die [benadeelde partij] uit een voertuig te trekken en/of die [benadeelde partij] met een telefoon tegen het hoofd te slaan en/of gas te geven en/of weg te rijden terwijl die [benadeelde partij] op de motorkap van het voertuig zat en/of die [benadeelde partij] van de motorkap van het voertuig te trekken
en
hij op of omstreeks 15 januari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot de afgifte van een iPhone X oordoppen en/of oorbellen en/of een iPhone oplader en/of sigaretten en/of een aansteker en/of twee lippenstiften en/of een [paspoort] paspoort en/of een ov-chipkaart en/of een pinpas en/of
een telefoon en/of EUR 360,00, in elk geval enig goed, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen “kom we gaan pinnen” en/of die [benadeelde partij] (meermalen) met de platte hand
en/of de vuist op de rechter schouder en/of arm te slaan en/of die [benadeelde partij] uit een voertuig te trekken en/of die [benadeelde partij] met een telefoon tegen het hoofd te slaan en/of gas te geven en/of weg te rijden terwijl die [benadeelde partij] op de motorkap van het voertuig zat en/of die [benadeelde partij] van de motorkap van het voertuig te trekken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vernietiging vonnis

Het vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank met betrekking tot de bewezenverklaring, de strafoplegging en de beslissingen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1 eerste cumulatief tenlastegelegde: diefstal met geweld in vereniging.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte zich goederen van de aangeefster heeft toegeëigend en dat hij geweld tegen de aangeefster heeft gebruikt. De gedragingen van de medeverdachte kunnen niet aan de verdachte worden toegerekend. De enkele aanwezigheid van de verdachte is onvoldoende om van medeplegen te kunnen spreken. Ook ontbreekt het opzet van de verdachte op het medeplegen en op de diefstal met geweld.
Feiten en omstandigheden
Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.
De aangeefster en de verdachte hebben in de middag van 15 januari 2019 met elkaar afgesproken in Amsterdam en vrijwillig seksuele handelingen bij elkaar verricht in de auto van de verdachte. Later die middag hebben zij de medeverdachte opgehaald in de buurt van station [plaats] . Na enige tijd zijn de medeverdachte en de aangeefster naar een [bedrijf 1] gegaan om te pinnen met de pinpas van de aangeefster bij een ING-geldautomaat. De geldautomaat slikte die pinpas in, waarna de medeverdachte met de aangeefster naar een filiaal van de [bedrijf 2] is gegaan. Daar heeft de aangeefster € 360,00 in contanten van haar rekening opgenomen, waarna zij en de medeverdachte naar de verdachte zijn teruggegaan en in de auto zijn gestapt. De medeverdachte had op dat moment het door de aangeefster opgenomen geld in zijn bezit en heeft een deel van dat geld, namelijk € 160,00, aan de verdachte gegeven. Vervolgens zijn de beide verdachten en de aangeefster naar de omgeving van station [plaats] gereden. Toen de aangeefster zich daar buiten de auto bevond en de verdachte wilde wegrijden is zij op de motorkap gaan zitten. Toen de aangeefster van de motorkap af was, zijn de verdachte en de medeverdachte weggereden en hebben zij de aangeefster achtergelaten. Zij is omstreeks 17.00 uur door de politie hevig overstuur aangetroffen op de [straat] . De telefoon van de aangeefster heeft ongeveer 40 minuten daarvoor een zendmast in de buurt van de [straat] ) aangestraald. Ongeveer een half uur nadat de aangeefster door de politie werd aangetroffen heeft die telefoon een zendmast in de [adres] aangestraald, een straat in de omgeving van het woonadres van de verdachte. De telefoon van de aangeefster is op 19 januari 2019 via de winkel [bedrijf 3] in Amsterdam verkocht. Bij de aangeefster is letsel geconstateerd, waaronder bloeduitstortingen bij/op haar rechterschouderblad, rechterschouder, rechterbovenbeen en beide ellebogen.
De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte haar voorafgaand aan hun afspraak vertelde dat ze uit eten zouden gaan, en dat hij per se wilde dat zij haar pinpas mee zou nemen. Nadat de medeverdachte bij haar en de verdachte in de auto was gestapt, wilde de verdachte haar pinpas hebben. Toen zij deze weigerde af te geven heeft de medeverdachte hard op haar rechterschouder en -bovenarm geslagen. Daarna trok de medeverdachte de aangeefster uit de auto en heeft hij iPhone X oordopjes, oorbellen, een iPhone oplader, sigaretten met een aansteker, twee lippenstiften, een [paspoort] paspoort, een ov-chipkaart en een bankpas van de [bedrijf 2] uit haar zakken gehaald. De verdachte had haar telefoon en heeft haar – op aangeven van de medeverdachte – gefouilleerd. Nadat de aangeefster, zoals hiervoor beschreven, gedwongen geld had opgenomen en weer in de auto zat, wilde de medeverdachte haar iCloud-gegevens hebben. De aangeefster deed alsof ze haar wachtwoord niet kende en daarop begon de medeverdachte tegen haar hoofd te slaan met haar telefoon. De verdachte en de medeverdachte hebben gezegd dat de aangeefster niet mocht schreeuwen, anders zou ze op de snelweg gegooid worden. Toen zij opnieuw weigerde haar wachtwoord te geven, begon de medeverdachte haar te slaan op haar rechterschouder en bovenarm. Eenmaal op een parkeerplaats aangekomen is de aangeefster hardhandig uit de auto getrokken. Zij kreeg het vermoeden dat ze zou worden achtergelaten en stapte weer in. Vervolgens heeft ze geprobeerd haar telefoon terug te krijgen. Toen de aangeefster weer buiten de auto stond is ze op de motorkap gaan zitten in een poging te verhinderen dat de verdachten weg zouden rijden. De verdachte reed echter door terwijl de aangeefster zich vasthield aan de ruitenwissers. Daarna heeft de medeverdachte haar van de motorkap afgetrokken en is de verdachte met de medeverdachte weggereden. Zij hadden nog steeds haar telefoon en andere spullen.
Betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster
Het hof acht de hiervoor weergegeven verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, omdat deze steun vindt in andere bewijsmiddelen. Zo hebben zowel de aangeefster als de verdachte en de medeverdachte verklaard dat zij samen in de auto hebben gezeten en dat er door de aangeefster geld is opgenomen bij de [bedrijf 2] , waarvan een deel door de medeverdachte aan de verdachte is gegeven. Ook de verdachte en de medeverdachte hebben verklaard dat de aangeefster in de buurt van [plaats] de auto heeft verlaten, waarna de verdachte en de medeverdachte zijn weggereden. Daarnaast passen de verwondingen die worden beschreven in de letselverklaring bij het slaan tegen de rechterschouder en bovenarm van de aangeefster. Dit wordt ook ondersteund door de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, dat de medeverdachte geweld heeft gebruikt tegen de aangeefster. De verklaring van de aangeefster vindt bovendien steun in de omstandigheid dat haar telefoon na het incident een zendmast aanstraalde in de omgeving van de woning van de verdachte en in het feit dat de telefoon enkele dagen na het incident is verkocht. Er zijn geen aanwijzingen dat de aangeefster in strijd met de waarheid heeft verklaard.
Medeplegen en opzet
Voor het bewijs van medeplegen – in de tenlastelegging uitgedrukt met de woorden “tezamen en in vereniging” – is nodig dat bij het begaan van het misdrijf sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict door de verdachte van voldoende gewicht is. Dat zal doorgaans het geval zijn als sprake is van een gezamenlijke uitvoering. De bijdrage aan het delict kan echter ook zijn geleverd in de vorm van verschillende gedragingen voor, tijdens of na het strafbare feit. Daarbij kan onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Gelet op hetgeen hiervoor is vastgesteld, is het hof van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte intensief samen hebben gewerkt vóór en tijdens de diefstal met geweld. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan het incident al gezegd dat de aangeefster haar pinpas moest meenemen, welke pinpas hij later – in het bijzijn van de medeverdachte – van haar wilde hebben. Bovendien heeft de verdachte – voor de aangeefster onverwacht – de medeverdachte opgehaald. Kennelijk hadden de verdachte en de medeverdachte daarover al contact met elkaar gehad. De verdachte heeft de medeverdachte en de aangeefster vervolgens naar verschillende locaties gereden, zodat geld kon worden opgenomen. Daarnaast zijn er meerdere momenten geweest waarop geweld tegen de aangeefster is gepleegd door de medeverdachte. Op geen van deze momenten heeft de verdachte daar afstand van genomen. Integendeel, de verdachte pakte de telefoon van de aangeefster, fouilleerde haar, en accepteerde een deel van het gepinde geld. Uiteindelijk zijn de verdachte en de medeverdachte samen vertrokken met het geld en de telefoon van de aangeefster en de andere van haar afgenomen goederen. Ook dat vertrek ging met geweld gepaard. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte is komen vast te staan.
Naar het oordeel van het hof volgt uit voorgaande feiten en omstandigheden en de overige bewijsmiddelen ook dat de verdachte het opzet had op het medeplegen van de diefstal met geweld.
De tot vrijspraak strekkende verweren van de raadsvrouw worden verworpen.
Conclusie
Op grond van de verklaringen van de aangeefster en de overige bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 1 eerste cumulatief ten laste gelegde medeplegen van diefstal met geweld wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 januari 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging, iPhone X oordoppen, oorbellen, een iPhone oplader, sigaretten, een aansteker, twee lippenstiften, een [paspoort] paspoort, een ov-chipkaart, een pinpas, een telefoon en € 360,00, die toebehoorden aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld tegen [benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen “kom we gaan pinnen” en die [benadeelde partij] meermalen met de platte hand en de vuist op de rechter schouder en arm te slaan en die [benadeelde partij] uit een voertuig te trekken en die [benadeelde partij] met een telefoon tegen het hoofd te slaan en weg te rijden terwijl die [benadeelde partij] op de motorkap van het voertuig zat en die [benadeelde partij] van de motorkap van het voertuig te trekken.
Hetgeen onder 1 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 eerste cumulatief bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 eerste cumulatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, waarvan 80 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en onder bijzondere voorwaarden, zoals in het reclasseringsadvies van 24 juni 2026 geadviseerd.
De verdediging heeft verzocht een taakstraf van 120 uren op te leggen, gelet op de beperkte rol van de verdachte in het geheel en de forse overschrijding van de redelijke termijn. Ook is verzocht om rekening te houden met het bepaalde in artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Naar de mening van de verdediging dient het opleggen van een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden, ruim zeven jaar na dato, waarin de verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, geen redelijk doel.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan een gewelddadige diefstal. Het slachtoffer was naar Amsterdam gekomen voor een afspraak (date) met de verdachte. Nadat zij een leuke tijd hadden gehad, hebben zij op initiatief van de verdachte de medeverdachte opgehaald, waarna de date een geheel andere wending nam. Het slachtoffer is meermaals geslagen en uit de auto getrokken en haar spullen, waaronder haar telefoon, zijn weggenomen. Ook moest zij een geldbedrag opnemen, dat gelijk is afgenomen. Nadat zij door de verdachten was achtergelaten op een industrieterrein, is zij in ontredderde toestand aangetroffen door de politie. Feiten zoals deze zijn ernstig en slachtoffers hiervan ondervinden daarvan doorgaans langere tijd psychisch leed en/of gevoelens van onveiligheid. Wat de zaak nog ernstiger maakt, is dat de verdachte op ernstige wijze misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem stelde.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de ernst van het feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden, zoals door de rechtbank opgelegd. Zo’n forse straf zou recht doen aan wat het slachtoffer is aangedaan. Niettemin wijkt het hof in dit bijzondere geval van dit uitgangspunt af. De procedures bij de rechtbank en het hof hebben zo lang geduurd dat het feit inmiddels van zeven jaar geleden dateert. Na dat feit heeft de verdachte begin 2020 nog een strafbaar feit gepleegd waarvoor hij ook in datzelfde jaar is veroordeeld, maar sindsdien is hij niet meer met politie en justitie in aanraking gekomen. Eén van de belangrijke strafdoelen is speciale preventie, maar onder deze omstandigheden is het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf om de verdachte ervan te doordringen dat hij geen strafbare feiten moet plegen, niet meer opportuun. Ook het strafdoel van vergelding dwingt thans niet meer tot het opleggen van een gevangenisstraf.
Behalve de ouderdom van het feit is ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de strafzaak tegen de verdachte had moeten worden afgedaan. Dat geldt zowel voor de procedure in eerste aanleg als die in hoger beroep. Het hof stelt in dit verband vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg is aangevangen op 26 maart 2019 met de inverzekeringstelling van de verdachte. Op 12 oktober 2021 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Dat is een half jaar buiten de termijn van twee jaren. Het hoger beroep is ingesteld op 19 oktober 2021 en het hof wijst thans op 14 juli 2026 arrest. Dat betekent een overschrijding van de redelijke termijn van twee jaar en bijna 9 maanden in hoger beroep.
Dit alles leidt ertoe dat het hof geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal opleggen, maar een taakstraf van de maximale duur. Voor een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden ziet het hof vanwege genoemd tijdsverloop onvoldoende aanleiding. Het verzoek van de verdediging om een lagere taakstraf op te leggen, gaat voorbij aan de ernst van het feit en de kwalijke rol die de verdachte daarbij heeft gehad. Dat de verdachte, zoals door de verdediging is gesteld, onder druk en dreiging van de medeverdachte zou hebben gestaan, is niet aannemelijk geworden.
Het hof acht een taakstraf voor de duur van 240 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt (na aanvulling in eerste aanleg) € 22.735,40, bestaande uit € 20.485,40 aan materiële schade en € 2.250,00 aan immateriële schade. De vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 22.577,96, met veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op € 55,44. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het hof is gebleken dat er in de vordering zoals deze is ingediend een kennelijke rekenfout zit met betrekking tot de schadepost ‘reiskosten’. Het hof leest de vordering verbeterd, wat betekent dat de vordering ter zake van deze post op € 388,07 (in plaats van € 247,47) uitkomt en de totale materiële schade op € 20.626,00.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 22.681,33, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de vordering betwist ten aanzien van de posten ‘Apple iPhone X’, ‘Apple earpods’, ‘telefoonaccessoires’, ‘wimperborsteltje’, ‘gederfde inkomsten’ en ‘tegemoetkoming studievertraging’. Zo blijkt onvoldoende uit het dossier dat de verdachte degene is geweest die de telefoon(accessoires), Airpods en het wimperborsteltje van de benadeelde partij heeft meegenomen. Met betrekking tot de post ‘gederfde inkomsten’ bestaat er onvoldoende causaal verband tussen deze gemiste inkomsten en het handelen van de verdachte. Wat betreft de post ‘tegemoetkoming studievertraging’ blijkt niet dat de aangeefster studievertraging heeft opgelopen als direct gevolg van het ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van de immateriële schade voert de raadsvrouw aan dat er geen causaal verband bestaat tussen de gedragingen van de verdachte en de psychische klachten van de benadeelde partij. Die klachten zijn vooral het gevolg van haar aanranding door de medeverdachte en het door hem uitgeoefende geweld. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de toewijzing van de immateriële schadevergoeding te beperken tot
€ 1.000,00.
Oordeel van het hof
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Materiële schade
Het hof zal de vordering wat betreft de materiële schade toewijzen tot een bedrag van € 2.054,59, bestaande uit de posten ‘opname geld’, ‘Apple iPhone X’, ‘Apple earpods’, ‘telefoonaccessoires’, ‘wimperborsteltje’, ‘gederfde inkomsten’, ‘reiskosten’ voor zover die zien op reiskosten van en naar de psycholoog en ‘eigen risico 2021’. Dit gedeelte van de vordering is genoegzaam onderbouwd. Dat geldt in het bijzonder ook voor de post ‘gederfde inkomsten’, gelet op pagina’s 6-7 van het schade-onderbouwingsformulier en de daarbij gevoegde bijlagen.
De gevorderde vergoeding van de parkeerkosten en de overige reiskosten komen naar het oordeel van het hof niet voor vergoeding in aanmerking, nu die kosten, gelet op de toelichting, als proceskosten moeten worden aangemerkt (vgl. ECLI:NL:PHR:2025:438) en de benadeelde partij procedeert met een gemachtigde. In die situatie komen volgens het civiele recht slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking. Het hof begroot die kosten op nihil, nu de gemachtigde een medewerker van Slachtofferhulp Nederland betreft. Het hof zal de vordering ten aanzien van de materiële schade dan ook in zoverre – dat wil zeggen tot een bedrag van € 241,41 – afwijzen.
Wat betreft de overigens gevorderde vergoeding van materiële schade groot € 18.330,00, bestaande uit de posten ‘tegemoetkoming studievertraging’ en ‘schoolgeld 2018-2019’, zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft het hof namelijk geen volledig beeld gekregen van de presentie en de prestaties van de benadeelde partij in het eerste deel van het schooljaar, vóórdat het bewezenverklaarde plaatsvond. Het hof is van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij nader onderzoek vergt. Dat levert echter een onevenredige belasting van het strafgeding op, zeker nu de benadeelde partij in het arrest in de zaak van de medeverdachte (ECLI:NL:GHAMS:2024:287) hier ook op is gewezen. In zoverre kan de benadeelde partij daarom niet in haar vordering worden ontvangen. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De vordering van de benadeelde partij is in dit verband gebaseerd op artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 6:106 sub b BW Pro is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in haar eer of goede naam of ‘op andere wijze’ in haar persoon is aangetast.​
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het bewezen verklaarde feit. Door het handelen van de verdachte en de medeverdachte heeft het slachtoffer lichamelijk letsel in de vorm van diverse bloeduitstortingen opgelopen. Daarnaast is er naar het oordeel van het hof ook sprake van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106 BW Pro. Hiervan is namelijk in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven zijn of kunnen worden vastgesteld.
Op basis van de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen.
Uit het bericht van zorgverlener “i-psy” aan de huisarts van de benadeelde partij van 20 april 2021 – opgesteld door een psycholoog en een psychiater als medebehandelaar respectievelijk regiebehandelaar – blijkt dat bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld. De klachten zijn na de ten laste gelegde datum ontstaan, na een maand verergerd en in 2021 is zij nog altijd in behandeling en slikt zij medicatie. Zij piekert veel over de traumatische gebeurtenis en de daders, en heeft last van woede- en wraakgevoelens en slaapproblemen. Naar het oordeel van het hof kan het ontstaan van deze PTSS in redelijkheid aan het handelen van (ook) de verdachte worden toegerekend.
Het hof heeft bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op zowel de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, als ook op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Bij de categorie ‘geestelijk letsel, posttraumatische stressstoornis’ kent deze schaal een bandbreedte van € 2.675,00 tot € 5.500,00 in het geval er sprake is van de minst zware categorie van PTSS. Gelet op het voorgaande zal de vordering wat betreft de immateriële schade geheel worden toegewezen tot het bedrag van € 2.250,00.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.304,59 (vierduizend driehonderdvier euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.054,59 (tweeduizend vierenvijftig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van
€ 241,41(tweehonderdeenenveertig euro en eenenveertig cent) aan materiële schade
af.
Verklaart de benadeelde partij
voor het overige(de posten ‘tegemoetkoming studievertraging’ en ‘schoolgeld 2018-2019’)
niet-ontvankelijkin de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de
Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.304,59 (vierduizend driehonderdvier euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 2.054,59 (tweeduizend vierenvijftig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
43 (drieënveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:
- 15 januari 2019 over een bedrag van € 1.226,00;
- 9 februari 2019 over een bedrag van € 261,88 (gederfde inkomsten);
- 17 oktober 2019 over een bedrag van € 154,66 (reiskosten psycholoog);
- 4 mei 2021 over een bedrag van € 412,05 (eigen risico 2021);
en van de immateriële schade op:
15 januari 2019.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J. Piena, mr. S. Jongeling en mr. E.J Hofstee, in tegenwoordigheid van mr. R. Bleumers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 14 juli 2026.