ECLI:NL:GHAMS:2026:1935

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.365.084/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 RvArt. 223 RvArt. 3:13 BWArt. 3:159 lid 1 Wft (oud)Art. 1:89 Wft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad inzageplicht DNB in civiele procedure

De rechtbank Amsterdam had DNB bevolen om aan Conservatrix Group afschrift te verstrekken van bepaalde stukken ten behoeve van een schadeloosstellingsprocedure en een mogelijke onrechtmatige daadprocedure. Dit bevel was uitvoerbaar bij voorraad verklaard. DNB kwam hiertegen in hoger beroep en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad. Conservatrix Group voerde een exceptie van onbevoegdheid op en verzocht om versterking van het bevel met een dwangsom.

Het hof wees de exceptie van onbevoegdheid en het verzoek tot verwijzing af. Bij de belangenafweging oordeelde het hof dat het belang van DNB bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van Conservatrix Group bij onmiddellijke inzage. De vertrouwelijkheid van de stukken is essentieel voor het toezichtsysteem en het delen van deze informatie is onomkeerbaar. Daarom werd het verzoek van DNB tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad toegewezen.

De beslissing over de proceskosten en het verzoek tot dwangsom werd aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak. Partijen werden gelast om hun verhinderdata op te geven voor de verdere behandeling van de hoofdzaak, waarbij Conservatrix Group uiterlijk 11 juli 2026 een verweerschrift moet indienen.

Uitkomst: Het hof schorst de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bevel aan DNB om stukken te verstrekken aan Conservatrix Group vanwege het onomkeerbare karakter van de vertrouwelijke informatie.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.365.084/01
zaaknummer rechtbank : C/13/769512/HA RK 25-169
beschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
in de zaak van
DE NEDERLANDSCHE BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekster in hoger beroep,
tevens verzoekster in het incident tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring,
advocaat: mr. P.P.M. van Kippersluis te Den Haag,
tegen
CONSERVATRIX GROUP S.à.R.L.,
gevestigd te Luxemburg (Luxemburg),
verweerster in hoger beroep,
tevens verzoekster in het incident tot onbevoegdverklaring en verwijzing en tot het alsnog opleggen van een dwangsom,
advocaat: mr. W.A. Westenbroek te Amsterdam.
Partijen worden hierna DNB en Conservatrix Group genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
De rechtbank Amsterdam heeft DNB bevolen om aan Conservatrix Group afschrift van een aantal stukken te verstrekken, ten behoeve van een lopende schadeloosstellingsprocedure bij de Ondernemingskamer van dit hof en een mogelijke procedure tegen DNB en de Staat op de grondslag van een onrechtmatige daad. De beschikking waarbij het bevel is gegeven, is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
1.2.
DNB is tegen het bevel in hoger beroep gekomen. Tegelijkertijd heeft zij het hof verzocht om de uitvoerbaarheid bij voorraad te schorsen. Conservatrix Group heeft daarop een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen, het hof verzocht om de zaak te verwijzen naar een ander hof, en verzocht om het aan DNB gegeven bevel tot afgifte van stukken alsnog te versterken met een dwangsom.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
DNB is bij “Beroepschrift, tevens houdende verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad ex art. 360 lid 2 Rv Pro” (met producties), ontvangen ter griffie van het hof op 17 februari 2026, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de rechtbank Amsterdam op 5 februari 2026 onder bovenvermeld zaaknummer heeft gegeven.
2.2.
Op 4 maart 2026 is ter griffie van het hof een “Akte houdende exceptie/incident voor alle weren tot onbevoegdverklaring althans houdende verzoek tot verwijzing naar ander hof, tevens akte houdende verweer verzoek om schorsing tevens bevattende zelfstandig verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex art. 223 Rv Pro tot het opleggen van dwangsommen” (met producties), van Conservatrix Group ingekomen.
2.3.
Op 15 mei 2026 is ter griffie van het hof een “Verweerschrift inzake het incidentele verzoek tot onbevoegdverklaring, althans verwijzing, en inzake het verzoek ex art. 223 Rv Pro tot het verbinden van dwangsommen” (met producties), van DNB ingekomen.
2.4.
Partijen hebben hun verzoeken in de incidenten tot (1) schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad, (2) onbevoegdverklaring en verwijzing alsmede (3) het verbinden van een dwangsom aan het bevel van de rechtbank respectievelijk hun verweren daartegen tijdens de mondelinge behandeling van 29 mei 2026 laten toelichten door hun advocaten, DNB tevens door mr. A.E.C. Wissink, advocaat te Den Haag. Daarbij is gebruikgemaakt van spreekaantekeningen, die aan het hof zijn overgelegd.
2.5.
Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft het hof zijn uitspraak bepaald op heden.

3.Eerste aanleg

3.1.
Op 20 mei 2025 heeft Conservatrix Group de rechtbank verzocht haar beschikking van 15 mei 2017 te herroepen. In die beschikking heeft de rechtbank op de voet van artikel 3:159 lid Pro 1 (oud) van de Wet op het financieel toezicht (Wft) een overdrachtsplan van DNB goedgekeurd, dat ertoe strekte dat alle aandelen van Conservatrix Group in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. tegen betaling van € 1 overgingen naar Trier Holding B.V. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank geoordeeld (kort gezegd) dat DNB bedrog heeft gepleegd in de zin van artikel 382 Rv Pro, maar dat de aard van de beschikking van 15 mei 2017 zich ertegen verzet dat zij wordt herroepen, zodat Conservatrix Group in het daartoe strekkende verzoek niet-ontvankelijk is.
Over dit deel van de beschikking is een cassatieprocedure aanhangig.
3.2.
Conservatrix Group heeft de rechtbank ook verzocht om DNB te bevelen om aan Conservatrix Group afschrift te verstrekken van stukken. Dat verzoek heeft de rechtbank toegewezen: zij heeft DNB bevolen om binnen dertig dagen een aantal, in het dictum van de beschikking onder 6.2 gespecificeerde stukken, te verstrekken ten behoeve van de schadeloosstellingsprocedure tussen Conservatrix Group en DNB die aanhangig is bij de Ondernemingskamer van dit hof, en ten behoeve van een mogelijke procedure tegen DNB en de Staat op de grondslag van een onrechtmatige daad. Daarbij heeft de rechtbank het verweer van DNB dat artikel 1:89 Wft Pro zich tegen de verzochte inzage verzet omdat het om toezichtvertrouwelijke gegevens gaat, verworpen. Volgens de rechtbank heeft DNB niet toegelicht welke stukken toezichtvertrouwelijk zijn en waarom die stukken dan toezichtvertrouwelijk zijn. Het bevel aan DNB is in de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zulks overeenkomstig het verzoek van Conservatrix Group waartegen DNB geen verweer had gevoerd.
In de hoofdzaak komt DNB met zes grieven op tegen het bevel om inzage te verstrekken.

4.De verzoeken en verweren in de incidenten

4.1.
DNB heeft een incident opgeworpen en het hof verzocht op de voet van artikel 360 lid 2 Rv Pro de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Conservatrix Group in de kosten van het incident.
4.2.
Conservatrix Group heeft voor alle weren een exceptie van onbevoegdheid van dit hof opgeworpen, althans incidenteel verzocht om de zaak te verwijzen naar een ander hof, alsook om het incidentele verzoek van DNB te verwerpen en de veroordeling van DNB om afschrift te verstrekken van de in het dictum van de bestreden beschikking gespecificeerde stukken, alsnog te versterken met een dwangsom.
4.3.
DNB heeft geconcludeerd tot verwerping van de exceptie van onbevoegdheid, tot referte ten aanzien van het verzoek tot verwijzing, en tot afwijzing van het incidentele verzoek om de veroordeling van DNB tot afgifte van stukken te versterken met een dwangsom, steeds met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van Conservatrix Group in de kosten.

5.Beoordeling

5.1.
Omdat de exceptie van onbevoegdheid en het verzoek tot verwijzing van Conservatrix Group het meest verstrekkend zijn, beoordeelt het hof eerst die exceptie en dat verzoek.
5.2.
Op grond van artikel 60 lid 1 RO Pro neemt dit hof kennis van het hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam. Conservatrix Group heeft de exceptie van onbevoegdheid daarom tevergeefs voorgesteld.
5.3.
Het hof wijst het verzoek om de zaak ter verdere behandeling van de zaak te verwijzen naar een ander hof, af. De door Conservatrix Group genoemde omstandigheid dat een samenhangend geschil door de Ondernemingskamer van dit hof is respectievelijk wordt beoordeeld, en dat de wrakingskamer van dit hof recent een verzoek van Conservatrix Group tot wraking van een van de rechters van de Ondernemingskamer heeft toegewezen, vormt daarvoor onvoldoende grond. Deze zaak wordt behandeld door andere rechters, die uit hoofde van hun aanstelling worden vermoed onpartijdig te zijn. Daarom is er voor zo’n verwijzing geen aanleiding.
5.4.
Bij de beoordeling van het verzoek van DNB om de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden bevel te schorsen, strekt tot uitgangspunt dat DNB hangende dit hoger beroep uitvoering moet geven aan het bevel. Tegen de achtergrond van dat uitgangspunt moet worden onderzocht of hier niettemin sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van DNB bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op haar hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van Conservatrix Group bij de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bevel (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (Strandhotel)).
5.5.
DNB heeft haar schorsingsverzoek gemotiveerd door te wijzen op kort gezegd de (toezicht)vertrouwelijkheid van de stukken die zij volgens de rechtbank aan Conservatrix Group moet verstrekken. Die vertrouwelijkheid is volgens DNB essentieel voor het toezichtsysteem zoals dat door de wetgever is vastgelegd in de Wft. In het kader van een reddingsoperatie zouden derden kunnen worden afgeschrikt als zij er rekening mee moeten houden dat vertrouwelijke informatie die zij met DNB delen, later op bevel van de rechter alsnog wordt vrijgegeven. En die mogelijke terughoudendheid van derden zou de toezichthoudersrol van DNB weer kunnen bemoeilijken. Als DNB al vóór een beslissing in de hoofdzaak gevolg zou moeten geven aan dat bevel, zou bovendien niet meer ongedaan gemaakt kunnen worden dat DNB die informatie inmiddels met Conservatrix Group heeft gedeeld.
5.6.
Conservatrix Group voert aan dat de verzochte inzage informatie betreft die negen jaar oud is, door DNB al met anderen is gedeeld en ook met Conservatrix Group gedeeld had moeten worden. Het beroep op toezichtvertrouwelijkheid komt neer op misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW Pro. Conservatrix Group heeft inzage in de betreffende stukken nodig in het kader van lopende en nog aanhangig te maken procedures en uitstel zou de effectieve uitoefening van de rechten van Conservatrix Group aantasten.
5.7.
Het belang van DNB bij behoud van de bestaande toestand weegt naar het oordeel van het hof zwaarder dan het belang van Conservatrix Group bij inzage voordat is beslist in de hoofdzaak, die uitsluitend draait om de vraag of door DNB inzage moet worden gegeven in de betreffende stukken. Daartoe moet een rechtsvraag van principiële aard worden beantwoord, die niet volkomen is uitgekristalliseerd. De schade die DNB mogelijk lijdt door onmiddellijke inzage in de informatie die aan haar in het kader van haar toezichthoudende taak vertrouwelijk is verstrekt, is naar haar aard onomkeerbaar. Het hof onderkent dat kennisneming van de informatie die DNB ingevolge de bestreden beschikking met Conservatrix Group moet delen, van belang kan zijn voor een beoordeling van de rechtspositie van Conservatrix Group in de procedures die zij al voert en nog voornemens is te voeren. Echter, ook tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat hangende het hoger beroep aan het bevel van de rechtbank uitvoering moet worden gegeven, komt het belang van Conservatrix Group niet zodanig acuut voor dat dit het ontstaan van een onomkeerbare situatie rechtvaardigt. De stelling dat de schorsing van het bevel de wettelijke exhibitieregeling frustreert, volgt het hof niet, temeer nu de hoofdzaak zelf niet strekt tot een beslissing over de schadevergoedingsvorderingen die Conservatrix Group tegen DNB heeft ingesteld of zal instellen.
5.8.
De slotsom luidt dan ook dat het verzoek om op de voet van artikel 360 lid 2 Rv Pro de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, wordt toegewezen voor zover het gaat om het bevel aan DNB om binnen dertig dagen aan Conservatrix Group afschrift te verstrekken van de in het dictum van die beschikking onder 6.2 gespecificeerde stukken. Bij deze stand van zaken behoeft het verzoek van Conservatrix Group om aan het bevel aan DNB alsnog een dwangsom te verbinden, geen behandeling.
5.9.
Elke verdere beslissing, waaronder de beslissing over de kosten van dit incident, zal worden aangehouden tot de eindbeschikking in de hoofdzaak.

6.De hoofdzaak

6.1.
Partijen dienen bij brief aan de griffie van het hof hun verhinderdata op te geven in oktober tot en met december 2026, ten behoeve van de behandeling van het verzoek van DNB in de hoofdzaak. In die hoofdzaak moet Conservatrix Group uiterlijk op 11 juli 2026 een verweerschrift indienen.

7.Beslissing

Het hof:
in de incidenten
wijst de verzoeken tot onbevoegdverklaring en verwijzing af;
schorst de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bevel aan DNB in de bestreden beschikking om binnen dertig dagen aan Conservatrix Group afschrift van de in het dictum van die beschikking onder 6.2 gespecificeerde stukken te verstrekken;
houdt de beslissing over de proceskosten in de incidenten aan tot aan de eindbeschikking in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak
gelast partijen om binnen vier weken opgave te doen van hun verhinderdata in oktober tot en met december 2026, ten behoeve van de mondelinge behandeling van het verzoek van DNB;
stelt het einde van de verweertermijn vast op 11 juli 2026;
houdt elke verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Alwin, mr. M.A.M. Vaessen en mr. A.C. van Schaick en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.