ECLI:NL:GHAMS:2026:1940

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
200.326.359/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 21 RvArt. 6 lid 1 EVRMEU-richtlijn 2019/1937
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onrechtmatig handelen advocatenkantoor bij onderzoek in opdracht van EY

Deze civiele zaak betreft een geschil tussen een voormalig partner van EY en een advocatenkantoor dat in opdracht van EY een onderzoek uitvoerde naar het gedrag van een andere partner. Appellanten stelden dat het advocatenkantoor onrechtmatig had gehandeld tijdens het onderzoek, wat schade tot gevolg had. De rechtbank wees de vorderingen af en het hof bekrachtigt dit oordeel.

In hoger beroep voerden appellanten aan dat het advocatenkantoor als onafhankelijk onderzoeker had moeten optreden en de klokkenluidersregeling had moeten volgen. Het hof oordeelde dat het advocatenkantoor als partijdige belangenbehartiger van EY handelde en dat de opdracht en uitvoering daarvan niet onrechtmatig waren. De stellingen van appellanten werden onvoldoende onderbouwd en nieuwe feitelijke stellingen werden slechts deels toegelaten.

Het hof stelde vast dat het advocatenkantoor duidelijk had gecommuniceerd over haar rol, dat er voldoende hoor en wederhoor was toegepast en dat de belangen van appellanten als informant niet waren miskend. De vorderingen tot schadevergoeding en verklaringen voor recht werden afgewezen. Appellanten werden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellanten af wegens ontbreken van onrechtmatig handelen door het advocatenkantoor.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,
team I (handel)
zaaknummer : 200.326.359/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/713329 / HA ZA 22-112
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2026
in de zaak van
[appellant 1] ,
wonend in [plaats 1] ,
[appellant 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
appellanten,
advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,
tegen
[geïntimeerde 1] ,
wonend in [plaats 3] ,
[geïntimeerde 2] N.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. M. Ynzonides te Amsterdam.
Appellanten worden hierna gezamenlijk [appellanten] genoemd. Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk [geïntimeerden] , althans [geïntimeerde 2] , genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak draait om een geschil tussen [appellant 1] – voormalig partner van accountants- en advieskantoor EY – en (advocatenkantoor) [geïntimeerde 2] . [geïntimeerde 2] heeft in opdracht van EY onderzoek gedaan naar het gedrag van een andere partner van EY . Aanleiding voor dat onderzoek was door [appellant 1] met EY gedeelde informatie. [appellanten] stellen dat [geïntimeerde 2] bij dat onderzoek onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld met schade tot gevolg. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Ook het hof komt tot het oordeel dat de vorderingen van [appellanten] niet toewijsbaar zijn. Dit leidt tot een bekrachtiging van het vonnis van de rechtbank.

2.Het geding in hoger beroep

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 10 maart 2023 in hoger beroep gekomen van een mondeling vonnis van 13 december 2022 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en [geïntimeerden] als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis).
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven van 8 augustus 2023, met producties;
- memorie van antwoord van 14 november 2023.
Op 6 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellanten] hebben de zaak laten toelichten door mr. Lem, voornoemd, en door mr. H. Bais, advocaat te Amersfoort. [geïntimeerden] hebben de zaak laten toelichten door mr. Ynzonides, voornoemd. De advocaten hebben zich bediend van spreekaantekeningen die in het geding zijn gebracht.
Vervolgens hebben partijen nog de volgende stukken ingediend:
- akte van 4 november 2025 van [appellanten] , met productie,
- antwoordakte van 2 december 2025 van [geïntimeerden]
Beide partijen hebben bewijs aangeboden van hun stellingen.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten.
3.1.
[appellant 1] was van 1 april 2014 tot 1 juli 2021 via zijn praktijkvennootschap [appellant 2] B.V. partner bij accountants- en advieskantoor Ernst & Young (hierna: EY ). Het hof zal hierna over EY spreken en geen onderscheid maken tussen (de rechtsvoorgangers van) EY Advisory Netherlands LLP ( EYAN ) en Ernst & Young Nederland LLP ( EYNL ), tenzij anders vermeld.
3.2.
Op 1 februari 2017 is de EY Nederland Klokkenluidersregeling (hierna: de Klokkenluidersregeling) in werking getreden, met als bijlage de EY Nederland Klachtenregeling (hierna: de Klachtenregeling).
3.3.
Bij brief van 23 oktober 2018 heeft EY aan [appellanten] een formele waarschuwing verzonden wegens het schenden van interne (procedure)regels en het niet voldoen aan instructies van leidinggevenden.
3.4.
Bij brief van 25 oktober 2018 heeft EY aan [appellanten] het winstaandeel over het fiscale boekjaar 2018 (hierna: “FY18”) bekend gemaakt, waarbij een korting van 4,84% op dat winstaandeel is toegepast. In de bij de brief behorende bijlage is [appellant 1] ingedeeld in de categorie
“Need to Progress”.
3.5.
[appellant 1] heeft (intern) beroep bij EY aangetekend tegen de toegepaste korting op het winstaandeel FY18. Mede naar aanleiding van de in dat beroep door [appellanten] met EY gedeelde informatie over een andere partner (hierna: partner X), hebben op 31 maart en 7 april 2020 gesprekken plaatsgevonden tussen [appellant 1] en (vertegenwoordigers van) EY .
3.6.
EY heeft medio mei 2020 advocatenkantoor [geïntimeerde 2] ingeschakeld voor een onderzoek. Bij e-mail van 17 mei 2020 heeft [geïntimeerde 2] aan [appellanten] geschreven:
“Wij doen in opdracht van EY Nederland LLP onderzoek naar mogelijk ongepast gedrag van een partner van EY Nederland (“Partner X”). Het onderzoek zal zich toespitsen op de volgende drie elementen:
i.
De mogelijke wijziging door Partner X van “meet expectations” naar “did not meet expectations” in de Q-rating die een component vormt voor de Total Compensation FY18 van een partner van EY Nederland LLP ;
ii.
Mogelijk ongepast gedrag van Partner X jegens Partner Y;
iii.
Mogelijke schending van mededingingsrecht zoals geuit tijdens een bijeenkomst in juli/augustus 2018 waar zowel Partner X als Partner Y aanwezig waren.
Aanleiding voor dit onderzoek is de informatie die door jou is gedeeld in de door jou aanhangig gemaakte beroepsprocedure bij de Europe Appeals Committee (AEC). Wij spreken met jou als direct betrokkene. Het doel van het gesprek is het verzamelen van feiten en informatie (…).
Van het interview zal een verslag door ons worden gemaakt. Dit verslag kun je na afloop digitaal inzien en bij feitelijke onjuistheden van opmerkingen voorzien. Jouw opmerkingen zullen waar nodig verwerkt worden en daarna word je gevraagd om het interviewverslag (digitaal) te accorderen (…). Het interviewverslag valt binnen de reikwijdte van het verschoningsrecht van [geïntimeerde 2] . Dit betekent dat je geen kopie van het interviewverslag zal ontvangen, wel kan je te allen tijde het stuk bij ons inzien. EY zal geen toegang krijgen tot of kopie ontvangen van de afzonderlijke interviewverslagen (…).
Zoals aangegeven doen wij dit onderzoek in opdracht van EY . Wij verlenen als zodanig enkel juridische bijstand aan EY en niet aan jou of enig ander individu persoonlijk. Gelet op de door jou geuite zorgen ten aanzien van jouw positie heb ik aangegeven dat het mogelijk is om een advocaat mee te nemen naar het gesprek. Hij of zij kan dan jouw belangen behartigen indien nodig. Voor de volledigheid merk ik op dat kosten voor bijstand voor eigen rekening komen.”
3.7.
Bij e-mail van 19 mei 2020 heeft [appellant 1] aan [geïntimeerde 2] geschreven graag mee te werken aan het onderzoek en naar zijn beste herinnering vragen te zullen beantwoorden, en daarnaast heeft hij ter voorbereiding op het interview enkele documenten toegezonden.
3.8.
Op 19 mei 2020 heeft een eerste (online) interview van [geïntimeerde 2] met [appellant 1] plaatsgevonden. Het verslag van dit interview is door [appellant 1] digitaal ingezien en met [geïntimeerde 2] besproken. Bij e-mail van 25 mei 2020 is het verslag (inclusief de door [appellant 1] voorgestelde aanpassingen) door [appellant 1] geaccordeerd.
3.9.
Op 28 mei 2020 heeft een tweede (online) interview van [geïntimeerde 2] met [appellant 1] plaatsgevonden. Ook het verslag van dit interview is door [appellant 1] digitaal ingezien en met [geïntimeerde 2] besproken. Het verslag is bij e-mail van 8 juni 2020 (inclusief de door [appellant 1] voorgestelde aanpassingen) door [appellant 1] geaccordeerd.
3.10.
Op 3 juni 2020 heeft [geïntimeerde 2] de concept-bevindingen in haar rapportage, voor zover deze betrekking hadden op [appellant 1] , met [appellant 1] gedeeld en hem in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Deze reactie heeft [geïntimeerde 2] op schrift gesteld en aan de rapportage toegevoegd. De concept-bevindingen (inclusief de op schrift gestelde reactie) zijn op 3 juni 2020 door [appellant 1] geaccordeerd.
3.11.
Op 11 juni 2020 heeft [geïntimeerde 2] haar onderzoek afgerond en aan EY een vertrouwelijke notitie met onderzoeksresultaten uitgebracht.
3.12.
Bij brief van 28 oktober 2020 heeft EY aan [appellanten] het winstaandeel over het fiscale boekjaar 2020 (hierna: FY20) bekend gemaakt, waarbij een korting van 25% op dat winstaandeel is toegepast. In de bij de brief behorende bijlage is [appellant 1] ingedeeld in de categorie
“Need to Progress”.
3.13.
Bij brief met bijlage van 24 november 2020 heeft EY aan [appellanten] geschreven dat zij voornemens was afscheid te nemen van [appellanten] en de partnerschapsovereenkomst te beëindigen. Als reden hiervoor heeft EY genoemd dat de resultaten van [appellant 1] voor FY18 en FY20 zijn achtergebleven bij de afgesproken doelen en dat dit heeft geresulteerd in de laagst mogelijke beoordeling
“Need to progress”, wat betekent dat er in de visie van EY geen zicht is op verbetering. Uit de bijlage bij deze brief blijkt dat [appellant 1] in gesprekken over zijn prestaties erkend heeft dat hij zijn targets niet heeft gehaald.
3.14.
Bij brief van 24 december 2020 heeft EY de partnerschapsovereenkomst met (de praktijkvennootschap van) [appellant 1] formeel opgezegd. Deze overeenkomst is geëindigd op 30 juni 2021.
3.15.
Bij e-mail van 4 maart 2021 heeft de interne beroepscommissie van EY het door [appellanten] ingestelde beroep tegen de korting op het winstaandeel FY18 ongegrond verklaard, omdat het winstaandeel volgens de beroepscommissie is vastgesteld
“in compliance with the EPRS principles”. In dezelfde e-mail heeft EY geschreven:
“The assessment of the Quality rating for FY18, as well as the investigation of certain allegations you had raised at the time, were not in the mandate of the APM-SC to review or assess. The APM-SC has however taken note that an independent investigation was launched by the Dutch firm and that the findings of this investigation found no evidence to support the allegations made. You had an opportunity to directly debrief with the independent law firm. As a result, no changes were made to the QRM rating. All of the above, including the confirmation that the determination of your earnings for FY18 has been done in compliance with the EPRS principles, has been confirmed to you and to WEM leadership.”
3.16.
Op verzoek van EY heeft [geïntimeerde 2] op 10 maart 2021 op haar kantoor [appellant 1] inzage gegeven in (de geanonimiseerde versie van) de aan EY uitgebrachte notitie met onderzoeksresultaten. [geïntimeerde 2] heeft zich voor het volledige onderzoek dossier beroepen op haar geheimhoudingsplicht en het daaraan gekoppelde verschoningsrecht, zoals zij schriftelijk aan [appellanten] heeft bevestigd bij e-mail van 11 maart 2021.
3.17.
Bij e-mail van 16 maart 2021 heeft EY aan [appellant 1] geschreven dat zij niet zal overgaan tot het verstrekken van stukken in relatie tot het door [geïntimeerde 2] uitgevoerde onderzoek:
“De reden hiervoor is gelegen in het feit dat onze opzegbrief van 24 december 2024 geen verband houdt met jouw melding; EYAN heeft de partnership opgezegd omdat er binnen Nederland geen positie beschikbaar is voor een partner met jouw profiel. De opzegging heeft dus plaatsgevonden op grond van economische noodzaak.”

4.Procedure bij de rechtbank

4.1.
[appellanten] hebben bij de rechtbank gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat (1) [geïntimeerden] tegenover [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld door in opdracht van EY onzorgvuldig onderzoek te doen naar de meldingen misstanden als door [appellant 1] in 2018 en 2020 gedaan, en (2) dat [geïntimeerden] verplicht zijn de schade van [appellant 1] (een bedrag van € 11.000.000,00) aan [appellant 1] te vergoeden, te vermeerderen met een bedrag aan reputatieschade, nader op te maken bij staat, met veroordeling van [geïntimeerden] in de (na)kosten.
4.2.
De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen de door [appellanten] gestelde schade en het onderzoek van [geïntimeerden] De rechtbank heeft de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

5.Gewijzigde eis in hoger beroep

5.1.
In hoger beroep hebben [appellanten] hun eis gewijzigd. Zij vorderen samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en
primair:
- terugwijzing van de zaak naar de rechtbank wegens het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro van de rechter die het bestreden vonnis heeft gewezen;
subsidiair:
i. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] tegenover [appellanten] onrechtmatig hebben gehandeld door in opdracht van EY in strijd met de wet, zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] en zonder gebruikmaking van rechtmatige middelen, onderzoek te hebben gedaan naar de meldingen misstanden (klokkenluidersmeldingen) als door [appellanten] in 2018 en 2020 bij EY gedaan;
ii. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [appellanten] daardoor hebben geleden en zullen lijden en dat [geïntimeerden] verplicht zijn die schade aan [appellanten] te vergoeden, te vermeerderen met reputatieschade, nader op te maken bij staat;
iii. een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] proportioneel aansprakelijk zijn voor de schade die [appellanten] daardoor hebben geleden en zullen lijden en dat [geïntimeerden] verplicht zijn die schade aan [appellanten] te vergoeden, te vermeerderen met reputatieschade, nader op te maken bij staat;
met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.
5.2.
Volgens [geïntimeerden] moet het hof de (gewijzigde) vorderingen van [appellanten] afwijzen en het bestreden vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

6.Beoordeling

6.1.
[appellanten] hebben in hoger beroep één grief aangevoerd tegen het vonnis van de rechtbank. In deze zaak gaat het in de kern om de vraag of [geïntimeerde 2] bij het door haar verrichte onderzoek onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [appellanten] en of zij om die reden aansprakelijk is voor de door [appellanten] gestelde schade.
Geen terugwijzing naar de rechtbank
6.2
[appellanten] hebben primair vernietiging van het bestreden vonnis en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank gevorderd, wegens het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid (in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM Pro) van de rechter die het bestreden vonnis heeft gewezen. Het hof zal deze vordering afwijzen om de navolgende redenen.
6.3.
Uitgangspunt in hoger beroep is dat de appelrechter bij vernietiging van een eindvonnis niet mag terugwijzen naar de rechter in eerste aanleg en de zaak zelf moet afdoen. Door het hoger beroep tegen een einduitspraak wordt immers in beginsel de gehele zaak naar de appelrechter overgebracht die opnieuw op de vordering(en) dient te beslissen. Een uitzondering geldt slechts voor de gevallen waarin de appelrechter een einduitspraak van de rechter in eerste aanleg vernietigt waarbij deze zich onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen, of andere gevallen waarin de rechter eveneens op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen (vgl. HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857).
6.4.
Uit het voorgaande volgt dat de door [appellant 1] aangevoerde reden voor terugwijzing, wat daar verder ook van zij, geen uitzondering op het verbod van terugwijzing rechtvaardigt. Voor zover [appellanten] menen dat de rechtbank niet daadwerkelijk aan een inhoudelijke behandeling van de zaak is toegekomen, faalt dat betoog evenzeer. De rechtbank heeft immers op inhoudelijke gronden, het ontbreken van voor aansprakelijkheid vereiste causaliteit, de vorderingen van [appellanten] afgewezen. Het betoog van [appellanten] faalt dus. Het hof komt daarmee toe aan beoordeling van de subsidiaire vorderingen (i. t/m iii.) van [appellanten]
Nieuwe feitelijke stellingen [appellanten] deels toelaatbaar
6.5.
[appellanten] hebben ter zitting van het hof twee nieuwe feitelijke stellingen aan hun vorderingen ten grondslag gelegd:
1. EY heeft aan [geïntimeerde 2] de opdracht gegeven om als onafhankelijk onderzoeker – en niet als advocaat van EY – onderzoek te doen naar de meldingen van [appellanten] uit 2018 en 2020;
2. EY heeft daarnaast aan [geïntimeerde 2] de opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de vraag of de gang van zaken de toets der kritiek kon doorstaan, ook indien het klokkenluidersmeldingen zou betreffen.
6.6.
[geïntimeerde 2] heeft bezwaar gemaakt tegen het aanvoeren van nieuwe stellingen in deze fase van de procedure. Daarop beslist het hof als volgt. In hoger beroep is het aanvoeren van een nieuwe stelling of grief na conclusiewisseling toelaatbaar indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe stelling of grief ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat – indien dan nog mogelijk – een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe stelling of grief niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde. [appellanten] verwijzen ter onderbouwing van het standpunt dat hun stellingen toelaatbaar zijn naar een proces-verbaal van mondelinge behandeling houdende een verklaring van oud-voorzitter van de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van EY , mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ), waaruit de (reikwijdte van de) opdracht van [geïntimeerde 2] zou blijken. Omdat deze verklaring dateert van 29 september 2025, is naar het oordeel van het hof sprake van een nieuw feit in bovengenoemde zin en zijn de daarop gebaseerde, onder 6.5 (onder 1 en 2) weergegeven, nieuwe feitelijke stellingen van [appellanten] toelaatbaar. Van strijd met de goede procesorde is in zoverre geen sprake.
6.7.
Ter zitting hebben [appellanten] daarnaast voor het eerst betoogd dat [geïntimeerde 2] zich, vanwege de opdracht die zij van EY had gekregen, had moeten verdiepen in de inhoud van de taken van de voorzitter van de RvC van EY . Deze nieuwe feitelijke stelling is te laat in het licht van de hiervoor genoemde regel, daarmee niet toelaatbaar en behoeft dus geen behandeling.
6.8.
De inhoud en strekking van de door EY aan [geïntimeerde 2] verstrekte opdracht brengt volgens [appellanten] mee dat [geïntimeerde 2] had moeten onderzoeken of sprake was van klokkenluidersmeldingen door [appellant 1] in de zin van de Klokkenluidersregeling en EU Richtlijn 2019/37, wat zij niet heeft gedaan. Zij had in dat geval moeten vaststellen dat het inderdaad ging om klokkenluidersmeldingen, wat nu niet is gebeurd. Hierdoor heeft [appellant 1] , aldus nog steeds [appellanten] , geen bescherming als klokkenluider gehad en schade geleden door maatregelen van de zijde van EY , in de vorm van korting op zijn winstaandeel voor FY18 en FY20 en opzegging van de partnerovereenkomst. Daarnaast hebben [appellanten] door de handelwijze van [geïntimeerde 2] extra (proces)kosten moeten maken en immateriële schade geleden. Tot slot stellen [appellanten] zich op het standpunt dat [geïntimeerde 2] – gezien de volgens [appellanten] verstrekte opdracht – over de werkelijke aard en reikwijdte van haar onderzoek niet naar waarheid in de procedure heeft verklaard en daarmee in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende waarheidsplicht (artikel 21 Rv Pro).
Opdracht EY aan [geïntimeerde 2]
6.9.
De vorderingen van [appellanten] zijn gebaseerd op de stelling dat [geïntimeerde 2] van EY de opdracht had gekregen om als onafhankelijk onderzoeker (en niet als partijdig advocaat) onderzoek te doen naar klokkenluidersmeldingen van [appellant 1] uit 2018 en 2020. [appellanten] verwijten [geïntimeerde 2] dat zij in strijd heeft gehandeld met de norm die geldt voor de onafhankelijke onderzoeker. Deze norm verschilt van de norm voor de partijdige advocaat die primair de belangen behartigt van zijn cliënt. Het hof zal daarom eerst onderzoeken waartoe en in welke hoedanigheid EY aan [geïntimeerde 2] opdracht had gegeven, alvorens de verwijten te bespreken die [appellanten] [geïntimeerde 2] maken.
6.10.
Voor een antwoord op de vraag of [geïntimeerde 2] haar onderzoek heeft uitgevoerd als onafhankelijk (advocaat)onderzoeker, zoals [appellanten] stellen, of als advocaat en partijdige belangenbehartiger van EY , zoals [geïntimeerden] aanvoeren, is primair van belang wat EY en [geïntimeerde 2] als contractspartijen met elkaar zijn overeengekomen. In welke hoedanigheid [geïntimeerde 2] optrad, hangt daarbij primair af van hetgeen EY en [geïntimeerde 2] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden.
6.11.
Het standpunt van [geïntimeerde 2] dat zij, als (partijdig) advocaat van EY , feitenonderzoek diende te doen naar het gedrag van Partner X op een drietal aspecten vindt steun in uitlatingen van [geïntimeerde 2] tegenover [appellant 1] bij de start van haar onderzoek. In de hiervoor onder 3.6 genoemde e-mail van 17 mei 2020 schrijft [geïntimeerde 2] immers aan [appellant 1] dat haar onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van EY en dat haar onderzoek valt binnen het verschoningsrecht van [geïntimeerde 2] als advocaat. Ter verduidelijking heeft [geïntimeerde 2] geschreven:
“Zoals aangegeven doen wij dit onderzoek in opdracht van EY . Wij verlenen als zodanig enkel juridische bijstand aan EY en niet aan jou of enig ander individu persoonlijk”. Ook heeft [geïntimeerde 2] in deze e-mail aan [appellant 1] gewezen op de mogelijkheid van het inschakelen van een eigen advocaat die zijn belangen zou kunnen behartigen tijdens de gesprekken. Al het voorgaande bevestigt dat [geïntimeerde 2] niet optrad als onafhankelijk onderzoeker, maar als (partijdige) behartiger van de belangen van EY die feitenonderzoek deed ter uitvoering van de daarop gerichte opdracht die zij van haar cliënte EY had verkregen.
6.12.
[geïntimeerde 2] heeft zich gedurende haar onderzoek en de interviews met [appellant 1] in mei en juni 2020 ook steeds als advocaat van EY opgesteld en als zodanig gehandeld. Zo blijkt uit een e-mail van 11 mei 2021, na de inzage van [appellant 1] in de notitie met onderzoeksresultaten op het kantoor van [geïntimeerde 2] , dat [geïntimeerde 2] optrad als advocaat voor EY en zich uitdrukkelijk beriep op haar geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht:
“Middels deze notitie heeft [geïntimeerde 2] haar contactpersoon binnen EY (…) op vertrouwelijke basis geïnformeerd over de resultaten van het door [geïntimeerde 2] uitgevoerde interne onderzoek. [geïntimeerde 2] heeft een geheimhoudingsplicht (…)”.
6.13.
Daarbij komt dat EY al in de gesprekken van 31 maart en 7 april 2020 aan [appellant 1] had laten weten dat de door hem in de beroepsprocedure tegen de korting op zijn winstaandeel gedeelde informatie aanleiding zou kunnen zijn voor een extern feitenonderzoek naar het gedrag van Partner X. In die gesprekken is het niet gegaan over een onafhankelijk onderzoek naar mogelijke klokkenluidersmeldingen, ook al omdat [appellant 1] in de gesprekken met EY meermaals heeft benadrukt juist geen
“whistleblower”te willen zijn.
6.14.
In het licht van het voorgaande hebben [appellanten] onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit blijkt dat [geïntimeerde 2] bij haar onderzoek optrad als onafhankelijk onderzoeker en niet als advocaat van EY . De verwijzing naar de verklaring van [naam 1] zoals vastgelegd in het proces-verbaal van 29 september 2025 (zie onder 6.6 hiervoor) kan [appellanten] niet baten. Zoals hiervoor onder 6.10 is overwogen, is voor het vaststellen van de aard en reikwijdte van de opdracht van EY aan [geïntimeerde 2] primair van belang wat deze twee partijen met elkaar zijn overeengekomen. [naam 1] was als toenmalig voorzitter van de raad van commissarissen geen partij bij de opdrachtovereenkomst tussen EY en [geïntimeerde 2] . Daarbij komt dat uit haar verklaring blijkt dat [naam 1] pas na ontvangst van een brief van [appellant 1] in juni 2021 formeel betrokken raakte bij de kwestie. Uit haar verklaring volgt onvoldoende dat zij op enigerlei wijze bij de daadwerkelijke opdrachtverlening in mei 2020 betrokken is geweest. Nog los daarvan biedt haar verklaring ook inhoudelijk geen steun voor de stellingen van [appellanten] als (onder meer) bedoeld onder 6.5 onder 2 hiervoor. Uit haar verklaring volgt in de kern dat [naam 1] aan het bestuur van EY heeft gevraagd te onderzoeken of
“het de toets der kritiek kon doorstaan als het wel een klokkenluidersmelding zou worden”.Volgens [naam 1] heeft een advocaat, die zij in deze passage van haar verklaring niet bij naam noemt, daarop bevestigd dat [geïntimeerde 2] onafhankelijk genoeg was, in de zin dat [geïntimeerde 2] niet eerder bij het dossier betrokken was geweest en ook geen huisadvocaat was van EY . Uit haar verklaring kan geenszins worden afgeleid dat EY in mei 2020 opdracht had gegeven aan [geïntimeerde 2] om onafhankelijk onderzoek te doen naar klokkenluidersmeldingen. Daarnaast bevestigt haar verklaring dat juist geen sprake was van klokkenluidersmeldingen, omdat [appellant 1] kenbaar had gemaakt geen klokkenluider te willen zijn. [appellant 1] heeft dit ook een jaar na de gesprekken met EY (nogmaals) bevestigd aan [naam 1] , zoals blijkt uit haar verklaring:
“Hij wilde het “low key” houden en niet als klokkenluider aangemerkt worden.”
6.15.
[appellanten] verwijzen voorts naar de verklaring van [naam 2] die in hetzelfde proces-verbaal is opgenomen. Zijn verklaring houdt echter in dat hij pas betrokken is geraakt bij deze kwestie op het moment dat [naam 1] een brief kreeg van [appellant 1] in juni 2021. Dat was dus ruim nadat de opdracht aan EY was verstrekt. Bovendien heeft [naam 2] verklaard:
“Mijn advies was dat [geïntimeerde 2] onafhankelijk genoeg was. [geïntimeerde 2] speelde in dit dossier geen rol, was niet betrokken en was niet de huisadvocaat. Dat is voldoende onafhankelijk. Er is ook op die manier gekeken door [geïntimeerde 2] . Er kan dus geen sprake zijn van een ernstig persoonlijk verwijt aan de zijde van [naam 1] dat ze niet heeft gezorgd dat er alsnog een onafhankelijk advocatenkantoor werd ingeschakeld om onderzoek te doen. Dat kan je niet verwachten.”Deze verklaring bevestigt dat op dat moment (na juni 2021) geen sprake was van een onafhankelijk (advocaat)onderzoeker, maar van een partijdige belangenbehartiger van EY .
6.16.
Er zijn als gezegd geen feiten gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat de uitleg van [appellanten] juist is dat [geïntimeerde 2] haar onderzoek heeft uitgevoerd als onafhankelijk (advocaat)onderzoeker. De stelling van [appellanten] dat onder het onderzoeksrapport vermeld stond dat geen rechten aan het onderzoek konden worden ontleend, maakt dit oordeel niet anders, evenmin als het gegeven dat het onderzoek van [geïntimeerde 2] in de procedure bij de
interneberoepscommissie van EY is afgewacht.
6.17.
Overigens heeft [appellant 1] destijds ook goed begrepen dat [geïntimeerde 2] in hoedanigheid van advocaat en belangenbehartiger van EY optrad en geen onderzoek overeenkomstig de klokkenluidersregeling deed. [geïntimeerde 2] presenteerde zich dus ook in de ogen van [appellant 1] niet als onafhankelijk onderzoeker. Dat volgt onder meer uit zijn e-mail van 15 mei 2021 waarin hij zich verzet tegen het beroep op het verschoningsrecht en heeft geschreven:
“Ik heb immers zowel bijuw cliënte EY NL, als bij u en uw collega [geïntimeerde 1]als advocaten van EY NL, herhaalde malen aangegeven dat ik over een kopie van de gehele inhoud van de onderzoekrapportage dien te beschikken (…)”(onderstreping, hof).
6.18.
Het hof zal gelet op al het voorgaande de uitleg van [geïntimeerde 2] volgen. Dat betekent dat bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt strekt dat [geïntimeerde 2] in opdracht van EY niet als onafhankelijk onderzoeker is opgetreden, maar als advocaat en belangenbehartiger van EY , dus in de partijdige rol van juridisch adviseur, en dat zij in die hoedanigheid feitenonderzoek diende te doen naar het gedrag van Partner X, dat bedoeld was voor intern gebruik, waarbij [appellant 1] als informant is gehoord. Het voorgaande betekent ook dat het hof de stelling van [appellanten] verwerpt dat EY aan [geïntimeerde 2] de opdracht heeft gegeven om tegen beter weten in onderzoek te doen naar de meldingen misstanden door [appellant 1] in strijd met het protocol uit de Klokkenluidersregeling. Aan nadere bewijslevering omtrent doel en strekking van de aan [geïntimeerde 2] verleende opdracht wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen.
6.19.
Tot slot volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, waartoe behoort wat onder 6.17 hiervoor staat, dat [geïntimeerde 2] over haar opdracht geen misverstand heeft laten bestaan bij [appellanten] , niet alleen voorafgaand aan en tijdens haar onderzoek, maar ook in de onderhavige procedure. In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dan ook niet gehandeld in strijd met de op haar rustende waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro.
Onrechtmatig handelen?
6.20.
Het hof neemt, zoals hiervoor is toegelicht, bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt dat [geïntimeerde 2] als advocaat en belangenbehartiger van EY feitenonderzoek diende te doen naar het gedrag van Partner X, waarbij [appellant 1] als informant is gehoord. In het licht van deze opdracht dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of [geïntimeerde 2] bij de uitvoering van de opdracht onrechtmatig tegenover [appellanten] , als derden, heeft gehandeld (in de zin van artikel 6:162 e.v. BW).
6.21.
Het hof stelt in dit verband voorop dat de rol van een advocaat in het maatschappelijk verkeer meebrengt dat hij de gerechtvaardigde belangen van zijn cliënt moet behartigen en zich daarbij partijdig opstelt. Daarbij dient een advocaat wel oog te hebben voor de context van dat belang, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen (zoals derden). Zo nodig confronteert hij zijn cliënt met gerechtvaardigde belangen van die anderen. De advocaat moet daarnaast in ieder geval handelen overeenkomstig de wet, en de belangenbehartiging van cliënten mag dan ook alleen met rechtmatige middelen worden nagestreefd. Onder omstandigheden kan een advocaat gehouden zijn bij zijn dienstverlening aan de cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare gerechtvaardigde belangen van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop zijn dienstverlening betrekking heeft. Indien een advocaat weet, of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat sprake is van zodanige belangen dat de betrokken derden door een (voorgenomen) handelen of nalaten op onaanvaardbare wijze in die belangen zouden kunnen worden geschaad, dient hij zijn dienstverlening aan de cliënt daarop af te stemmen (vgl. HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61, rov. 3.1.3). Toegespitst op deze zaak brengt het voorgaande in de kern mee dat moet worden onderzocht of [appellanten] voldoende hebben gesteld voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] bij haar onderzoek in mei en juni 2020 de voor haar bekende of redelijkerwijs kenbare gerechtvaardigde belangen van [appellanten] heeft miskend. [appellanten] vorderen onder i. een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld door
“zonder rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van [appellanten] en zonder gebruikmaking van rechtmatige middelen”onderzoek te doen. Hoewel deze elementen niet of nauwelijks worden toegelicht, begrijpt het hof dat [appellanten] [geïntimeerde 2] in dit kader de volgende verwijten maken.
6.22.
Een eerste verwijt van [appellanten] – mede in het licht van de nieuwe feitelijke stellingen van [appellanten] als bedoeld onder 6.5 hiervoor – komt erop neer dat [geïntimeerde 2] de opdracht niet had mogen aannemen, laat staan uitvoeren, omdat de route van de Klokkenluidersregeling volgens [appellanten] had moeten worden gevolgd. [geïntimeerde 2] heeft volgens [appellanten] ten onrechte nagelaten te onderzoeken of het bij de meldingen van [appellant 1] ging om klokkenluidersmeldingen in de zin van de Klokkenluidersregeling en EU-richtlijn 2019/1937, temeer omdat een van de te onderzoeken elementen de mogelijke schending van mededingingsrecht betrof. Volgens [appellanten] is uitsluitend bepalend of [appellant 1] aan de definitie van klokkenluider voldeed, en had [geïntimeerde 2] meteen moeten vaststellen dat het ging om klokkenluidersmeldingen en dat [appellant 1] klokkenluider was. Indien EY vervolgens bij [geïntimeerde 2] had aangedrongen op het niet volgen van de Klokkenluidersregeling, had [geïntimeerde 2] desnoods de opdracht moeten weigeren, aldus [appellanten] Hieromtrent oordeelt het hof als volgt. Omdat het hof hiervoor onder 6.10 t/m 6.18 heeft vastgesteld dat geen sprake was van onafhankelijk onderzoek, maar [geïntimeerde 2] als advocaat en belangenbehartiger van EY feitenonderzoek diende te doen naar het gedrag van Partner X, treft dit verwijt geen doel. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig jegens [appellanten] heeft gehandeld doordat zij zich aan de van EY verkregen opdracht heeft gehouden en niet (nader) heeft onderzocht of het bij de meldingen van [appellant 1] ging om klokkenluidersmeldingen in de zin van de Klokkenluidersregeling en EU-richtlijn 2019/1937. Hierbij heeft het hof ook in ogenschouw genomen dat [appellant 1] jegens EY uitdrukkelijk kenbaar had gemaakt geen klokkenluider te willen zijn. Er is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] wist of behoorde te weten dat dit in werkelijkheid anders lag, voldoende concrete aanwijzingen daarvoor ontbreken. Daarvoor is in elk geval niet toereikend dat [appellant 1] nu stelt dat zijn uitlatingen van destijds niet overeenstemden met zijn wil.
6.23.
[appellanten] stellen verder dat het onderzoek van [geïntimeerde 2] niet zou voldoen aan de daaraan te stellen eisen, zowel bij de aanvang daarvan, bij de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd als bij de wijze waarop [geïntimeerde 2] tot haar conclusies is gekomen. Meer in het bijzonder verwijten [appellanten] [geïntimeerde 2] dat (1) zij onvoldoende duidelijk is geweest over haar rol en het doel en de reikwijdte van haar onderzoek, (2) zij [appellant 1] niet heeft voorgehouden dat deelname aan het onderzoek vrijwillig was, (3) zij bij haar onderzoek de protocollen van de Klokkenluidersregeling en Klachtenregeling niet heeft gevolgd, (4) zij onvoldoende hoor en wederhoor heeft toegepast, (5) zij aldus onvoldoende afstand had tot voor het onderzoek relevante personen binnen EY , (6) zij [appellant 1] tijdens de interviews woorden in de mond heeft gelegd en geen gehoor heeft gegeven aan aanwijzingen van [appellant 1] om objectieve gegevens boven tafel te krijgen, (7) zij bij aanvang van het onderzoek geen (werk)afspraken heeft gemaakt met [appellant 1] over tal van onderwerpen en tot slot (8) dat zij in haar onderzoeksnotitie op de persoon van [appellant 1] gerichte conclusies met een diskwalificerend karakter heeft getrokken. Het hof zal in het hiernavolgende de genoemde verwijten zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.
Aanvang onderzoek (verwijten 1, 2 en 7)
6.24.
[appellanten] voeren aan dat [geïntimeerde 2] onvoldoende onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt dat zij optrad als partijdige belangenbehartiger van EY en wat het doel en de reikwijdte was van haar onderzoek. Dit verwijt gaat niet op. In het voorgaande is al vastgesteld dat [geïntimeerde 2] bij aanvang van haar onderzoek (in de onder 3.6. genoemde e-mail van 17 mei 2020) uitdrukkelijk aan [appellanten] kenbaar heeft gemaakt dat zij optrad als advocaat en belangenbehartiger van EY en dat het onderzoek zag op het gedrag van Partner X. Dat [appellant 1] dit ook zo heeft begrepen, volgt uit zijn e-mail van 19 mei 2020 waarin hij heeft geschreven graag mee te werken aan het onderzoek en waarbij hij enkele documenten ter voorbereiding op de gesprekken heeft gevoegd. [appellanten] hebben daarnaast niet voldoende betwist dat [geïntimeerde 2] bij aanvang van de beide interviews heeft herhaald dat zij als advocaat optrad voor EY . Dat [appellant 1] ook goed begreep dat [geïntimeerde 2] als advocaat en belangenbehartiger van EY optrad, blijkt, zoals eerder in dit arrest is overwogen, uit zijn e-mail van 15 mei 2021 waarin hij zich verzet tegen het beroep op het verschoningsrecht en heeft geschreven:
“Ik heb immers zowel bijuw cliënte EY NL, als bij u en uw collega [geïntimeerde 1] alsadvocaten van EY NL, herhaalde malen aangegeven dat ik over een kopie van de gehele inhoud van de onderzoekrapportage dien te beschikken (…)”(onderstreping, hof).
6.25.
Daarnaast stellen [appellanten] dat [geïntimeerde 2] bij aanvang van het onderzoek [appellant 1] ten onrechte niet heeft voorgehouden dat zijn medewerking aan het onderzoek vrijwillig en niet verplicht was. [geïntimeerde 2] heeft daartegen aangevoerd dat [appellant 1] als informant graag meewerkte aan het onderzoek en dat [appellant 1] op geen enkel moment (bijvoorbeeld tijdens de interviews) de indruk heeft gewekt dat hij zich gedwongen voelde tot medewerking. Deze stelling wordt naar het oordeel van het hof ondersteund door de e-mail van [appellant 1] van 19 mei 2020 waarin hij, in reactie op de e-mail van 17 mei 2020, schrijft:
“Ik werk graag mee aan het onderzoek en ik zal naar mijn beste herinnering jullie vragen beantwoorden.”Gelet op het voorgaande is onvoldoende gesteld voor het oordeel dat [geïntimeerde 2] onrechtmatig heeft gehandeld, ook als juist is dat [appellant 1] niet expliciet bij aanvang van het onderzoek op het vrijwillige karakter van zijn medewerking is gewezen.
6.26.
Het laatste verwijt dat [appellanten] [geïntimeerde 2] in dit verband maken, is dat [geïntimeerde 2] bij aanvang van het onderzoek ten onrechte geen (werk)afspraken heeft gemaakt over een aantal onderwerpen, zoals het opvragen van documenten, het opnemen van de visie van [appellant 1] , het moment waarop (conclusies van) het rapport aan [appellant 1] zou(den) worden verstrekt, de verstrekking van gegevens aan derden met het oog op de privacy van [appellant 1] en de bewaartermijn van deze gegevens. Hierover oordeelt het hof als volgt. Nu het hof heeft vastgesteld dat het ging om een feitenonderzoek door [geïntimeerde 2] als advocaat in opdracht van EY naar het gedrag van partner X, waarbij [appellant 1] als informant werd gehoord, was [geïntimeerde 2] gehouden tot het maken van (werk)afspraken met [appellant 1] die samenhangen met diens positie als informant. Uit de hiervoor onder 3.8 t/m 3.10 vastgestelde feiten volgt dat [appellant 1] inzicht heeft gehad in de verslagen van de met hem gehouden interviews en de conceptbevindingen van [geïntimeerde 2] , voor zover deze op hem betrekking hadden. Bovendien heeft [appellant 1] de genoemde verslagen en bevindingen en zijn schriftelijke reactie daarop uitdrukkelijk geaccordeerd. Daaruit volgt dat [geïntimeerde 2] met [appellant 1] afspraken heeft gemaakt rondom de (verslaglegging van de) interviews en inzage in de op hem betrekking hebbende conceptbevindingen in de onderzoeksresultaten. Hieruit volgt dat [geïntimeerde 2] aan haar in dit opzicht bestaande verplichtingen heeft voldaan en dat zij de belangen van [appellant 1] als informant niet heeft miskend. Het verwijt treft dus geen doel.
Wijze van uitvoering onderzoek (verwijten 3,4,5 en 6)
6.27.
Het verwijt aan [geïntimeerde 2] dat zij bij haar onderzoek de protocollen uit de (interne EY ) Klokkenluidersregeling en Klachtenregeling niet heeft gevolgd, gaat niet op. [geïntimeerde 2] was daartoe gezien haar opdracht en de verdere omstandigheden van deze zaak niet gehouden, zoals eerder in dit arrest is toegelicht. Tot deze feiten en omstandigheden behoort ook dat [appellant 1] in de onder 3.5 genoemde gesprekken met EY (op vragen) meerdere malen kenbaar heeft gemaakt geen klokkenluider te willen zijn. In het licht van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde 2] voor haar bekende of redelijkerwijs kenbare gerechtvaardigde belangen van [appellanten] heeft miskend.
6.28.
Het verwijt dat [geïntimeerde 2] bij haar onderzoek geen of onvoldoende wederhoor zou hebben toegepast, faalt eveneens. Uit de in 3.8 en 3.10 opgenomen vaststaande feiten volgt dat [appellant 1] tweemaal door [geïntimeerde 2] is geïnterviewd en dat hij in beide gevallen het concept van het gespreksverslag van het interview mocht inzien en becommentariëren, hetgeen hij ook heeft gedaan. Vervolgens zijn de gespreksverslagen (inclusief de door [appellant 1] voorgestelde aanpassingen) inhoudelijk door [appellant 1] geaccordeerd. Ook de passages in de conceptnotitie met onderzoeksresultaten, voor zover deze op de inbreng van [appellant 1] waren gebaseerd, zijn aan [appellant 1] voorgelegd voor commentaar. Deze passages zijn eveneens door [appellant 1] geaccordeerd. Andere feiten en omstandigheden waaruit een gebrek aan hoor en wederhoor zou volgen zijn door [appellanten] niet voldoende concreet aangevoerd. Het, met het voorgaande samenhangende, verwijt dat [geïntimeerde 2] bij haar onderzoek onvoldoende afstand hield tot voor het onderzoek relevante personen binnen EY , en aldus niet onafhankelijk (genoeg) was van EY , is niet voldoende concreet toegelicht en faalt reeds om die reden. Overigens faalt dit verwijt ook inhoudelijk omdat bij de beoordeling tot uitgangspunt strekt dat [geïntimeerde 2] haar onderzoek heeft uitgevoerd als advocaat en belangenbehartiger van EY en dus geen onafhankelijk onderzoeker was, zoals eerder in dit arrest toegelicht.
6.29.
Tot slot falen de stellingen van [appellanten] dat [geïntimeerde 2] tijdens het onderzoek [appellant 1] woorden in de mond zou hebben gelegd en bepaalde (onderzoeks)aanwijzingen van [appellant 1] zou hebben genegeerd. Het lag op de weg van [appellanten] om dergelijke verwijten voldoende te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden, hetgeen zij niet hebben gedaan. De verwijten treffen reeds daardoor geen doel. Ook afgezien daarvan zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die erop duiden dat [geïntimeerde 2] in dit opzicht voor haar bekende of redelijkerwijs kenbare gerechtvaardigde belangen van [appellanten] heeft miskend.
Conclusies van het onderzoek (verwijt 8)
6.30.
[appellanten] stellen tot slot dat [geïntimeerde 2] mede gezien haar handelwijze, in haar onderzoeksnotitie van 11 juni 2020 op de persoon van [appellant 1] gerichte conclusies met een diskwalificerend karakter heeft getrokken. Ter zitting van het hof is namens [appellanten] verklaard dat het hen gaat om het miskennen van hun belangen bij het instellen van het onderzoek door [geïntimeerde 2] en niet om de door [geïntimeerde 2] in dat onderzoek getrokken conclusies. Het hof leidt daaruit af dat [appellanten] het verwijt ten aanzien van die conclusies niet langer handhaven. Voor het geval zij dit verwijt wel hebben willen handhaven, faalt het. [appellanten] hebben niet bestreden dat [geïntimeerde 2] de concept-bevindingen in haar notitie, voor zover deze betrekking hadden op [appellant 1] , met [appellant 1] heeft gedeeld en dat [appellant 1] deze bevindingen op 3 juni 2020 uitdrukkelijk heeft geaccordeerd. Voor zover al sprake zou zijn van conclusies met een diskwalificerend karakter, zijn die dus gebaseerd op bevindingen die door [appellanten] zijn geaccordeerd, waaruit [geïntimeerde 2] mocht afleiden dat zij daarmee hebben ingestemd. Tegen de voormelde achtergrond is onvoldoende toegelicht waarom van onrechtmatig handelen sprake is.
Vorderingen niet toewijsbaar
6.31.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat geen van de verwijten van [appellanten] doel treft. Omdat van een zorgplichtschending (onrechtmatig handelen) tegenover [appellanten] geen sprake is, is de onder i. gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar. Zonder onrechtmatig handelen van [geïntimeerde 2] (in de zin van artikel 6:162 BW Pro) is er ook geen grondslag voor een op haar rustende verplichting tot vergoeding van schade. Dit betekent dat de onder ii. en iii. gevorderde verklaringen voor recht dat [geïntimeerden] hoofdelijk, dan wel proportioneel, aansprakelijk zijn voor de door [appellanten] geleden schade evenmin toewijsbaar zijn.
6.32.
Naast het voorgaande stellen [appellanten] in hoger beroep dat ter gelegenheid van de gevoerde procedures sprake is geweest van intimidatiegedrag van de advocaten van EY jegens [appellant 1] als klokkenluider, alsook dat [appellant 1] als klokkenluider de speelbal is geworden van een samenwerking tussen EY en haar advocaten en het NAI. Het hof gaat echter aan deze stellingen voorbij, reeds omdat onvoldoende duidelijk is gemaakt of enige, en zo ja, welke vordering van [appellanten] op deze stellingen berust. De onder i. gevorderde verklaring voor recht heeft immers een andere strekking. Deze stellingen nopen ook anderszins niet tot een andere beslissing van de zaak.
Slotsom, bewijsaanbod en kosten
6.33.
Het hoger beroep van [appellanten] heeft geen succes en de grief slaagt niet. Bij deze uitkomst hoeft hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht niet te worden besproken, omdat het niet tot een andere beslissing kan leiden. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en de in hoger beroep gewijzigde eis afwijzen.
6.34.
[appellanten] hebben aangeboden een aantal met naam genoemde getuigen te (doen) horen. Uitgangspunt in hoger beroep is dat een partij tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van concrete feiten en specifieke gebeurtenissen die, indien bewezen, tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden. Het bewijsaanbod van [appellanten] voldoet niet aan deze maatstaf. Er zijn bovendien geen voldoende concrete feiten gesteld die, mits bewezen, tot een andere beslissing van de zaak kunnen leiden, waardoor aan bewijslevering niet wordt toegekomen, zoals volgt uit de overwegingen in dit arrest.
6.35.
[appellanten] zijn in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zullen daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 783,00
- salaris advocaat
€ 3.225,00(tarief II, 2½ punten)
Totaal € 4.008,00

7.Beslissing

Het hof:
7.1
bekrachtigt het bestreden vonnis;
7.2
wijst af de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van [appellanten] ;
7.3
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 4.008,00;
7.4.
veroordeelt [appellanten] tot betaling van € 189,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt;
7.5
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, M.M. Korsten-Krijnen en R.D. Lubach en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.