ECLI:NL:GHAMS:2026:1975

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
200.367.056/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:255 BWArt. 1:260 BWArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging kinderen

De zaak betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen, [minderjarige 1] (6 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar), tot 4 juli 2026. De moeder is tegen de verlenging, terwijl de vader en de gecertificeerde instelling (GI) deze steunen. De kinderen staan sinds juli 2023 onder toezicht vanwege ernstige bedreigingen in hun ontwikkeling, met name door de moeizame communicatie tussen de ouders en het ontbreken van een duurzame omgang tussen vader en kinderen.

De moeder stelt dat de situatie is verbeterd en dat de verlenging onnodig is, terwijl de GI en vader benadrukken dat de bedreigingen blijven bestaan en dat regievoering door de GI noodzakelijk is. De omgang tussen vader en kinderen is nog niet structureel hersteld en het SCHIP-traject ligt stil. De vader werkt aan zichzelf en gebruikt geen drugs meer in het bijzijn van de kinderen.

Het hof oordeelt dat ondanks de verstreken termijn van de ondertoezichtstelling, de verlenging terecht is omdat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De problemen in communicatie en gezagsuitoefening zijn nog niet opgelost, en het risico op vervreemding en loyaliteitsconflicten blijft bestaan. Het gedwongen kader blijft noodzakelijk om de belangen van de kinderen te waarborgen. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de ondertoezichtstelling tot 4 juli 2026 wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.367.056/01
zaaknummer rechtbank: C/15/364967 / JU RK 25-639
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. van der Weide te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
- [de vader] , hierna: de vader, bijgestaan door mr. S. Kuijs te Heiloo.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

1.1
De zaak gaat over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] (6 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) (hierna ook: de kinderen). De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van (de resterende) zes maanden, en daarmee tot 4 juli 2026.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van de resterende zes maanden alsnog wordt afgewezen. De vader en de GI zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 30 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 30 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
2.2
Verder heeft het hof ontvangen een bericht van de zijde de moeder van 11 juni 2026, met bijlagen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft, gelijktijdig met de zaak met zaaknummers 200.368.667/01 en 200.368.667/02 betreffende de omgang en een incidenteel verzoek tot schorsing van de omgang, op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad is, met bericht van afmelding, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2020 in [plaats C] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 in [plaats A] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
De kinderen staan sinds 4 juli 2023 onder toezicht van de GI, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd.
3.3
De GI heeft op 7 mei 2025 een inleidend verzoek gedaan tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van een jaar. De kinderrechter heeft vervolgens bij beschikking van 30 juni 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 4 januari 2026 en de beslissing op het resterende deel van zes maanden aangehouden.
3.4
Bij (tussen)beschikking van 19 december 2025 heeft de kinderrechter onder meer de behandeling van het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag over de kinderen, aangehouden tot de mondelinge behandeling van 24 juni 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking op verzoek van de GI, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd voor de duur van de resterende zes maanden, tot 4 juli 2026.
4.2
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van de resterende zes maanden, alsnog af te wijzen.
4.3
De GI verzoekt ter zitting in hoger beroep het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De vader verzoekt ter zitting in hoger beroep het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Het wettelijk kader
5.1
Uit artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige kan verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van het tweede lid van artikel 1:260 BW Pro kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling verlengen op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft. Indien de gecertificeerde instelling niet tot een verzoek overgaat, zijn de raad voor de kinderbescherming, een ouder, degene die niet de ouder is en de minderjarige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het openbaar ministerie bevoegd tot het doen van het verzoek.
Standpunten
5.2
De moeder is van mening dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen ten onrechte heeft verlengd voor de duur van de resterende zes maanden. Dat de communicatie en samenwerking tussen de ouders wisselend verloopt, maakt nog niet dat sprake is van een voortdurende ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. De zorgen die ten grondslag hebben gelegen aan de ondertoezichtstelling zijn verminderd. De ouders zijn inmiddels gestart met het SCHIP-traject en zijn gemotiveerd om hun onderlinge communicatie en samenwerking te verbeteren. Het is niet gebleken dat de kinderen ernstig lijden onder de huidige situatie. De verlenging van de ondertoezichtstelling veroorzaakt juist onnodige druk en spanningen. Bovendien vraagt de moeder zich af wat de GI nog kan betekenen in de verbetering van de verstoorde communicatie tussen de ouders, nu hiertoe het afgelopen jaar niets in gang is gezet, behalve de aanmelding voor het SCHIP-traject. Een van de zorgen waaruit de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen bestond, was de veiligheid bij de vader, met name door zijn drugsgebruik. De situatie bij de vader zou in het belang van de kinderen goed in kaart worden gebracht. Het kader van de ondertoezichtstelling is na de verlenging van 30 juni 2025 echter niet gebruikt om de situatie bij de vader goed in kaart te brengen. Er is enkel aangestuurd op hernieuwde begeleide omgang. Het grootste aandachtspunt binnen de ondertoezichtstelling blijft het contact tussen de vader en de kinderen. Er is inmiddels het nodige geprobeerd om tot een structureel contact tussen vader en de kinderen te komen, onder meer door begeleide omgang. De GI heeft hiertoe opdracht gegeven aan De Ambulante Coach (DAC). Deze organisatie concludeerde echter na een paar maanden dat begeleide omgang onvoldoende ging bijdragen aan de onderliggende problematiek en daarom geen duurzame oplossing was. DAC is vervolgens gestopt. De vader dient volgens de moeder eerst aan zichzelf te werken, want begeleide omgang is geen structurele oplossing. De moeder is niet tegen contact tussen de vader en de kinderen en zij wil daar aan meewerken, maar het contact moet wel haalbaar en voorspelbaar zijn. Dat kan ook in een vrijwillig kader, aldus de moeder.
5.3
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd. De GI is van mening dat (nog steeds) sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de kinderen. Deze bedreiging is gelegen in de slechte communicatie tussen de ouders, het ontbreken van structureel contact tussen de vader en de kinderen en het uitblijven van duurzame afspraken over de gezamenlijke uitvoering van het gezag. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling wordt gewerkt aan het verminderen van de ontwikkelingsbedreiging door het verbeteren van de communicatie tussen de ouders door middel van het SCHIP-traject en het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Het SCHIP-traject ligt stil omdat de moeder zich niet veilig voelde tijdens de gesprekken en de begeleider niet ingreep. Ook de omgang komt niet op gang omdat de moeder steeds weer nieuwe voorwaarden stelt. Zij is het niet eens met de locatie en de dag en het tijdstip van de omgang. Daarnaast is de moeder bang dat de vader (veiligheids-)afspraken niet nakomt, waardoor de kinderen niet veilig zijn of weer teleurgesteld raken. Hoewel de GI de zorgen van de moeder begrijpt omdat de vader in het verleden niet altijd zijn afspraken nakwam, ziet de GI onvoldoende concrete aanwijzingen dat de vader de omgang nu niet kan uitvoeren. De vader stelt zich beschikbaar op en is bereid om mee te werken aan de omgang. De GI acht het in het belang van de kinderen dat zij regelmatig contact hebben met de vader. Zij hebben contact met beide ouders nodig en behoefte aan duidelijkheid en structuur. Het contact met de vader blijft nu uit door het wantrouwen van de moeder. Als dit contact langer uitblijft, ontstaat een risico op schade, vervreemding en/of een loyaliteitsconflict. Het is dus van belang dat de GI hierop regie voert, dat de communicatie tussen de ouders verbetert en dat de omgang zo spoedig mogelijk weer wordt opgestart. Het is een lang proces waarin tot nu toe nauwelijks vooruitgang wordt gezien. De GI heeft daarom niet de verwachting dat het de ouders (zelfstandig) lukt om binnen een aanvaardbare termijn de bedreiging in de ontwikkeling voor de kinderen weg te nemen.
5.4
De vader heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat hij het eens is met de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen. Er gebeurt veel met de inzet van hulpverlening, maar er wordt nog onvoldoende vooruitgang geboekt. De vader ziet de kinderen nu niet. Zelfs een gedwongen kader helpt dus nog niet om de situatie te verbeteren. De regierol van de GI is nog hard nodig. De bezwaren en zorgen van de moeder worden niet terug gezien in de bevindingen van de GI. De vader gebruikt geen drugs in het bijzijn van de kinderen en hij kan goed aansluiten bij de kinderen. Het is onjuist dat de ondertoezichtstelling enkel voor het opstarten van de omgang is verlengd. Er zijn meer zorgen; ook naar de communicatie tussen de ouders en de situatie bij de moeder moet worden gekeken, aldus de vader.
Beoordeling door het hof
5.5
Het hof constateert dat de termijn van de ondertoezichtstelling waarvan in deze procedure verlenging is verzocht, is verstreken bij het afgeven van deze beschikking. Hoewel de termijn waarvoor de kinderrechter de ondertoezichtstelling had verlengd inmiddels is verlopen, heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op eerbiediging van haar gezinsleven, toch belang om de rechtmatigheid van de verlenging te laten toetsen. Het hof moet nu beoordelen of de gronden voor een verlenging van een ondertoezichtstelling van de kinderen op het moment van de bestreden beschikking, en ook tot 4 juli 2026, nog aanwezig waren, zodanig dat dit een verlenging van de OTS voor de duur van de resterende termijn van zes maanden noodzakelijk maakte.
Het hof is het met de kinderrechter eens dat de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking en voor de duur van de verlenging noodzakelijk was, omdat zij ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. De kinderrechter heeft de verlenging van de ondertoezichtstelling voor de resterende zes maanden dan ook op terechte gronden verleend. Het hof motiveert dit oordeel als volgt.
5.6
Uit de stukken van het dossier en hetgeen ter zitting in hoger beroep is besproken, is - voor zover hier van belang - het volgende gebleken. De kinderen staan sinds juli 2023 onder toezicht van de GI. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de kinderen waaraan in het kader van de ondertoezichtstelling in ieder geval moest worden gewerkt, waren het gebrek aan draagkracht van beide ouders, de moeizame communicatie tussen de ouders, het ontbreken van een duidelijke zorgregeling en het ontbreken van een ouderschapsplan. In de (tussen)beschikking van 30 juni 2025 heeft de kinderrechter overwogen dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, nu de ouders niet op een opbouwende en positieve manier met elkaar kunnen communiceren en sprake is van verwijten naar elkaar waardoor de ouders niet tot afspraken kunnen komen in het belang van de kinderen. De moeder maakte zich zorgen over de veiligheid bij de vader, met name door zijn drugsgebruik. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat in het kader van de ondertoezichtstelling de situatie bij de vader wel in kaart is gebracht ná 30 juni 2025. Zo heeft de GI ter zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de vader nooit een geheim ervan heeft gemaakt dat hij af en toe drugs gebruikt maar dat hij dit nooit doet in het bijzijn van de kinderen. DAC heeft ook gezien dat de vader altijd nuchter was in het bijzijn van de kinderen. Er zijn geen vermoedens bij de GI dat de vader ooit onder invloed zijn kinderen heeft gezien en er zijn ook geen zorgen over het contact tussen de vader en de kinderen. Als extra waarborg wordt de vader, als sprake is van begeleide omgang, op vrijdag, de dag vóór de omgang, gebeld door de omgangsbegeleider om te verifiëren hoe het met de vader gaat en wat zijn plannen zijn voor de vrijdagavond gezien het omgangsmoment met de kinderen de dag erna.
5.7
Uit hetgeen de vader ter zitting in hoger beroep naar voren heeft gebracht, blijkt dat hij sinds de door de moeder bij de rechtbank aanhangig gemaakte zaak met betrekking tot het gezamenlijk gezag over de kinderen – de moeder wil het eenhoofdig gezag – begrijpt wat er op het spel staat. Hij is serieus aan de slag gegaan met zichzelf om een stabiele basis op te bouwen. Hij heeft ter zitting aangegeven geen drugs meer te gebruiken. Hij heeft een baan en daarmee een goede dagstructuur; hij sport regelmatig, doet aan zelfreflectie en werkt actief aan het nemen van verantwoordelijkheid. Dit wordt ook gezien door de GI. Beschreven wordt dat de vader goed aansluit bij de behoeften van de kinderen. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken van actuele veiligheidsrisico’s die omgang tussen de vader en de kinderen op zichzelf in de weg staan. Dit betekent echter niet dat de onderliggende systeemproblemen niet meer aanwezig zijn, die zijn er nog onverminderd. De ouders zijn gedurende langere tijd niet in staat gebleken op een constructieve en duurzame wijze met elkaar te communiceren en samen beslissingen te nemen die de kinderen betreffen. De problemen doen zich niet uitsluitend voor ten aanzien van de omgang, maar strekken zich ook uit tot de dagelijkse uitvoering van het gezag en praktische aangelegenheden, waaronder de aanvraag van identiteitsbewijzen, de schoolkeuze en medische zaken.
5.8
Daarnaast is er al gedurende een lange periode geen structurele omgang tussen de vader en de kinderen. Zelfs aan de door de kinderrechter in het bestreden vonnis vastgelegde en uitvoerbaar bij voorraad verklaarde contactregeling tussen de vader en de kinderen, wordt geen uitvoering gegeven. Het ontbreken van een duurzaam contactpatroon brengt naar het oordeel van het hof een reëel risico mee op vervreemding van de vader en het ontstaan van loyaliteitsproblematiek bij de kinderen. Het hof is dan ook met de GI van oordeel dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
5.9
De omgang moet naar het oordeel van het hof zo spoedig mogelijk weer worden opgestart. Hoewel beide ouders zich bereid hebben getoond om hulpverlening te aanvaarden en hebben verklaard gemotiveerd te zijn om het SCHIP-traject voor te zetten, is gebleken dat dit traject momenteel stil ligt. Regievoering door de GI is noodzakelijk omdat de ouders nog onvoldoende in staat zijn gebleken de belangen van de kinderen gezamenlijk voorop te stellen en zelfstandig tot werkbare en bestendige afspraken te komen. Daarbij komt dat eerdere vormen van hulpverlening evenmin hebben geleid tot een structurele doorbraak in de samenwerking tussen de ouders of tot duurzaam herstel van de omgang tussen de vader en de kinderen.
Het ontbreken van voldoende onderlinge afstemming, de stagnatie van het SCHIP-traject, het uitblijven van structureel contact tussen de vader en de kinderen en de voortdurende problemen rondom de gezamenlijke gezagsuitoefening maken dat de ontwikkelingsbedreiging nog niet voldoende is afgewend. De stelling van de moeder dat het goed gaat met de kinderen en zij niet ernstig lijden door de situatie, doet hier niet aan af.
5.1
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders nog steeds niet in staat zijn om afspraken te maken rondom de opvoeding, verzorging en ontwikkeling van de kinderen. Het hof acht, net als de kinderrechter, regievoering door de GI nog noodzakelijk in het kader van de ondertoezichtstelling. Het hof realiseert zich dat de moeder de verlenging van de OTS als zeer belastend ervaart maar het hof is van oordeel dat dit minder zwaar weegt dan het belang dat de kinderen hebben bij verlenging van de OTS. Het is daarom belangrijk dat de GI betrokken blijft en zicht houdt op de ontwikkelingen met betrekking tot de hulpverlening (het SCHP-traject) en het op gang brengen van structureel contact tussen de vader en de kinderen. Niet aannemelijk is dat het de ouders in dit stadium lukt om dit zonder gedwongen kader te organiseren. Het hof acht met de rechtbank een overgang naar een vrijwillig kader dan ook te prematuur.
5.11
De moeder heeft nog gesteld dat de bestreden beschikking waarbij alsnog de resterende zes maanden ondertoezichtstelling zijn uitgesproken niet te volgen is, omdat de kinderrechter in de (tussen)beschikking van 30 juni 2025 eerder heeft overwogen twijfels te hebben over de noodzaak van de ondertoezichtstelling op de langere termijn en daarom de ondertoezichtstelling heeft verlengd voor de duur van slechts zes maanden in plaats van de door de GI verzochte duur van een jaar. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de kinderrechter in de bestreden beschikking goed heeft uitgelegd dat de overgang naar een vrijwillig kader toch nog te vroeg is en dat de doelen van de ondertoezichtstelling nog moeten worden bereikt en dat daarom zal worden verlengd met de resterende zes maanden. Dat de GI volgens de moeder de ondertoezichtstelling niet naar behoren uitvoert en er niet naar de moeder wordt geluisterd, laat onverlet dat aan de gronden van de ondertoezichtstelling is voldaan. Tevens is het belangrijk dat als de omgang eenmaal goed loopt, gekeken wordt of een eventuele uitbreiding van de omgang voor de kinderen haalbaar en gewenst is. De GI kan daarbij beoordelen of en zo ja wanneer de kinderen daar aan toe zijn. Het gedwongen kader is mede daarom noodzakelijk.
5.12
Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat in de periode van 4 januari 2026 tot 4 juli 2026 sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen en dat het dwingende kader van een ondertoezichtstelling ter afwending van deze ontwikkelingsbedreiging noodzakelijk was. Aan de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling met de resterende zes maanden is voldaan. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
5.13
Dit alles leidt tot de volgende beslissing

6.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. F. Kleefmann en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.