ECLI:NL:GHAMS:2026:1976

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
200.368.667/01 en 200.368.667/02
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 29a lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging begeleide contactregeling tussen vader en minderjarige kinderen

De zaak betreft een geschil over de zorg- en omgangsregeling tussen de vader en zijn twee minderjarige kinderen, waarbij de moeder bezwaar maakt tegen een beschikking van de kinderrechter die begeleide omgang toestaat.

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 18 maart 2026 en verzocht tevens om schorsing van de uitvoerbaarheid. Het hof oordeelt dat de moeder geen belang meer heeft bij schorsing en wijst dit verzoek af.

De moeder betoogt dat de gecertificeerde instelling (GI) niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard en dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar de situatie van de vader, met name zijn middelengebruik en betrouwbaarheid. Het hof stelt vast dat sinds de eerdere beschikking van juli 2025 de situatie van de vader positief is veranderd, met ondersteuning van een vaste omgangsbegeleider.

Het hof benadrukt het belang van contact tussen kinderen en beide ouders, mits veilig en voorspelbaar. Gezien de positieve ontwikkelingen en de intensieve begeleiding acht het hof de begeleide omgang in het belang van de kinderen en bekrachtigt de bestreden beschikking. De moeder wordt aangespoord mee te werken aan de uitvoering van de regeling.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter die een begeleide contactregeling tussen de vader en de kinderen vaststelt.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.368.667/01 (de hoofdzaak) en 200.368.667/02 (het incident)
zaaknummer rechtbank: C/15/373614 / JU RK 26-65
beschikking van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. M. van der Weide te Heerhugowaard,
en
de gecertificeerde instelling de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [plaats B] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de GI.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] ;
- [de vader] , hierna: de vader, bijgestaan door mr. S. Kuijs te Heiloo.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Raad voor de Kinderbescherming Alkmaar ,
hierna: de raad.

1.De zaak in het kort

De zaak gaat over de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] (6 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar).
De kinderrechter heeft onder meer bepaald dat de kinderen een uur per week begeleide omgang met de vader hebben.
De moeder is het daar niet mee eens en wil dat het inleidend verzoek van de GI tot een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken alsnog wordt afgewezen. De vader is het wel eens met de bestreden beschikking.

2.De procedure in hoger beroep

2.1
De moeder is op 7 mei 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter) (de hoofdzaak). Zij heeft daarbij een verzoek ingediend tot schorsing van de uitvoerbaarheid van de bestreden beschikking (het incident).
2.2
Verder heeft het hof ontvangen een bericht van de zijde de moeder van 11 juni 2026, met bijlagen.
2.3
De mondelinge behandeling heeft, gelijktijdig met de zaak met zaaknummer 200.367.056 betreffende de verlenging van de OTS, op 16 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad is, met bericht van afmelding, niet ter zitting verschenen.

3.De feiten

3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2020 in [plaats C] ,
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2022 in [plaats A] .
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
De kinderen wonen bij de moeder.
3.2
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 juli 2023 de kinderen onder toezicht gesteld. Deze maatregel is laatstelijk verlengd tot 4 juli 2026.
3.3
De GI heeft op 7 mei 2025 de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van een jaar te verlengen. De kinderrechter heeft vervolgens bij beschikking van 30 juni 2025 de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd tot 4 januari 2026 en de beslissing op het resterende deel van zes maanden, aangehouden.
3.4
Bij beschikking van 10 juli 2025 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI van 29 augustus 2024 tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen, afgewezen.
3.5
Bij (tussen)beschikking van 19 december 2025 heeft de kinderrechter onder meer de behandeling van het verzoek van de moeder tot het verkrijgen van het eenhoofdig gezag over de kinderen aangehouden tot de mondelinge behandeling van 24 juni 2026.
3.6
De kinderrechter heeft bij beschikking van 30 december 2025 de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van (de resterende) zes maanden, en daarmee tot 4 juli 2026.

4.De omvang van het hoger beroep

4.1
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders bepaald dat:
- wekelijks begeleide omgang (uitgevoerd door Zorggeslaagd) plaatsvindt tussen de vader en de kinderen op zaterdag, startend met een uur;
- na enkele maanden wordt geëvalueerd over de duur van de omgang en in welke mate er nog begeleiding nodig zal zijn.
De kinderrechter heeft deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder verzoekt in de hoofdzaak, met vernietiging van de bestreden beschikking, de GI alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in het inleidend verzoek tot verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de kinderen, dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen.
4.3
De moeder verzoekt in het incident de werking van de bestreden beschikking te schorsen.
4.4
De GI verzoekt ter zitting in hoger beroep, zowel in de hoofdzaak als in het incident, de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.5
De vader verzoekt ter zitting in hoger beroep, zowel in de hoofdzaak als in het incident, de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5.De motivering van de beslissing

Schending goede procesorde
5.1
De moeder heeft als eerste gegriefd tegen het feit dat de kinderrechter de in artikel 29a lid 4 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) vermelde termijn heeft geschonden waarbinnen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking had moeten worden gesteld. Ingevolge voornoemd artikel had de kinderrechter het afschrift van dit proces-verbaal namelijk zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen twee weken na de mondelinge uitspraak, ter beschikking van de ouders moeten stellen. Het afschrift van de op 2 april 2026 ondertekende beschikking is echter pas op 9 april 2026 aan de ouders ter beschikking gesteld en dat valt buiten de termijn. Er is dan ook sprake van schending van de goede procesorde, aldus de moeder.
5.2
Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval geen sprake van schending van de goede procesorde. Anders dan de moeder betoogt, is de in artikel 29a lid 4 Rv genoemde termijn geen fatale termijn. Uit de tekst en strekking van deze bepaling volgt niet dat overschrijding daarvan tot gevolg heeft dat de beschikking reeds daarom niet in stand kan blijven. De omstandigheid dat het afschrift van de op 2 april 2026 ondertekende beschikking eerst op 9 april 2026 aan de ouders ter beschikking is gesteld en daarmee buiten de in artikel 29a lid 4 Rv genoemde termijn is verstrekt, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van schending van de goede procesorde. Dit kan anders zijn indien een partij door de vertraging is benadeeld, zoals bijvoorbeeld in zijn of haar rechtspositie. Hierover heeft de moeder niets gesteld en dit is het hof ook niet gebleken. De moeder heeft haar bezwaren in hoger beroep volledig naar voren kunnen brengen en is niet beperkt in haar mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden. Reeds hierom faalt haar eerste grief.
Geen relevante wijziging van omstandigheden
5.3
De moeder heeft als tweede grief aangevoerd dat de kinderrechter in de bestreden beschikking ten onrechte zonder enige motivering voorbij is gegaan aan de relatief recente beschikking van de rechtbank van 10 juli 2025, waarin is overwogen dat een nieuw verzoek tot contact tussen de vader en de kinderen eerst na gedegen onderzoek naar de situatie van de vader door de GI aan de kinderrechter zou kunnen worden voorgelegd. Bovendien heeft de kinderrechter zonder dat sprake was van een relevante wijziging van omstandigheden het verzoek van de GI toegewezen. De moeder is van mening dat de GI daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, althans dat het verzoek van de GI had moeten worden afgewezen.
5.4
Het hof overweegt dat, zo de rechtbank al zonder enige motivering en zonder dat sprake zou zijn van gewijzigde omstandigheden zou hebben beslist op het verzoek van de GI, deze grief desalniettemin niet tot niet-ontvankelijkheid van de GI dan wel tot vernietiging van de bestreden beschikking kan leiden. Het hoger beroep strekt immers mede tot herstel van eventuele onjuistheden of onvolkomenheden uit de procedure bij de rechtbank. Het hof beoordeelt de zaak opnieuw aan de hand van alle in hoger beroep naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waarbij de moeder haar bezwaren tegen de bestreden beschikking volledig aan het hof heeft kunnen voorleggen.
Inhoudelijke beoordeling (200.368.677/01)
5.5
De moeder is met grief III en IV tegen de inhoud van de bestreden beschikking opgekomen. Het hof zal deze grieven gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, gezamenlijk bespreken.
Het wettelijk kader
5.6
Op grond van het eerste lid van artikel 1:265g van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling over de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De standpunten
5.7
De moeder kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking. Zij voert – samengevat – aan dat de kinderrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld.
Volgens de moeder heeft de kinderrechter in zijn beschikking van 10 juli 2025 uitdrukkelijk overwogen dat eerst nader onderzoek door de GI diende plaats te vinden naar de actuele situatie van de vader alvorens een nieuw verzoek tot vaststelling van een contactregeling kon worden beoordeeld. Een dergelijk onderzoek heeft volgens de moeder niet plaatsgevonden. Desondanks heeft de GI op 30 december 2025 opnieuw een verzoek ingediend zonder dat sprake was van relevante gewijzigde omstandigheden. De moeder stelt dat nog altijd onduidelijkheid bestaat over de stabiliteit van de vader, in het bijzonder ten aanzien van zijn middelengebruik en zijn vermogen afspraken structureel na te komen. Zij acht het noodzakelijk dat hierover eerst duidelijkheid wordt verkregen alvorens een contactregeling wordt vastgelegd. Uit haar eigen ervaringen blijkt dat de vader regelmatig (bel)afspraken niet nakomt, hetgeen ook gevolgen heeft voor de voorspelbaarheid en betrouwbaarheid van de omgang voor de kinderen. Verder voert de moeder aan dat zij zich door de GI onvoldoende gehoord voelt en dat onvoldoende met haar is samengewerkt bij de totstandkoming van de regeling. De moeder had de voorkeur gegeven aan een regeling die in overleg met de betrokken hulpverlening tot stand was gekomen en waarbij duidelijk was vastgelegd gedurende welke periode de omgang begeleid zou plaatsvinden, op welke wijze deze zou worden geëvalueerd en onder welke voorwaarden uitbreiding van de omgang mogelijk zou zijn. De nu vastgestelde regeling acht zij op deze punten onvoldoende concreet, hetgeen aanleiding kan geven tot nieuwe conflicten tussen de ouders. De moeder benadrukt dat zij niet afwijzend staat tegenover contact tussen de vader en de kinderen, maar dat dit contact veilig, voorspelbaar en uitvoerbaar dient te zijn. Tot slot voert de moeder aan dat de ouders ten tijde van de procedure een SCHIP-traject zijn gestart ter verbetering van hun onderlinge communicatie. De resultaten van dit traject hadden moeten worden afgewacht, nu dit had kunnen bijdragen aan het gezamenlijk maken van afspraken over de omgang, aldus de moeder.
5.8
De GI heeft ter zitting in hoger beroep verweer gevoerd en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. De GI stelt zich op het standpunt dat de omgang tussen de vader en de kinderen gedurende langere tijd nauwelijks van de grond is gekomen, voornamelijk doordat de moeder telkens nieuwe voorwaarden aan de omgang verbindt. Hoewel de GI de zorgen van de moeder over het middelengebruik van de vader en diens betrouwbaarheid invoelbaar acht, ziet zij op dit moment onvoldoende concrete aanwijzingen dat de vader niet in staat is omgang met de kinderen te hebben. De vader is bereid mee te werken aan de begeleiding en stelt zich beschikbaar voor de uitvoering van de contactregeling. De kinderen hebben behoefte aan regelmatig contact met beide ouders en aan duidelijkheid en structuur. Indien het contact met de vader verder uitblijft, bestaat volgens de GI een reëel risico op verwijdering tussen de vader en de kinderen en op het ontstaan van een loyaliteitsconflict. De GI acht het daarom in het belang van de kinderen dat de begeleide omgang zo spoedig mogelijk structureel wordt hervat.
5.9
De vader heeft zich ter zitting in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van de GI.
De vader stelt zich de afgelopen periode te hebben ingespannen om zijn leven op orde te brengen en gemotiveerd te zijn om de omgang met de kinderen op verantwoorde wijze vorm te geven. Hij is bereid de noodzakelijk begeleiding te accepteren en afspraken na te komen. De vader beschouwt de omgang als een belangrijke gelegenheid om te laten zien dat hij zijn leven positief heeft veranderd – mede in het kader van de lopende procedure met betrekking tot het gezag over de kinderen –, maar hij moet daar dan wel de kans voor krijgen.
De beoordeling door het hof
5.1
Het hof overweegt als volgt. Het hof stelt voorop dat het in beginsel in het belang van kinderen is dat zij regelmatig en op een voor hen veilige en voorspelbare wijze contact hebben met beide ouders. Het ontbreken van structureel contact kan nadelige gevolgen hebben voor hun identiteitsontwikkeling, hun veilige hechting en de ontwikkeling van de ouder-kindrelatie.
Dit uitgangspunt geldt echter niet onverkort. Indien concrete omstandigheden aanleiding geven tot twijfel over de veiligheid of de uitvoerbaarheid van een contactregeling, dient eerst voldoende duidelijkheid over die omstandigheden te bestaan.
5.11
Uit de stukken en hetgeen is besproken op de zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn sinds hun uiteengaan niet in staat geweest zelfstandig afspraken te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor de kinderen. De vader zag na het uiteengaan van partijen de kinderen nauwelijks, terwijl hij tijdens de relatie van de ouders een grote rol speelde in de opvoeding van de kinderen. Om die reden heeft de GI op 29 augustus 2024 de kinderrechter verzocht een contactregeling vast te stellen. Vervolgens is gedurende enkele maanden getracht de omgang onder begeleiding op te bouwen. Daarbij is door De Ambulante Coach (DAC) geconstateerd dat de vader tijdens de begeleide contactmomenten in staat was goed aan te sluiten bij de kinderen en dat geen signalen zijn waargenomen dat hij tijdens de omgang onder invloed van verdovende middelen verkeerde. Tegelijkertijd is gebleken dat de omgang meerdere keren geen doorgang heeft gevonden, enerzijds doordat de vader afspraken niet altijd nakwam en anderzijds doordat de moeder, gelet op haar zorgen over de veiligheid van de kinderen, enkele omgangsmomenten heeft afgezegd.
De kinderrechter heeft in de beschikking van 10 juli 2025 geoordeeld dat op dat moment nog onvoldoende duidelijkheid bestond over de situatie van de vader, in het bijzonder ten aanzien van zijn middelengebruik en zijn vermogen zich aan een omgangsregeling te houden. Om die reden achtte de kinderrechter nader onderzoek door de GI noodzakelijk alvorens een contactregeling kon worden vastgesteld.
Het hof dient te beoordelen of ten tijde van de bestreden beschikking sprake was van zodanig gewijzigde omstandigheden dat alsnog een contactregeling kon worden vastgesteld. Uit het verzoekschrift van de GI van 30 december 2025 en de nadien door de GI verstrekte informatie, waaronder het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van 7 mei 2026, blijkt dat de situatie van de vader zich positief heeft ontwikkeld. De GI heeft verklaard dat de vader gemotiveerd is, de laatste periode afspraken nakomt en bereid is zich te laten begeleiden bij de uitvoering van de omgang. Tevens heeft de vader, na het verzoek van de moeder daartoe, direct voorzieningen getroffen om de kinderen van en naar omgangsmomenten veilig te kunnen vervoeren.
Voorts is gebleken dat in de periode na 10 juli 2025 DAC de omgang niet verder vorm ging geven, omdat begeleide omgang volgens deze organisatie onvoldoende ging bijdragen aan de onderliggende problematiek en daarom geen duurzame oplossing was.
Verder zou het volgens DAC wenselijk zijn als de vader ondersteund zou worden bij het nakomen van zijn afspraken en meer zou werken aan zijn betrouwbaarheid.
De zorgorganisatie Zorggeslaagd is vervolgens bereid gevonden om de omgang te gaan begeleiden en de vader te ondersteunen bij het nakomen van de afspraken en het invullen van het vaderschap. Anders dan voorheen zal de omgang nu dus worden ondersteund door een vaste omgangsbegeleider die voorafgaand aan ieder contactmoment met de vader afstemt of de omgang doorgang kan vinden en die de vader begeleidt bij het nakomen van afspraken en toezicht houdt op een veilige uitvoering van de omgang.
5.12
Het hof is van oordeel dat uit de na de beschikking van 10 juli 2025 beschikbare informatie voldoende blijkt dat sprake is van relevante gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie die destijds aan de kinderrechter werd voorgelegd. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de positieve ontwikkeling van de vader, bezien in samenhang met de intensieve begeleiding en de voortdurende betrokkenheid van de GI voldoende waarborgen biedt om de omgang op verantwoorde wijze te hervatten. Hoewel de praktische uitvoering van de omgang en de betrouwbaarheid van de vader nog verdere aandacht behoeft acht het hof, gelet op hetgeen de GI naar voren heeft gebracht, deze aandachtspunten beheersbaar binnen het kader van de begeleide omgang. Juist de gekozen vorm van begeleide omgang biedt ruimte om de ontwikkeling van de vader te volgen en de veiligheid van de kinderen te blijven monitoren. Dat Zorggeslaagd begin april 2026 met de begeleiding is gestopt, maakt dit niet anders nu de GI nieuwe omgangsbegeleiding bereid heeft gevonden de omgang te faciliteren.
5.13
Het hof is op grond van het hiervoor overwogene van oordeel dat het belang van de kinderen vergt dat tussen de vader en de kinderen een begeleide contactregeling wordt vastgesteld, zoals door de kinderrechter is bepaald. Daarbij in aanmerking nemende dat Zorggeslaagd niet meer de omgang zal begeleiden, maar dat de GI een andere organisatie daartoe bereid heeft gevonden. Naar het oordeel van het hof wordt daarmee in belangrijke mate tegemoetgekomen aan de door de moeder geuite zorgen omtrent de voorspelbaarheid en veiligheid van de contactmomenten. Daarbij acht het hof het, evenals de kinderrechter, van belang dat de regeling voorziet in een gefaseerde opbouw, waarbij na verloop van enkele maanden zal worden geëvalueerd of uitbreiding voor de duur van de omgang en vermindering van begeleiding mogelijk is. Ten aanzien van de door de moeder voorgestelde omgang op zondag overweegt het hof dat voldoende is gebleken dat de begeleidende organisatie op die dag geen begeleiding kan bieden. Evenmin is aannemelijk geworden dat omgang op zaterdag voor de moeder feitelijk onmogelijk is. De moeder heeft nog voorgesteld om de begeleide omgang dan op een doordeweekse dag te laten plaatsvinden. Omgang op een doordeweekse dag is echter voor de vader, gelet op zijn werkzaamheden, niet uitvoerbaar. Het hof acht de keuze voor zaterdag daarom redelijk en in het belang van de kinderen. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder haar voorkeur uitgesproken voor het tijdstip van de omgang, te weten 11.00 uur. Het hof gaat ervan uit dat dit in onderling overleg met de GI zal worden afgestemd, net als het halen en brengen van de kinderen van en naar omgangsmomenten onder begeleiding.
5.14
Ten overvloede overweegt het hof dat, hoewel in de bestreden beschikking door de kinderrechter een begeleide contactregeling is vastgelegd die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, op de zitting in hoger beroep is gebleken dat daaraan (nog) geen uitvoering wordt gegeven en dat de vader en de kinderen elkaar sindsdien nagenoeg niet hebben gezien. Het hof wijst de moeder erop dat de contactregeling dient te worden nagekomen en spreekt de hoop uit dat het de moeder lukt om de samenwerking met de GI aan te gaan; de begeleide omgang dient immers in het belang van de kinderen doorgang te vinden.
In het incident (200.368.677/02)
5.15
De moeder verzoekt schorsing van de werking van de bestreden beschikking.
5.16
Aangezien het hof in deze beschikking tot een eindbeslissing komt, heeft de moeder geen belang meer bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
5.17
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

Het hof:
In de hoofdzaak (200.368.677/01)
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
In het schorsingsverzoek (200.368.677/02)
wijst af het verzoek van de moeder tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. F. Kleefmann en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 14 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.