ECLI:NL:GHAMS:2026:1988

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.364.961/01 OK
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 283 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot enquête en onmiddellijke voorzieningen bij Investpharma B.V.

Op 13 februari 2026 verzocht [broer] de Ondernemingskamer een onderzoek te gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Investpharma B.V. vanaf 5 oktober 2022, en onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder schorsing van [zus] als bestuurder en overdracht van aandelen.

Investpharma en [zus] verzetten zich tegen het verzoek en vroegen afwijzing en kostenveroordeling. Na behandeling op 16 juni 2026 trok [broer] zijn verzoek in op 26 juni 2026. Investpharma en [zus] maakten bezwaar tegen deze intrekking en stelden dat deze te laat was en in strijd met de goede procesorde.

De Ondernemingskamer oordeelde dat [broer] op grond van artikel 283 Rv Pro bevoegd was het verzoek te verminderen zolang nog geen eindbeschikking was gegeven, ongeacht het voorlopige oordeel en bezwaren. Door de intrekking had [broer] geen voldoende belang meer en werd hij niet-ontvankelijk verklaard.

[Broer] werd veroordeeld in de kosten van de procedure aan de zijde van Investpharma en [zus], begroot op €4.721, en deze kostenveroordeling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beschikking werd op 21 juli 2026 door de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek tot enquête en onmiddellijke voorzieningen werd niet-ontvankelijk verklaard na intrekking door verzoeker.

Uitspraak

beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.364.961/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 21 juli 2026
inzake
[broer],
wonende te [....] ,
VERZOEKER,
advocaat:
mr. L.S. Kerkman, kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
INVESTPHARMA B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
VERWEERSTER,
advocaten:
mr. R.M.T. van den Bosch,
mr. B.J. van Egmonden
mr. A.A.C. Ngo, kantoorhoudende te Rotterdam,
en tegen

1.[zus] ,

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
advocaten:
mr. R.M.T. van den Bosch,
mr. B.J. van Egmonden
mr. A.A.C. Ngo, kantoorhoudende te Rotterdam,
en tegen

2.[vader] ,

wonende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
in persoon verschenen
en tegen

3.[bewindvoerder] ,

kantoorhoudende te [....] ,
BELANGHEBBENDE,
niet verschenen
Hierna zullen partijen en andere (rechts)personen als volgt worden aangeduid:
verzoeker als:
[broer]
verweerster als:
Investpharma
belanghebbende 1 als:
[zus]
belanghebbende 2 als:
Vader
1

1.Het verloop van het geding

1.1.
[broer] heeft bij verzoekschrift van 13 februari 2026 de Ondernemingskamer verzocht, samengevat,
1. een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Investpharma over de periode vanaf 5 oktober 2022, althans in een door de Ondernemingskamer te bepalen tijdvak;
2. als onmiddellijke voorzieningen voor de duur van de procedure
a. [zus] te schorsen als bestuurder van Investpharma;
b. een door de Ondernemingskamer aan te wijzen persoon te benoemen tot bestuurder van Investpharma;
c. de door [zus] en Vader gehouden aandelen in Investpharma over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
d. althans zodanige voorzieningen te treffen die de Ondernemingskamer juist acht;
3. Investpharma te veroordelen in de kosten van de procedure;
4. een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
1.2.
Investpharma en [zus] hebben bij verweerschrift van 26 mei 2026 de Ondernemingskamer verzocht het verzoek van [broer] af te wijzen en [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure.
1.3.
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 16 juni 2026. De advocaten hebben toen de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. [broer] en Investpharma en [zus] hebben voor de zitting nadere producties toegestuurd. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
1.4.
[broer] heeft per V4-formulier op 26 juni 2026 de Ondernemingskamer geïnformeerd dat hij het enquêteverzoek (inclusief de verzochte onmiddellijke voorzieningen) wilde intrekken.
1.5.
Investpharma en [zus] hebben per brief van 9 juli 2026 primair verzocht om de intrekking niet toe te staan. Subsidiair hebben zij verzocht om [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.De gronden van de beslissing

2.1.
[broer] heeft na de mondelinge behandeling laten weten dat hij zijn verzoek tot het gelasten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Investpharma en het treffen van onmiddellijke voorzieningen in wilde trekken.
2.2.
Investpharma en [zus] hebben per brief bezwaar gemaakt tegen voormelde intrekking en primair verzocht om de intrekking niet toe te staan. Subsidiair hebben zij verzocht om [broer] te veroordelen in de kosten van de procedure. Zij hebben aan dit verzoek, kort gezegd, het volgende ten grondslag gelegd. De intrekking is te laat, immers nadat een verweerschrift is ingediend, de mondelinge behandeling is gesloten, de Ondernemingskamer haar voorlopig oordeel kenbaar heeft gemaakt en er een datum bepaald is voor het wijzen van de beschikking. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [broer] verklaard het verzoek niet in te trekken, waardoor hij afstand heeft gedaan van zijn rechten om het verzoek later alsnog in te trekken. Bovendien heeft de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling aangekondigd dat zij voornemens was om het enquêteverzoek af te wijzen. Het toestaan van de intrekking zou [broer] in staat stellen zich te onttrekken aan een reeds aangekondigde afwijzende beslissing. Gelet op het voorgaande stellen Investpharma en [zus] zich op het standpunt dat de intrekking in strijd is met de goede procesorde.
2.3.
De Ondernemingskamer overweegt als volgt. De Ondernemingskamer begrijpt de mededeling van [broer] dat hij zijn verzoek wil intrekken aldus dat hij niet langer verzoekt een enquête bij Investpharma te gelasten en onmiddellijke voorzieningen te treffen en dat hij zijn verzoek in zoverre wenst te verminderen. Nu de Ondernemingskamer nog geen eindbeschikking heeft gegeven, is [broer] op de voet van artikel 283 Rv Pro steeds bevoegd het verzoek te verminderen, ongeacht eventuele bezwaren van Investpharma en/of [zus] . Dat de Ondernemingskamer tijdens de mondelinge behandeling als voorlopig oordeel heeft uitgesproken dat het verzoek zal worden afgewezen, maakt dat niet anders. De vermindering van het verzoek betekent dat [broer] geen voldoende belang meer heeft bij een beoordeling van zijn verzoek en hij daarin niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
2.4.
De Ondernemingskamer zal [broer] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het geding aan de zijde van Investpharma en [zus] conform het gebruikelijke liquidatietarief (zijnde € 3.870, plus griffierecht van € 851).

3.De beslissing

De Ondernemingskamer:
a. verklaart [broer] niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
b. veroordeelt [broer] in de kosten van de procedure tot op heden aan de kant van Investpharma B.V. en [zus] begroot op € 4.721;
c. verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. M.J.R. Brons en mr. A. van Hees, raadsheren, en prof. dr. mr. S. ten Have en drs. D. Korf, raden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Paridon en mr. E.E.B. Matheij, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.