ECLI:NL:GHAMS:2026:1998

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.360.328/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.6 GerechtsdeurwaardersverordeningArt. 3 Regeling kwaliteit incassodienstverleningArt. 441 lid 3 RvArt. 47 GerechtsdeurwaarderswetArt. 37 lid 7 Gerechtsdeurwaarderswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring klacht tegen gerechtsdeurwaarder wegens intimiderende brief en oneigenlijke drukuitoefening

In deze tuchtprocedure klaagt klager over een brief van de gerechtsdeurwaarder waarin werd gedreigd met het aanvragen van zijn faillissement voor een relatief geringe vordering van ongeveer € 200. De brief presenteerde het faillissement als een vaststaand feit, zonder dat aannemelijk was dat deze maatregel daadwerkelijk zou worden genomen. Klager, een kwetsbare persoon zonder vaste woonplek, voelde zich hierdoor geïntimideerd.

De kamer verklaarde de klacht ongegrond, maar het hof oordeelt anders. Het hof stelt vast dat de gerechtsdeurwaarder oneigenlijke druk heeft uitgeoefend door te dreigen met een maatregel die niet redelijkerwijs zou worden getroffen, in strijd met de Wet kwaliteit incassodienstverlening en de Gerechtsdeurwaardersverordening. De brief was intimiderend en misleidend doordat het faillissement als een zekerheid werd gepresenteerd zonder uitleg over de rechterlijke toets.

Het hof vernietigt de beslissing van de kamer, verklaart de klacht gegrond en legt de gerechtsdeurwaarder een waarschuwing op. Tevens wordt de gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van klager en de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep.

Uitkomst: De klacht tegen de gerechtsdeurwaarder is gegrond verklaard en een waarschuwing opgelegd wegens het sturen van een intimiderende brief met oneigenlijke druk.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.360.328/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/760617 DW RK 24/420
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 juli 2026
inzake
[appellant],
wonend te [plaats 1] ,
appellant,
gemachtigde: A.J. Moerman,
tegen
[geïntimeerde],
gerechtsdeurwaarder te [plaats 2] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: R. Elshof.
Partijen worden hierna klager en de gerechtsdeurwaarder genoemd.

1.De zaak in het kort

In deze tuchtprocedure verwijt klager de gerechtsdeurwaarder dat deze hem een intimiderende brief heeft gestuurd. In de brief is aangekondigd dat het faillissement van klager zou worden aangevraagd, terwijl niet aannemelijk is dat deze maatregel in dit geval daadwerkelijk zou worden getroffen. Ook is het uitspreken van het faillissement als een vaststaand feit gepresenteerd. Aldus heeft de gerechtsdeurwaarder oneigenlijke druk uitgeoefend. Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is en dat de maatregel van waarschuwing passend en geboden is.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Klager heeft op 14 oktober 2025 een beroepschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 17 september 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:85).
2.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 30 januari 2026 een verweerschrift, met bijlagen, bij het hof ingediend.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
Klager heeft op 2 maart 2026 aanvullende producties bij het hof ingediend.
2.5.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. De gemachtigde van klager en de gemachtigde van de gerechtsdeurwaarder zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. Klager en de gerechtsdeurwaarder zijn niet verschenen.

3.Feiten

Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, zijn die feiten de volgende.
3.1.
Het kantoor van de gerechtsdeurwaarder heeft op 23 augustus 2023 van Dynamic Sports Dronten B.V. (hierna: de sportschool) een vordering op klager ter incasso in behandeling gekregen. De vordering bedroeg, na verhoging met de incassokosten en wettelijke rente,
€ 206,96.
3.2.
Vanaf augustus 2023 heeft de gerechtsdeurwaarder sommatiebrieven aan klager verzonden met het verzoek om tot betaling over te gaan. Daarnaast heeft de gerechtsdeurwaarder verscheidene keren telefonisch contact gehad met klager en een huisbezoek aan het toenmalige adres van klager afgelegd. Deze contactmomenten en sommatiebrieven hebben niet tot betaling geleid.
3.3.
Bij brief van 31 oktober 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager wederom gesommeerd tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan. De tekst van de brief is als volgt:

Geachte heer [appellant] ,
Tot op heden blijft u in gebreke met betaling van het door u verschuldigde.
Onze cliënte kan daarmede geen genoegen nemen en zij wenst derhalve, teneinde nog enige betaling te verkrijgen, dat wijuw faillissement aanvragen bij de Rechtbank.
Een en ander zal conform de faillissementswet plaatsvinden. Een curator zal worden aangesteld en deze zal een staat van baten en schulden opmaken.
Dat betekent dat alle post van u, als gefailleerde, bij hem/haar terecht komt, van welke aard deze post ook moge zijn.
Daarnaast zal uw faillissement openbaar worden gemaakt middels publicatie in de Staatscourant en een door de Rechter-commissaris aan te wijzen landelijk dagblad.
Van rechtswege verliest u beschikking en beheer over uw vermogen, zoals dit evenzeer geldt voor uw eventuele echtgeno(o)te.
U kunt deze aanvrage slechts dan voorkomen door BINNEN VIJF DAGEN na heden het thans verschuldigde te voldoen. Voor het juiste saldo dient u met ons in contact te treden.
(…)”
3.4.
Klager heeft zich met deze brief gemeld bij de Maatschappelijke Dienstverlening Flevoland (hierna: MDF). Een maatschappelijk (mede)werkster van MDF heeft op 19 november 2024 contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder. Via de maatschappelijk werkster is een betalingsregeling met klager tot stand gekomen. Inmiddels is de schuld betaald.

4.De klacht

Klager beklaagt zich er over dat de gerechtsdeurwaarder hem op 31 oktober 2024 een buitengewoon intimiderende brief heeft gestuurd. Klager is een jonge kwetsbare man zonder vaste woonplek. In de brief wordt zijn faillissement aangekondigd zonder dat staat beschreven om welk bedrag het gaat. Ook wordt niet gesproken over een steunvordering. Het betreft een vordering van een sportschool van ongeveer € 200, waarvoor nog geen vonnis is gewezen. De gerechtsdeurwaarder stelt in de brief dat klager het beheer over zijn vermogen verliest en doet daarmee dus voorkomen alsof het faillissement al is uitgesproken. De gerechtsdeurwaarder oefent druk uit door maatregelen aan te kondigen die voor het beoogde doel in redelijkheid niet worden getroffen.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder ongegrond verklaard
.
Ontvankelijkheid
5.2.
De gerechtsdeurwaarder heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat het hof het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk moet verklaren. De gerechtsdeurwaarder betwijfelt of het hoger beroep daadwerkelijk namens klager is ingediend. Wanneer de bij de klacht in eerste aanleg en de in hoger beroep ingebrachte machtigingen met elkaar worden vergeleken, stemmen de handtekeningen daarop niet met elkaar overeen. Als deze machtigingen naast het door klager ingevulde inschrijfformulier bij de sportschool worden gehouden, dan lijkt de laatste en tevens huidige machtiging niet authentiek, aldus de gerechtsdeurwaarder.
5.3.
Het hof verwerpt dit verweer. De machtigingen zijn weliswaar met niet identieke handtekeningen ondertekend, maar dat geeft in dit geval geen aanleiding om aan te nemen dat de machtigingen vervalst zijn. De gemachtigde van klager in eerste aanleg, en tevens maatschappelijk begeleider, [naam] (hierna: de begeleider), heeft immers schriftelijk verklaard dat hij de afgelopen jaren regelmatig met klager heeft gesproken en dat klager, desgevraagd, aan hem heeft toegelicht dat hij zijn handtekening soms verandert. De begeleider heeft voorts verklaard dat klager aan hem heeft meegedeeld dat hij achter de klacht en het hoger beroep staat. Ter bevestiging heeft klager de schriftelijke verklaring van de begeleider mede ondertekend. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen en gaat er dan ook van uit dat het hoger beroep namens klager is ingediend. Gezien het vorenstaande is het hoger beroep van klager ontvankelijk. Dat betekent dat het hof toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.
Aankondiging faillissementsaanvraag oneigenlijke drukuitoefening
5.4.
Klager heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat het dreigen met het aanvragen van een faillissement disproportioneel is voor een consumentenvordering op een natuurlijke persoon ter hoogte van € 200. De gerechtsdeurwaarder heeft oneigenlijke druk uitgeoefend omdat hij maatregelen heeft aangekondigd die niet waargemaakt kunnen of zullen worden. De volgende bepalingen zijn volgens klager van belang:
Artikel 3.6 Gerechtsdeurwaardersverordening (Gdv)
De gerechtsdeurwaarder verricht ambtshandelingen voor zover de wet, een titel of het met de maatregel beoogde doel dit, mede gelet op de daaraan verbonden gevolgen, rechtvaardigt.
De gerechtsdeurwaarder oefent geen druk uit door maatregelen aan te kondigen die voor het beoogde doel in redelijkheid niet worden getroffen.
Artikel 3 Regeling Pro kwaliteit incassodienstverlening (Rki)
1.
De incassodienstverlener die een schuldenaar benadert neemt daarbij in ieder geval de volgende normen in acht:
a.
hij oefent geen oneigenlijke druk uit door te dreigen met maatregelen die niet of nog niet kunnen of zullen worden genomen;
b.
hij onthoudt zich van agressief, bedreigend of intimiderend taalgebruik;
c.
(...)
5.5.
Klager heeft voorts aangevoerd dat een faillissementsaanvraag, gelet op de kosten die daarmee voor de aanvrager zijn gemoeid, pas zinvol is wanneer er voldoende vermogen is om te verdelen. Klager beschikte destijds niet over enig vermogen. Het aanvragen van een faillissement zou daarom in dit geval misbruik van bevoegdheid opleveren vanwege een lege boedel. De kosten zouden niet opwegen tegen de baten, hetgeen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel (zoals neergelegd in artikel 3.6. Gdv). Het betreft hier een maatregel die, voor een relatief geringe vordering op een natuurlijk persoon, voor het beoogde doel in redelijkheid niet wordt getroffen. Een faillissementsaanvraag voor zo een laag bedrag, als hier aan de orde, komt in de praktijk niet voor. Een gerechtsdeurwaarder mag hier volgens klager dan ook niet mee dreigen.
5.6.
De gerechtsdeurwaarder stelt in zijn verweer dat de schuldeiser aan hem heeft gevraagd om te dreigen met een faillissementsaanvraag, maar volgens klager blijkt nergens uit dat de schuldeiser daadwerkelijk voornemens was om het faillissement aan te vragen. De gerechtsdeurwaarder heeft daarom gedreigd met maatregelen die niet zullen worden genomen, hetgeen in strijd is met het hiervoor beschreven artikel 3 lid 1 onder Pro a Rki. Verder is de brief – gelet op de passages: ‘
Een curator zal worden aangesteld’, ‘u als gefailleerde’, ‘verliest u beschikking over uw vermogen’– zo geformuleerd dat het faillissement een voldongen feit lijkt. Er wordt niet beschreven wat zou kunnen gebeuren, maar wat gaat gebeuren. Daarmee heeft de gerechtsdeurwaarder niet alleen oneigenlijke druk uitgeoefend, maar klager ook geïntimideerd. Een faillissement grijpt diep in de persoonlijke levenssfeer van mensen. Door daarmee te dreigen heeft de gerechtsdeurwaarder angst aangejaagd om klager tot betaling te bewegen, hetgeen in strijd is met de Gerechtsdeurwaardersverordening en de Wet kwaliteit incassodienstverlening en de daarop gebaseerde regelgeving, aldus nog steeds klager.
5.7.
Het hof stelt voorop dat een van de kwaliteitseisen die de Wet kwaliteit incassodienstverlening stelt, inhoudt dat de incassodienstverlener zich in de omgang met schuldenaren en schuldeisers correct opstelt. Dit betekent onder meer dat degenen die belast zijn met het uitvoeren van incassowerkzaamheden contact onderhouden met de schuldenaar in een vorm die niet intimiderend of dreigend is en dat niet wordt gedreigd met bevoegdheden of maatregelen die (nog) niet ingezet kunnen worden. Vergelijk in dit verband het in de executiefase geldende artikel 441 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), waarmee is beoogd dat een verhaalsbeslag daadwerkelijk tot verhaal dient en niet uitsluitend mag worden ingezet als oneigenlijk pressiemiddel.
5.8.
Het hof is, anders dan de kamer, van oordeel dat de klacht gegrond is. De aankondiging van een faillissementsaanvraag in de brief van 31 oktober 2024 was disproportioneel en in strijd met de hiervoor beschreven regelgeving. Een faillietverklaring kan pas worden uitgesproken indien summierlijk is gebleken van een ten tijde van de aanvraag daarvan bestaand vorderingsrecht van de aanvragende schuldeiser alsmede van een steunvordering, waarbij de schuldenaar in de toestand is komen te verkeren dat hij heeft opgehouden te betalen. De gerechtsdeurwaarder heeft niet concreet gemaakt dat het gerechtsdeurwaarderskantoor, bij het schrijven van de brief, op de hoogte was van een (of meer) steunvordering(en). Het hof acht het daarom niet aannemelijk dat voor een vordering (van ongeveer € 200) als hier aan de orde, met een onbekend gebleven steunvordering, een faillissement zou worden aangevraagd als betaling niet zou volgen binnen de genoemde termijn. De feitelijke gang van zaken na de verzending van de brief wijst ook op het tegendeel: nadat betaling binnen de gestelde termijn was uitgebleven is geen faillissementsaanvraag ingediend, zoals was aangekondigd. Door een maatregel aan te kondigen die niet daadwerkelijk zou worden genomen heeft de gerechtsdeurwaarder oneigenlijke druk uitgeoefend. Verder was de toonzetting van de brief intimiderend, doordat niet is uitgelegd dat na een faillissementsaanvraag nog een rechterlijke toets zou moeten plaatsvinden, maar het faillissement, met alle onaangename gevolgen daarvan, als een zekerheid is gepresenteerd. Een en ander is tuchtrechtelijk laakbaar.
Conclusie en maatregel
5.9.
Het hoger beroep heeft succes. Uit het voorgaande volgt dat het hof, anders dan de kamer, van oordeel is dat de klacht gegrond is. De gerechtsdeurwaarder heeft oneigenlijke druk op klager uitgeoefend. Deze handelwijze van de gerechtsdeurwaarder is onjuist en het hof ziet aanleiding de gerechtsdeurwaarder daarvoor een maatregel op te leggen. Het hof acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Omdat het hof tot een ander oordeel is gekomen dan de kamer, kan de beslissing van de kamer niet in stand blijven en zal deze worden vernietigd.
Kostenveroordeling
5.10.
Per 1 januari 2021 is de Richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67513) in werking getreden. Het hof hanteert bij de toepassing van de richtlijn de ‘
Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof).
5.11.
Omdat de uitspraak van de kamer wordt vernietigd en het hof de klacht gegrond verklaart, dient de gerechtsdeurwaarder, op grond van artikel 47 in Pro verbinding met artikel 37 lid 7 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet, het door klager in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht, in totaal € 100, aan hem te vergoeden.
5.12.
Aangezien het hof de gerechtsdeurwaarder ook een maatregel oplegt, wordt de gerechtsdeurwaarder verder veroordeeld in de volgende kosten in hoger beroep waarbij wegingsfactor 1 overeenkomstig de richtlijn wordt toegepast op de laatstgenoemde posten:
a. a) € 50 kosten van klager;
b) € 1.050 kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
c) € 2.000 kosten van behandeling van de klacht door het hof.
Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.
5.13.
De gerechtsdeurwaarder dient het griffierecht en de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen. Klager geeft hiervoor een rekeningnummer op aan de gerechtsdeurwaarder.
5.14.
De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR). De termijn waarbinnen en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan, worden door het LDCR schriftelijk aan de gerechtsdeurwaarder meegedeeld.

6.Beslissing

Het hof:
- vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van zijn kosten, bestaande uit € 50 aan griffierecht in eerste aanleg, € 50 aan griffierecht in hoger beroep, € 50 aan kosten klager en
€ 1.050 aan kosten rechtsbijstand klager, in totaal € 1.200 binnen vier weken na vandaag;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van € 2.000 aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de gerechtsdeurwaarder wordt meegedeeld.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door de rolraadsheer.