ECLI:NL:GHAMS:2026:1999

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
200.360.875/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475db lid 1 onder c Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Berisping wegens onjuiste berekening beslagvrije voet en vertraagde communicatie door gerechtsdeurwaarder

De zaak betreft een klacht van een voormalig toegevoegd gerechtsdeurwaarder over de berekening van de beslagvrije voet en communicatie met klager. De gerechtsdeurwaarder had ten onrechte de netto bijtelling van de leaseauto van klager in de beslagvrije voet betrokken, terwijl dit pas vanaf 1 januari volgend kalenderjaar toegestaan is. Daarnaast reageerde hij te laat op e-mails van klager met bezwaren tegen de berekening.

De feiten zijn onbetwist: executoriaal derdenbeslag werd gelegd onder de B.V. van klager en op een onroerende zaak van klager. Klager voerde meerdere keren per e-mail bezwaren aan tegen de beslagvrije voet en vroeg om reactie, waarop de gerechtsdeurwaarder pas na ruim twee weken inhoudelijk reageerde. De gerechtsdeurwaarder erkende de fout en herstelde deze, maar kende de wettelijke regel niet.

Het hof oordeelt dat de fout evident was en dat de gerechtsdeurwaarder niet zorgvuldig handelde. De te late reactie op bezwaren was onacceptabel, ook al was hij op vakantie. De klacht over het gebrek aan communicatie na 27 mei 2024 wordt ongegrond verklaard omdat er uiteindelijk wel een inhoudelijke reactie was. Het hof bevestigt de berisping en veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling van proceskosten aan klager.

Uitkomst: De berisping van de gerechtsdeurwaarder wordt bevestigd wegens onjuiste berekening van de beslagvrije voet en te late reactie op bezwaren.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.360.875/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/753120/ DW RK 24/241
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 7 juli 2026
inzake
[appellant],
voormalig toegevoegd gerechtsdeurwaarder te [plaats 1] ,
appellant,
tegen
[geïntimeerde],
wonend te [plaats 2] ,
geïntimeerde.
Partijen worden hierna de gerechtsdeurwaarder en klager genoemd.

1.De zaak in het kort

De gerechtsdeurwaarder heeft ten onrechte de netto bijtelling van de leaseauto van klager in de berekening van de beslagvrije voet betrokken. Verder is niet tijdig op e-mailberichten van klager gereageerd. Net als de kamer in eerste aanleg, is ook het hof in hoger beroep van oordeel dat de klacht gedeeltelijk gegrond is en dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De gerechtsdeurwaarder heeft op 29 oktober 2025 een beroepschrift, met een bijlage, bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 29 september 2025 tussen partijen gegeven onder bovengenoemd nummer (ECLI:NL:TGDKG:2025:96)
2.2.
Klager heeft geen gebruik gemaakt van de hem geboden gelegenheid om een verweerschrift in te dienen. Klager heeft bij e-mail aan het hof van 8 januari 2026 verwezen naar zijn standpunt in eerste aanleg.
2.3.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
2.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2026. De gerechtsdeurwaarder en klager zijn verschenen en hebben het woord gevoerd.

3.Feiten

Het hof verwijst naar de feiten die de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling daarvan geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat. De feiten zijn als volgt.
3.1.
Op 3 mei 2024 is executoriaal derdenbeslag gelegd onder ANNABO Holding B.V. ten laste van klager. Klager is directeur-grootaandeelhouder van deze besloten vennootschap (hierna: de B.V.).
3.2.
Op 21 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag gelegd op een onroerende zaak van klager.
3.3.
Bij e-mail van 22 mei 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder uitleg gegeven over zijn financiële situatie en een betalingsvoorstel van € 400 per maand gedaan.
3.4.
Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder klager verzocht om een verklaring derdenbeslag vanuit de B.V. en is de berekening van de beslagvrije voet verstrekt.
3.5.
Bij e-mail van 27 mei 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder geïnformeerd dat de beslagvrije voet volgens hem niet correct was berekend.
3.6.
Bij e-mail van 29 mei 2024 heeft klager verzocht om een reactie op zijn e-mail van 27 mei 2024.
3.7.
Bij e-mail van 1 juni 2024 heeft klager zijn e-mails van 27 mei 2024 en 29 mei 2024 bij de gerechtsdeurwaarder in herinnering gebracht.
3.8.
Bij e-mail van 5 juni 2024 heeft klager een klacht bij de gerechtsdeurwaarder ingediend.
3.9.
Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder op de e-mails van klager van 27 en 29 mei 2024 en 1 juni 2024 gereageerd.
3.10.
Bij e-mails van 14, 22 en 25 juni 2024 heeft klager de gerechtsdeurwaarder gevraagd wanneer hij een reactie op zijn klacht kon verwachten.
3.11.
Bij brief van 6 juli 2024 heeft de gerechtsdeurwaarder inhoudelijk op de klacht van klager gereageerd.

4.De klacht

Klager beklaagt zich er samengevat over dat:
a. a) de gerechtsdeurwaarder een onjuiste beslagvrije voet heeft gehanteerd met als gevolg dat klager niet meer in zijn levensonderhoud kon voorzien;
b) de gerechtsdeurwaarder niet heeft gereageerd op de bezwaren van klager tegen de hoogte van de beslagvrije voet;
c) de gerechtsdeurwaarder na de e-mail van klager van 27 mei 2024 niet meer met klager heeft gecommuniceerd, ondanks meerdere verzoeken daartoe.

5.Beoordeling

5.1.
De kamer heeft in de bestreden beslissing de klachtonderdelen a en b gegrond verklaard en klachtonderdeel c ongegrond verklaard. De kamer heeft aan de gerechtsdeurwaarder de maatregel van berisping opgelegd. Daarnaast heeft de kamer de gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot betaling aan klager van een bedrag van € 50,- aan griffierecht en een bedrag van € 50,- voor de kosten van klager, alsmede tot betaling van € 1.500,- aan de kamer in verband met de kosten van de behandeling van de klacht, nadat de uitspraak onherroepelijk is geworden.
Klachtonderdeel a: onjuiste beslagvrije voet
5.2.
Op grond van artikel 475db lid 1 onder c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt de beslagvrije voet verlaagd met de netto waarde van de fiscale bijtelling als een schuldenaar een auto van de zaak ook privé gebruikt. De beslaglegger mag deze verlaging echter pas toepassen zodra een nieuw kalenderjaar begint, dus vanaf 1 januari na het jaar waarin beslag is gelegd.
5.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft erkend dat hij in 2024 ten onrechte de netto bijtelling van de leaseauto van klager in de berekening van de beslagvrije voet heeft betrokken. Dat was in dit geval pas – zoals volgt uit hetgeen hiervoor in rov. 5.2 is overwogen – toegestaan vanaf 1 januari 2025. Ter zitting in hoger beroep heeft de gerechtsdeurwaarder verklaard dat hij deze regel ten tijde van de berekening van de beslagvrije voet niet kende. De gerechtsdeurwaarder stelt zich echter op het standpunt dat klager feitelijk niet is benadeeld door deze fout. De gerechtsdeurwaarder heeft zijn fout immers direct hersteld bij zijn e-mail van 12 juni 2024 aan klager. Daarnaast heeft klager zijn eigen salaris uitbetaald vanuit zijn eigen B.V. en is hij dus niet in financiële problemen gekomen. Na het herstel van de fout is de gerechtsdeurwaarder klager tegemoet gekomen in zijn overige bezwaren tegen de berekening door uitvoering te gegeven aan een tijdelijke beslagvrije voet conform de door de gerechtsdeurwaarder voorgestelde middenweg. Daarnaast heeft klager niet meer gereageerd op de e-mail van 6 juli 2024 (zie onder 3.11). Daarmee is de klacht feitelijk uitgewerkt en heeft klager kennelijk geen bezwaar meer gehad tegen de handelwijze van de gerechtsdeurwaarder, aldus de gerechtsdeurwaarder.
5.4.
De berekening van de hoogte van de beslagvrije voet staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Het is vaste jurisprudentie dat dit slechts anders is als het gaat om evidente fouten of handelen tegen beter weten in. In dit geval staat vast dat de gerechtsdeurwaarder bij de berekening van de beslagvrije voet een evidente fout heeft gemaakt. Dat deze fout voor klager (feitelijk) geen direct financieel gevolg heeft gehad en door de gerechtsdeurwaarder na ontdekking is hersteld, doet niet af aan de ernst van de fout. Het herstel is bovendien voornamelijk te danken geweest aan de alertheid van klager zelf. De gerechtsdeurwaarder was immers niet bekend met de hiervoor in rov. 5.2 uiteengezette regel. Het behoort tot de wettelijke kerntaken van de gerechtsdeurwaarder om, nadat (derden)beslag is gelegd, de beslagvrije voet te berekenen. Het belang van een correcte berekening daarvan is op zichzelf groot. Het is daarom ernstig dat de gerechtsdeurwaarder de betreffende regel niet kende. Hem valt daarvan een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Het hof acht daarom, net als de kamer, klachtonderdeel a. gegrond.
Klachtonderdeel b: niet (tijdig) reageren op bezwaren tegen de hoogte van de beslagvrije voet
5.5.
Volgens vaste tuchtrechtjurisprudentie mag van een gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij vragen met betrekking tot bij hem in behandeling zijnde dossiers binnen een redelijke termijn op duidelijke wijze beantwoordt, waarbij in beginsel een termijn van twee weken als voldoende wordt aangenomen. Bij beantwoording van vragen over de beslagvrije voet is echter bekwame spoed geboden. Deze vragen of verzoeken zijn per definitie spoedeisend omdat de beslagvrije voet tot doel heeft een beslagene een bestaansminimum te garanderen. Van de gerechtsdeurwaarder wordt bij de behandeling van verzoeken met betrekking tot de beslagvrije voet daarom een hogere mate van zorgvuldigheid en voortvarendheid verwacht. In dat verband mag van de gerechtsdeurwaarder worden verwacht dat hij in elk geval binnen een week inhoudelijk reageert.
5.6.
De gerechtsdeurwaarder heeft pas op 12 juni 2024 op de e-mails van klager (van 27 mei 2024, 29 mei 2024 en 1 juni 2024) gereageerd. Dat is in dit geval dus te laat. De gerechtsdeurwaarder heeft ter zitting in hoger beroep toegelicht dat hij in die periode een week (van 3 tot 10 juni) met vakantie was, maar dat is geen rechtvaardiging voor deze late reactie. Het lag immers op de weg van de gerechtsdeurwaarder om op de bezwaren van klager te reageren vóór zijn vakantie, dan wel zorg te dragen voor adequate achtervang tijdens zijn afwezigheid of overdracht van de zaak aan medewerkers die op spoedeisende verzoeken konden reageren. Gezien het vorenstaande acht het hof, net als de kamer, klachtonderdeel b. gegrond.
Klachtonderdeel c: geen communicatie na de e-mail van 27 mei 2024
5.7.
Met de kamer is het hof van oordeel dat de stelling van klager dat de gerechtsdeurwaarder in het geheel niet heeft gereageerd op zijn bezwaren over de hoogte van de beslagvrije voet en na 27 mei 2024 niet meer met klager heeft gecommuniceerd, niet juist is. Hoewel de reactie te laat was, heeft de gerechtsdeurwaarder in zijn e-mail van 12 juni 2024 wél inhoudelijk gereageerd op het verzoek van klager om correctie van de beslagvrije voet. De gerechtsdeurwaarder heeft in deze e-mail immers verzocht om nadere bewijsstukken en aan klager meegedeeld dat de beslagvrije voet tijdelijk is verhoogd. Het hof acht daarom, net als de kamer, klachtonderdeel c. ongegrond.
Conclusie en maatregel
5.8.
Uit het voorgaande volgt dat de klachtonderdelen a en b gegrond zijn en klachtonderdeel c ongegrond is. Het hof is van oordeel dat de gerechtsdeurwaarder bij de vaststelling van de beslagvrije voet niet zorgvuldig heeft gehandeld. Als uitgangspunt geldt daarbij dat een berisping de meest passende maatregel is. In dit geval is niet gebleken van feiten of omstandigheden om van dit uitgangspunt af te wijken. Het hof weegt hierbij mee dat de gerechtsdeurwaarder niet alleen de beslagvrije voet onjuist heeft berekend, maar daarnaast klager onnodig lang in onzekerheid heeft gelaten door te laat te reageren op de bezwaren van klager tegen de hoogte van de beslagvrije voet. Omdat het hof ten aanzien van de klachtonderdelen en de maatregel tot hetzelfde oordeel komt als de kamer, zal het hof de beslissing van de kamer bevestigen.
Kostenveroordeling
5.9.
Het hoger beroep leidt tot oplegging van dezelfde maatregel als de kamer heeft opgelegd. Overeenkomstig de door het hof gehanteerde richtlijn ‘
Uitgangspunten proceskostenveroordeling in hoger beroep’ (te raadplegen op de website van dit hof) wordt in een dergelijk geval in hoger beroep geen kostenveroordeling uitgesproken. Het hof maakt in dit geval in zoverre een uitzondering op de richtlijn dat aan klager ten laste van de gerechtsdeurwaarder wel een vergoeding van € 50,- wordt toegekend voor zijn kosten in hoger beroep. De reden hiervoor is dat de gerechtsdeurwaarder die kosten (naar nu blijkt) nodeloos voor klager heeft veroorzaakt door in hoger beroep te komen. Daarnaast blijft de door de kamer uitgesproken proceskostenveroordeling in stand.
5.10.
De gerechtsdeurwaarder dient de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen. Klager geeft hiervoor een rekeningnummer op aan de gerechtsdeurwaarder.

6.Beslissing

Het hof:
- bevestigt de bestreden beslissing;
- veroordeelt de gerechtsdeurwaarder tot betaling aan klager van de aan zijn zijde gevallen kosten in hoger beroep, begroot op € 50,-, binnen vier weken na vandaag.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, H.T. van der Meer en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door de rolraadsheer.