ECLI:NL:GHAMS:2026:2021

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
24 juli 2026
Zaaknummer
23-001559-24
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling bedreiging met mes in supermarkt

De verdachte werd in hoger beroep geconfronteerd met meerdere tenlasteleggingen, waaronder poging tot zware mishandeling en mishandeling met een mes, en bedreiging van supermarktmedewerkers met een mes en dreigende woorden op 25 maart 2024 in Amsterdam.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en sprak de verdachte vrij van de poging zware mishandeling en mishandeling wegens onvoldoende bewijs, mede gebaseerd op camerabeelden die geen zwaaibewegingen met het mes toonden. Wel achtte het hof bewezen dat de verdachte meerdere supermarktmedewerkers bedreigde door het tonen, zwaaien en maken van steekbewegingen met een mes, vergezeld van dreigende woorden.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden met aftrek van voorarrest. De vorderingen van twee benadeelde partijen werden deels toegewezen: een immateriële schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van aantasting in de persoon, terwijl materiële schade van €37,89 werd toegewezen. Het hof constateerde een lichte overschrijding van de redelijke termijn, maar beperkte de gevolgen daarvan tot een enkele vaststelling.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling en mishandeling, veroordeeld tot 3 maanden gevangenisstraf voor bedreiging met mes en woorden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001559-24
datum uitspraak: 7 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 2 juli 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-104564-24 tegen
[verdachte],
geboren te district [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [gevangenis].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1. primair
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp heeft vastgehouden, terwijl hij, verdachte op de grond lag en/of probeerde weg/los te komen uit de greep van [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1], en/of terwijl die [slachtoffer 1] zijn handen heeft geprobeerd vast te pakken en daarbij is geraakt met voornoemd mes, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
1. subsidiair
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, vast te houden terwijl hij, verdachte, op de grond lag en/of probeerde los te komen uit de greep van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of (vervolgens) met dat mes die [slachtoffer 1] in de duim te snijden/raken op het moment dat die [slachtoffer 1] de hand(en) van hem, verdachte, probeerde vast te pakken;
2.
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, uit zijn tas te halen en/of
- voornoemd mes te tonen en/of
- met voornoemd mes in zijn hand te zwaaien en/of
- met voornoemd mes naar die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] te wijzen en/of
- met voornoemd mes een steekbeweging te maken richting die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] en/of
- die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen "jullie gaan allemaal opzij, anders ga ik jullie allemaal neersteken" en/of "jullie zijn de lul, jullie gaan dood" en/of "je gaat dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 25 maart 2024 te Amsterdam, althans in Nederland, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door
- een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, vast te houden en/of
- met voornoemd mes stekende bewegingen te maken richting die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman komt het hof tot een vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde. Het hof heeft kennisgenomen van de camerabeelden en is van oordeel dat daarop is te zien dat de verdachte naar de grond wordt gebracht door een medewerker van de Jumbo en dat de aangever [slachtoffer 1] vervolgens probeert om het mes van de verdachte af te pakken. Op de camerabeelden is echter niet te zien dat de verdachte op dat moment zwaaiende bewegingen heeft gemaakt met het mes. Derhalve kan naar het oordeel van het hof uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever [slachtoffer 1]. Immers er is onvoldoende bewijs dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanmerkelijke kans dat hij aangever [slachtoffer 1] zou verwonden, laat staan dat hij deze kans heeft aanvaard. Evenmin kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever [slachtoffer 1]. Het hof spreekt de verdachte integraal vrij van het onder 1 tenlastegelegde.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
De raadsman heeft zich aangesloten bij het requisitoir van de advocaat-generaal.
Het hof overweegt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde als volgt.
Evenals de politierechter stelt het hof vast dat het de verdachte was die in de slijterij begon met druk te gebaren en agressief gedrag. Vervolgens heeft de verdachte een mes getrokken en daarmee in het bijzijn van verschillende winkelmedewerkers die vlak om hem heen stonden, staan zwaaien. Van disproportioneel geweld waarna de verdachte als reactie pas het mes zou hebben getrokken, is naar het oordeel van het hof geen sprake.
Het hof stelt vast dat op de screenshots en beschrijvingen van de camerabeelden en de beelden zelf geen stekende bewegingen te zien zijn. Tegelijkertijd geven die beelden geen volledige weergave van al verdachtes handelingen in de supermarkt. Verschillende aangevers verklaren over de situatie bij de lift wel over het zwaaien met het mes en het maken van stekende bewegingen. Het hof acht daarom niet alleen bewezen dat de verdachte een mes heeft getrokken en daarmee heeft gezwaaid, maar ook dat hij in de richting van de winkelmedewerkers stekende bewegingen heeft gemaakt. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte vijf winkelmedewerkers heeft bedreigd met een mes en met woorden.
Het hof overweegt ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde als volgt.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] met betrekking tot het maken van stekende bewegingen door de verdachte overeenkomen en worden ondersteund door de getuigenverklaring van [getuige]. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
op 25 maart 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door
- een mes uit zijn tas te halen en
- voornoemd mes te tonen en
- met voornoemd mes in zijn hand te zwaaien en
- met voornoemd mes naar die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] te wijzen en
- met voornoemd mes een steekbeweging te maken richting die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] en
- die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 4] en die [slachtoffer 5] dreigend de woorden toe te voegen "jullie gaan allemaal opzij, anders ga ik jullie allemaal neersteken" en "jullie zijn de lul, jullie gaan dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op 25 maart 2024 te Amsterdam [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door
- een mes vast te houden en
- met voornoemd mes stekende bewegingen te maken richting die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2].
Hetgeen onder 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling,
meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling. De verdachte heeft met een mes en met dreigende woorden verschillende supermarktmedewerkers bedreigd en daarmee bij hen gevoelens van angst veroorzaakt. Van het handelen van de verdachte zijn verschillende mensen in de supermarkt getuigen geweest. Daarmee heeft hij ook in breder perspectief bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid.
Het hof houdt verder rekening met het bepaalde in artikel 63 Wetboek Pro van Strafrecht.
Het hof heeft acht geslagen op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
In de strafoplegging houdt het hof in matigende zin rekening met het feit dat de strafbare feiten elkaar kort in tijd hebben opgevolgd en mitsdien als één groot incident kunnen worden gezien.
Het hof acht, alles afwegende, net als de advocaat-generaal een gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden. Het hof komt tot een lagere strafoplegging dan de politierechter omdat het hof de verdachte van één feit vrijspreekt.

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 9 juli 2024 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 21 juli 2026 arrest en de redelijke termijn is daarom
met 12 dagen overschreden. Gelet op de geringe mate van overschrijding volstaat het hof met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op “andere wijze in haar persoon is aangetast”. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:822) volgt dat van “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde “aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze.” Niet is gebleken dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zijn zo ernstig zijn dat daaruit voortvloeit dat reeds daarom sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze”.
Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat een grondslag om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen ontbreekt, om welke reden het hof de gevorderde schadevergoeding zal afwijzen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.474,99. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 537,89. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de immateriële schade moet worden afgewezen. De advocaat-generaal heeft verzocht de materiële kosten van de blazer toe te wijzen.
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële schade:
Uit het procesdossier is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade:
Artikel 6:106, aanhef en onder b, BW brengt mee dat de benadeelde partij onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien zij ten gevolge van het strafbare feit op “andere wijze in haar persoon is aangetast”. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2026 (ECLI:NL:HR:2026:822) volgt dat van “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” in ieder geval sprake is indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde “aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’” sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een “aantasting in de persoon ‘op andere wijze’” als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
In het onderhavige geval is het hof van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze.” Niet is gebleken dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan zijn zo ernstig zijn dat daaruit voortvloeit dat reeds daarom sprake is van “aantasting in de persoon op andere wijze”.
Gelet op bovenstaande is het hof van oordeel dat een grondslag om een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen ontbreekt, om welke reden het hof de gevorderde schade zal afwijzen.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen datum.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 37,89 (zevenendertig euro en negenentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 37,89 (zevenendertig euro en negenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 25 maart 2024.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. C.A. Boom, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.
Mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
_______________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001559-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, op 7 juli 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. R.A.E. van Noort, raadsheer,
mr. L.M. Steur, griffier.
Het openbaar ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. R. Cozijnsen, advocaat-generaal.
De raadsheer doet de zaak tegen de verdachte [verdachte] uitroepen.
De verdachte is
wel / nietin de zaal van de terechtzitting aanwezig.
Raadsman/raadsvrouw is
wel / nietaanwezig.
(zo ja:) naam raadsman/raadsvrouw en plaats:
Tolk is
wel / nietaanwezig. (zo ja:) naam tolk en taal:
De raadsheer spreekt het arrest uit.
De raadsheer geeft de verdachte kennis, dat daartegen binnen 14 dagen na heden beroep in cassatie kan worden ingesteld.
(indien de VTE is verschenen)
De verdachte heeft
wel / geenafstand gedaan van het recht aanwezig te zijn bij de uitspraak.
(indien VTEin deze zaakis gedetineerd)
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de raadsheer en de griffier is vastgesteld en ondertekend.