ECLI:NL:GHAMS:2026:2027

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
200.357.455/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:182 BWArt. 3:185 BWArt. 149 RvArt. 150 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling gemeenschappelijke woning en peildatum waardering volgens samenlevingsovereenkomst

Partijen, die een affectieve relatie hadden en samenwoonden in een gemeenschappelijke woning, zijn uit elkaar gegaan. Zij sloten een samenlevingsovereenkomst met afspraken over de verdeling van de woning, waaronder een voorkeursrecht van de vrouw en een procedure voor waardebepaling door een deskundige.

De vrouw vorderde in hoger beroep dat de woning wordt verdeeld op basis van een taxatiewaarde van € 440.000,- per april 2023, terwijl de rechtbank de waarde van € 550.000,- per november 2024 hanteerde. Het geschil betrof vooral de vraag welke peildatum geldt voor de waardering.

Het hof oordeelde dat partijen wel afspraken hadden gemaakt over de peildatum, namelijk het moment waarop zij gezamenlijk opdracht geven tot taxatie, maar dat niet is komen vast te staan dat zij gezamenlijk een taxatieopdracht hebben gegeven. De vrouw kon dit niet bewijzen. Ook op grond van redelijkheid en billijkheid kon niet worden afgeweken van deze uitleg.

Daarom bekrachtigde het hof het vonnis van de rechtbank dat de woning wordt toegedeeld tegen de waarde van € 550.000,- per 25 november 2024. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd omdat zij ex-samenlevers zijn geweest.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de toedeling van de woning aan de vrouw tegen een waarde van € 550.000,- per 25 november 2024 en wijst de overige vorderingen af.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer : 200.357.455/01
zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/740363 / HA ZA 23-897
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonend in [plaats A] ,
appellante,
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden,
tegen
[de man] ,
wonend in [plaats A] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M.E.F. Stol te Hilversum.
Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1.De zaak in het kort

Deze zaak gaat over de vraag welke peildatum moet worden gehanteerd voor de waardering van een gemeenschappelijke woning in het kader van de verdeling daarvan, mede in het licht van de samenlevingsovereenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De vrouw is bij dagvaarding van 8 juli 2025 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 25 september 2024 en 9 april 2025 (hersteld bij herstelvonnis van 21 mei 2025) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de bestreden vonnissen), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie, eiser in reconventie. De dagvaarding behelst tevens een memorie van grieven, met producties.
2.2.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van antwoord, met producties;
- akte overleggen productie aan de zijde van de vrouw;
- antwoordakte aan de zijde van de man.
2.3.
Ten slotte is arrest gevraagd.

3.Feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Zij hebben samen een woning gekocht aan de [A-straat] te [plaats A] , hierna: de (gemeenschappelijke) woning. Partijen hebben vanaf 1 oktober 2021 in de woning samengewoond. In maart 2023 hebben partijen hun relatie verbroken, waarna de man in april 2023 uit de woning is vertrokken.
3.2.
De woning van partijen is gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening van € 540.750,- bij de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: de bank) en door een eigen bijdrage van de vrouw van € 139.235,-. De bank heeft tot meerdere zekerheid van haar vordering, naast een hypotheekrecht op de woning van partijen, ook een recht van tweede hypotheek gevestigd op het appartement van de man aan de [B-straat] in [plaats A] (hierna: het appartement).
3.3.
Partijen hebben op 22 juli 2022 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is in artikel 6, voor zover hier van belang, opgenomen dat de vrouw een vordering heeft op de man van € 69.617,50,- in verband met haar investering uit eigen middelen in de gemeenschappelijke woning. Daarbij is bepaald dat die vordering een jaarlijkse rente zal dragen van 1,990% en dat deze vordering of het restant daarvan terstond opeisbaar is bij (onder meer) verkoop en levering van het registergoed en bij beëindiging van de samenlevingsovereenkomst anders dan door overlijden of het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap.
In artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst hebben partijen verdere afspraken gemaakt over wat er met de woning moet gebeuren als hun samenleving wordt verbroken. Daarbij is onder meer het volgende opgenomen:
VERDELING VAN DE WONING DIE PARTIJEN GEZAMENLIJK TOEBEHOORT NA VERBREKING SAMENLEVING
Artikel 12
1.
Indien de samenleving anders dan door overlijden wordt verbroken en één van partijen wenst over te gaan tot het vervreemden van zijn aandeel in of tot het opheffen van de gemeenschap van het de partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende registergoed, is die partij verplicht zijn aandeel aan de andere partij, hierna ook te noemen: de voorkeursgerechtigde, schriftelijk en onvoorwaardelijk aan te bieden, onder de hierna opgenomen bepalingen.
Partijen komen overeen dat indien beide partijen het aandeel van de andere partij willen overnemen, [de man] verplicht is zijn aandeel aan [de vrouw] aan te bieden, onder de hierna opgenomen bepalingen; [de vrouw] is de eerste voorkeursgerechtigde
Bepalingen
de waarde van het registergoed zal worden vastgesteld in onderling overleg of - bij gebreke van overeenstemming daaromtrent - door één of meer gezamenlijk aan te wijzen deskundige(n), zulks op basis van de verkoop van het geheel en voorzover bij partijen (of één hunner) in gebruik volledig ontruimd en vrij van huren en andere gebruiksrechten en verder met inachtneming van de bestaande hypothecaire geldlening of de met medewerking van partijen daarvoor in de plaats tredende of daarnaast opkomende hypothecaire geldlening(en);
wordt ook over het aantal en/of de perso(o)n(en) van de aan te wijzen deskundige(n) geen overeenstemming verkregen, dan geschiedt de vaststelling van het aantal en de aanwijzing van de deskundige(n) door de bewaarder deze minuutakte of door de kantonrechter op de wijze als bepaald in het huidige artikel 679 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op verzoek van de meest gerede partij;
het aanbod dient te worden gedaan onder de voorwaarde dat de voorkeursgerechtigde de hypothecaire geldlening overneemt en de aanbieder zal laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid;
[…]
de voorkeursgerechtigde zal uiterlijk één maand nadat de waarde van het registergoed met inachtneming van de hiervoor genoemde bepalingen is vastgesteld aan de aanbiedende partij schriftelijk te kennen geven of hij van zijn voorkeursrecht op basis van de vastgestelde waarde onvoorwaardelijk gebruik wenst te maken;
indien de voorkeursgerechtigde van zijn voorkeursrecht gebruik wenst te maken zal de verdeling van het registergoed met betaling van het verschuldigde, waaronder de (eventuele) uitboedelingssom, geschieden binnen vier weken na kennisgeving als bedoeld in lid 1 sub e ten overstaan van een door de verkrijger aan te wijzen notaris.
[…].
3.4.
De woning is per 25 april 2023 getaxeerd op € 440.000,- door Vuurtoren De Makelaars B.V. Per 1 april 2023 bedroeg de hypothecaire geldlening € 499.510,07.
3.5.
De rechtbank heeft bij vonnis van 25 september 2024 een onderzoek door een deskundige bevolen voor de beantwoording van de vraag op welke marktwaarde de deskundige de woning taxeert (volledig ontruimd en vrij van huur en/of gebruiksrechten) per datum van de taxatie. De door de rechtbank als deskundige benoemde makelaar heeft op 5 december 2024 een taxatierapport uitgebracht. Uit het rapport volgt dat de woning per 25 november 2024 (datum taxatie) een marktwaarde had van € 550.000,-.

4.Vordering in hoger beroep

4.1.
De vrouw vordert de vonnissen waarvan beroep te vernietigen voor zover die zien op rechtsoverwegingen 5.4 en 5.5 van het eindvonnis van 9 april 2025 en voor zover die zien op rechtsoverweging 5.1 van het tussenvonnis van 25 september 2024 (hierna: de bestreden vonnissen) om in plaats daarvan te beslissen dat:
I.
primair:
te bepalen dat de woning conform de afspraken onder artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst in de verdeling wordt betrokken voor de waarde van € 440.000,-;
subsidiair
een onderzoek te bevelen aan de deskundige, de heer J.J. Herngreen RM-RT, werkzaam bij Nienaber makelaars B.V. voor beantwoording van de volgende vraag: op welke marktwaarde taxeert u per 23 april 2023 het woonhuis met ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden gelegen te [plaats A] , [A-straat] , kadastraal bekend gemeente Weesperkarspel, sectie C, nummers 1014 en 1197 (volledig ontruimd en vrij van huur en/of gebruiksrechten)?
II. de kosten van de procedure te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
III. een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.
4.2.
Volgens man moet het hof de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar vorderingen dan wel deze afwijzen.
5. De beoordeling
Beoordeling van de grieven
5.1.
De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, kort samengevat:
- bepaald dat de woning aan de vrouw wordt toegedeeld voor een waarde van € 550.000,-, onder de voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening van partijen; en
- de vrouw wegens overbedeling veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 25.244,97, onder de voorwaarde dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld en de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen.
5.2.
De vrouw heeft vier grieven aangevoerd tegen de bestreden vonnissen van de rechtbank. De grieven van de vrouw richten zich in de kern allemaal tegen de beslissing van de rechtbank dat de waarde van de woning opnieuw door een deskundige dient te worden vastgesteld tegen de datum van zijn taxatie. Volgens de vrouw heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat partijen geen afspraken hebben gemaakt over de peildatum voor de waardering van de woning. Zij stelt dat op basis van tussen partijen gemaakte afspraken een waardebepaling van de woning per 25 april 2023 heeft plaatsgevonden. De man is aan de uitkomst van die waardebepaling gehouden. Bovendien vloeit volgens de vrouw uit de redelijkheid en billijkheid voort dat moet worden afgeweken van het algemene uitgangspunt dat als peildatum voor de waardering van een te verdelen goed de datum van feitelijke verdeling geldt. De vrouw is verder van mening dat de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat de man heeft nagestreefd de woning langer onverdeeld te laten, zodat hij zou profiteren van de waardestijging van de woning. Tot slot heeft de vrouw aangevoerd dat in de samenlevingsovereenkomst een (wijze van) verdeling is overeengekomen. Dat de man weigerde om de gemaakte afspraken na te komen, kan en mag volgens de vrouw niet tot gevolg hebben dat daardoor de peildatum voor de waardering opschuift.
5.3.
De man heeft verweer gevoerd tegen de grieven van de vrouw. Het hof zal dat verweer, voor zover relevant, bij de hierna volgende beoordeling van de grieven betrekken.
5.4.
Bij de beoordeling van de grieven van de vrouw stelt het hof het volgende voorop. Artikel 3:182 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat als een verdeling wordt aangemerkt iedere rechtshandeling waartoe alle deelgenoten, hetzij in persoon, hetzij vertegenwoordigd, medewerken en krachtens welke een of meer van hen een of meer goederen der gemeenschap met uitsluiting van de overige deelgenoten verkrijgen. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279 volgt dat voor een verdeling nodig is dat partijen het erover eens zijn wie het te verdelen goed c.q. de te verdelen goederen krijgt en wat de financiële consequenties daarvan zijn. Daarbij geldt als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen in de regel de datum van de verdeling. Dit is slechts anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen, of als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard (vgl. HR 22 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7205).
Op grond van artikel 3:185 BW Pro heeft verder te gelden dat voor zover de deelgenoten en zij wier medewerking is vereist over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, de rechter op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling gelast of zelf de verdeling vaststelt, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang. Uit de woorden “
voor zover de deelgenoten […] niet tot overeenstemming kunnen komen” volgt dat het primaat van de verdeling bij de deelgenoten zelf ligt. Pas als de deelgenoten er zelf niet in slagen om afspraken te maken over de (elementen van) een verdeling, is er een rol voor de rechter weggelegd. Maken de deelgenoten zelf afspraken over de verdeling, dan zijn zij daaraan gebonden.
5.5.
Naar het oordeel van het hof hebben partijen in onderhavige zaak zelf afspraken gemaakt over de verdeling van de woning. Die afspraken liggen besloten in artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Uit artikel 12 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst volgt dat partijen afspraken hebben gemaakt over het (in de woorden van de samenlevingsovereenkomst) “
opheffen” van de gemeenschap en dat zij in dat kader zijn overeengekomen dat als de vrouw de woning toegedeeld wil krijgen, de man verplicht is om zijn aandeel in de woning aan de vrouw aan te bieden. In het kader van die aanbiedingsplicht hebben partijen afgesproken dat de waarde van de woning dient te worden vastgesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 12 lid 1 sub a en Pro b, waarna de vrouw op grond van sub e binnen één maand nadat de waarde van de woning is vastgesteld schriftelijk te kennen kan geven dat zij op basis van de vastgestelde waarde gebruik wil maken van haar voorkeursrecht. Indien de vrouw van dat voorkeursrecht gebruik wil maken, zal op grond van artikel 12 lid 1 sub f de Pro verdeling vervolgens binnen vier weken daarna plaatsvinden ten overstaan van een door de vrouw aan te wijzen notaris, onder betaling van een eventueel door haar verschuldigde overbedelingssom. Het hof is van oordeel dat in deze bepalingen, mede in hun onderlinge samenhang bezien, ook een afspraak besloten ligt over de peildatum voor de waarde waartegen de woning aan de vrouw moet worden toegedeeld. Het door partijen afgesproken stappenplan begint immers met de vaststelling van de waarde van de woning door een deskundige die is aangewezen op de wijze zoals in sub a of b is bepaald, waarna de vrouw binnen één maand na die vaststelling schriftelijk moet laten weten of zij de woning - naar de woorden van artikel 12 lid 1 sub f van Pro de samenlevingsovereenkomst - “
op basis van de vastgestelde waarde” toegedeeld wil krijgen. Een logische uitleg van deze afspraken brengt met zich dat met die vastgestelde waarde wordt bedoeld de waarde die is vastgesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 12 lid 1 sub a of Pro b van de samenlevingsovereenkomst. Het hof begrijpt de door partijen gemaakte afspraken daarmee aldus dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop zij aan een deskundige gezamenlijk de opdracht tot taxatie hebben gegeven (artikel 12 lid 1 sub Pro a) of het tijdstip waarop een deskundige door de notaris of de kantonrechter wordt aangesteld (artikel 12 lid 1 sub Pro b), althans het tijdstip waarop de aldus aangewezen deskundige zijn waardebepaling uitvoert, en dat de vrouw de woning vervolgens op basis van haar voorkeursrecht tegen die waarde toegedeeld kan krijgen. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen, dan wel onvoldoende, feiten of omstandigheden gesteld die een andere uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken kunnen ondersteunen. Het voorgaande betekent evenwel ook dat de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt niet zo uitgelegd moeten worden dat zij met elkaar zijn overeengekomen dat als peildatum voor waardering van de woning zonder meer het moment geldt waarop de vrouw aangeeft van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Indien en voor zover de vrouw een dergelijke uitleg van de samenlevingsovereenkomst heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de vrouw – mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een dergelijke uitleg kunnen rechtvaardigen.
5.6.
Uit het voorgaande volgt dat in de door partijen gemaakte afspraken over de verdeling ook een afspraak besloten ligt over de peildatum voor de waarde waartegen de vrouw de woning toegedeeld kan krijgen. Aan die afspraken zijn partijen in beginsel gebonden. De vraag is vervolgens of partijen deze afspraken ook zijn nagekomen. Zoals hiervoor reeds overwogen, dienden partijen in het kader van de aanbiedingsplicht als eerste stap de waarde van de woning vast te stellen. Bij gebreke van overeenstemming over die waarde zijn partijen overeengekomen dat zij die waarde door een of meer door partijen gezamenlijk aan te wijzen deskundige(n) zullen laten vaststellen (artikel 12 lid 1 sub Pro a). Lukt het partijen niet om gezamenlijk een deskundige aan te wijzen, dan zal de notaris of de kantonrechter een deskundige aanwijzen (zie artikel 12 lid 1 sub Pro b). Partijen verschillen met elkaar van mening over het antwoord op de vraag of zij deze afspraak zijn nagekomen. De vrouw heeft gesteld dat partijen in april 2023 gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan Vuurtoren De Makelaars B.V. om de waarde van de woning vast te stellen. De keuze voor deze makelaar is volgens de vrouw in onderling overleg tot stand gekomen en de man is volgens de vrouw vooraf en tijdig geïnformeerd over het moment waarop de taxatie plaats zou vinden. De man heeft er vervolgens zelf voor gekozen om niet bij die taxatie aanwezig te zijn. De man heeft betwist dat hij samen met de vrouw aan Vuurtoren De Makelaars B.V. de opdracht heeft gegeven om de waarde van de woning vast te stellen. Volgens de man is deze taxatie uitsluitend in opdracht van de vrouw verricht. Het is voor hem dan ook onbekend waarom hij als opdrachtgever in het taxatierapport is vermeld. De man is evenmin betrokken geweest bij de taxatie. Hij is er niet van op de hoogte gesteld wanneer de taxatie zou plaatsvinden en is daarbij (dus) ook niet aanwezig geweest. De man is pas achteraf geïnformeerd over de taxatie en de daaruit voortvloeiende waarde van de woning van € 440.000,-.
5.7.
Het hof oordeelt als volgt. De vrouw stelt dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan Vuurtoren De Makelaars B.V. tot taxatie van de woning en doet een beroep op de rechtsgevolgen van deze stelling. Zij stelt immers dat partijen daarmee uitvoering hebben gegeven aan de afspraken die zij in artikel 12 lid 1 sub a van Pro de samenlevingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt en dat de man gebonden is aan de uitkomst van deze taxatie. Dit betekent dat op grond van de hoofdregels van artikel 149 en Pro 150 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op de vrouw de stelplicht en bewijslast van deze stelling rust. Naar het oordeel van het hof is de vrouw niet geslaagd in het bewijs van haar stelling dat partijen gezamenlijk aan Vuurtoren De Makelaars B.V. de opdracht hebben gegeven om de waarde van de woning vast te stellen. De enige objectieve aanwijzing voor de juistheid van deze stelling is dat beide partijen in het taxatierapport als opdrachtgever staan vermeld. Daar staat echter tegenover dat de man gemotiveerd heeft betwist dat hij mede de opdracht voor deze taxatie heeft gegeven en dat het voor hem niet duidelijk is waarom hij als medeopdrachtgever in het rapport is vermeld. Daarbij heeft hij onbetwist gesteld dat de vrouw de contacten met de makelaar heeft gevoerd, hij niet bij de taxatie aanwezig was (hetgeen
an sichniet door de vrouw is betwist) en hij pas achteraf van het rapport heeft kennisgenomen. Daarbij merkt het hof nog op dat het niet voldoende is dat de man mogelijk wel wist dat de vrouw de woning door Vuurtoren De Makelaars B.V. zou gaan laten taxeren en hij tegen de vrouw heeft gezegd dit prima te vinden. Waar het immers om gaat is dat de vrouw dient te bewijzen dat partijen samen de opdracht hebben gegeven tot taxatie ter uitvoering van de afspraken die zij in artikel 12 lid 1 sub a van Pro de samenlevingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt. Daaraan voegt het hof nog toe dat ook uit de correspondentie die de vrouw als productie 7 in eerste aanleg heeft overgelegd lijkt te volgen dat uitsluitend de vrouw de opdracht tot taxatie heeft verleend. Zo schrijft de vader van de vrouw in zijn bericht aan de man van 25 mei 2023 onder meer (onderstreping hof):
“[…]
[de vrouw] heeft een taxatie laten opmakendoor dezelfde partij die ook betrokken was bij de aankoop. Nu is de vraag wat jij hier over denkt. […].”
En in zijn mailbericht aan de man van 28 mei 2023 schrijft de vader van de vrouw aan de man (onderstrepingen hof):

Beste [de man] ,
Op basis van het samenlevingscontract dat jullie hebben laten opmaken, komen we tot de volgende conclusie.
Als jullie gezamenlijk niet tot een overeenkomst kunnen komen, dient de waarde bepaald te worden door een of meer hiervoor gecertificeerde taxateurs. Ik kan me er wel wat bij voorstellen dat de punten die jij hebt benoemd niet voldoende meegenomen zijn in de eerste taxatie. Dus hoe komen we tot een waardebepaling? [de vrouw] heeft al aangegeven bereid te zijn hierover te praten.Gezien jij het blijkbaar niet eens bent met de taxatie die [de vrouw] heeft laten doen, is het dan niet verstandig dat jij ook een taxatie laat doen?
Gezien het verweer van de man, en gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, had het op de weg van de vrouw gelegen om nader bewijs aan te dragen van haar stelling dat beide partijen opdracht hebben gegeven aan Vuurtoren De Makelaars B.V. Dat had zij bijvoorbeeld kunnen doen door berichten over te leggen waaruit volgt dat de man ermee instemde dat Vuurtoren De Makelaars B.V. de woning zal taxeren of bewijs over te leggen waaruit volgt dat hij heeft aangegeven niet bij de taxatie aanwezig te willen zijn. Dat heeft de vrouw echter niet gedaan. Evenmin heeft zij in hoger beroep een (gespecificeerd) bewijsaanbod gedaan. Dit betekent dat de vrouw er naar het oordeel van het hof niet in is geslaagd om te bewijzen dat partijen gezamenlijk opdracht hebben gegeven aan Vuurtoren De Makelaars B.V. om de waarde van de woning te taxeren.
5.8.
Hiervoor heeft hof in rechtsoverweging 5.5. geoordeeld dat artikel 12 lid 1 van Pro de samenlevingsovereenkomst van partijen zo moet worden uitgelegd dat zij met elkaar zijn overeengekomen dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop zij aan een deskundige gezamenlijk de opdracht tot taxatie hebben gegeven (artikel 12 lid 1 sub Pro a) of het tijdstip waarop een deskundige door de notaris of de kantonrechter wordt aangesteld (artikel 12 lid 1 sub Pro b), althans het tijdstip waarop de aldus aangewezen deskundige zijn waardebepaling uitvoert, en dat de vrouw de woning tegen de op die wijze vastgestelde waarde toegedeeld kan krijgen. Nu het ervoor moet worden gehouden dat partijen aan Vuurtoren De Makelaars B.V. geen gezamenlijke opdracht tot taxatie van de woning hebben gegeven, kan de datum waarop deze taxatie is verricht op grond van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen dus niet als peildatum voor waardering van de woning gelden. Evenmin kan de uitkomst van dit taxatierapport worden gebruikt ter bepaling van de waarde waartegen de woning aan de vrouw kan worden toegedeeld. De vraag is vervolgens of, zoals de vrouw heeft bepleit, dan toch niet op grond van de redelijkheid en billijkheid moet worden uitgegaan van de door haar bepleitte peildatum voor de waardering van de woning (april 2023) dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid alsnog moet worden aangesloten bij de uitkomst van het taxatierapport van Vuurtoren De Makelaars B.V. De vrouw heeft daartoe aangevoerd dat de man de toedeling van de woning aan haar heeft vertraagd, onder meer doordat hij stelde het door hem aan haar op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst verschuldigde bedrag van € 69.617,50 niet te kunnen betalen. Hij heeft zelf geen actie ondernomen en heeft niet zelf aan de notaris of de kantonrechter gevraagd om een deskundige te benoemen. De bezwaren van de man zagen ook niet zozeer op de inhoud van het rapport van Vuurtoren De Makelaars B.V., maar vooral op het feit dat hij het door hem op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst verschuldigde bedrag van € 69.617,50 niet zou kunnen betalen. De man weigerde verder om mee te werken aan de uitoefening van het voorkeursrecht dat de vrouw op grond van de samenlevingsovereenkomst had. De man wilde de woning verkopen, omdat hij verwachtte dat dan een hogere opbrengst zou kunnen worden gerealiseerd. De man heeft volgens de vrouw de verdeling bewust tegengehouden, met als doel te profiteren van de waardestijging van de woning terwijl de vrouw alle lasten van de woning moest blijven doorbetalen. De vrouw heeft er verder op gewezen dat zij haar eigen woning heeft verkocht en de overwaarde daarvan heeft aangewend om de gemeenschappelijke woning te kunnen kopen. De man heeft geweigerd om ook zijn appartement te verkopen. Daardoor hebben partijen meer geld bij de bank moeten lenen, waardoor de lasten van de gemeenschappelijke woning hoger zijn geworden. Doordat de man vervolgens weigerde om zijn medewerking te verlenen aan de uitoefening van het voorkeursrecht door de vrouw, heeft zij deze (hogere) lasten onnodig lang volledig voor haar rekening moeten nemen.
5.9.
Naar het oordeel van het hof zijn de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden, zo al juist, onvoldoende om op grond van de redelijkheid en billijkheid als peildatum voor de waardering van de woning alsnog uit te gaan van het moment waarop Vuurtoren De Makelaars B.V. de waarde van de woning heeft vastgesteld of van het moment waarop de vrouw heeft aangegeven van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Evenmin dient op grond van de redelijkheid en billijkheid voor de waarde van de woning alsnog aan te worden gesloten bij de uitkomst van het taxatierapport van Vuurtoren De Makelaars B.V. Ook hier geldt immers als uitgangspunt dat de man niet gebonden was aan de uitkomst van het taxatierapport van Vuurtoren De Makelaars B.V. omdat dit niet mede in zijn opdracht tot stand is gekomen. Aldus was de man ook niet gehouden om mee te werken aan toedeling van de woning aan de vrouw tegen de waarde die door Vuurtoren De Makelaars B.V. was vastgesteld. Als de vrouw alsnog zo snel mogelijk van haar voorkeursrecht gebruik had willen maken, had het op haar weg gelegen om alsnog in gezamenlijk opdracht met de man tot een waardering van de woning te komen of aan de notaris dan wel kantonrechter om benoeming van een deskundige te verzoeken. De (gevolgen van de) vertraging die is (zijn) ontstaan doordat de vrouw dit heeft nagelaten (waaronder ook het doorlopen van de lasten van de woning), zijn niet aan de man toe te rekenen. Voor zover de vrouw heeft bedoeld te stellen dat de man op grond van de redelijkheid en billijkheid alsnog is gehouden aan de uitkomst van de taxatie van Vuurtoren De Makelaars B.V. omdat zijn bezwaren bij de verdere afwikkeling er vooral op zagen dat hij het door hem op grond van artikel 6 lid 2 van Pro de samenlevingsovereenkomst verschuldigde bedrag van € 69.617,50 niet zou kunnen betalen, volgt het hof haar daarin evenmin. De man heeft immers ook inhoudelijke bezwaren tegen de uitkomst van het taxatierapport geuit.
5.10.
In hoger beroep heeft de vrouw primair gevorderd dat de woning conform de afspraken in artikel 12 van Pro de samenlevingsovereenkomst voor een bedrag van € 440.000.- in de verdeling wordt betrokken. Subsidiair heeft zij gevorderd de waarde van de woning door een andere deskundige te laten vaststellen per 23 april 2023. Uit al hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen volgt dat het hof - anders dan de rechtbank - weliswaar van oordeel is dat partijen in hun samenlevingsovereenkomst (ook) afspraken hebben gemaakt over de peildatum voor de waardering van de woning, maar dat die afspraak inhoudt dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop zij aan een deskundige gezamenlijk de opdracht tot taxatie hebben gegeven (artikel 12 lid 1 sub Pro a) of het tijdstip waarop een deskundige door de notaris of de kantonrechter wordt aangesteld (artikel 12 lid 1 sub Pro b), althans het tijdstip waarop de aldus aangewezen deskundige zijn waardebepaling uitvoert. Nu niet is komen vast te staan dat partijen gezamenlijk een opdracht tot taxatie hebben gegeven, en tussen hen vast staat dat ook geen deskundige door de notaris of de kantonrechter is aangewezen, hebben partijen geen uitvoering gegeven aan de afspraken die zij over de waardering in artikel 12 lid Pro sub a en b van de samenlevingsovereenkomst hebben gemaakt. Dat betekent dat de vrouw alsnog nakoming van deze afspraken kan vorderen. Gegeven de inhoud van de gemaakte afspraken kan dat er evenwel niet toe leiden dat de woning alsnog voor een bedrag van € 440.000,- in de verdeling moet worden betrokken. Evenmin is er grond om een nieuwe waardebepaling per 25 april 2023 te gelasten (de vrouw spreekt in haar petitum van 23 april 2023, maar omdat het eerdere taxatierapport op 25 april 2023 is opgesteld gaat het hof er van uit dat de vrouw laatstgenoemde datum bedoelt). Daarvoor zou immers alleen maar grond kunnen bestaan als de door partijen gemaakte afspraken zo zouden moeten worden uitgelegd dat zij met elkaar zijn overeengekomen dat als peildatum voor waardering van de woning het moment geldt waarop de vrouw heeft aangegeven van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.5. reeds is overwogen, heeft de vrouw voor een dergelijke uitleg evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld. Nu de vrouw verder geen grieven heeft gericht tegen de beslissing van de rechtbank om de woning aan haar toe te delen tegen een waarde van € 550.000,- per 25 november 2024, betekent dit dat het hof de vonnissen van de rechtbank in zoverre zal bekrachtigen.
Proceskosten
5.11.
Het hof zal de proceskosten op grond van artikel 237 Rv Pro tussen partijen compenseren omdat zij ex-samenlevers zijn geweest.
Conclusie
5.12.
Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6.Beslissing

Het hof:
6.1.
bekrachtigt de bestreden vonnissen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
6.2.
bepaalt dat partijen hun eigen proceskosten dragen;
6.3.
wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mr. T.M. Subelack, mr. R.M. Troost en mr. M. Overmars en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.