Uitspraak
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
Indien de samenleving anders dan door overlijden wordt verbroken en één van partijen wenst over te gaan tot het vervreemden van zijn aandeel in of tot het opheffen van de gemeenschap van het de partijen in gemeenschappelijke eigendom toebehorende registergoed, is die partij verplicht zijn aandeel aan de andere partij, hierna ook te noemen: de voorkeursgerechtigde, schriftelijk en onvoorwaardelijk aan te bieden, onder de hierna opgenomen bepalingen.
4.Vordering in hoger beroep
primair:
voor zover de deelgenoten […] niet tot overeenstemming kunnen komen” volgt dat het primaat van de verdeling bij de deelgenoten zelf ligt. Pas als de deelgenoten er zelf niet in slagen om afspraken te maken over de (elementen van) een verdeling, is er een rol voor de rechter weggelegd. Maken de deelgenoten zelf afspraken over de verdeling, dan zijn zij daaraan gebonden.
opheffen” van de gemeenschap en dat zij in dat kader zijn overeengekomen dat als de vrouw de woning toegedeeld wil krijgen, de man verplicht is om zijn aandeel in de woning aan de vrouw aan te bieden. In het kader van die aanbiedingsplicht hebben partijen afgesproken dat de waarde van de woning dient te worden vastgesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 12 lid 1 sub a en Pro b, waarna de vrouw op grond van sub e binnen één maand nadat de waarde van de woning is vastgesteld schriftelijk te kennen kan geven dat zij op basis van de vastgestelde waarde gebruik wil maken van haar voorkeursrecht. Indien de vrouw van dat voorkeursrecht gebruik wil maken, zal op grond van artikel 12 lid 1 sub f de Pro verdeling vervolgens binnen vier weken daarna plaatsvinden ten overstaan van een door de vrouw aan te wijzen notaris, onder betaling van een eventueel door haar verschuldigde overbedelingssom. Het hof is van oordeel dat in deze bepalingen, mede in hun onderlinge samenhang bezien, ook een afspraak besloten ligt over de peildatum voor de waarde waartegen de woning aan de vrouw moet worden toegedeeld. Het door partijen afgesproken stappenplan begint immers met de vaststelling van de waarde van de woning door een deskundige die is aangewezen op de wijze zoals in sub a of b is bepaald, waarna de vrouw binnen één maand na die vaststelling schriftelijk moet laten weten of zij de woning - naar de woorden van artikel 12 lid 1 sub f van Pro de samenlevingsovereenkomst - “
op basis van de vastgestelde waarde” toegedeeld wil krijgen. Een logische uitleg van deze afspraken brengt met zich dat met die vastgestelde waarde wordt bedoeld de waarde die is vastgesteld op de wijze zoals bepaald in artikel 12 lid 1 sub a of Pro b van de samenlevingsovereenkomst. Het hof begrijpt de door partijen gemaakte afspraken daarmee aldus dat partijen met elkaar zijn overeengekomen dat de waarde van de woning moet worden vastgesteld op het tijdstip waarop zij aan een deskundige gezamenlijk de opdracht tot taxatie hebben gegeven (artikel 12 lid 1 sub Pro a) of het tijdstip waarop een deskundige door de notaris of de kantonrechter wordt aangesteld (artikel 12 lid 1 sub Pro b), althans het tijdstip waarop de aldus aangewezen deskundige zijn waardebepaling uitvoert, en dat de vrouw de woning vervolgens op basis van haar voorkeursrecht tegen die waarde toegedeeld kan krijgen. Naar het oordeel van het hof heeft de man geen, dan wel onvoldoende, feiten of omstandigheden gesteld die een andere uitleg van de tussen partijen gemaakte afspraken kunnen ondersteunen. Het voorgaande betekent evenwel ook dat de afspraken die partijen met elkaar hebben gemaakt niet zo uitgelegd moeten worden dat zij met elkaar zijn overeengekomen dat als peildatum voor waardering van de woning zonder meer het moment geldt waarop de vrouw aangeeft van haar voorkeursrecht gebruik te willen maken. Indien en voor zover de vrouw een dergelijke uitleg van de samenlevingsovereenkomst heeft bepleit, is het hof van oordeel dat de vrouw – mede in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een dergelijke uitleg kunnen rechtvaardigen.
an sichniet door de vrouw is betwist) en hij pas achteraf van het rapport heeft kennisgenomen. Daarbij merkt het hof nog op dat het niet voldoende is dat de man mogelijk wel wist dat de vrouw de woning door Vuurtoren De Makelaars B.V. zou gaan laten taxeren en hij tegen de vrouw heeft gezegd dit prima te vinden. Waar het immers om gaat is dat de vrouw dient te bewijzen dat partijen samen de opdracht hebben gegeven tot taxatie ter uitvoering van de afspraken die zij in artikel 12 lid 1 sub a van Pro de samenlevingsovereenkomst met elkaar hebben gemaakt. Daaraan voegt het hof nog toe dat ook uit de correspondentie die de vrouw als productie 7 in eerste aanleg heeft overgelegd lijkt te volgen dat uitsluitend de vrouw de opdracht tot taxatie heeft verleend. Zo schrijft de vader van de vrouw in zijn bericht aan de man van 25 mei 2023 onder meer (onderstreping hof):
[de vrouw] heeft een taxatie laten opmakendoor dezelfde partij die ook betrokken was bij de aankoop. Nu is de vraag wat jij hier over denkt. […].”
Beste [de man] ,